Met weersvoorspellingen die als donderwolken boven ons hoofd hangen, maar een line-up die in de donkerste herfstdagen nog een zonnig lichtpunt zou zijn, reizen we dit weekend samen met 55.000 anderen weer af naar de Flevopolder. Lowlands Festival 2019 is een feit en The Daily Indie is het hele weekend aanwezig om verslag uit te brengen, met zoals je gewend bent, extra aandacht voor de onderkant van het affiche.

Tekst Robin van Essel
Foto’s Tineke Klamer

Terug in de polder! Lowlands voelt altijd als thuiskomen, of je nou al een veteraan bent met 23 versleten polsbandjes om, of voor de eerste keer bent afgereisd naar Biddinghuizen. Het beste festival van Nederland slaagt er keer op keer in om enerzijds te voelen als een goed georganiseerd, warm bad, en anderzijds elk jaar veranderingen aan te brengen die ervoor zorgen dat het zelfs voor de meest doorgewinterde bezoeker toch niet voelt als herhalingsoefening. Hoe kan het ook: met meer dan 250 optredens, van geïmproviseerd straattheater via duurzaam restaurant tot absolute headliners. Er is vrij letterlijk voor ieder wat wils, iets dat zich overigens niet helemaal vertaalt naar de bezoekers: die zijn in 2019 nog steeds heel blank, hoogopgeleid en lid van de VPRO.

 

Verkeersinfarct
Ook al vanouds: het verkeersinfarct op N306 donderdagochtend. Lowlands wordt steevast elk jaar drukker bezocht op de nog-niet-festival-donderdag, waardoor de organisatie een paar jaar terug besloot van de nood een deugd te maken en het terrein al een dag eerder open te gooien, zij het op wat lager volume (of als silent disco). Inmiddels kan bijna wel gesproken worden van een volwaardige festivaldag; desondanks is bij de gemeente aankloppen voor een volledige vergunning blijkbaar nog wat te gortig. Dat zou natuurlijk ook betekenen dat de bezoeker dan zou verwachten dat die dag dan ook volwaardig geprogrammeerd zou worden, met alle gevolgen voor budget (en ticketprijs) van dien.

Het leeuwendeel van de bijna zestigduizend bezoekers kruipt vrijdagochtend enigszins verbaasd uit zijn tentje: zonnetje, 25 graden? Wacht effe, daar hadden we niet op gerekend in wat vooraf door de mensen bij de KNMI werd gelabeld als: ‘extreem herfstachtige omstandigheden, en dat midden augustus.’ Maar de weergoden zijn Lowlands goed gezind: het blijft de hele dag droog. Sterker nog: het is gewoon lekker zomers.

 

Kan niet meer stuk, denken we wanneer we het terrein oplopen voor Girl In Red. Naar de tijdsgeest, waar Lowlands eigenlijk altijd al een haarfijn gevoel voor heeft gehad, durft het festival opvallend vaak relatief obscure Soundcloud-artiesten een podium te bieden, niet zelden de opmaat naar een Nederlandse of Europese doorbraak. De Noorse tiener Marie Ulven, die schuilgaat achter Girl In Red, was vorig jaar nog zo’n artiest, totdat de New York Times haar liedje I Want To Be Your Girlfriend oppikte en tot hit bombardeerde. Iedere generatie heeft zo’n rolmodel, die de angsten en onzekerheden van de leeftijdsgroep haarfijn weet te verwoorden en een dito publiek aanspreekt. Voor jou was het misschien Alex Turner of Snoop Dogg, Girl is Red is het voor het groepje pubers dat vooraan staat in de India, hangend aan Ulvens lippen en zichzelf naadloos herkennend in de vrolijke teksten over eetstoornissen, afwijzingen en zomerdepressies over van die typische Scandinavische, ongevaarlijke indiepoprock. Als je niet tot de doelgroep behoort, vraag je je wellicht af wat je hier doet (of word ik gewoon oud?).

Als de vrijdagmiddag van Lowlands een graadmeter is, gaat het blijkbaar goed met de Nederlandse muziekscene, want het programma wordt gedomineerd nationale acts. Terwijl rapper Donnie niet om aan te horen is in de Bravo (generatiekloofje ook weer zeker), Ronnie Flex met zijn Deuxperience-band de Alpha afbreekt, zijn we vooral verbaasd over de ontwikkeling die YIN YIN doormaakte. Van de obscure indie-emobandjes Baby Galaxy en Bounty Island, waar de band uit voortkwam, is niets meer te bekennen: de Maastrichtenaren rocken de Lima-tent van begin tot eind met hun vlotte oriëntaals klinkende funk. Heel authentiek is het allemaal niet, maar dat het werkt op een festival is zo zeker als de zonsondergang.

 

Zelfde respect en verbazing voelen we bij Meetsysteem. Het project van Ricky Cherim spotten we dit voorjaar voor het eerst op Motel Mozaique, bracht een prima debuutplaat uit op het Rotterdamse kwaliteitsdancelabel Nous’klaer (van onder meer Oceanic) en staat nu gewoon voor een volle X-Ray op Lowlands. Het succes is niet heel verbazingwekkend: Meetsysteem is een halve viralhit in de trant van LO-FI LE-VI of Karel, klinkt als gelijke delen Spinvis en Merol, maar dan met band, en zonder beffen. De melancholieke jaren tachtig-synthsoundscapes maken hier en daar (dankzij de bongo’s) een uitstapje naar de exotische sound, die ook bands als YIN YIN en The Mauskovic Dance Band zo populair maakt. Cherim heeft dezelfde, diepzinnige literaire teksten van Spinvis, maar niet zijn charisma, waardoor de verstilde ambient in eerste instantie niet helemaal lekker uit de verf komt bij het stief doorlullende publiek in de X-Ray. Wanneer met Vraag Je Af het tempo wat omhoog gaat en er blazers op het podium komen, pakt het wel. Het nummer houdt het publiek een spiegel voor over hun eigen verantwoordelijkheid voor klimaatverandering, en met enige festivalshame aan onze kant concluderen we dan maar dat het predicaat ‘viralhit’ Meetsysteem veel te kort doet.

 

Over viralhits gesproken. Ken je de Facebookpagina ‘Shit Towns Of Australia’? Daarop wordt elk dorp en stad in het land verbaal met de grond gelijkgemaakt, met als gevolg gefrustreerde, vaak hilarische reacties van de inwoners van de shit town in kwestie, tot aan doodsbedreigingen aan het adres van des schrijvers aan toe. Favoriete bezigheid van die pagina is het afdoen van die reaguurders als ‘bogans’, het Australische woord voor sjonnie, tokkie. En de drie boys van The Chats zijn zo bogan als je het maar gaat krijgen. Dat matje van zanger en bassist Eamon Sandwith verzin je niet, hoor. De band verwierf vorig jaar cultstatus met pubrockkraker Smoko (Aussie slang voor ‘smoke break’), maar liet op London Calling al horen meer dan dat hitje te zijn.

Het is snoeihard immer-gerade-aus rammen, blijkt als de band naar goed punkgebruik er in het eerste kwartier zeven tracks doorheen jast en nog tijd over heeft voor puberale praatjes over rukken, soa’s, zwartrijden en een ode aan Victoria Bitter (‘The best beer in the world’, aldus Sandwith, iets waar de meningen nogal over verdeeld zijn). De X-Ray dampt al met de onmiskenbare geur van zweet van begintwintigers die woensdag voor de laatste keer een douche hebben gezien, maar het tempo gaat wel snel vervelen. Kiss-cover I Wanna Rock N Roll All Night is de meest melodieuze track in de set – en dan is voor het publiek de vijftig minuten die ze moeten wachten op het hitje, ineens veel gevraagd. Na elk nummer wordt de roep om ‘SMOKO!’ in het publiek luider. The Chats staat hier dankzij die track, maar het is zoals zo vaak bij dat soort gevallen, ook direct zijn grootste kwelling. Niet dat die bogans daar zelf erg mee zullen zitten, trouwens.

 

Terwijl Two Feet – ook al doorgebroken via Soundcloud – in de India staat, blijven we in de X-Ray hangen voor PUP. De band uit Toronto is een van de leukste punkbands die we afgelopen jaar voorbij zagen komen. Muzikaal is het allemaal niet grensverleggend, maar de muziek die rechtstreeks uit een highschoolfilm van begin jaren 2000 lijkt te komen – denk SUM41, Blink-182 – is een fijne trip down memory lane voor ieder die terugverlangt naar alles wat mooi was aan de onschuldige tienerzomers op de middelbare school. Frontman Stefan Babcock heeft er zichtbaar lol in en springt regelmatig het kolkende publiek in. Als hij voor afsluiter DVP zijn gitaar afdoet en even hardcore punkfrontman speelt wordt het zowaar even dreigend, maar verder is PUP fijn en ongevaarlijk. De tijden dat dit soort acts zo keihard doorbraken zoals Blink-182 dat deed, zijn wel definitief voorbij, maar als er een band is die dat in zich heeft, is het PUP wel. Het is een aangename break van de boze Brexit-bands aan deze kant van de Atlantische Oceaan.

 

Daarover gesproken: op papier een van de indie-highlights van de vrijdag is Fontaines D.C. Wel een boze band en eentje die keihard ging afgelopen jaar. Na het uitbrengen van het waanzinnige debuut Dogrel, waarop de band de tijdsgeest in de grauwe, harde wanhoop van Dublin perfect wist te vangen, speelde het vijftal zich via Eurosonic en Motel Mozaïque de eredivisie van de Nederlandse festivals in. De band uit Dublin heeft inmiddels een ontzettend robuuste sound ontwikkeld, die op Lowlands de India-tent makkelijk aankan. Maar toch voelen we, net als op Motel Mozaïque in april, de magie die we op plaat horen toch niet helemaal. Frontman Grian Chatten ijsbeert gejaagd over het podium, maar de rest van de band is nogal statisch en afstandelijk. In een klein zaaltje is dat cool, maar in de grote tent slaat het toch wat dood. Gelukkig heeft de band met Too Real, Big en Boys In The Better Land zo’n fucking waanzinnige songs op het repertoire, dat er uiteindelijk toch voorzichtig een feestje gevierd kan worden.

 

We spraken begin dit jaar nog rond het uitkomen van album The Weight met Weval. In dat gesprek verklapte het Amsterdamse producersduo dat er een show op Lowlands aankwam, net als dat ze dit najaar ADE gaan openen in het Concertgebouw. Eerst moest het nieuwe werk van The Weight nog even helemaal kapot geoefend worden. We zeiden ooit over Weval dat het haarfijne gevoel voor timing dat Harm Coolen en Merijn Scholte-Aalbers samen hebben, met een volledige band niet helemaal lekker uit de verf kwam. Hoe anders is het op Lowlands anno 2019: Weval is waan-zin-nig goed op dreef in de grote Heineken-tent. Het is staat als een huis: strak, robuust, met volume, maar ook met ruimte voor improvisaties.

Naast het nieuwe werk van The Weight hebben ook oude tracks als Rooftop Paradise en Gimme Some, die inmiddels bijna als klassiekers aandoen, live een nieuw jasje gekregen. Het is volumneuze electronische muziek die op maat lijkt gemaakt voor een groot festival, maar het wordt nergens platte publieksmennerij: Weval speelt net zo makkelijk moeilijk verteerbare stukken ambient, of zelfs klassiek. De band heeft duidelijk alle spanning en prestatiedrang van zich afgegooid en die vrijheid doet meer dan goed. Sterker nog: we zijn vrij sprakeloos, als we na het optreden via een fijn housesetje van Honey Dijon de eerste officiële Lowlandsnacht in dansen.


 

 

Valkhof Festival
13 t/m 19 juli

Het gaat hard met de Ierse postpunkers van Fontaines D.C. Al voor de release van debuutalbum Dogrel is de band hard op weg om een gevestigde naam te worden binnen de scene. Dat uit zich onder meer in shows, veel shows. Onder meer op het gratis toegankelijke Valkhof Festival deze zomer in Nijmegen. Het vijftal is nog maar een paar dagen terug uit Austin voor een negental shows op South By Southwest als we de heren treffen in het Backstage Hotel in Amsterdam.

Tekst Reinier van der Zouw
Foto’s Tom van Huisstede

Frontman Grian Chatten lijkt de jetlag nog te voelen en zit deze ronde van de persdag even uit. We krijgen gitarist Conor Curley en bassist Conor ‘Deego’ Deegan III te spreken. We voelen ze aan de tand over de haat-liefdeverhouding van de band met hun thuisstad Dublin en hoe je toch van een stad kunt houden waar je bijna onmogelijk een voet aan de grond kan krijgen. “Zo is Ierland nou eenmaal. Je gaat er weg en niemand kraait naar je, maar zodra je dan succesvol terugkomt, vindt iedereen je geweldig.”

Sommige albums ademen echt de sfeer van een stad op een bepaald moment. Turn On The Bright Lights van Interpol heeft dat met New York aan het begin van deze eeuw, Bowie’s Berlijn-trilogie met die stad aan het einde van de seventies. Dogrel ademt in vrijwel alles Dublin. Hoe hebben jullie de essentie van de stad proberen te vangen?
CD: “We begonnen gewoon met schrijven over de dingen die we om ons heen zagen. We zochten naar authenticiteit, wat begon met Grian die besloot in zijn eigen accent te zingen. Toen vormde zich al snel het idee dat we een band zijn die verhalen vertelde over Dublin. Maar we willen vooral menselijke verhalen vertellen en mensen zijn overal fundamenteel hetzelfde. Dus eigenlijk maakt het niet uit over welke stad we zingen. Het Dublins accent en de straatnamen, daardoor lijkt het misschien een Dublin-album. Dat is prima, want het is tenminste authentiek, maar het is ook redelijk oppervlakkig.”

Waren er bands of personen in Dublin die in het bijzonder inspirerend voor jullie waren? 
CD: “Jazeker, Girl Band. Die band is een grote inspiratiebron voor ons. Zij kwamen ongeveer op in Dublin in de nasleep van een recessie, dus de muziekindustrie lag redelijk op zijn gat. Dan laat Girl Band zijn gezicht zien en beginnen die jongens super vreemde en unieke en authentieke muziek te maken, die toch weet aan te slaan. Dat uitte zich al snel in een contract bij Rough Trade. Als je dan een jonge knul bent die graag bij een band wil, is het een openbaring dat dat ook met rare muziek kan, dat je geen radiovriendelijke popmuziek hoeft te maken om door te breken. Dat was erg inspirerend.”

CC: “Nog iemand die belangrijk voor ons was, is de man die onze eerste paar singles produceerde: Dan Doherty van Darklands Studio. Hij was de perfecte persoon voor ons om mee te werken op dat punt, want hij gaf ons alle ruimte om ons door de muziek te laten leiden. Dat niveau van vrijheid was voor ons enorm fijn, omdat we nog niet bijster veel hadden opgenomen en alles op ons gemak konden ontdekken. Hij runt die studio in zijn eentje, en is een groot figuur in de muziekscene in Dublin momenteel.”

Mag ik albumopener en single Big opvatten als een mission statement voor de hele band? ‘My childhood was small, but I’m gonna be big.’
CD: “Absoluut. Daarom is het de opener. Als nummer gaat het over een personage dat zichzelf opstelt als een echte tough guy “Dubin in the rain is mine”. Hij vindt dat de stad van hem is en is erg ambitieus. We willen overbrengen dat dat ook een schadelijke kant heeft en dat het niet per se iets goeds is om je zo op te stellen. Het gaat over de zwaktes van bravoure.”

In de videoclip wordt dit personage vertolkt door een uiterst schattig playbackend kind, wat denk ik wel duidelijk maakt dat er ook iets van een knipoog in de tekst zit. Waar kwam het idee voor die clip vandaan?
CD: “Het idee om iemand te volgen die rondloopt in Dublin komt voort uit een alternatieve take die Grian en ik hadden opgenomen voor de video van Hurricane Laughter, toen we nog niet zeker wisten of we de uiteindelijke video voor dat nummer ook echt konden uitbrengen. We liepen gewoon rond met een telefooncamera en filmden hoe Grian de lyrics zong. Dat idee wilden we altijd eens gebruiken. Wiens idee het was om dat voor deze te doen weet ik niet meer.”

CC: “Ik vond het een heel aantrekkelijk idee om zo’n jonge knul te gebruiken als stand-in voor Grian, zonder dat ‘ie nou echt een jonge versie van hem moet voorstellen of iets dergelijks, maar die route volgen leek mij leuk omdat het wat anders was dan al onze andere video’s. Het hield ons buiten beeld, wat we ook wel eens wilden doen. Het voelde alsof al onze video’s tot dan toe gewoon lieten zien hoe wij naast dingen stonden.”

CD: “Ja, het was fijn om eens wat anders te doen dan standaard performance-video’s.

Wat maakt Moore Street voor jullie zo’n kenmerkende Dublin-straat? 
CD: “Het is niet echt een van de grotere straten, maar het is een straat waar veel geschiedenis aan verbonden is. Moore Street is een straat waar mensen vis, fruit en groente verkopen. Die marktkooplui hebben karakter, omdat ze altijd de hele straat bij elkaar staan te schreeuwen. ‘TIEN BANANEN VOOR TWEE EURO!’”

CC: “Of twee bananen voor tien euro.”

CD: “Haha, dat kan ook, inderdaad. Stelletje afzetters. Dat soort dingen hoor je daar en dat zijn een paar van de mooiste geluiden die je in Dublin kan horen. Je hoort ze van mijlenver al. Het zijn ook altijd vrouwen van rond de zeventig, voor de goede orde. Die schreeuwen hun kop er bijna af.”

CC: “Er gebeurt een hoop persoonlijke interactie. Mensen gaan daar ieder weekend heen om boodschappen te doen, dus er vinden altijd heel wat gesprekken plaats. Zo van: ‘Oh, was jij ook in de kerk vorige week?’ Daar kan ik echt van genieten.” 

CD: “Ja! Dan hoor je opeens vanaf de overkant van de straat: ‘Heb je over Maureen haar zoon gehoord?’ ‘Ja, hij is gescheiden.’ ‘Ja, alweer.’ Dan denk ik altijd, dat is een persoonlijk gesprek, waarom schreeuw je dat over de hele straat heen?”

CC: “Precies. Maar als je er over nadenkt, het gros van de mensen communiceert nu alleen maar via hun telefoon. Het idee van mensen die met elkaar communiceren door van de overkant van de straat naar elkaar te schreeuwen terwijl ze aan het werk zijn, heeft toch ook wel iets.”

CD: “Ja, het is fantastisch.”

CC: “Voor onze generatie voelt het bijna buitenaards, maar het is erg cool.”


De band werd gevormd op school, waar de bandleden allen muziek studeerden en bij elkaar kwamen vanwege een gedeelde interesse in poëzie. Hoe heeft dat uiteindelijk tot een band geleid?
CD: “We begonnen samen poëzie te schrijven als een reactie op wat wij zagen als een intellectueel gat in de manier waarop er les gegeven werd over muziek. Dat klinkt nu heel negatief en cynisch, maar we leerden helemaal niets over poëzie terwijl we dat wel belangrijk vonden, dus wisselden we boeken uit en praatten we met mensen die in ons jaar zaten die er ook in geïnteresseerd waren. We spraken af in bars, schreven poëzie en bespraken dan die gedichten. Als groepje brachten we twee poëziebundels uit en eigenlijk is dat zo ongeveer de formatie van de band. De band is wat daar nog van over is.”

CC: “Ik weet nog dat Deego me op een dag een sms’je stuurde. We hadden het er al wel eens over gehad om een punkversie van The Beatles te beginnen. We wilden vrij geraffineerde nummers schrijven en die dan uitvoeren met de energie van The Stooges. Hij vroeg of ik die band wilde beginnen. Ik zei meteen ja, want op dat punt waren er in Dublin eigenlijk geen bands. Iedereen was bezig met singer-songwriter-achtige soloprojecten met nummers van acht minuten.”

CD: “Oh God, ja. Men probeerde het antwoord op de vraag: ‘Hoeveel galm zou er op dit nummer passen?’ keer op keer te overtreffen.”

CC: “Maar daar was geen van ons in geïnteresseerd. We keken naar oude foto’s van bijvoorbeeld The Rolling Stones en wisten dan, dit is wat we willen. In een bar waar we vaak dronken, hing een foto van de Stones in bontjassen, volgens mij tijdens een show in Hyde Park. Ik weet nog dat ik dat zag en dacht: ik wil in een band zitten.”

Maakte die situatie het lastig om door te breken in Dublin of maakte de opkomst van Girl Band dat toch makkelijker? 
CD: “Voor lange tijd was Girl Band toch wel een uitschieter. Mensen zagen dat zij getekend werden bij een label als een freak accident. De gevolgen daarvan merkte je eigenlijk pas later. Toen wij begonnen vond men ons ook freaks, omdat we drie akkoorden speelden en in een Dublins accent zongen. We werden opgemerkt in het Verenigd Koninkrijk voordat men ons een beetje begon op te merken in Ierland. Eigenlijk begint het daar nu pas dat mensen naar ons om kijken en denken ‘hé, deze gasten zijn best oké’, wat ergens wel triest is.”

Dus jullie kregen makkelijker een voet aan de grond in het Verenigd Koninkrijk dan in Ierland?
CC: “Zo is Ierland nou eenmaal. Je gaat er weg en niemand kraait naar je, maar zodra je dan succesvol terugkomt vindt iedereen je geweldig.”

CD: “Zodra je in het Verenigd Koninkrijk hebt gespeeld, heb je jezelf in feite bewezen.”

Hebben jullie enig idee hoe dat komt? 
CC: “De Ierse muziekscene is erg klein, dus tenzij je een voet aan de grond kan krijgen in het Verenigd Koninkrijk, wat natuurlijk een veel grotere markt is, stel je niet zo veel voor. Halverwege de nillies – met de hele indie boom – kon bijna iedere band die ook maar een beetje wat waard was bij een label komen, want labels waren toen dol op indiebands. Als je nu geen indruk in Engeland kunt maken op een zaal vol mensen, zal het wel niet zo goed zijn. Ieren zijn geïnteresseerder in de Britse charts dan in de Ierse, daar komt het volgens mij op neer.”


Poëzie is duidelijk een grote inspiratiebron voor jullie, maar het viel mij op dat jullie bandnaam juist ontleend is aan een film. Fontaines komt van het personage Johnny Fontaine uit The Godfather. Vormen films verder nog ene inspiratiebron voor jullie of bleef het daar bij?
CC: “Ik kan mij niet echt directe voorbeelden voor de geest halen nu. Wij kwamen uit bij Fontaines omdat het gewoon klinkt als een bandnaam. Dat heeft weer te maken met dat we gewoon een band wilden zijn, dus wilden we ook gewoon een bandnaam.”

CD: “Ja, in die tijd noemden mensen hun bands naar vage dingen als Atlas Cloud of Shining Sceptre of iets dergelijks.”

CC: “Ja, of twee v’s in plaats van een w.” 

CD: “Of dat ja, vreselijk.”

CC: “Fontaines klinkt gewoon… normaal.” 

CD: “Jep, dat is nou echt een naam voor een band. Het klinkt als een band.”

CC: “Sommige bands proberen zich echt te verkopen met hun naam. Dan gaan ze ingewikkeld doen.” 

CD: “Juist, maar de naam wordt juist goed door de muziek, niet andersom. Arctic Monkeys is een vrij nietszeggende bandnaam, maar door de muziek betekent het nu iets, krijg je er een bepaald gevoel mee. Een gevoel dat niks te maken heeft met het beeld van een aap middenin de poolcirkel. Ik denk nooit aan een aap middenin de poolcirkel als ik aan Favorite Worst Nightmare denk.”

Om even terug te komen op Dublin, wonen jullie er graag? In sommige van de nummers bespeur ik toch meer een haat-liefde-verhouding.
CD: “Het is een wisselvallige plek om te leven. Er is een hoop romantiek maar ook een hoop gebrek daaraan. We kunnen de koopvrouwen op Moore Street romantiseren, het liedjes zingen in bars, dat is allemaal echt. Aan de andere kant is er ook een hoop sociaal onrecht en ongelijkheid. Er zijn een hoop daklozen en drugsverslaafden op de straat. Mensen die niet de hulp krijgen die ze wel verdienen, die de regering in feite heeft laten vallen. Er zijn zo veel dingen die je op straat kan zien, waar iedereen van op de hoogte is, maar niemand het gevoel heeft dat hij er ook echt wat aan kan doen. Het is zeker niet alleen maar een zonnige, dromerige plaats. Het is geen mythische plaats, Dublin is hard en echt.”

CC: “Het is een moeilijke plek om te leven en het wordt steeds moeilijker. De huren stijgen, dat soort dingen. Voor een artiest die probeert te doen wat wij doen, zelfs als je redelijk succesvol bent, is dat lastig. Als je in de techsector werkt zit je wel gebakken, anders is het geen makkelijke stad om te leven.”

In Liberty Bell zingt Grian over ‘that violence that you get around here’. Aan wat voor geweld moet ik dan denken? 
CD: “We hebben in januari nog een tour door Europa gedaan, voor ongeveer een maand. We hebben alle landen zo ongeveer wel gehad, dus dat was waarschijnlijk de langste tijd dat we ooit in een periode van Ierland zijn weg geweest. Je beseft je niet hoe blind je bent voor sommige dingen die je dagelijks ziet totdat je na een tijd afwezigheid weer terugkomt. De hoeveelheid mensen die je ziet die je vragen om geld, die geld van je af willen troggelen, die je op straat ziet vechten of die je op de hoeken van de straat ziet bibberen, dat breekt je hart.”

“Als je dan terugkomt, zie je het met frisse ogen. Het aantal daklozen in Dublin is niet normaal, het zijn er haast twee per straat. Stel je voor dat je over die straat daar zou lopen en dat daar ook twee daklozen zouden zitten. En de straat verderop weer. Dat is vreselijk. En ze zijn overal, ze willen allemaal je geld, terwijl ik ze ook niet kan helpen. Over zo’n soort geweld gaat dat nummer. Het is erg oneerlijk.”

Overwegen jullie soms om Dublin, of Ierland in het algemeen, te verlaten? 
CC: “Ik zou niet permanent uit Ierland weg willen. Ik kan mezelf, en ons als band, wel Dublin zien verlaten. Het tweede album maken we nog wel hier, maar het is wel interessant voor ons als artiesten om ooit onze omgeving te veranderen, als we die kans krijgen. Uiteindelijk zijn we ook nog maar een stel jonge gasten in de twintig. Als we de kans krijgen om te vertrekken en ons te laten inspireren door wat nieuws moeten we dat volgens mij gewoon doen.”

CD: “Absoluut, je bent maar één keer jong. Iedere kans die we krijgen om rond de wereld te reizen en nieuwe dingen te proberen, grijp ik met beide handen aan.”

Het album is vernoemd naar ‘dogrel’, een wat uit de gading geraakte traditionele stijl poëzie. Proberen jullie, door het album ernaar te vernoemen, een soort comeback te ensceneren?
CD: “Kijk, veel van de traditionele Ierse nummers die we onder elkaar zingen, die je in bars hoort, vallen daar ook onder, maar dat had ik me nog nooit gerealiseerd. Ik hoorde dat al mijn hele leven, maar ik had nooit door dat dat een eigen kunstvorm was. Dogrel bestaat denk ik nog steeds wel, maar men beseft gewoon niet dat het zo heet. Neem het album Holding Hands With Jamie van Girl Band. De manier waarop op dat album gezongen wordt over hoe het er in de straat aan toe gaat – “a pigeon eating a chicken filet roll” – dat gaat over de straten van Dublin, vanuit het perspectief van iemand die nu in Dublin woont, dus dat is ook dogrel. Wij doen eigenlijk hetzelfde. Het is voor ons belangrijk om te laten zien dat het nog niet dood is. Het is denk ik goed om te erkennen dat de Ierse kunst nog steeds levend en wel is. Helemaal als je in hokjes van Amerikaanse scenes en Britse scenes geplaatst wordt, is het belangrijk om een idee van je eigen culturele identiteit te behouden. Onze Ierse identiteit wordt ons soms snel afgenomen.”

Hopen jullie dat jullie eigen nummers later ook in bars worden gezongen, zoals die Ierse klassiekers? 
CD: “Als ik daar eerlijk antwoord op moet geven: ja. Als mensen onze nummers waarderen en genoeg van ze houden om die in bars te zingen, zou dat natuurlijk geweldig zijn. Dat zou laten zien dat we de juiste snaar raken en dat is wel iets waar we op hopen.”

CC: “We zien het nu al een beetje, op een hele kleine schaal. Onze manager runt een garagebar in Dublin, waar hij Hurricane Laughter wel eens speelt. Ik heb al gezien hoe mensen dan bij het ‘and there is no connection available’ gedeelte doen alsof ze telefoons bij hun oor houden, dus dat is een begin. Het lijkt me natuurlijk wel leuk om het te zien als dat zich voortzet. Of misschien hoor ik er liever over, het is een beetje raar om het ook echt te zien.”

Wat zijn jullie hoop en verwachtingen als het op de toekomst van Dublin of Ierland aankomt en denken jullie dat je daaraan kan bijdragen?
CD: “Ik hoop dat de Ieren wat dapperder worden en meer op durven staan voor de dingen die ze belangrijk vinden en die ze graag willen zien gebeuren binnen de samenleving. Dat daklozen onderdak krijgen, dat verslaafden worden geholpen met hun verslaving, dat er huurbescherming wordt geïntroduceerd, dat soort dingen kunnen gebeuren als je er durft voor te gaan staan. Dat zou ik fijn vinden. Ook mogen ze wat meer waardering en liefde voor hun eigen cultuur hebben. Ze moeten herkennen dat de eigen cultuur valide genoeg is en ze zichzelf niet hoeven laten witwassen om meer Brits of meer Amerikaans te lijken. Daar word je echt geen beter mens van.”


WEBSITE VALKHOF | FACEBOOK-EVENTLOCATIE