Zonder een stralende zon ziet de pont die ons naar de andere kant van het IJ brengt er een stuk minder fijn uit. Daar sta ik dan – mensen rond mij haasten zich om nog naar binnen te kunnen. Het is druk voor een grauwe donderdagmiddag in februari. De drukte ontvluchten doe ik even later met Aldous Harding tegenover mij. Over haar nieuwe plaat: Designer.

De Nieuw-Zeelandse is een dag in Amsterdam om te praten over haar derde album. Het is al ruim voorbij de middag en de vermoeidheid slaat toe. Het raam even open om toch wat frisse lucht naar binnen te laten. “It’s good to be here”, begint Harding. Ze staart naar buiten: fietsers die de volgende regenbui te snel af proberen te zijn, de pont die om de paar minuten van de ene naar de andere kant gaat. Routine. Ik vind het wel mooi, dat je zelf kan bepalen of alles wat buiten de vier muren waartussen je je bevindt een invloed op je heeft of dat je je terugtrekt in je bubbel.

“De plekken waar ik ben, hebben niet echt een invloed op mij. Niet rechtstreeks, maar ik zou het je niet met zekerheid kunnen zeggen. Ik let niet zo veel op alles rondom mij. Een landschap, een gevoel van nostalgie… Ik haal daar niet zo veel uit, dat beïnvloed niet echt wat ik wil zeggen. Denk ik.”

Ze denkt zorgvuldig na over elk woord en ik twijfel of het de vermoeidheid is na een hele dag praten of een zekere terughoudendheid. “We hebben een sprong gemaakt van onzekerheid naar artistieke zekerheid om vooruit te kunnen, maar toch vastgehouden worden door iets. Dat was Party, Designer laat je los. Ga maar!”

“Het is een nieuwe fase, een andere tijd”

We hebben het over Party en hoe Aldous Harding toen zei dat ze zich een stuk gelukkiger voelde. “Ik voel mij nu, met Designer, nog gelukkiger. I’m just growing up, ik leer steeds meer. Over alles. Het is een nieuwe fase, een andere tijd.” 

Harding klinkt alsof ze er al drie levens op heeft zitten. Doordacht, bij momenten bijna afwezig, alsof een onderbewustzijn het overgenomen heeft en een gedachtestroom op ons afvuurt. Levenswijsheid. Wie door het mysterie wil prikken, moet geduld hebben. 

Designer: het album
“Designer verwijst naar alles waaraan het doet denken. Hoe je het ook ziet. Sterk. Ik hou mij niet vast aan iemand. Je hoeft niet iets te zijn of te blijven. Beweeg. Je kunt een ruimte op zo veel manieren benutten. Ik moet aan dat nummer van Cat Stevens denken. ‘And if you want to be me, be me.  And if you want to be you, be you. ‘Cause there’s a million things to do.‘ Ik houd van dat nummer, dat resoneert met wie ik ben: a lot of things. Elke staat waarin je je kunt bevinden, elke fase, betekent iets. Je moet niet bang zijn om jezelf voor schut te zetten of iets nieuws te proberen.”

Het gesprek wijkt een beetje af en opeens worden de zinnen aangevuld door stilte. Ze denkt na, alsof ze bang is om iets verkeerd te zeggen. “Sinds wanneer is gelukkig zijn, je geïnspireerd voelen en hard werken un-cool?” Als het al een vraag was, dan moet ik haar het antwoord schuldig blijven. 

“Ik wil mensen laten voelen wat andere artiesten mij laten voelen”, gaat ze verder. “Soms hoor ik iets en denk ik: ‘dat is slim’, maar soms weet ik ook niet of de artiest de intentie had me zo te laten voelen. En dan loop ik ervan weg. Ik ga niet graven, hoef het niet te weten. Misschien wel als ik ouder word. I just wanna do something interesting, maar dat lijkt tegenwoordig als een hele opgave. Ik wil doen wat voor mij natuurlijk aanvoelt, maar ook anders.” 

“Er ligt veel druk op mij, mensen verwachten iets van mij en dan zijn er nog mijn eigen verwachtingen van wie ik moet zijn”

Ze laat de woorden even bezinken. Misschien is het anno 2019 helemaal niet zo vanzelfsprekend meer om die dingen te doen. Hoe zorg je ervoor dat je interessant en relevant bent? “Er ligt veel druk op mij, mensen verwachten iets van mij en dan zijn er nog mijn eigen verwachtingen van wie ik moet zijn.” En op dat moment besef ik mij dat Aldous Harding – hard nut to crack – ook maar gewoon een mens is, met dezelfde twijfels en onzekerheden als diegene die we allemaal hebben. 

Climbing the stairs
“Het zijn stapjes: van de debuutplaat, via Party en dan nu Designer. Het voelt alsof ik een trap op loop, elke stap voelt anders. Hoe verder ik kom, hoe meer energie ik krijg. Daar zijn verschillende redenen voor: de keuzes die ik gemaakt heb, maar vooral ook de realisatie dat je niet serieus moet zijn om serieus genomen te worden. Ik weet niet wat het doel van het leven is, dus ik kan niet veralgemenen, maar ik doe waar ik zelf zin in heb. Vrijheid. In a way. Je moet jezelf dat comfort geven, want je zet jezelf al op om te falen als je gedreven wordt door de gevolgen wanneer je iets niet zou doen. Ik wil niet iets maken met een doel. Ik bedoel, natuurlijk heeft het een doel, maar dat is eerder persoonlijk.”

“Ik zou het wel kunnen, stoppen, maar ik zie daar nu niet echt een reden toe”

En de volgende stap, die ligt alweer om de hoek. Designer is nog niet eens verschenen wanneer we dit gesprek voeren, maar Harding is al bezig met what’s next. “Helaas, het is mijn job, maar ik kan niet stoppen. Als er iets gebeurt, wil ik daar een nummer over schrijven en voor je het weet ben je alweer een stuk verder. Ik ben niet goed in ergens mee ophouden, dat is een beetje mijn obsessieve kant. Ik zou het wel kunnen, stoppen, maar ik zie daar nu niet echt een reden toe.”

Ik wil mezelf
Op Heaven Is Empty horen we het al: ‘People ask me all the time what I want. The answer is one.’ Maar wie is one? “Dat ben ik. Ik wil wat ik wil. Als je zegt wat je wilt, dan gaat het per definitie toch al om jezelf, dan mag je zeggen dat je andere mensen wilt helpen. Dat is wat jij wilt. En ik, ik wil mezelf, want uiteindelijk is dat alles wat ik heb. Zelfs al heb ik andere mensen, die heb ik niet als ik mezelf niet heb.”

“Ik ben niet onzeker over mijn ideeën, maar wel over mijn ability om de druk te kunnen dragen”

Waar we een paar minuten geleden nog voorzichtige antwoorden kregen, is Harding heel zeker van wat ze hier zegt. Ietwat dromerig, maar de boodschap is duidelijk. “Ik ben niet onzeker over mijn ideeën, maar wel over mijn ability om de druk te kunnen dragen. Het is niet de muziek zelf, maar alles wat erbij komt, dat is veel enger. En ik ben de enige hier en er is een limiet van hoeveel we van de wereld rond ons kunnen zien.” 

Ik zie de tijd opeens heel snel aan mij voorbijrazen en stilaan voel ik dat ik weer in de echte wereld kom. Opeens hoor ik gesprekken uit de ruimte naast mij en ik weet dat mijn tijd er bijna op zit. Nog even over optreden, want dat heeft Aldous Harding – zo blijkt – al maanden niet meer gedaan. “Als ik op het podium sta, wil ik het publiek alles geven. Soms word ik mij heel bewust van wat ik aan het doen ben en dan is de magie weg, niet voor het publiek, soms wel voor mezelf. Je gaat zo op in een moment en opeens realiseer je je wat je aan het doen bent. Ik denk dat je dat soms, als je goed oplet, ook kan zien.” Net voor ik de kamer verlaat, kijk ik haar aan. Voorzichtig vraag ik of het wat uitmaakt als iemand dat dan ziet. “Actually, no. It doesn’t.

In juni speelt speelt Aldous Harding op Best Kept Secret en 27 november is zij live te zien in Paradiso.


Valkhof Festival
13 t/m 19 juli

Het gaat hard met de Ierse postpunkers van Fontaines D.C. Al voor de release van debuutalbum Dogrel is de band hard op weg om een gevestigde naam te worden binnen de scene. Dat uit zich onder meer in shows, veel shows. Onder meer op het gratis toegankelijke Valkhof Festival deze zomer in Nijmegen. Het vijftal is nog maar een paar dagen terug uit Austin voor een negental shows op South By Southwest als we de heren treffen in het Backstage Hotel in Amsterdam.

Tekst Reinier van der Zouw
Foto’s Tom van Huisstede

Frontman Grian Chatten lijkt de jetlag nog te voelen en zit deze ronde van de persdag even uit. We krijgen gitarist Conor Curley en bassist Conor ‘Deego’ Deegan III te spreken. We voelen ze aan de tand over de haat-liefdeverhouding van de band met hun thuisstad Dublin en hoe je toch van een stad kunt houden waar je bijna onmogelijk een voet aan de grond kan krijgen. “Zo is Ierland nou eenmaal. Je gaat er weg en niemand kraait naar je, maar zodra je dan succesvol terugkomt, vindt iedereen je geweldig.”

Sommige albums ademen echt de sfeer van een stad op een bepaald moment. Turn On The Bright Lights van Interpol heeft dat met New York aan het begin van deze eeuw, Bowie’s Berlijn-trilogie met die stad aan het einde van de seventies. Dogrel ademt in vrijwel alles Dublin. Hoe hebben jullie de essentie van de stad proberen te vangen?
CD: “We begonnen gewoon met schrijven over de dingen die we om ons heen zagen. We zochten naar authenticiteit, wat begon met Grian die besloot in zijn eigen accent te zingen. Toen vormde zich al snel het idee dat we een band zijn die verhalen vertelde over Dublin. Maar we willen vooral menselijke verhalen vertellen en mensen zijn overal fundamenteel hetzelfde. Dus eigenlijk maakt het niet uit over welke stad we zingen. Het Dublins accent en de straatnamen, daardoor lijkt het misschien een Dublin-album. Dat is prima, want het is tenminste authentiek, maar het is ook redelijk oppervlakkig.”

Waren er bands of personen in Dublin die in het bijzonder inspirerend voor jullie waren? 
CD: “Jazeker, Girl Band. Die band is een grote inspiratiebron voor ons. Zij kwamen ongeveer op in Dublin in de nasleep van een recessie, dus de muziekindustrie lag redelijk op zijn gat. Dan laat Girl Band zijn gezicht zien en beginnen die jongens super vreemde en unieke en authentieke muziek te maken, die toch weet aan te slaan. Dat uitte zich al snel in een contract bij Rough Trade. Als je dan een jonge knul bent die graag bij een band wil, is het een openbaring dat dat ook met rare muziek kan, dat je geen radiovriendelijke popmuziek hoeft te maken om door te breken. Dat was erg inspirerend.”

CC: “Nog iemand die belangrijk voor ons was, is de man die onze eerste paar singles produceerde: Dan Doherty van Darklands Studio. Hij was de perfecte persoon voor ons om mee te werken op dat punt, want hij gaf ons alle ruimte om ons door de muziek te laten leiden. Dat niveau van vrijheid was voor ons enorm fijn, omdat we nog niet bijster veel hadden opgenomen en alles op ons gemak konden ontdekken. Hij runt die studio in zijn eentje, en is een groot figuur in de muziekscene in Dublin momenteel.”

Mag ik albumopener en single Big opvatten als een mission statement voor de hele band? ‘My childhood was small, but I’m gonna be big.’
CD: “Absoluut. Daarom is het de opener. Als nummer gaat het over een personage dat zichzelf opstelt als een echte tough guy “Dubin in the rain is mine”. Hij vindt dat de stad van hem is en is erg ambitieus. We willen overbrengen dat dat ook een schadelijke kant heeft en dat het niet per se iets goeds is om je zo op te stellen. Het gaat over de zwaktes van bravoure.”

In de videoclip wordt dit personage vertolkt door een uiterst schattig playbackend kind, wat denk ik wel duidelijk maakt dat er ook iets van een knipoog in de tekst zit. Waar kwam het idee voor die clip vandaan?
CD: “Het idee om iemand te volgen die rondloopt in Dublin komt voort uit een alternatieve take die Grian en ik hadden opgenomen voor de video van Hurricane Laughter, toen we nog niet zeker wisten of we de uiteindelijke video voor dat nummer ook echt konden uitbrengen. We liepen gewoon rond met een telefooncamera en filmden hoe Grian de lyrics zong. Dat idee wilden we altijd eens gebruiken. Wiens idee het was om dat voor deze te doen weet ik niet meer.”

CC: “Ik vond het een heel aantrekkelijk idee om zo’n jonge knul te gebruiken als stand-in voor Grian, zonder dat ‘ie nou echt een jonge versie van hem moet voorstellen of iets dergelijks, maar die route volgen leek mij leuk omdat het wat anders was dan al onze andere video’s. Het hield ons buiten beeld, wat we ook wel eens wilden doen. Het voelde alsof al onze video’s tot dan toe gewoon lieten zien hoe wij naast dingen stonden.”

CD: “Ja, het was fijn om eens wat anders te doen dan standaard performance-video’s.

Wat maakt Moore Street voor jullie zo’n kenmerkende Dublin-straat? 
CD: “Het is niet echt een van de grotere straten, maar het is een straat waar veel geschiedenis aan verbonden is. Moore Street is een straat waar mensen vis, fruit en groente verkopen. Die marktkooplui hebben karakter, omdat ze altijd de hele straat bij elkaar staan te schreeuwen. ‘TIEN BANANEN VOOR TWEE EURO!’”

CC: “Of twee bananen voor tien euro.”

CD: “Haha, dat kan ook, inderdaad. Stelletje afzetters. Dat soort dingen hoor je daar en dat zijn een paar van de mooiste geluiden die je in Dublin kan horen. Je hoort ze van mijlenver al. Het zijn ook altijd vrouwen van rond de zeventig, voor de goede orde. Die schreeuwen hun kop er bijna af.”

CC: “Er gebeurt een hoop persoonlijke interactie. Mensen gaan daar ieder weekend heen om boodschappen te doen, dus er vinden altijd heel wat gesprekken plaats. Zo van: ‘Oh, was jij ook in de kerk vorige week?’ Daar kan ik echt van genieten.” 

CD: “Ja! Dan hoor je opeens vanaf de overkant van de straat: ‘Heb je over Maureen haar zoon gehoord?’ ‘Ja, hij is gescheiden.’ ‘Ja, alweer.’ Dan denk ik altijd, dat is een persoonlijk gesprek, waarom schreeuw je dat over de hele straat heen?”

CC: “Precies. Maar als je er over nadenkt, het gros van de mensen communiceert nu alleen maar via hun telefoon. Het idee van mensen die met elkaar communiceren door van de overkant van de straat naar elkaar te schreeuwen terwijl ze aan het werk zijn, heeft toch ook wel iets.”

CD: “Ja, het is fantastisch.”

CC: “Voor onze generatie voelt het bijna buitenaards, maar het is erg cool.”


De band werd gevormd op school, waar de bandleden allen muziek studeerden en bij elkaar kwamen vanwege een gedeelde interesse in poëzie. Hoe heeft dat uiteindelijk tot een band geleid?
CD: “We begonnen samen poëzie te schrijven als een reactie op wat wij zagen als een intellectueel gat in de manier waarop er les gegeven werd over muziek. Dat klinkt nu heel negatief en cynisch, maar we leerden helemaal niets over poëzie terwijl we dat wel belangrijk vonden, dus wisselden we boeken uit en praatten we met mensen die in ons jaar zaten die er ook in geïnteresseerd waren. We spraken af in bars, schreven poëzie en bespraken dan die gedichten. Als groepje brachten we twee poëziebundels uit en eigenlijk is dat zo ongeveer de formatie van de band. De band is wat daar nog van over is.”

CC: “Ik weet nog dat Deego me op een dag een sms’je stuurde. We hadden het er al wel eens over gehad om een punkversie van The Beatles te beginnen. We wilden vrij geraffineerde nummers schrijven en die dan uitvoeren met de energie van The Stooges. Hij vroeg of ik die band wilde beginnen. Ik zei meteen ja, want op dat punt waren er in Dublin eigenlijk geen bands. Iedereen was bezig met singer-songwriter-achtige soloprojecten met nummers van acht minuten.”

CD: “Oh God, ja. Men probeerde het antwoord op de vraag: ‘Hoeveel galm zou er op dit nummer passen?’ keer op keer te overtreffen.”

CC: “Maar daar was geen van ons in geïnteresseerd. We keken naar oude foto’s van bijvoorbeeld The Rolling Stones en wisten dan, dit is wat we willen. In een bar waar we vaak dronken, hing een foto van de Stones in bontjassen, volgens mij tijdens een show in Hyde Park. Ik weet nog dat ik dat zag en dacht: ik wil in een band zitten.”

Maakte die situatie het lastig om door te breken in Dublin of maakte de opkomst van Girl Band dat toch makkelijker? 
CD: “Voor lange tijd was Girl Band toch wel een uitschieter. Mensen zagen dat zij getekend werden bij een label als een freak accident. De gevolgen daarvan merkte je eigenlijk pas later. Toen wij begonnen vond men ons ook freaks, omdat we drie akkoorden speelden en in een Dublins accent zongen. We werden opgemerkt in het Verenigd Koninkrijk voordat men ons een beetje begon op te merken in Ierland. Eigenlijk begint het daar nu pas dat mensen naar ons om kijken en denken ‘hé, deze gasten zijn best oké’, wat ergens wel triest is.”

Dus jullie kregen makkelijker een voet aan de grond in het Verenigd Koninkrijk dan in Ierland?
CC: “Zo is Ierland nou eenmaal. Je gaat er weg en niemand kraait naar je, maar zodra je dan succesvol terugkomt vindt iedereen je geweldig.”

CD: “Zodra je in het Verenigd Koninkrijk hebt gespeeld, heb je jezelf in feite bewezen.”

Hebben jullie enig idee hoe dat komt? 
CC: “De Ierse muziekscene is erg klein, dus tenzij je een voet aan de grond kan krijgen in het Verenigd Koninkrijk, wat natuurlijk een veel grotere markt is, stel je niet zo veel voor. Halverwege de nillies – met de hele indie boom – kon bijna iedere band die ook maar een beetje wat waard was bij een label komen, want labels waren toen dol op indiebands. Als je nu geen indruk in Engeland kunt maken op een zaal vol mensen, zal het wel niet zo goed zijn. Ieren zijn geïnteresseerder in de Britse charts dan in de Ierse, daar komt het volgens mij op neer.”


Poëzie is duidelijk een grote inspiratiebron voor jullie, maar het viel mij op dat jullie bandnaam juist ontleend is aan een film. Fontaines komt van het personage Johnny Fontaine uit The Godfather. Vormen films verder nog ene inspiratiebron voor jullie of bleef het daar bij?
CC: “Ik kan mij niet echt directe voorbeelden voor de geest halen nu. Wij kwamen uit bij Fontaines omdat het gewoon klinkt als een bandnaam. Dat heeft weer te maken met dat we gewoon een band wilden zijn, dus wilden we ook gewoon een bandnaam.”

CD: “Ja, in die tijd noemden mensen hun bands naar vage dingen als Atlas Cloud of Shining Sceptre of iets dergelijks.”

CC: “Ja, of twee v’s in plaats van een w.” 

CD: “Of dat ja, vreselijk.”

CC: “Fontaines klinkt gewoon… normaal.” 

CD: “Jep, dat is nou echt een naam voor een band. Het klinkt als een band.”

CC: “Sommige bands proberen zich echt te verkopen met hun naam. Dan gaan ze ingewikkeld doen.” 

CD: “Juist, maar de naam wordt juist goed door de muziek, niet andersom. Arctic Monkeys is een vrij nietszeggende bandnaam, maar door de muziek betekent het nu iets, krijg je er een bepaald gevoel mee. Een gevoel dat niks te maken heeft met het beeld van een aap middenin de poolcirkel. Ik denk nooit aan een aap middenin de poolcirkel als ik aan Favorite Worst Nightmare denk.”

Om even terug te komen op Dublin, wonen jullie er graag? In sommige van de nummers bespeur ik toch meer een haat-liefde-verhouding.
CD: “Het is een wisselvallige plek om te leven. Er is een hoop romantiek maar ook een hoop gebrek daaraan. We kunnen de koopvrouwen op Moore Street romantiseren, het liedjes zingen in bars, dat is allemaal echt. Aan de andere kant is er ook een hoop sociaal onrecht en ongelijkheid. Er zijn een hoop daklozen en drugsverslaafden op de straat. Mensen die niet de hulp krijgen die ze wel verdienen, die de regering in feite heeft laten vallen. Er zijn zo veel dingen die je op straat kan zien, waar iedereen van op de hoogte is, maar niemand het gevoel heeft dat hij er ook echt wat aan kan doen. Het is zeker niet alleen maar een zonnige, dromerige plaats. Het is geen mythische plaats, Dublin is hard en echt.”

CC: “Het is een moeilijke plek om te leven en het wordt steeds moeilijker. De huren stijgen, dat soort dingen. Voor een artiest die probeert te doen wat wij doen, zelfs als je redelijk succesvol bent, is dat lastig. Als je in de techsector werkt zit je wel gebakken, anders is het geen makkelijke stad om te leven.”

In Liberty Bell zingt Grian over ‘that violence that you get around here’. Aan wat voor geweld moet ik dan denken? 
CD: “We hebben in januari nog een tour door Europa gedaan, voor ongeveer een maand. We hebben alle landen zo ongeveer wel gehad, dus dat was waarschijnlijk de langste tijd dat we ooit in een periode van Ierland zijn weg geweest. Je beseft je niet hoe blind je bent voor sommige dingen die je dagelijks ziet totdat je na een tijd afwezigheid weer terugkomt. De hoeveelheid mensen die je ziet die je vragen om geld, die geld van je af willen troggelen, die je op straat ziet vechten of die je op de hoeken van de straat ziet bibberen, dat breekt je hart.”

“Als je dan terugkomt, zie je het met frisse ogen. Het aantal daklozen in Dublin is niet normaal, het zijn er haast twee per straat. Stel je voor dat je over die straat daar zou lopen en dat daar ook twee daklozen zouden zitten. En de straat verderop weer. Dat is vreselijk. En ze zijn overal, ze willen allemaal je geld, terwijl ik ze ook niet kan helpen. Over zo’n soort geweld gaat dat nummer. Het is erg oneerlijk.”

Overwegen jullie soms om Dublin, of Ierland in het algemeen, te verlaten? 
CC: “Ik zou niet permanent uit Ierland weg willen. Ik kan mezelf, en ons als band, wel Dublin zien verlaten. Het tweede album maken we nog wel hier, maar het is wel interessant voor ons als artiesten om ooit onze omgeving te veranderen, als we die kans krijgen. Uiteindelijk zijn we ook nog maar een stel jonge gasten in de twintig. Als we de kans krijgen om te vertrekken en ons te laten inspireren door wat nieuws moeten we dat volgens mij gewoon doen.”

CD: “Absoluut, je bent maar één keer jong. Iedere kans die we krijgen om rond de wereld te reizen en nieuwe dingen te proberen, grijp ik met beide handen aan.”

Het album is vernoemd naar ‘dogrel’, een wat uit de gading geraakte traditionele stijl poëzie. Proberen jullie, door het album ernaar te vernoemen, een soort comeback te ensceneren?
CD: “Kijk, veel van de traditionele Ierse nummers die we onder elkaar zingen, die je in bars hoort, vallen daar ook onder, maar dat had ik me nog nooit gerealiseerd. Ik hoorde dat al mijn hele leven, maar ik had nooit door dat dat een eigen kunstvorm was. Dogrel bestaat denk ik nog steeds wel, maar men beseft gewoon niet dat het zo heet. Neem het album Holding Hands With Jamie van Girl Band. De manier waarop op dat album gezongen wordt over hoe het er in de straat aan toe gaat – “a pigeon eating a chicken filet roll” – dat gaat over de straten van Dublin, vanuit het perspectief van iemand die nu in Dublin woont, dus dat is ook dogrel. Wij doen eigenlijk hetzelfde. Het is voor ons belangrijk om te laten zien dat het nog niet dood is. Het is denk ik goed om te erkennen dat de Ierse kunst nog steeds levend en wel is. Helemaal als je in hokjes van Amerikaanse scenes en Britse scenes geplaatst wordt, is het belangrijk om een idee van je eigen culturele identiteit te behouden. Onze Ierse identiteit wordt ons soms snel afgenomen.”

Hopen jullie dat jullie eigen nummers later ook in bars worden gezongen, zoals die Ierse klassiekers? 
CD: “Als ik daar eerlijk antwoord op moet geven: ja. Als mensen onze nummers waarderen en genoeg van ze houden om die in bars te zingen, zou dat natuurlijk geweldig zijn. Dat zou laten zien dat we de juiste snaar raken en dat is wel iets waar we op hopen.”

CC: “We zien het nu al een beetje, op een hele kleine schaal. Onze manager runt een garagebar in Dublin, waar hij Hurricane Laughter wel eens speelt. Ik heb al gezien hoe mensen dan bij het ‘and there is no connection available’ gedeelte doen alsof ze telefoons bij hun oor houden, dus dat is een begin. Het lijkt me natuurlijk wel leuk om het te zien als dat zich voortzet. Of misschien hoor ik er liever over, het is een beetje raar om het ook echt te zien.”

Wat zijn jullie hoop en verwachtingen als het op de toekomst van Dublin of Ierland aankomt en denken jullie dat je daaraan kan bijdragen?
CD: “Ik hoop dat de Ieren wat dapperder worden en meer op durven staan voor de dingen die ze belangrijk vinden en die ze graag willen zien gebeuren binnen de samenleving. Dat daklozen onderdak krijgen, dat verslaafden worden geholpen met hun verslaving, dat er huurbescherming wordt geïntroduceerd, dat soort dingen kunnen gebeuren als je er durft voor te gaan staan. Dat zou ik fijn vinden. Ook mogen ze wat meer waardering en liefde voor hun eigen cultuur hebben. Ze moeten herkennen dat de eigen cultuur valide genoeg is en ze zichzelf niet hoeven laten witwassen om meer Brits of meer Amerikaans te lijken. Daar word je echt geen beter mens van.”


WEBSITE VALKHOF | FACEBOOK-EVENTLOCATIE



Als je dwars door de dromerige lagen van haar muziek heen luistert, hoor je dat Weyes Blood bloedserieuze onderwerpen bezingt. Al op haar vorige album Front Row Seat to Earth besprak Natalie Mering ‘the end of days‘ en ook haar nieuwe plaat, Titanic Rising, draait om ons kolossale klimaatprobleem.

In een eerder interview met The Daily Indie werd de Amerikaanse muzikante omschreven als “een langharige mevrouw met glazige blik”. Als we haar drie jaar later ontmoeten op een druilerige dag in Amsterdam Noord zien we dit toch anders. Langharig? Check. Haar blik? Bezorgd, maar scherp. We spraken Weyes Blood over de ondergang van de Titanic en de wereld.

Enya de matriarch
Weyes Blood is sinds haar laatste solo-album in 2016 behoorlijk actief geweest. Ze speelde mee op de platen van Drugdealer en Father John Misty en ging ook de samenwerking aan met de excentrieke Ariel Pink. In ons gesprek reflecteert ze kort op de overeenkomsten tussen zichzelf en haar collega’s. Met Father John Misty deelt ze haar streng gelovige achtergrond, net als Ariel Pink nam ze in haar slaapkamer experimentele liedjes op met een viersporenrecorder en met Drugdealer is ze gewoon al lang bevriend. “Maar mijn eigen leven is denk ik toch heel anders dan dat van hen, omdat ik een vrouw ben. De manier waarop ik liedjes schrijf en waarover die liedjes gaan, dat is gewoon anders. Qua geluid ben ik helemaal niet bang om matriarchaal te zijn en een beetje als Enya te klinken.”

Naast Enya zoekt Weyes Blood naar inspiratie in de muziek van Kate Bush, Brian Wilson en vrij recentelijk de Beach Boys. “Jarenlang ontliep ik de Beach Boys, ik dacht, ugh, iedereen houdt van de Beach Boys, whatever! Ik was daar iets te hipster voor, maar nu heb ik ze ontdekt.” Met Jonathan Rado (Foxygen, red.) als co-producer van haar nieuwe album, luisterde ze veel naar Robert Fripp en Brian Eno. Door hen een beetje na te doen en hier samen lol in te hebben, creëerden ze een experimenteel geluid voor Titanic Rising.

Titanic Rising: what’s in a name?
Drie singles van het nieuwe album zijn al uitgebracht. Movies is geheimzinnig en elektronisch, Andromeda traagjes meeslepend, Everyday juist weer nostalgisch en catchy. De verbindende kracht? Het diep-doordachte thema van het album. “De albumtitel is dus Titanic Rising. Ik wilde daarmee inspelen op het symbolisme van die iconische gebeurtenis, die mij en vele anderen, onder andere in Hollywood, zo fascineerde. De tragedie is te danken aan de hoogmoed van de mens.”

De makers van de Titanic dachten dat het schip onzinkbaar was, maar niets is onzinkbaar. “Ik vond het wel symbolisch dat de Titanic tegen een ijsberg botste en zonk, maar nu smelten de ijskappen en zinken wij zelf. Op die manier is de Titanic als een feniks die uit zijn as herrijst. Titanic Rising moet iedereen wakker schudden: “Hey! Dit gebeurt al sinds het begin van de industrialisatie.”

Kleine meisjes en klimaatontkenners
Toen de jonge Natalie in de jaren negentig naar Titanic keek, gebeurde er iets bij haar. Ze zag hoe machtige witte mannen keuzes maakten waar vooral de mensen in de derde klasse de gevolgen van merkten. “Toen ik zo jong was, was ik niet eens bang voor klimaatverandering, maar voor men fucking things up.” Ze hoopte dat iedereen deze boodschap in de Oscarwinnende film zag, maar nu gokt ze dat andere meisjes van haar leeftijd de film vooral keken om weg te zwijmelen met Leonardo DiCaprio. “Die film was echt gemaakt voor kleine meisjes.”

Als we het hebben over de president van haar land, een grote oranje klimaatontkenner, schudt ze haar hoofd. “Toen ik Titanic voor het eerst keek, had ik mij deze gekte nooit kunnen voorstellen. De ijskappen smelten en Amerika zakt steeds dieper en dieper in het gat van klimaatontkenning.” Titanic Rising heeft dus een duidelijke boodschap op een cruciaal moment in de geschiedenis. “Het is lastig om mensen uit te leggen dat de mens geen totale heerschappij over de natuur heeft, als we dat nooit gaan inzien, dan is het onze ondergang.”

Posterkind
We hebben al even kunnen kijken in de hersenpan van het jonge meisje dat later Weyes Blood ging heten. Een intelligent jong meisje dat al van sweatshops en kinderarbeid af wist. Op de albumcover van Titanic Rising zwemt Weyes Blood in een overstroomde tienerkamer met tientallen posters aan de muur. Een verwijzing naar die tienertijd. Ze heeft lang over de idolatrie van popsterren en filmsterren nagedacht. “We hebben geen verenigende mythes meer in onze samenleving. Behalve kapitalisme en films. Consumentisme is de religie van onze tijd. Bands en muzikanten zijn de nieuwe heiligen.”

Ze geeft ons een kleine geschiedenisles: het begon met The Beatles en John Lennon die riep dat ze groter dan Jezus waren. Men begon de gapende leegte waar religie ooit diep gegrond zat te vullen met legendarische rocksterren. De tienerkamer werd een tempel waar men begon te bidden tot Madonna en The Jesus and Mary Chain. De vijftien-jarige Natalie was net iets anders dan andere tieners. Haar religieuze tekst was Wise Blood, een boek van Flannery O’Connor. “Dat boek had zo’n impact op mij. De hoofdpersoon zette een kerk op zonder Christus. “The church without Christ! Dat vond ik zo’n sicke gedachte.” Toen ze muziek begon te maken, noemde Natalie zich eerst Weyes Bluhd. “Toen was ik echt gek experimenteel. Ik veranderde het naar Blood toen mijn liedjes helderder werden.”

Terugkomst naar Nederland
Na de release van Titanic Rising op 5 april begint Weyes Blood aan haar Europese tour, op 29 april staat ze in Paradiso. Mering heeft zelf erg veel zin om weer in Nederland te spelen. “Ik kom hier al jaren en ik voel mij hier zeer geliefd.”




Ik heb afgesproken met Chris en Guus, respectievelijk de gitarist en frontman van Foxlane, om de kwalificatiewedstrijd Nederland-Duitsland te gaan kijken. Tijdens die wedstrijd bestook ik ze ondertussen met vragen, want de band heeft een livesessie opgenomen bij zijn twee nieuwe singles!

Een schappelijke studentenkamer in Nijmegen, de biertjes staan klaar, de rommel van het avondeten is nog niet opgeruimd en het grote licht is vervangen door allerlei kleurrijke discolampen. Ik neem plaats op de bedbank, omsingeld door gitaren en versterkers, de voorbeschouwing staat op stil terwijl Fontaines D.C. door de speakers blaast. De voorspellingen zijn binnen, Chris meent dat het 2-0 gaat worden voor Nederland, Guus zit tussen hoop en vrees in: 1-1.

Jongens, volgend jaar is het EK, we hopen natuurlijk allemaal dat Nederland weer mee kan doen, maar waar hopen jullie zelf te zijn in 2020?
Met een brede glimlach zegt Guus: “In Amsterdam, op de tribune”, eigenwijs als hij is, maar ik bedoelde natuurlijk waar Foxlane op dat moment is.
Chris reageert iets zakelijker: “Hopelijk hebben we tegen die tijd Popronde en Eurosonic achter de rug. Dat is misschien wel wat hoog gegrepen, maar zeker niet onmogelijk! We hebben de laatste jaren sowieso al veel dingen mogen doen waar we ooit alleen maar over durfden te dromen, we verrassen onszelf ook de hele tijd, dus waarom zou het niet lukken?”

Guus is duidelijk de optimist, waar Chris het enthousiasme nog een beetje probeert binnen te houden. “We hebben net twee kersverse singles uit en samen met Jelle Weber hebben we, wat mij betreft, heel erg sicke video’s opgenomen. We hebben ons ingeschreven voor Popronde, net als honderden andere acts, dus het is nu even afwachten of we straks mogen knallen!”
Guus voegt toe: “En anders gaan we gewoon door met optreden, nog meer mensen leren kennen en heel veel biertjes achterover tikken!”

Het is wel duidelijk wie van de twee een rijbewijs heeft. Daar valt de 0-1 voor ‘die Mannschaft’, na wat gescheld, gemopper en gezeik op de verdediging kunnen we door.

Er zijn natuurlijk ontelbaar veel rammelende indiebands en er komen er elk jaar weer veel bij. Hoe onderscheiden jullie je van de rest?
Het antwoord is bijna romantisch, de heren kijken elkaar aan en zeggen, net niet in koor: “Norman!” Dat is natuurlijk de bassist van Foxlane. Ze lachen en nadat ze elkaar meerdere keren onderbreken in het begin van een uitgebreider antwoord weet Guus de beurt te bemachtigen: “We hebben wel de energie van garage, maar ik heb het gevoel dat we wel een heleboel andere dingen doen die je niet te vaak ziet bij garagebands, majeur zeventjes bijvoorbeeld.”
Chris houdt zijn statement kort: “Vooral de uitbuiting van de ritmesectie, die er vandaag niet is, maakt ons aanzienlijk anders.” De heren babbelen en discussiëren nog even door over de vraag, maar worden onderbroken door de 0-2 van Duitsland. “Die Serge Gnabry heeft Arsenal echt voor vijf miljoen verkocht!”, bromt Chris, fervent Arsenal-fan.

Na de rust gaan de heren weer zitten voor de tweede helft. Voor Guus hoeft het niet meer, een gespeelde wedstrijd meent hij, maar Chris wilt ‘de boys’ nog lekker zien ballen. De eerste vraag in de tweede helft is mijn mond amper uit of wonderboy Matthijs de Ligt kopt de bal binnen. Het geloof is terug en de boys zijn bijzonder uitzinnig. “Frenkie de Jong en De Ligt samen bij Barcelona, dat zou wat zijn”, zegt een dolblije Chris.

“Laten we het even over de teksten gaan hebben.”, terwijl ik het zeg wendt Chris zijn blik al naar Guus, de frontman. Waar gaan de twee nieuwe singles over?
“Uhm, oke, komt ‘ie! Reinc. gaat over de angst voor de dood en dat terwijl ik nog heel jong ben”, zegt Guus met een vers biertje achter de kiezen. “Ik hoop eigenlijk wel dat er iets bestaat als reïncarnatie. Niet dat ik gelovig ben, maar dat lijkt me nou wel heel erg mooi. Er zit natuurlijk ook nog een cultuurhistorisch aspect aan, aangezien ik me…”, Guus wordt onderbroken door de 2-2 van Nederland. Depay scoort, “Klasbak dat ‘ie is”, schreeuwt Guus.

Als de blijdschap wat is gezakt gaat Guus verder: “Ik pak het wel gewoon op bij Halley’s Comet, de rest was toch alleen interessant vanuit mijn studie!”, hij neemt een slok bier en dan kan Guus er weer tegenaan. “Halley’s Comet is een verwijzing naar een komeet genaamd Halley die in 2061 weer langs onze aardkloot zal vliegen, maar eigenlijk gaat het erover ik bang ben voor een saai leven, routinematigheid, een eentonig bestaan en dat er in 2061 dan maar allemaal legendarische dingen mogen gebeuren!”

En de covers, die heb jij gemaakt, toch Chris? Vertel, wat zien we nou precies?
“Ja, dat klopt. De cover is eigenlijk een vrij simpel oventje wat in de studio stond waar we onze livesessie hebben opgenomen. We vonden het wel iets hebben, iets retro-moderns. Dat vind ik wel passen bij de muziek, het oude met het nieuwe. We hebben daarnaast een soort.. hoe zal ik het noemen, een eerie sfeer proberen te pakken.”

Eerie, als in.. spannend? Eng?
“Iets spannends, ja, iets griezeligs, het onbekende, op zoiets doelde ik wel ja!” 

Hebben jullie dat in de videoclip ook proberen aan te houden?
Guus knikt meteen, maar Chris gaat verder: “Zeker, dat ligt ook wel in het verlengde van de nummers, qua sound, maar ook als het gaat om de teksten. Allebei de nummers gaan over een vorm van angst.” Op het moment dat Guus wilt invallen scoort Duitsland de 2-3, vlak voor het einde van de wedstrijd. Verbitterd begint Guus maar weer aan wat hij wilde zeggen: “De angst van het onbekende, wilde ik daaraan toevoegen. De dood, of juist een vorm van leven die ik niet wil.”

“En als jullie zo doorgaan ook niet zullen krijgen!” De heren lachen: “Dat is waarom we het doen, hè”, voegt Guus er aan toe terwijl de jassen aan worden getrokken om wat frisse lucht te happen.

“Als je geen alcoholist bent, ben je een ochtendmens”, grinnikt Stephen Malkmus. Het mag dan vroeg zijn als zijn telefoon gaat in Portland, maar Malkmus zit duidelijk op zijn praatstoel. Volgens Pitchfork schreef hij de beste liedjes van de jaren negentig, maar hij geniet tegenwoordig van een meer bescheiden leven als vader en freelancer. Voor het werk van zijn vrouw verhuisde hij even naar Berlijn, waar Malkmus zijn achtste soloplaat Groove Denied in elkaar sleutelde.

De plaat verschijnt snel na Sparkle Hard en is – werkelijk waar – vol knarsende electronica de meest afwijkende uit zijn carrière. “It’s funny to mess with things I’m not supposed to”, is het nieuwe, ietwat ironische levensmotto van Malkmus. Dat geldt ook voor dit interview, waar Malkmus spreekt over de meest uiteenlopende onderwerpen. Van dad jokes via Billie Eilish tot aan klimaatopwarming.

Eerst een kleine familiegeschiedenis. Mijn vader kocht in de jaren negentig een kaartje voor een concert van – houd je vast – Yo La Tengo, Sonic Youth én Pavement in Eindhoven. Zo’n sprookjesachtige programmering leek te mooi om waar te zijn. En helaas was het dat ook voor hem. Griep zorgde ervoor dat deze loyale concertbezoeker het concert miste. Zijn enige ooit. Een collega die zijn kaartje kreeg bedankte hem met een goedbedoelde concertposter, die hem nog jaren aan dit voorval herinnerde. Zo’n twintig jaar later kwam Stephen Malkmus terug met een reünietour van Pavement en ik mocht mee. Het werd zijn herkansing en mijn eerste concert (boven de rivieren).

“Ik ben benieuwd hoe de toekomst van Billie Eilish eruitziet”

“Wat een awesome verhaal! Very cool.” Zo reageert Malkmus op mijn familieverhaal. Hij geniet hoorbaar van zijn verleden. Als hij over Pavement vertelt, mogelijk de meest invloedrijke indie-band van de jaren negentig, klinkt hij vol liefde. Hij verwijst er tijdens het gesprek quasi-nonchalant naar. Meestal met “mijn vroegere bandje, Pavement”. “Mijn dochter van veertien en ik delen sommige muziek. Ze vindt het niet erg om naar gitaren te luisteren, maar haar generatie is meer into Frank Ocean. Geef haar ongelijk: Blonde is great, ik krijg maar geen genoeg van de rap in Nikes. We zijn ook samen naar shows gegaan. Ik nam haar mee naar Courtney Barnett en Animal Collective en als concessie gingen we samen naar Billie Eilish, die is super massive bij dertien en veertien-jarigen. Op die leeftijd kan je smaak snel veranderen. Ik ben benieuwd wat er in de toekomst gebeurt met Billie Eilish. Het doet me denken aan Taylor Swift. Dat is totally over nu…”

Onlangs liet Malkmus zijn loyale fanbase schrikken met een krakkemikkige video bij Viktor Borgia. Het is een zwaar ironische video, met een pathetisch dansende Malkmus op een beat die vooral aan Kraftwerk en David Bowie doet denken. Wat zijn dochters daarvan vonden? “Haha, ze zijn niet vooringenomen over de clip. Het kan ze niet schelen wat ik doe. Ze zeggen wel: ‘Hey dad, you sound weird on this one!’. En dat is geweldig, ik vind het tof dat ik vrij kan zijn wanneer ik muziek opneem. In Nederland nam ik ooit een album op met Canshaker Pi. Ken je dat bandje? Het waren jongetjes destijds, 18 en 19, maar wel de coolste jongetjes van hun middelbare school. Ze luisterden naar Death Grips, Kanye West en introduceerden mij tot Ought. Ik werd geïnspireerd door de grote variatie in hun luistergedrag, vaak nog hipper dan wat mijn dochters luisterden.”

“Tegenwoordig is muziek alsof je Italiaans en Indiaans eten in één gerecht combineert”

Toen hij zelf op de middelbare school zat, zag Malkmus zichzelf ook als een van die jongetjes met een larger-than-life muzieksmaak. “Ik deed wel mijn best, ja”, lacht hij. “We probeerden cool te zijn met een intelligente, kosmopolitische kijk op muziek. Tachtig jaar geleden luisterden mensen alleen naar klassieke muziek en dat deed je dan vooral als je rijk en slim was. Dat is helemaal anders nu. Een rijk en slim figuur luistert nu naar Drake en Bach’s zoveelste symfonie door elkaar. Ik hield van punk, hardrock en artsy dingen, maar ik werd ook verliefd op mainstream-acts als Van Halen. Daar zat destijds zo’n grote marketingmachine achter dat ik er wel enthousiast van moest raken. Als luisteraar verlies je tegenwoordig soms focus omdat je kunt verdwalen in alle ‘lekkere’ genres. Alsof je Italiaans en Indiaas eten in één gerecht combineert. Het kan goed zijn, maar het kan ook shitty smaken: een gevaarlijke gok. De enige hoop voor rock-’n-roll – and I still love rock-’n-roll – is dat het afgewisseld wordt met R&B en hiphop. Anders gaat het een langzame, pijnlijke dood sterven.”

In Malkmus herken je een sterke observant die goed nadenkt over wat hij ziet. Antwoord geeft hij vanuit het perspectief van de man die veel gezien heeft, maar wel geniet van het leven, en van het vaderschap. Maakt hij ook, de op internet populaire, dad jokes? “Fuck. Haha. Ik leef 24/7 als dad… Dad jokes zijn een fascinerend verschijnsel. Vaak hangt er een soort nare smaak aan, omdat dad jokes een oubollige ondertoon hebben, maar ik vind het niet erg om een dad te zijn. Het toont de frustratie van een jongere generatie, aangezien de wereld van nu het resultaat is van hun vaders. Making fun of them is good. Je kan het ook vanuit het dad-perspectief bekijken. I’m you’re dad, but you’re my little punk! Hahaha, wij maken wel grappen, maar wij weten ook wat er gaande is in de wereld.”

Terug naar muziek. In het persbericht schrijft Malkmus: “it’s funny to mess with things I’m not supposed to”, maar wie bepaalt dat Malkmus niet met elektronische muziek zou mogen stoeien? “Nou ja… Ik ben bekend van lofi-gitaren en emo-melodieën. Neem LCD Soundsystem. James Murphy maakte zijn naam met hippe dance-punk. Ik ben echt een fan van James Murphy, maar stel je voor dat hij een akoestische countryplaat zou maken, dan zou ik daar geen verwachtingen bij hebben. Ik heb geen behoefte aan James Murphy die Tim McGraw of Hank Williams probeert te zijn. Toch zou een Murphy kunnen overtuigen met disco-country.

“Het internet is drukbevolkt. Everyone is on top of each other”

Malkmus blijft zichzelf verrassen. Als hij op tournee is, speelt hij geen enkele avond dezelfde liedjes. Elke avond heeft een unieke setlist. “De eer daarvoor moet naar bassist Joanna Bolme. Zij publiceert elke setlist online. Zonder haar zou het niet zo afwisselend zijn. Er zijn wel nummers die niet zo goed zijn, maar ik wil dat eigenlijk niet toegeven. Misschien is het iemand anders zijn favoriete liedje, dan voelt het slecht. Ooit deed ik een interview waarbij ik eerlijk vertelde over reünieconcerten, met mijn oude bandje Pavement, die verschrikkelijk waren verlopen. Later kwam ik wat mensen op het vliegveld tegen die naar Noorwegen waren gereisd om ons te zien optreden. Dat grapje kostte ze 250 euro. It sucked that they said that, hahaha.”

Hij onderhoudt een goed contact met de bandleden van Pavement. “They’re around. They’re my friends. Je kent het internet, je kan met iedereen in contact blijven. Forever. Voor mij is het een vooruitgang, maar het internet is wel druk bevolkt. Everyone is on top of each other. In Nederland kun je de straat niet over zonder iemand die je kent tegen te komen, dat gevoel geeft het internet ook. Je vader zal het hier wel mee eens zijn: als je ouder wordt, verdwijnen sommige vrienden uit je leven. Je ziet ze niet meer. Ze worden anti-sociale, vijftig-plussers. Met het internet kun je iedereen weer opsporen. Je blijft in contact met mensen die extreem introvert of gedeprimeerd zijn.”

“Muziek is en blijft een door mannen gedomineerde, patriarchische wereld”

Zelf zit Malkmus vooral op Twitter. “Vanmorgen heb ik twee keer gekeken. Dat is mijn nieuwsbron. Daarnaast check ik vaak mijn email. Ik zit niet op Facebook of Instagram. Ik kijk weleens met mijn dochters mee. Wanneer je op Instagram zit krijg je te maken met weird times. Je krijgt bad vibes wanneer je praat over andere vrienden. It can totally kill you. Ooit maakte ik op Twitter een grapje over een headline die ik tegen kwam. Het was een ongevoelige en domme opmerking. Niet grappig. Whatever, I fucked up a bit. Het kan mij niet schelen als iemand mijn plaat slecht vindt, maar dit was direct op mijzelf gespeeld. Stel je een kid voor van zeventien die weinig zelfvertrouwen heeft en geen muziekcarrière en die krijgt zulke reacties. Social media kan je echt kapot maken.”

De kracht van social media zien we elke dag, ook bij publieke figuren als Ryan Adams en R. Kelly, die nu van hun voetstuk vallen door wangedrag. Hoe keek Malkmus tegen de verhalen rondom bijvoorbeeld Ryan Adams? “It sounds like a bad trip. Hij is slecht in relaties. In het dagelijks leven ontlopen we dit soort types. Los daarvan is een relatie van een volwassene met een minderjarig meisje altijd slecht. Het internet moet zich meer op het grotere vraagstuk richten: de rol van vrouwen in de muziekindustrie. Het is en blijft een door mannen gedomineerde, patriarchische wereld. Om gezien te worden zijn vrouwen daarom aangewezen op figuren als Ryan Adams. Hij trekt, denk ik, vrouwen aan omdat vrouwen ook muziek willen maken.” Zuchtend: “Het is zo moeilijk om gehoord te worden als je een vrouw bent.”


“Als muzikant doe ik aan vingerverven”

Nee, de (muziek)wereld is niet leuk en ook niet eerlijk. Toch haalt Malkmus, die een bovengemiddeld lange carrière in de muziek onderhoudt, er ook veel plezier uit. “Making music is a form of delayed adulthood. Veel dingen die we associeren met kind zijn komen terug in muziek maken. Muziek is speels, je maakt iets zonder doel. You’re playing around a little bit. Ik doe gewoon aan vingerverven. Maar in een kapitalistische maatschappij moet het al snel verkoopbaar zijn. Dus krijgt iets waarde. Je kunt dan wat waarheden vertellen over de wereld en wijs zijn, niet kinds. Maar muzikaal groei ik nooit helemaal op.”

In veel interviews begint Malkmus over kapitalisme. Hoe kijkt hij hier tegen aan? “Het vermoordt de wereld! Kapitalisme is een belangrijke oorzaak voor de milieu-apocalyps die voor de deur staat. Die catastrofe komt er snel aan. De oplossing? Je kunt voor een ander model gaan, een meer socialistische aanpak, wat het einde voor cumulatieve wedstrijden betekent. Je kunt ook vertrouwen op het kapitalisme. Door juist concurrentie te bevorderen kan er een wedstrijd ontstaan om een oplossing voor de milieuproblematiek vinden.”

“De ironie is dat een oplossing gepaard zal gaan met veel rijkdom en status. Ik maak mij zorgen over de milieu-apocalyps. Het is vooral ‘ja’ zeggen tegen de mensheid. Ik wil dat kinderen later rond kunnen lopen, niet alleen de mijne, maar alle kinderen. Voor nu kun je het beste de situatie accepteren, hoe moeilijk dat ook is. Anders word je gek haha.”


Motel Mozaique
Rotterdam – 18 t/m 20 april

Bovenaan de trap doet een vriendelijke vertegenwoordiger van platenmaatschappij Domino open. Links, in een soort serre, zit Noah Lennox. Panda Bear. Hij kijkt wat slaperig, is in gesprek. De eerste blik blijft een vreemde. Een nostalgische illusie sneuvelt en maakt plaats voor de echte Noah Lennox. Een veertigjarige man met sportschoenen. Tafel met fruitmandje. Thee en mandarijnen. In april speelt hij tijdens Motel Mozaique, op acht februari verschijnt de nieuwe plaat Buoys en daarom zit Noah daar. Een serre in Parijs, Rue de Montmartre. Het regent.

Tekst Roelof Schipper

Thalys, 28 november 2018. Om kwart voor tien passeert Mechelen, om tien uur de grauwe voorstad van Brussel. Brussel-Noord. Een oude ijzeren brug, natgeregende stations, modderbermen en herfstgrauw van het Vlaamse platteland. Later op de middag beklim ik de Rue Montmartre: misselijk van bananencake, heet en klam, de zon schijnt vies na een volle dag motregen.

Ik stap de serre in, een kleine ruimte met een glazen dak. Het is weer gaan miezeren. Een houten tafel met twee stoelen. Een fruitmandje met mandarijnen. Thee voor Noah Lennox. Hij heeft de jas over de stoel hangen, alsof hij net is komen zitten. Noah staat op, geeft een hand. Niet hard, niet slap. Zijn ogen zijn smal, de stem wat nasaal en het haar zwart.

Noah: “Nice to meet you. Hebben we elkaar eerder ontmoet?” Roelof, van The Daily Indie: “Nice to meet you too. Nee, we hebben elkaar nog niet eerder gesproken.”

Pen en papier, beetje ouderwets. Het zal een wat langzaam gesprek worden.
“Geen probleem. Ik vind het prima. Pen en papier is mellow. In volgorde van mellowness: pen en papier, audio-opname en als laatst video: absoluut not mellow. Hoe lang ben je hier? Eén dag?”

Ik ben hier inderdaad één dag – met de trein – heb wat rondgestruind in Parijs. De Seine, de Nôtre Dame, Gare Du Nord, Mont Martre. En nu, hier.
“Parijs is één van die steden die ik nog niet helemaal door heb. Jij komt uit Nederland, toch?”

Mh-mh.
“Ben je in Utrecht geweest?”

Ja, leuke stad. Niet heel lang geleden ben ik nog een avond op Le Guess Who geweest. Bekend mee?
“Ah ja, Le Guess Who?! Ik heb er twee – twee? – keer gespeeld. Utrecht, leuke stad.”

Het is een fijne stad. Niet al te groot, niet al te veel toeristen.
“Als er iets is dat ik tegen Lissabon heb, zijn het de toeristen.”

Lissabon: daar woon je nu. Hoe lang al?
“Veertien, vijftien jaar.”

Wat is er gebeurd?
“Toerisme, dat is er gebeurd.”

Wil je verhuizen? 
“Soms, maar we zijn hier nu zo gesetteld.”

Het staat bij ons op een lijstje, om er een keer als city trip heen te gaan. Ooit.
“Ik raad het je niet aan, maar als je toch gaat zou je vooral wat rond moeten gaan lopen, de straatjes verkennen, ronddwalen. Ik vind het een stinkende stad. Er is een populair liedje uit de jaren dertig of veertig: ‘If it smells good, it smells like Lisbon.’ Zingt, zo half en half: Cheira bem, cheira a Lisboa’.”

Wat ruikt er naar Lissabon?
“Public urinating. Je merkt dat ik je probeer te enthousiasmeren. Het zijn de oude rioolpijpen. Ook waar we wonen, vlakbij een uitgaansgebied. We wonen op de rand, waar iedereen het uitgaansgebied naar binnen gaat en ‘s avonds weer vertrekt, het preparty-gebied.”

Doe je nog mee?
“Soms, vroeger gingen mijn vrouw en ik wel eens mee uit. Nu, met de kinderen, wat minder. Het is vermoeiend.”

“Ik voel me honderdvier. Vierennegentig. Maar ik heb nog steeds hoop voor de toekomst”

Hoe is het voor de kinderen daar?
“Ik heb m’n bedenkingen. Ik ken de gebouwen waar er wordt gedeald. De mensen zijn prima, best aardig. Er komen mensen van over de hele wereld. Verschillende achtergronden en ervaringen. Ik groeide op in een vrij afgelegen gebied. Ik denk dat het voor jonge mensen niet altijd prettig is om te wonen waar wij nu wonen. Het helpt wel bij het ontwikkelen van een wat dikkere huid. Niet iedereen heeft het zo goed als wij.”

Vandaag zag ik dakloze mensen in de metrostations, slaapzakken, matrassen. Op de weg van huis naar werk zie ik dat niet. Nooit. Ik moest eraan wennen, dat duurde even. Ik voelde mij oud, dat het tijd kostte.
“Dat is prima. Ik voel me honderdvier. Vierennegentig. Maar ik heb nog steeds hoop voor de toekomst. Ik denk dat het eerst slechter moet gaan voordat het beter wordt.”

Waarom?
“Ik denk – omdat mensen vasthouden aan zaken en systemen die niet meer voldoen. Vooral financiën. Mensen moeten steeds harder werken om aan hun verplichtingen te voldoen en ergens houdt het op. Rijke mensen moeten eerst hard geraakt worden voordat er iets kan veranderen. Mijn geloof in de goedheid van de mens is gelijk aan m’n geloof in de terughoudendheid die mensen hebben om zaken los te laten. Vooral de mensen die meer hebben.”

Ik wil graag met je over de nieuwe plaat praten. Was er een bepaald moment waarop je deze wilde maken?
Een voorzichtige glimlach: “De onderwerpen waar we het net over hadden, komen ook wel terug op Buoys. Maar een definitief moment waarop ik Buoys wilde doen, niet per se. Ik ben altijd bezig met het volgende.”

“Maar nu leven we in een tijd met Trump, Brexit, wat er gebeurt in Brazilië, Polen, de politiek die zich steeds meer bemoeit met morele en ethische zaken. Die actualiteit was geen directe inspiratie, het inspireerde mij wel om juist nu deze plaat te maken. Dat was direct na Painting With, Animal Collective (uit 2016, red). Ik blijf altijd wel bezig, it’s a train I can’t get off.”

Ik begrijp uit het persbericht dat je je met Buoys wil richten op jongere mensen.
“Dat klopt. Ik heb het gevoel dat ik mij vooral wil richten op jonge mensen. Ze zijn nog niet zo gevormd, ze denken veel na over zichzelf. Oudere mensen zijn eerder vastgeroest. Dat betekent trouwens niet dat ik voor deze plaat een hip kostuum heb aangetrokken. Dat wil ik niet. Ik ben gewoon gaan werken met geluiden die inherent spannend voor mij zijn. Meer nog dan dat heb ik met Buoys het gevoel dat ik tegen mijn kinderen praat.”

Wat vinden je kinderen van je muziek? Ik herinner mij dat ik ergens heb gelezen dat ze nog geen fan zijn.
“Nee, nog steeds niet. Mijn dochter Nadja is tien. Hard nut to crack. Mijn zoon is acht, he’s ready to party. Mijn dochter is moeilijker.”

Ik denk dat het niet vanzelfsprekend is dat kinderen enthousiast zijn over dezelfde onderwerpen als vader of moeder.
“Toch zou het geen probleem moeten zijn. Probeer het maar, doe het gewoon. Misschien word je niet teleurgesteld, misschien ga je niet uit je dak, maar probeer het gewoon.”

Je spreekt met een toekomstig vader…
“Gefeliciteerd – “

…dus ik luister aandachtig.
“Ik heb het idee dat ik veel te vertellen heb over het vaderschap – so bring it on.”

Het is niet een typisch rock-‘n-roll-onderwerp.
Lacht: “Nee, het is totaal niet rock-‘n-roll om over vaderschap te praten. Maar als je je eigen vaderschap overweegt, dan zou je eens moeten nadenken over de relatie die je met je eigen vader hebt. I think having a vital relation with your father bodes well.”

Ik schrijf dat op. Ik moet lachen – sorry – omdat ik me voorstel hoe dat als titel van het stuk zou werken, ‘I think having a vital relation with your father…
“bodes well.”

Bodes well… (ik werk m’n aantekeningen bij). 
“Ken je Legowelt?”

Legowelt, nee?
“Legowelt is een producent van elektronische muziek, een synth-enthousiast. Hij heeft een studio met ontzettend veel synthesizers en planten. Ik denk dat hij Nederlands is? Hij heeft een studio bij de kust. Geloof ik.”

Oh oké. Vanwaar Legowelt?
“We hadden het over muziek, Nederland, Utrecht en toen dacht ik aan Legowelt.”

Hebben jullie elkaar ooit ontmoet?
“Nee, ik heb hem nog nooit ontmoet.”

Oké. Misschien is dit dom, maar ik heb geen idee hoeveel tijd we nog hebben. Ik heb m’n telefoon buiten de serre laten liggen.
“Ik ook niet. Als de tijd erop zit komt er vanzelf wel iemand… ‘two more minutes’. Ze zullen er beleefd over zijn, eerder suggestief dan dwingend.”

Is dat on-Frans? Ik dacht altijd dat Fransen onbeleefd zijn.
Kijkt naar een bovenhoek van de serre: “Het zou grappiger zijn als er een luchthoorn hing die afging als de tijd erop zit: PAAP.”

Ik vind het verloop van dit gesprek echt heel fijn, maar het uitwerken wordt een drama.
“Oh sorry, I’m totally ruining the interview. Waar hadden we het over?”

O nee joh, het is prima. Ik kom er wel uit, ik heb nog tijd om het uit te werken. We hadden het over kinderen, vaderschap.
“O ja. Kinderen. Naar mijn ervaring zijn ze eerder suggestief dan dwingend. Helaas word je tegenwoordig steeds meer opgeroepen om zaken af te dwingen. To be demonstrative. Dat is niet echt mijn stijl. Ik zal niet snel iemand dwars over het gezicht slaan. Dat doe ik niet graag. Als kinderen opgroeien, hun eigen identiteit uitzoeken en steeds meer zichzelf worden, zoeken ze vanzelf de grenzen op. Soms moet je dan op je strepen gaan staan.”

Voelt dat ouderwets?
“Soms voelt dat zo. Je bent zelf ook bezig met het opzoeken van je identiteit als ouder, net zo goed als je kinderen hun identiteit aan het vormen zijn. Als ik terugkijk, is dat voor mij de grootste verandering geweest. Vader worden.”

In m’n voorbereiding las ik wat oude interviews van je door – van tijdens Panda Bear Meets the Grim Reaper. Er werd veel gevraagd naar de persoon van de Grim Reaper, en je verklaarde die vooral als ‘change agent’ – jij bent dus veranderd.
“Precies. The pre-dad Noah is dead.”

Hoe zit dat op Buoys? Is die Grim Reaper in die vorm – ‘change agent’ – nog aanwezig?
Denkt na: “Ik denk het wel, maar anders, meer in de vorm van een cyclus. Het gaat op Buoys veel over cyclische dingen, wielen. De laatste zin van de plaat is ‘see you around…’ De laatste zin van het eerste nummer is ‘to the end’. Het thema van de Reaper is nog aanwezig, maar in een andere vorm – een rustigere vorm, een kalmer geluid.”

Ik las verder dat je een klein dansje door de kamer maakte toen Meets The Grim Reaper klaar was. Heb je dat ook bij Buoys gedaan?
“Ik heb er ongetwijfeld bij gezegd dat ik alleen was toen ik dat dansje maakte.”

Dat kan ik mij niet herinneren.
“Ik maak veel kleine dansjes. Als iets lukt, als iets klaar is. Niet per se op muziek. Ik dans als ik iets afgerond heb, alleen.”

“Het leukste gedeelte is het maken, zien dat het ding aan het ontstaan is. Alles wat volgt is gewoon werk”

Hoe leuk was het werken aan Buoys?
“Het leukste gedeelte is het maken, zien dat het ding aan het ontstaan is. Alles wat volgt is gewoon werkZoals het touren. Als ik optreed, is het meer een technisch ding, minder creatief.”

De interviews
“Interviews ook, but I didn’t want to make you feel weird. Maar ja, ik kan niet zeggen dat ik interviews geven leuk vindt.”

Je maakt op mij anders een vrij ontspannen indruk. Hoe zit je er nu eigenlijk bij?
“Ik ben nu best relaxed. Ik heb sowieso niet het beeld van mezelf dat ik zo intimiderend ben. Dat we het voor de verandering over andere onderwerpen heb, onderwerpen die ik in andere interviews niet heb besproken, maakt het best wel cool. En ik ben altijd dankbaar dat mensen nog steeds met me willen spreken, na twee decennia muziek. Dat idee maakt het prettig, veel prettiger.”

Het werkt twee kanten op. Het voelt ook voor mij gezond om met mensen te spreken die ver buiten je eigen sociale omgeving staan. Zoals nu.
“Ik heb echt niet altijd zin in een gesprek, maar ik denk dat er veel te leren valt als je iemand ontmoet buiten je typische kring. Wat het tegenovergestelde is van waar de politieke situatie van nu op uit lijkt, namelijk mensen in hun eigen kring houden, invloeden van buiten, buiten houden.”

Heb je een voorbeeld, ik vermoed dat dit de laatste vraag is, van iets dat je hebt geleerd van iemand buiten je eigen sociale kring?
“Er zijn er heel veel, maar één die me nu spontaan te binnen schiet is toen Rusty (Rusty Santos, producer, red.) mij vertelde dat hij een vriend had die ook wat studiowerk deed: Dino (D’Santiago, Portugese muzikant, red.). Ik was in de studio bezig met Inner Monologue, dat toen nog Sabbath heette en Dino kwam langs. Hij wist exact wat hij wilde zingen, welke noten, welke stemmen, welke akkoorden. Ik zou nooit de akkoorden hebben gepakt waar hij mee kwam. Het heeft het nummer drastisch verbeterd.”

Mooi – Dank je wel, volgens mij is het goed zo.
Thank you. Wanneer verschijnt het artikel?”

Ik denk als het album uitkomt. Wat ga je nu doen?
“Volgens mij heb ik nu nog één interview hier en dan nog een telefoon-interview.”

En dan? Wanneer ga je terug naar Lissabon?
“Morgen.”

Ah, dan ben je dus ook maar kort hier. Zin om naar huis te gaan?
“Ja, het was maar kort. Maar daarna gaan we naar Australië voor tien dagen. Met de hele familie.”

Familievakantie.
“Ja, soort van. Het is een tour met maar drie optredens, dus daarbuiten hebben we nog wel wat tijd samen. Om naar het strand te gaan, dat soort dingen. We moesten nog wel wat regelen met de school, omdat de kinderen nu wat dagen missen. Uiteindelijk was dat geen probleem.”

Mooi – ik moet nu gaan – ik moet de trein halen. 
“Alright man, see you. Sweet travels.”

Panda Bear speelt live tijdens Motel Mozaique in het weekend van 18 tot en met 20 april in Rotterdam!


WEBSITE MOTEL MOZAIQUE | FACEBOOK-EVENT | TICKETS

Het is een druilerige, donkere vrijdagavond. Buiten parkeert een busje vlak voor de achteringang van het Stroomhuis. De passagiers zijn de bandleden van Viagra Boys. Zanger Sebastian Murphy en bassist Benke Höckert beginnen de instrumenten een voor een naar binnen te dragen. Iedere uitademing is zichtbaar door de lichtgrijze wolkjes die het opwekt deze avond. De sneakers van de mannen plenzen in de plassen en door de tot pap geworden bladeren. Het is een van de eerste koude herfstavonden van 2018, maar Murphy en Höckert dragen een dun joggingpak. Murphy blijft nog even buiten staan, bovenaan de trap. Hij trilt, maar steekt met vaste hand een peuk op, waarna er een flinke hoestbui volgt. Vanavond moet hij optreden, maar zijn weerstand kon niet op tegen de kou in de bus. Het leven is shit, maar lachen is de beste optie.

Tekst Midas Maas
Foto’s Tineke Klamer

Die laatste zin is bepalend voor de band. Het bevechten van misère met humor. Het ademt ook door alle nummers van zijn verse plaat: Street Worms. En hoewel de nummers veelal met satire doorladen zijn, gaan ze vaak wel in op persoonlijke onderwerpen uit het leven van David Murphy. Een leven dat zo’n dertig jaar geleden begon in Los Angeles, als zoon van een Amerikaanse vader en een Zweedse moeder. Höckerts verhaal begon heel ergens anders, in de Zweedse stad Motala. Als je naar een nummer als Just Like You luistert, kom je er al snel achter dat Murphy geen eenvoudige jeugd had.

“Ik verwoestte mijn relaties, verwoestte andere dingen die mij dierbaar waren. Ik wil hier niet over verder praten. It’s pretty personal”

Aan het begin van Just Like You wordt er een droombeeld geschetst: je hebt een lieve vrouw, een mooi huis en een kleine hond. Je vervolgt dat beeld van de droom met de zin: ‘I saw life/Without upset family members’. Oftewel: nu heb je familieleden die van streek zijn?
Murphy: “Dat waren ze toen ik tiener was. Ik was een bad kid. Ik deed niet wat ze mij vertelden te doen. Ik nam drugs. Ik ging een tijdje naar school, maar halverwege de middelbare school stopte ik. Mijn ouders wilden graag dat ik naar school ging en ik wilde dat niet. Ik eindigde als tatoeëerder in Stockholm.”

Höckert: “Ik was ook geen makkelijk kind. Ik deed dingen die ik niet zou moeten doen. Ik spoot graffiti, sloopte dingen, stal auto’s, deed drugs, dronk te veel alcohol. Ik ging naar het gymnasium. Een aantal vakken heb ik laten zitten, maar het was genoeg voor een diploma. Ik ging later ook nog naar de universiteit om een economische studie te volgen, maar die heb ik nooit afgemaakt. Toen ben ik min of meer verschillende bandjes ingerold. Ik werk nu als een timmerman.”

In het nummer wordt ook het andere uiteinde van die eerdergenoemde droom geschetst. De nachtmerrie, zou je kunnen zeggen. Je zingt: ‘I’m so glad/I never wandered down the wrong path/And ended up some kind of addict/Or loser or some kind of, some kind of/Some kind of psychopath.’ Hoe ver zat je daar vanaf?
Murphy: “I’ve been there, yeah, sure. Mijn verslavingen? Dat is best persoonlijk en het doet er eigenlijk niet heel veel toe. Amfetamine, benzoïden; noem het maar op en ik heb het waarschijnlijk gebruikt. In the end werkt het gewoon niet. Je verliest alles wat je hebt. It sucks. Je krijgt niks voor elkaar en je kunt je dromen niet waarmaken als je afhankelijk bent van drugs. Ik raakte rock bottom, meerdere malen in mijn leven. Ik realiseerde mij dat ik mijn leven aan het verneuken was. Ik verwoestte mijn relaties, verwoestte andere dingen die mij dierbaar waren. Ik wil hier niet over verder praten. It’s pretty personal.”

“Kijk gewoon naar de wereld man, het is fucked up”

Hoe gaat het nu?
Murphy: “Nu gaat het wel goed. Nu probeer ik mijn leven weer terug op te bouwen. Ik focus mij nu op de band en ik wil andere mensen niet meer tot last zijn. Ik neem verantwoordelijkheid voor mijn eigen acties.”

Hoe ver ben je nu van het droombeeld?
Murphy: “Ver. Ik bezit eigenlijk niks van die drie dingen, maar wie weet wat de toekomst allemaal in petto heeft. Op dit moment speel ik muziek. Dát is mijn leven op het moment.”

Höckert: “Ik heb een eenkamerappartement. En ik heb ‘misschien een vriendin’, haha. Just a ‘maybe’.”

Wie is ‘you’ in dat nummer?
Murphy: “Iedereen waar ik ooit tegenop keek. De rolmodellen in mijn leven. Mensen om mij heen, de mensen die nu luisteren. Het zijn veel mensen. De maatschappij als geheel, I guess.”

En waarom is die samenleving zo fucked up zoals je regelmatig zegt?
Murphy: “Kijk gewoon naar de wereld man, het is fucked up. Het is best simpel, lees de krant maar eens. Trump is president, het klimaat gaat naar de klote, het verschil tussen arm en rijk blijft groeien, alles is fucked up.”

Over Trump gesproken: dit jaar deed een extreemrechtse partij het uitermate goed in jullie thuisland.
Höckert: “Ze wonnen gelukkig niet. In veel districten hebben ze wel gewonnen, maar de sociaaldemocraten hebben alsnog meer stemmen gekregen. Ze kregen negentien procent, de sociaaldemocraten kregen 28 procent, of iets in die richting.”

Wat vinden jullie daarvan?
Höckert: “Fucked up! Fuck that! Voor mij is het: fuck grenzen, fuck nationaliteiten, fuck ras en fuck religie. Het is een groep mensen die racistische klootzakken zijn, weet je wel. It’s fucked up, ik weet niet wat ik er nog meer over moet zeggen.”

Murphy: “Toevallig gaat Worms daar op in: ‘The same worms that eat me, will someday eat you too.’ We zijn gemaakt van hetzelfde vlees en bloed, we gaan allemaal dood en we liggen allemaal op een dag te rotten onder de grond. Die zin heb ik van een kerel die in een interview wat zei over Trump: ‘What the fuck is er mis met die kerel. Hij realiseert zich niet dat we allemaal worden opgevreten door dezelfde wormen.’ Op het moment dat ik het nummer schreef voelde ik mij nogal sterfelijk. Ik dacht dat ik op mijn weg naar de dood was door drugsmisbruik.”

“Ik dacht dat ik op mijn weg naar de dood was door drugsmisbruik.”

En de uitweg uit alle ellende is punk?
Höckert: “Yeah! Toen ik opgroeide, voelde ik mij niet thuis in de normale wereld. De punkscene is er een waarin ik kon ontsnappen.  Het is een outsider-cultuur, een plek waar ik mij één kan voelen met andere fucked up mensen. Het is boze muziek waar ik mij goed in kan vinden. Al onze nummers: It’s all about being an outsider.”

Murphy: “Daarnaast lachen we er graag om, zoals je ook wel kan merken in onze muziek. Ik ben niet een heel serieuze kerel. Ik druk mezelf uit door humor. Ik heb geen lange serieuze discussies over shit. Het is veel makkelijker om te lachen om je problemen. Dat is ook veel beter dan door het leven te gaan met de gedachte: ‘ugh, alles is klote.’ Die humor is onderdeel van een positieve houding. Het is een positieve negativiteit. Comedy is belangrijk in de levens van iedereen. We houden van lachen.”

Boze muziek dus. Angstige muziek ook wel. Jullie tour uit 2015 had de naam Endless Anxiety Tour. Maken negatieve emoties betere muziek?
Murphy (zingt): “‘Tonight we’re gonna party.’ That sucks, die radiomuziek klinkt allemaal hetzelfde. Dat is ons doel, haha, het volgende album gaat gewoon veertien nummers lang vrolijkheid zijn. Even zonder grappen, toen wij de band net begonnen zo’n vier jaar terug had ik iedere dag en nacht last van angst: Endless Anxiety. Ik nam iedere dag drugs, maakte slechte keuzes en ik voelde mij slecht.”

Nu we het over punk hebben, waar begon muziek voor jullie?
Höckert: “Twisted Sister met We’re Not Gonna Take It op een cassette. Vanuit daar dook ik de heavy metal in en via de metal in de punk. De eerste punkband die ik leerde kennen was Asta Kask, een Zweedse punkband. Misfits kwam er vlak na. Vandaag de dag luister ik naar een veel breder scala aan muziek, zoals Container en Amyl and the Sniffers.”

Murphy: “Die vind ik ook gaaf. Maar ook Sleaford Mods en hiphop als Run The Jewels. Toch luister ik voornamelijk naar oude muziek, de muziek waar ik mee opgroeide. Het was de muziek van mijn vader en mijn ooms. Namen als Joy Division, New Order, Hank Williams, The Smiths en Radiohead, heel divers. Mijn ooms hadden dan ook een goede muzieksmaak. Ze gaven mij platen van al die bands. It’s all their fault.

“Ik ben wel vaker dan drie keer opgepakt, hoor. Waarvoor? Het bezit van drugs en smokkelen”

Nog niet zo lang geleden waren er nauwelijks interviews met jullie te vinden online. Er waren wat geruchten te vinden over Murphy. Om ons gesprek af te sluiten wil ik feiten van fictie scheiden. Eén: toen je in de Verenigde Staten woonde, heb je in de cel gezeten.
Murphy: “Nee, ik heb nog nooit in de bak gezeten. Je mag het opschrijven hoor, I don’t care.”

Je bent drie keer opgepakt. Waarvoor?
Murphy: “Dat wel ja, haha. Wel meer dan drie keer, hoor. Waarvoor? Het bezit van drugs en smokkelen. Ik wil niet dat mijn moeder dit leest, haha.”

Benke: “In mijn jeugd reed ik op brommers en motors zonder toestemming, terwijl ik ook nog eens minderjarig was. Stuff like that. En graffiti. Voor het stelen van auto’s ben ik nooit gepakt. Vrienden werden gepakt. Ik bleef op vrije voeten.”

Je bent vervolgens het land uitgezet, ging het verhaal.
Murphy: “Daar koos ik gelukkig zelf voor. Ik vertrok zo’n elf jaar geleden naar Stockholm. Ik wilde wat anders doen en ik had veel familie daar.”

Je bent daar gaan zwerven over de straten.
Murphy: “Ook al niet waar.”

Je bent karikaturen gaan tekenen om rond te komen.
Murphy: “Nope. Dat zou ik misschien wel moeten doen. Ik ben daar wel gaan werken als tattoo-artiest.”

Het is dus een compleet onzinverhaal. Toch kreeg het aandacht van een aantal media, die het voor waar aannamen.
Benke: “Perfect. Zo zou je het willen hebben! Een vriend van ons schreef dat verhaal een tijd terug. Wij vonden het hilarisch.”



Er zijn weinig mensen die een klassiek rockgeluid op zo’n goede manier nieuw leven inblazen als Ron Gallo. Zijn combinatie van een kritische blik en absurdistische humor verrijkt en vernieuwt een genre dat soms vastgeroest lijkt. In Nederland wordt dit maar al te goed beseft, zo speelde de Amerikaan al op London Calling, in Bitterzoet en in het Stroomhuis. Ook de grotere Eindhovense zalen zijn klaar voor Gallo, zo bleek wanneer Redacteur Bram van Duinen hem aan de tand voelde tijdens Fuzz Club in de Effenaar over zijn nieuwe album Stardust Birthday Party dat vandaag uit is gekomen via New West Records.

Foto: Jesse Fox

 

Ron Gallo is iemand die je meteen opvalt. Hij is lang, heeft een afro, een bijzondere kledingstijl en zijn mix van classic rock en punk is nou ook niet bepaald timide. Toch is hij verbazingwekkend rustig als je hem spreekt. Natuurlijk, die humor is er niet van af en samen met zijn band doet hij graag z’n best om je af en toe op het verkeerde been te zetten, maar de Amerikaan praat bedachtzaam, weegt zijn woorden goed en nuanceert veel.

Of ik diezelfde Gallo voor me zou hebben als ik hem anderhalf jaar geleden zou spreken weet ik niet. Rond die tijd kwam zijn debuutalbum Heavy Meta uit, een album dat zich kenmerkt door maatschappijkritiek en de daarbij horende frustratie. Ook de opvolgende EP Really Nice Guys heeft een venijnige ondertoon en staat bol van het cynisme ten opzichte van de muziekindustrie – ja, ook de journalistiek – en alles daar omheen.

Hoe anders is Stardust Birthday Party, waar Gallo zijn analyses tot nu toe altijd op de buitenwereld heeft losgelaten kijkt hij nu al bij de albumopener Who Are You? (Point to it!) naar zichzelf.

Vanwaar ineens die ommekeer?
“Op een gegeven moment besefte ik dat ik het probleem niet bij de buitenwereld moest zoeken maar bij mezelf. Ík was het probleem. Als je je er bewust van bent hoe je bepaalde dingen ziet, kun je ook beter bepalen hoe je er mee om moet gaan en hoe je je erover wilt voelen. Alles is een keuze en op het moment dat je dat beseft, kun je alles makkelijk in perspectief plaatsen. Op dit album neem ik zelf de verantwoordelijkheid voor alles, in plaats van het van me af te schuiven.”

Wat is het proces geweest in de zoektocht naar jezelf?
“De existentiële zoektocht is altijd wel een onderdeel van mij geweest op verschillende manieren. Ik heb altijd al het gevoel gehad dat er meer is in het leven dan je op het eerste gezicht ziet. In de laatste jaren heb ik meer onderzoek gedaan naar dat gevoel. Op dat moment ga je jezelf volledig deconstrueren en kom je erachter wat echt belangrijk is. In mijn geval dus dat ik zelf invloed heb op het effect dat zaken van buitenaf op mij hebben. Het is een heel persoonlijk proces. Sommige mensen stellen zichzelf de vraag ‘wie ben je?’  en nemen als antwoord genoegen met ‘oh, mijn naam is Jeff en ik werk in de marketing.’ Mensen praten over hun naam en hun beroep, maar als ik erover nadenk is er veel meer. Het is veel dieper. Ik denk trouwens niet dat het per definitie een goed ding is, want die zoektocht heeft niet perse iets met geluk te maken. Veel mensen zullen liever gewoon op de oppervlakte blijven en hun leven leiden. But here I am.”

Dus je was ook al bezig met die existentiële gevoelens in de Heavy Meta-periode, ondanks je focus op de buitenwereld destijds?
“Ik heb sowieso altijd de behoefte gehad om alles in twijfel te trekken. In die periode was ik meer bezig met hetgeen om mij heen te bevragen, terwijl ik me nu realiseer dat die focus op jezelf moet liggen. Hierdoor kan ik de sameness in everything zien en mezelf zo bevrijden van veel frustraties. Dat opent de deur voor veel meer liefde, zorg en compassie naar andere mensen, omdat je beseft dat iedereen met hetzelfde bezig is.”

Vond je het eng om zo’n persoonlijke plaat op te nemen en je gedachtes zo te delen met iedereen?
“Niet echt. Het voelde voor mij als het enige natuurlijke om te doen. Ik heb veel angsten in mijn dagelijks leven als persoon, maar bijna geen als muzikant. Dat is de vrijheid die ik vind in het schrijven. In mijn muziek wil ik praten over wat er gaande is, waar ik zelf heen ga en waar ik over nadenk. Zo ben ik altijd al geweest. In mijn muziek reflecteer ik op de gebeurtenissen op het moment dat ik aan het schrijven ben. Ik vond het dus niet moeilijk om het in mijn muziek te verwerken, het brengt me juist comfort. Als je een nummer maakt dan is het strak omlijnd. Het gaat over een bepaald onderwerp en dat is het. Ik vind het soms moeilijker om er persoonlijk over te praten.”

In je vorige projecten speelt humor een grote rol. Wat was de rol van humor in de zoektocht naar jezelf?
“Humor is alles voor mij. Het is goed voor een miljoen verschillende dingen. Het maakt alles verteerbaar. Soms neem je dingen te serieus op, maar uiteindelijk is niets serieus als je je innerlijke kind levend houdt. Voor mij is dat de beste manier om mijn leven te leiden, want niets is het waard om serieus te nemen. Als je iets serieus neemt, kan het je alleen maar kwaad doen. Het leven is een mysterie en je moet er gewoon om lachen, ‘cause why not?”

Dus het is eigenlijk een manier om jezelf te beschermen?
“Op een bepaalde manier wel. De manier waarop wij als band met elkaar omgaan is totale nonsens. . Ik vind dat prachtig, want voor mij voelt het niet gekker dan mensen die alles veel te serieus nemen. Een humoristische houding is gezonder dan een hele serieuze waar je alles probeert te begrijpen, want dat is gewoon niet te doen.”


Bij de EP Really Nice Guys, waar Ron Gallo kritisch is op de muziekindustrie, hoort een absurdistische documentaire waar de humor in de omgang tussen Ron en zijn band goed te zien is.

Het nummer OM voelt als een keerpunt op het album, je gaat van negativiteit op tracks als Always Elsewhere en “You” Are The Problem naar de positieve instelling van It’s All Gonna Be OK. Wat betekent OM voor je?
“OM is een bepaalde kreet die veel in de meditatie gebruikt wordt. Het representeert de stilte die overal achter verscholen ligt en het helpt je om tot je eigen middelpunt te komen. Als je OM zegt creëer je een bepaalde vibratie in je lichaam waardoor je automatisch tot rust komt. In het nummer vormen allerlei fragmentjes uit het dagelijks leven de achtergrondruis. Soms probeer je te mediteren,  maar lukt het niet omdat er zo veel gedachten door je hoofd vliegen. Dit nummer staat voor het gevoel wat we allemaal hebben. Ja, je gedachten zijn overal tegelijk, maar wij zijn hier en nu.”

Foto: CJ Harvey

 

*Bassist Joe Bisirri onderbreekt vanaf de gang het verhaal van Gallo om te roepen dat drummer Dylan Sevey het gezicht is van de nieuwe seksuele bevrijding *

OM is een belangrijk mantra in het Boeddhisme en Hindoeïsme. Ben je geïnteresseerd in die religies?
“Ja. Ik haal dingen uit allerlei verschillende religies, in het bijzonder de oosterse. Ik haal er losse dingen uit, maar hang niet één specifieke religie aan. Ik vind dat er moois te vinden is in alle religies. Het probleem ontstaat wanneer mensen ze verkeerd interpreteren en er rampen ontstaan. Toch zijn alle religies in de kern mooi en kun je er naar mijn mening heel veel van leren.”

Laatste vraag, in de Really Nice Guys-documentaire zei je al dat dat je laatste rockalbum ging worden en je daarna een carrière als groots jazzmuzikant of prof-skateboarder ging nastreven. Dat is er toen niet van gekomen. Wat heeft nu je voorkeur, jazz of skateboarden?
Ron lacht: “Ik denk dat jazz mijn lot is. Skateboarden is onrealistisch, want ik kan het mij niet veroorloven om geblesseerd te raken. Ik ga voor jazz dus.”

Ze ging, zocht en overwon. In 2013 haalde Judy Blank op piepjonge leeftijd de finale van het tv-programma De Beste Singer-Songwriter van Nederland. Een jaar later kwam ze met debuutplaat When The Storm Hits. De storm bleef echter uit. Het bracht haar aan het twijfelen. Het gevoel was niet goed. Was het muzikantenbestaan wel aan haar besteed? Om afleiding te zoeken, pakte ze het vliegtuig naar de VS. Het plan was om vooral niet met muziek bezig te zijn, maar de slotsom was dat Blank zichzelf in het land van hoop en dromen hervond. Sterker nog: ze vond zichzelf opnieuw uit. Het resultaat is de in Nashville opgenomen frisse folkpopplaat Morning Sun.

Tekst Niels Steeghs
Foto’s Nikki van de Poel 

Net als haar muziek klinkt Blank fris en opgewekt. Het glas is halfvol, haar zelfvertrouwen is exponentieel toegenomen en de nog steeds jonge liedjesschrijfster uit Utrecht vond een koers die bij haar past. De telefoon wordt met een enthousiaste begroeting opgenomen. En komende veertig minuten verdwijnt de spontaniteit en het enthousiasme niet meer. “Ja, er komt momenteel wel veel over me heen”, erkent ze. “Maar ik ben nu heel erg relaxed. Ik kan het loslaten nu de plaat eenmaal uit is. En bovendien kan ik nu toch niks meer verzieken, haha.”

De in het Gelderse Aalst opgegroeide Blank ging inmiddels al meermalen moederziel alleen naar Amerika. “Wat er nu allemaal gebeurt, dat heb ik niet echt zien aankomen. Met deze plaat wilde ik gewoon iets maken wat ik zelf te gek vond, zonder verwachtingen van anderen. Daarom vond ik het ook zo relaxed daar in mijn eentje aan te werken in Nashville. Ik heb alles daar zelf geregeld. Zonder een label. Eigenlijk pas toen ik iets had waar ik trots op was, toen kwam er aandacht van andere mensen. En dat is wel heel cool, dat het niet andersom is gegaan. Ik had absoluut een andere plek nodig dan Nederland om deze plaat te maken. Soms helpt het heel erg om op een andere plek te zijn. Het is bij mij het reizen dat iets aanwakkert. Zo ging het ook met die plaat.”
In de VS leerde Blank de kunst van het netwerken door spontane ontmoetingen en via nieuwe vrienden. Want liedjes maken, verbindt. “Ik heb zo ontzettend veel vette muzikanten leren kennen, gewoon in de supermarkt of in de koffiezaak. Daar kwam bijvoorbeeld Rayland Baxter binnenlopen, dat is iemand die ik helemaal te gek vind. Dat inspireert. Omdat die hele stad zo vol zit met goede muzikanten wil je zelf goede muziek maken, niet de kantjes er vanaf lopen. Ik wil het allerbeste. Aan de ene kant is dat heel erg perfectionistisch, aan de andere kant geeft dat een gezonde werkdruk. Het was heerlijk dat te kunnen doen, midden in die scene. In Nederland gaat het meer om wat voor stunts je uithaalt of hoe je in het nieuws komt of dingetjes doet via Instagram. Het gaat minder om de muziek, meer om wat je er omheen doet. Daar draait het echt om het liedje. Dat is waar ik heel erg in geloof en van geniet.”

“In Nederland gaat het meer om wat voor stunts je uithaalt of hoe je in het nieuws komt of dingetjes doet via Instagram”

Volgens een goede Amerikaanse traditie vond Blank zichzelf opnieuw uit. Ten tijde van haar debuut waren haar liedjes puur piano-georiënteerd. Ze ging doelbewust zonder piano overzees. “Ik had het niemand verteld, maar ik had het wel een beetje opgegeven na die vorige plaat. Ik besloot een break te nemen en twee maanden naar Louisiana te gaan. Toch kon ik het niet laten op te treden. Omdat ik geen piano had daar, ben ik maar gitaar gaan spelen. Met een paar akkoorden had ik al snel een paar liedjes geschreven. En toen werd ik uitgenodigd om op de radio te komen spelen en een week later op een showcase. Ik zat aan de andere kant van de wereld en opeens werd ik serieus genomen. Bij de vorige plaat vroegen mensen weleens wat voor liedjes ik maakte. En dan antwoordde ik: ‘Euh, ja, een soort van alternatieve pianofolkpop of zoiets’. Ik kon het niet eens benoemen. Nu is dat zo duidelijk voor mezelf. Gewoon folk of Americana. Het is een niche, maar wel eentje waarin ik me goed en begrepen voel. Als mensen het mooi vinden is dat fijn, als ze het niet mooi vinden is dat ook prima. Ik kan nu veel beter relativeren. Als ze het niks vinden, dan luisteren ze maar iets anders. En ik ben er trots op, dat is voor mij wel mijn grootste winst op persoonlijk vlak. Als iemand een oud liedje van me opzet, dan vraag ik of ze het alsjeblieft af willen zetten.”

Ze leerde veel in de zuidelijke Amerikaanse staten. Over muziekbeleving, over een immense folkcultuur die nog altijd van generatie op generatie wordt doorgegeven en over het werkethos. Ze mocht van dichtbij meemaken hoe dat is, toen ze als stagiaire voor de klas stond in Louisiana. “Er zit een ontzettende geschiedenis die ook volop wordt gebruikt in de lessen daar. Mijn helden van The Wood Brothers bijvoorbeeld, die bleken ook één van die klassieke folksongs gecoverd te hebben. Daar kwam ik later pas achter. En zo ging ik op zoek naar andere oude folksongs. Die kwam ik weer tegen in covers door Simon & Garfunkel, Crosby, Stills, Nash & Young en noem ze allemaal maar op. Wij als Nederlanders kennen dat Amerikaanse muzikale erfgoed helemaal niet zo. Daarom was het zo speciaal voor mij om daar op te nemen. Omdat ik het gevoel heb dat de muziek die ik tof vind daar vandaan komt. Ergens voelde dat dus logisch. Ik zat er middenin. En hoe raar het misschien ook klinkt, ik durfde daar meer.”

“Wij als Nederlanders kennen dat Amerikaanse muzikale erfgoed helemaal niet zo”

“Mensen zijn in Amerika ook veel meer met die teksten bezig. Als ik voor een publiek sta, dan merk ik dat mensen heel erg naar die liedjes luisteren. Ze kunnen wel vinden dat ik mooi kan zingen, maar wat ik nog vetter vind, is dat ik dat heb geschreven. Dat mijn gedachten en gevoelens die eerst nog in mij zitten een uur later op papier staan. Om daar de waardering voor te krijgen, dat betekent heel veel voor mij. Dat die waardering daarvoor hier minder is, dat komt omdat wij geen native speakers zijn.”

Second glass of red wine, water in my eye
You always start to paint right where I draw the line

Before you make me believe I’m colorblind
– Tangled Up In You

 

 

 


Een dikke knipoog naar nog zo’n klassieke held, Bob Dylan. Het zijn regels waar Blank trots op is, vertelt ze. “Hoe ik er op kwam, weet ik niet. Het gaat over een relatie. Over iemand die altijd over die lijn heen gaat, doet alsof ik gek ben. Later schrok ik er van hoe echt dat gevoel was. Soms denk ik echt van: heb ik dat gemaakt? En dan wil je nog een keer zoiets maken. Maar dat valt niet af te dwingen. Ik blijf wachten tot er iets komt. Als ik een film kijk op Netflix en er komt een mooi zinnetje voorbij, dan noteer ik die ook. Of dingen die mensen op een podium zeggen. Jeff Tweedy zei laatst bijvoorbeeld iets over Amerika en Trump, dat er over twee jaar een nieuwe verkiezingsdag is en we het tot die tijd moesten zien te rooien. Toen zei iemand uit het publiek: ‘Now we’re gonna cry!’ En hij reageerde: ‘No! No time for tears!’ Op dat moment zat ik heel erg in die release en was ik druk. Zo druk dat ik er bijna verdrietig van was. Maar ik moest gewoon door. Dingetjes afmaken. Dus dat zinnetje raakte me op dat moment.”

Eerder in het gesprek noemde Blank al haar helden van The Wood Brothers. Er gaat, zo erkent ze zelf, geen interview voorbij waarin ze niet genoemd worden. Die band uit Nashville was één van haar belangrijkste ingangen voor de muziek die ze nu maakt. Een soort rolmodel voor hoe zij het vooral zelf wil doen. “Op plaat spelen The Wood Brothers zoals ze het live ook doen. Gewoon met z’n drieën die liedjes zo mooi mogelijk invullen. Een pure, heldere sound waar de tekst en het liedje centraal staan. Dat vond ik te gek. Zij kunnen een zaal helemaal rocken en helemaal stil krijgen door heel goede liedjes te schrijven. Geen bullshit, geen click track, geen computer, geen beats. Echt prachtig. Dát is compromisloos liedjes maken.”

“Door hen heb ik heel veel Americana-playlists ontdekt. Een aantal van die onbekende artiesten heb ik afgelopen zomer ontmoet, kicken. Er is daar ook niet het stoffige stigma op Americana dat er hier wel bestaat. Hier is het al snel van: ‘waar zijn de baarden?’ De liedjes zijn vanuit een gevoel geschreven, die artiesten maken muziek zonder poespas. Neem de plaat van Michael Kiwanuka, Home Again. Dat is een prachtplaat. Alleen instrumenten, heel erg smaakvol ingekleurd, het blijft organisch. ‘Ik verkies altijd menselijke ritmes boven computerritmes’, zei hij. Dat heeft heel lang in mijn hoofd gezeten. Niet eindeloos zagen tot een liedje eindelijk een keer af is, want dan blijf je bezig.”

Judy Blank kijkt vanonder haar blonde krullenbos inmiddels met een stuk meer bravoure de wereld in. Missie geslaagd. Morning Sun is een volwassen plaat. De frivoliteit, het tekstuele venijn, maar vooral ook de levenslust. Het advies zichzelf te blijven was één van de beste adviezen die ze kreeg in Nashville, vertelt ze. “De tourmanager van Rival Sons was toevallig bij een optreden dat ik deed. Dat was in een kroeg waar veel van die countrydames speelden, die zien er serieus allemaal hetzelfde uit. Wit, te laag uitgesneden topje, lange haren met perfecte krullen er in, make-up, lichtblond haar en een kapotte spijkerbroek met cowboylaarzen. En al die liedjes klinken ook hetzelfde. Wat ik deed, was anders en daardoor had ik maar een deel van die zaal mee. Die tourmanager kwam na afloop naar me toe en die zei tegen me dat ik vooral moest blijven doen wat ik deed, want van die andere meisjes zijn er al zoveel. Hij adviseerde me dat te omarmen. Het gras lijkt misschien soms groener aan de overkant, maar muziek moet gelijk staan aan wie je bent. Mensen horen echt wel of het authentiek is.”

De psychologische reis is ten einde, Judy Blanks soul search is afgerond. Voor nu. Want de onzekerheid en de zoektocht blijft altijd. Maar wat er nu gebeurt, zet voor Blank het verleden wel in een ander perspectief, al is ze de eerste om te erkennen dat het zeker niet allemaal negatief was. “Ik heb wel gewoon die liedjes geschreven toen ik nog superjong was. Ik was 19. Nu ben ik 23 en nog steeds superjong. Het voelt alsof ik eerder door de stroop kroop. Nu kan ik gefocust vooruit. Je leert heel veel als er iets mis gaat. Door dat alles heb ik wel een beetje meer schijt gekregen aan dingen. De dingen staan wat meer in perspectief. Vroeger kon ik er mee zitten dat 3FM mijn liedje niet draaide, terwijl ik zo mijn best had gedaan. Ik heb nu ook geen plaat gemaakt waarmee ik bevestiging zoek. Voorheen mopperde ik over wat ik niet had, nu kan ik genieten van wat ik wel heb. Dat mensen tegen wie ik opkijk graag met me willen samenwerken. De grootste winst die ik heb behaald de afgelopen jaren is dat ik me serieus genomen voel.”

Jungle
Woensdag 21 november

 

This sounds like a therapy session, mate.” Josh Lloyd-Watson gaat languit op de stijlvolle marineblauwe bank van het labelkantoor in Amsterdam liggen. De ingelaste Nederlandse persdag van Jungle loopt tegen z’n einde, de vliegtickets liggen al voor hem op tafel. Hij nestelt zijn hoofd op een kussen en vouwt zijn handen achter zijn hoofd. “Say it again, go on.” Mooi. Kunnen we gaan beginnen.

Alle gekheid op een stokje: een therapiesessie is dit interview moeilijk te noemen. Eigenlijk is de term interview hier al niet op zijn plek. Boezemvrienden Josh Lloyd-Watson en Tom McFarland hebben na een lange dag wel genoeg van interviews en hebben net buiten een paar hijsjes mary jane gerookt. Lekker keten willen ze. Ik doe een moedige poging, maar uiteindelijk verzand ook ik in oeverloos geouwehoer en is van een lijn in het gesprek weinig sprake meer. Leuke gasten zijn het wel, die Engelsen. Hun tweede album For Ever is ook gewoon een erg sterk album, vol met de neo-soul die we al kenden van het ijzersterke debuut uit 2014.

 

For Ever is een break-up album. Deels opgenomen in Los Angeles, deels in Londen. Of hoe zit het nou toch?
Let me break it down for you, mate.” Josh komt met grootse armgebaren overeind van de bank. Hij is gehuld in een classy jaren vijftig outfit. Een lange donkerblauwe stoffen jas, zijn broek is okergoud. Een zonnebril met ronde glazen op. Zijn voorkomen doet iets denken aan hoe Alex Turner zijn laatste Arctic Monkeys-plaat live speelde. “Ik denk dat het inderdaad zo in het persbericht stond, ja.” Overdreven deftig zegt hij: “De locatie waar de evenementen hebben plaatsgevonden, Los Angeles, was altijd een grote inspiratie voor ons sinds dat we GTA speelden. We maakten het eerste album met in ons achterhoofd hoe L.A. zou moeten zijn, nu kwam het zo uit dat ik er ging wonen.”

En zo ging het. Josh vertrok uit zijn slaapkamerstudio in Londen en volgde zijn hart naar Los Angeles, waar hij een meisje had leren kennen. Tom bleef in Londen wonen, juist omdat hij daar een vriendinnetje had. Boezemvrienden en buren sinds hun negende, leden van een succesvolle band sinds 2014. Nu dankzij de liefde bijna negenduizend kilometer uit elkaar. “We hebben allebei hetzelfde gedaan, maar de manier waarop ík het deed was meer exciting”, grinnikt Josh. Even waren ze de ‘happy man’. Succesvolle band en een liefdevolle nieuwe relatie, maar het duurde niet lang of beide jongens donderden van de net beklommen roze wolk. Josh pakte z’n koffertje en woont nu weer met zijn maatje samen in Londen, in dezelfde straat als altijd.

 

Schrijven als het aloude recept voor gebroken illusies
Josh is bijna niet te verstaan. Vlak voor het begin van het gesprek kwamen er bakjes met verschillende nootjes en een fruitschaaltje druiven op tafel. Tijdens het praten propt Josh, honger gekregen, de ene na de andere druif zijn mond in. Zijn maat Tom, qua uiterlijk een klassieke Engelse skinhead, is beter te verstaan.

Tom: “Los Angeles wordt heel erg geromantiseerd. Over de hele wereld hebben artiesten een geromantiseerd beeld van wat het is en wat het kan zijn. Er wordt een soort droom aan vastgeplakt, die is er levend aanwezig, net als The American Dream.” Klinkt wellicht wat zweverig, maar een touw valt er nog wel aan vast te knopen. Het belangrijkste punt is dat het wel degelijk voor inspiratie zorgde, niet zo zeer de locatie maar wel wat er op die locatie gebeurde. Josh: “We zijn allebei door break-ups gegaan. En dan werkt schrijven als een helend proces. Je hebt niet echt meer dingen om over te schrijven als je dolgelukkig bent.”

 

“Het is veel makkelijker om eerlijk te zijn. Misschien wel dankzij het album kunnen we ook makkelijker over onze gevoelens praten”

 

De mannen van Jungle zien For Ever daarom ook als een behoorlijk persoonlijk album. Tom: “Het maakt ons niet uit wat de rest ervan denkt of dat de rest onze teksten kan horen. Het was voor ons belangrijk om te maken, zodat we over onze break-up konden groeien. Als andere mensen het ook leuk vinden, dan is dat mooi meegenomen.” Josh: “Open zijn in mijn teksten gaf mij een enorme vrijheid. Liever dit dan dat ik iets schrijf waar ik totaal niet achter sta. Al nagel je mij nu aan het kruis, dan zal ik nog achter deze lyrics staan.” Tom: “Mensen voelen het ook als het niet echt is. Ze ruiken oneerlijkheid. Als je liegt, moet je dat steeds weer maskeren. Het is veel makkelijker om eerlijk te zijn. Misschien wel dankzij het album kunnen we ook makkelijker over onze gevoelens praten.”

 

‘Kun je voor eeuwig van mij houden?’
Josh ligt er nog steeds bij als in de inleiding beschreven en de vijftig euro die hij als grap wilde geven voor ‘de sessie’, branden nog steeds in zijn zak. En dus neem ik, als de ware relatietherapeut die ik ben de proef op de som: waarom werkten de relaties niet?
Tom: “Omdat de meiden met wie we waren bindingsangst hadden. Wij waren er klaar voor om misschien wel de rest van onze levens te geven. En laat dat nou ook net de albumtitel zijn: For Ever. We moesten allebei de vraag stellen: kun je voor eeuwig van mij houden? Wij konden dat wel, maar zij niet. Dan moet je met klappen leren omgaan en weer doorgaan.”

Het is een vreemd gezicht. Twee stoere, keet schoppende mannen, die het hebben over eeuwig liefhebben van hun meisjes. Het zijn dan wel geen Satudarah-achtige persoonlijkheden, maar toch: het oogt onnatuurlijk. Stoere, hippe jongens met een klein hartje. Ze vonden troost in elkaars vriendschap, die nog sterker werd. Huilend met een fles wijn zaten ze in de auto, aldus het duo. Josh: “Het is heel belangrijk om te huilen.”

 

“We zijn er oprecht trots op dat we deze situatie nog naar iets positiefs hebben kunnen draaien”

 

Tom: “Al helemaal tijdens een zielige film. Heb je de film Lion gezien? Gaat over een klein jongetje uit India die gescheiden wordt van zijn moeder. Hij wordt op de trein gezet en raakt helemaal verdwaald. Wordt geadopteerd en leeft daarna op straat. Het is echt een hele emotionele film. Ik jank tranen met tuiten. De film Up ook, dat begin. Zo emotioneel, come on…”

Even los van alle geintjes die over de tafel vliegen. Natuurlijk moet je sterk in je schoenen staan om voor de liefde helemaal naar de andere kant van de wereld te verhuizen en om vervolgens weer met hangende pootjes terug en een gebroken hart thuis te komen.
Josh: “Iedereen dacht dat ik gek was”, vertelt hij licht gefrustreerd.
Tom: “Dat dacht ik ook! Haha, maar we zijn er oprecht trots op dat we deze situatie nog naar iets positiefs hebben kunnen draaien.”
Josh: “Het gaat mij niet om gelijk bewijzen, ik probeer gewoon zo zen mogelijk te zijn. Binnenkort verhuis ik naar Amsterdam.”

Het album is meer volwassen, maar of dat een goed iets is?
We ouwehoeren nog even verder over de break-ups. ‘Ze moesten gebeuren om plaats te maken voor betere dingen’ aldus de heren. We lullen zelfs over het type meisjes waar ze op vallen: ‘onafhankelijk en ambitieus’. Werd er in die auto nog geluisterd naar break-upsongs?
Josh: “Nee. We maakten ze. Ik heb wel een goede break-upsong voor je”, grinnikt hij. “Fix You van Coldplay”. Tom en Josh komen niet meer bij van het lachen, duidelijk een inside-joke.

Ik wil ingaan op het album en hoe het volwassener het klinkt dan het debuut. Maar direct is daar de counterstrike van Josh. “Is het nu goed of slecht dat je het album volwassener vindt? Ik denk dat het een of het ander kan zijn. Als we een ander minder volwassen album maken, dan had je nu gezegd dat het een jeugdiger en speelser album had gevonden.” Ja, misschien is het ook wel een waardeloze uitdrukking en heeft Josh nog gelijk ook. Ach, het is ook gewoon op. De fruitschaal en het bakje met nootjes zijn allebei leeg. De blikken dwalen steeds meer af in de richting van de vliegtickets, die daar zo naast mijn dichtgeklapte laptop op tafel liggen. Ik rond af, schud handen en terug vliegen ze. Terug naar de slaapkamers in London. De stranden, palmbomen en de naakte vrouwen in Los Angeles nog op het netvlies gebrand. Hadden we het ook nog over muziek moeten hebben of ging het daar nou juist over?


 

Jungle live zien? De band speelt dinsdag 20 november in Doornroosje en woensdag 21 november in TivoliVredenburg.

Jonathan Wilson
Zaterdag 8 september

 

Zo makkelijk als Jonathan Wilson zingt, zo lastig praat hij. Een prachtige tegenstelling. We Facetimen terwijl Wilson in Oslo zit, waar hij op tournee is met Roger Waters, de grootste tournee uit zijn carrière. Daarnaast, maar eigenlijk is dit de hoofdzaak, ligt zijn nieuwe soloplaat Rare Birds in de winkel. Zijn derde in Europa, en de langverwachte opvolger van Fanfare uit 2013. Bovendien is hij een gewilde producer (onder meer voor Father John Misty) en sessiemuzikant met een voorliefde voor georkestreerde popmuziek uit de jaren zestig en zeventig. Weinig artiesten die we hier bespreken hebben zo’n indrukwekkend cv en toch zit er een naar bijsmaakje aan. Zijn show in de Melkweg wordt daarom zijn laatste in Nederland, onthult hij in dit interview.

Op het moment van schrijven is Wilson dus op tournee. Een eindeloze tournee. Maar als hij thuis is, in North-Carolina, werkt hij gestaag door in zijn eigen studio. Wilson is een echte muzikant, die vrijwel continu werkt aan zijn eigen muziek. Ook een met een echte visie, die de mooiste geluiden uit het verleden naar het heden vertaald. “Gisteren kwam er een nummer van mij voorbij op de radio in Oslo. Ik vind het bijzonder om mijn eigen muziek weer te horen. Het voert mij terug naar de tijd dat ik het opnam. De melodieën, de geluiden, de drums. Over elk geluidje is nagedacht en doet mij denken aan het team waarmee ik het heb gemaakt. De love en care die in elk nummer is gelegd. Futuristic, weird.”

Rare Birds werd inderdaad door een heel team opgenomen. Net als bij zijn vorige platen staan er interessante, verrassende namen in de liner-notes. “Het is inderdaad de eerste plaat waar je zowel Laraaji als Lana Del Rey op hoort. Het zijn allemaal vrienden van mij. Ik ben lang met deze plaat bezig geweest, zo’n drie jaar, en telkens dacht ik: wie kan dit nummer nog ietsje mooier maken? Het zijn geen zwaarwichtige samenwerkingen, ze ontstonden spontaan. Zowel Lana als Laraaji voegen iets kleins, maar perfects toe aan mijn liedjes. Weet je, Laraaji zag ik samen met Father John Misty toen we mushrooms deden. De hoes werd gemaakt door mijn vriendin, die me beter kent dan wie dan ook. Ze heeft de perfecte, weirde afbeelding gemaakt die de vibe van de plaat dekt. Wacht, laat mij even roomservice bellen, momentje. Hallo, ik wilde even checken of mijn kruidenthee onderweg is? Ja, perfect. Thanks, man.”

 

“Mijn vriendin kent me beter dan wie dan ook”
Als je Wilson hoort praten of spelen weet je: deze man heeft een groot muzikaal hart. Geen wonder dat oud en nieuw Wilson weten te vinden. Bonnie ‘Prince’ Billy en Conor Orberst zijn vaste gast en als rechterhand van Father John Misty speelt hij een grote rol in diens succes. “Josh zocht mij op. Hij had wat liedjes geschreven en die waren onwijs bijzonder. Zijn teksten zijn fantastisch. Iemand fluisterde hem in dat hij mij moest ontmoeten en we became best friends. Ik bracht mijn vrienden mee, mijn sounds, mijn favoriete keyboards, drums en favoriete strijkers. Eigenlijk alle geluiden die we opnamen in mijn studio. Het orkestrale, dat wilden we beiden wel proberen. Zijn eerste album zette de toon voor de vibe, expansief orkestraal, die perfect past bij de teksten van Father John Misty. Hij is enorm cocksure. Hij weet nu de grote zaal van Paradiso te vullen en zalen van drieduizend tot vijfduizend man, als je eenmaal in dat circus meedraait gaat het goed.”

We vragen hoe het is om op tournee te zijn met Roger Waters. “Hij is een van mijn jeugdhelden! Mensen bellen mij vaak om op andermans materiaal te spelen. Zo raar was de vraag van Waters dus ook weer niet. ik mocht gitaarspelen op het album en later werden we de tourband. Toen werd het opeens een lange termijn-project. Het eerste gesprek met Waters was zakelijk, over een song die hij inbracht. De tweede dag gingen we meteen de studio in. Hij was aardig, maar zat midden in het opnemen van een album en moest even aan het idee wennen van een aantal jongere gasten die plotseling in de studio betrokken werden. Hij speelde eerder met Clapton en Gilmour, dus in het begin had hij wel zoiets van: who is this guy Jonathan, who is this fucking punk? It took a while, maar nu hebben we 130 optredens samen gedaan en voelt het vertrouwd. Het is een onverwachte reeks evenementen. We spelen vaak voor twintig, vijftig of zelfs zeventigduizend mensen. Het rekt je grenzen als artiest op. Publiek waar maar weinig muzikanten uit de indiescene voor mogen spelen, maar ik zing toch liever mijn eigen liedjes voor vierhonderd man dan die van iemand anders voor veertigduizend.”

 

“Who is this guy, Jonathan? Who is this fucking punk?”
Hoewel hij inmiddels alweer dik zeven jaar een gevestigde naam is, brak Wilson relatief laat door, toen hij midden dertig was. In Nederland zagen we hem voor het eerst samen met zijn vrienden van Wilco, over wie Jonathan vol liefde praat. Daarvoor was hij al lange tijd actief in de muziekscene. Hij bouwde gitaren, speelde in een bluegrassband en onderzocht wat hij als muzikant wilde doen. “Toen ik erg jong was, maakte ik veel shitty muziek. Dat was meer een poging om uit te vinden hoe muziek werkt en dat duurde lang. Maar ik wist altijd dat ik de muziek in wilde. Toen ik veertien was kreeg ik mijn eerste platencontract bij Warner Brothers aangeboden. Muziek was voor mij echt de enige optie. Inmiddels ben ik trots op het werk dat ik maak, zoals mijn laatste plaat.”

 

“Natuurlijk is het een geweldige ervaring, maar dat festivaloptreden kostte mij ook zeker 15 grand”

 

We vragen of zijn leven in de muziek geworden is wat hij er vroeger van verwachtte. Daarmee verandert ons gesprek plotseling totaal van richting. Wilson zucht heel diep. “Ik weet niet hoe ik hierop moet antwoorden”, zegt hij. Het wordt stil. Prima; niet iedere vraag hoeft beantwoord te worden. Voor we een volgende vraag kunnen stellen breekt Wilson echter los. “No. No, it wasn’t. Ik had niet verwacht dat de muziekwereld zó met ups-en-downs werkt, mentaal belastend is en financieel verre van vruchtbaar is. Je haalt Lowlands 2014 aan, dat weet ik nog heel goed. Iemand als jij, een vrolijke festivalganger, begrijpt niet wat er werkelijk gaande is in die situatie. Ik kom daarheen met mijn band, doe Lowlands en een tour met Wilco, dat zie je. Maar wat je niet ziet is dat het mij meer kost dan dat het oplevert. Not funny. I’m still paying for that. It’s bittersweet. Natuurlijk is het een geweldige ervaring, maar dat festivaloptreden kostte mij ook zeker 15 grand.”

 

“De indiescene is één grote getto”
“Ach”, vervolgt Wilson zuchtend. “Laten we de muziek een interessant spel noemen. Sommige mensen hebben de muziekwereld nodig om zichzelf goed, beter te voelen. Dat is niet het geval voor mij. Ik doe dit omdat ik kwaliteit wil leveren, mooie muziek wil maken en dat wil delen met mensen. Ik ga op tour en het kost mij iedere keer veel geld. Heel eerlijk: ik zou niemand een muzikantenbestaan aanraden. Echt niet. Tenzij je een mainstream poptalent bent en de prille, gemaakte indie-scene over kunt slaan. Het is een getto. Op dit moment, om als Amerikaans bandje in Nederland te spelen, kost je dat 15.000 dollar. Niemand gaat dat voor je betalen.”

 

“Om deze reden maakt de Melkwegshow van september deel uit van mijn laatste Europese tour ooit”

 

Uit onbegrip begint Wilson te lachen en ergens begrijpen we dat wel. Terwijl The War On Drugs naar de Ziggo Dome groeit, blijft Jonathan Wilson een niche-muzikant. Amerikaanse media als Pitchork prees zijn muzikale maatje Father John Misty de hemel in, maar negeerde doodleuk alle platen van Wilson, zonder wie Father John Misty niet Father John Misty zou zijn geworden. Maf, want zijn laatste plaat moet aanslaan bij liefhebbers van Father John Misty of The War On Drugs. Wilson is zeker zo’n begenadigd gitarist als Granduciel. “Het is gewoon een grote grap, man. Ik speel misschien quitte als ik een solotournee doe, met zaaltjes als de Amstelkerk. Dat is leuk voor een keer, maar niet de echte show. Niet iets waar je je compleet in kan verliezen. Niet wat ik wil doen. Ik ben heel eerlijk tegen je nu, ik speel iedere dag, mijn show is nog nooit zo goed geweest, met projecties en een zeskoppige band, maar ik kom niet verder. Ik wil niet klagen, maar touren is niet vol te houden. Door twee wereldtournees heb ik een schuld opgebouwd van 200.000 dollar. Afgelopen maart stond ik weer 15.000 in het rood, september wordt hetzelfde verhaal. Maar dat wordt in de media verzwegen.”

“Jonathan Wilson als coole rockster is de ene kant van het verhaal, liefhebbers zoals jij denken dat het goed met mij gaat, dat ik binnen ben, maar nee, ik ben mijn eigen financier. Sommige mensen doen dat graag, het voedt hun ego en het maakt hun leven zinvol. Voor mij, als veteraan in de muziekwereld, bekijk ik dit vanuit een ander perspectief. Het gaat niet om mij. Het gaat om de liefde voor muziek en niet mijn fucking ego. Ik ben geen asshole die dit spelletje maar blijft spelen. Ik kom terug voor mijn fans, die graag mijn liedjes en mijn specifieke sound willen horen, maar voor mij is het achteruitgang. Ik ga niet meer half dood hiervoor. Om deze reden maakt de Melkwegshow van september deel uit van mijn laatste Europese tour ooit. Ik hoop dat je ieder fucking woord hiervan opschrijft. Ik wil niet negatief overkomen, maar dit is de realiteit.”


 

WEBSITE MELKWEG | FACEBOOK-EVENT | TICKETS