What Do You Think Will Happen Now? Met die track concludeerde Owen Pallett tien jaar geleden het verhaal van zijn plaat Heartland. Het lot van hoofdpersonage Lewis was onduidelijk en fans vroegen zich af of zijn verhaal ooit een vervolg zou krijgen. Na tien jaar krijgen we het antwoord in de vorm van Island. Tijd om met Owen te praten over dat album, literaire invloeden en identiteitsvragen.

Roland Barthes zei ooit: “Ik kom in mijn leven miljoenen lichamen tegen; van deze miljoenen wens ik misschien honderden; maar van deze honderden houd ik er maar één.” Zijn essay-reeks Fragmenten Uit De Taal Van Een Verliefde wist precies te vatten wat het gevoel van verliefdheid met je doet in een reeks monologen. Veertig jaar later keert dit idee terug in de (geestelijke) liefdesverhouding tussen Lewis en Owen in de fantasiewereld van het veertiende-eeuwse Spectrum. Lewis neemt de vorm aan het karakter wat zich op Heartland heeft ontdaan van de macht van zijn schepper Owen, maar gaandeweg het album keert hij hier toch weer naar terug. Wat volgt, is een lange, grimmige reis van zelfreflectie.

Pallett neemt op vanuit zijn appartement in Toronto. Het is te merken dat het hem wat doet dat hun album sinds een week uit is, maar dat enige vorm van fysieke ontvangst ontbreekt. Ook maakt hij zich zorgen over de gevolgen van de pandemie voor de samenleving. “Ik denk dat er geen eenwording is geweest, juist nu is de al bestaande tweedeling beter zichtbaar. Het creëert een scheiding tussen jong en oud. Een enorme golf van mensen boven de zestig maakt zich zorgen over hun leven. En mensen die de kinderen zijn van mensen ouder dan zestig verkeren in een positie waarin ze voor hun ouders moeten zorgen. De verschillen zijn behoorlijk zichtbaar geweest.”

De pandemie heeft een duidelijke invloed op de psychische gesteldheid. In zekere zin is het precies dat gevoel van isolement, angst en lijden wat de boventoon speelt op het album. Zo ook op het hartverscheurende middelpunt A Bloody Morning, waarop Lewis in dronken staat een zeilschip tot zinken brengt. Je zou denken dat deze ramp de soundtrack is van de pandemie, maar het is enkel toeval dat het precies op dit moment uitkomt. “Ik vind het grappig dat men het vooruitziend vond dat ik schreef over quarantaine en pandemie. De ironie is dat de regel die ik in dat lied zing, gaat over een ramp die mensen verenigt: ‘Surely some disaster will descend and equalise us / A crisis / Will unify the godless and the fearless and the righteous‘, helemaal niet is wat ik denk dat er is gebeurd. Het lijkt misschien vooruitziend, maar het tegendeel is waar.”

Identiteitsvragen en de fantasiewereld van Spectrum
Juist nu komt er een ander vraagstuk bovendrijven, één over identiteit en masculiniteit. “Iets waar ik veel over heb gelezen, is dat individuen, met name mannen, ontdekken dat hun isolement hen in een staat heeft gebracht waarin ze hun gender beginnen te bevragen. Ze beseffen zich dat ze misschien geen mannen zijn. Ik ben geïnteresseerd in dat vraagstuk: wat maakt het regelmatig sociaal contact zo krachtig, dat iemand die is geboren als man, afleidt van het besef van hun werkelijke identiteit? Ik vraag me af hoeveel van deze aanname van mannelijkheid een soort extensie is van het bestaan in een wereld.”

Genderqueers
Met die identiteitsvraag is Owen zelf ook bezig, zij identificeren zich namelijk als genderqueer. “Ik trek constant mijn gender in twijfel en vraag me af wat ik in vredesnaam ga doen. Ik beschrijf het aan mensen door te zeggen dat er iets moet veranderen: of mijn geest moet veranderen om het mannelijker te maken, of mijn lichaam moet veranderen om mezelf vrouwelijker te maken. Ik heb er veel over gelezen, maar wat me weerhoudt van een volledige transitie, is dat er niet veel is dat me aantrekt om me aan de andere kant van het spectrum te bevinden. Ik weet niet of ik tevreden zou zijn met borsten en vaginaplastiek. Ik ben blij met mijn presentatie in mijn lichaam, ik wil dat niet veranderen.”

In de weelderige fantasiewereld van Spectrum voelt Owen zich vrij om deze vragen te bezingen, al dan niet vanuit andere karakters. Daarbij is het volgens hen onvermijdelijk dat, wat Lewis meemaakt en hun eigen ervaringen, soms overeenkomen. “Maar ik voelde me veel comfortabeler om, binnen de constructen van een fantasieverhaal, te graven in de meer ingewikkelde dingen die ik voelde.” En soms ook letterlijk, want op Lewis Gets Fucked Into Space wordt de liefdesdaad niet onder stoelen of banken gestoken. “Het is een schitterend nummer over een liefdesspel, maar het werkt veel beter als het gezongen wordt in de context van een fictieve omgeving. Als ik dat liedje vanuit mijzelf had gezongen was het een stuk minder interessant geweest.”

Onderdelen van het DNA
Over dat nummer gesproken, de doordringende orkestratie op die track en het daaropvolgende —> (iv) zijn sterk beïnvloed door Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey. “Iemand had het online over de relatie tussen de componist Ligeti en 2001. Ligeti had een invloed op dit album, met name de manier waarop ik de orkestraties schreef. Maar niet alleen Ligeti, ook 2001 is van grote invloed. Het hele beeld van Lewis die rond de aarde zweeft (op Lewis Gets Fucked Into Space, red.), doet me denken aan het einde van 2001, wanneer David Bowman verandert in een starchild en boven de planeet zweeft. Ik hoopte dat het laatste deel, —> (iv), de luisteraar aan het moment zou herinneren waarop de ontsnappingscapsule Jupiter binnengaat, en de daarbij behorende iconische doordringende Legiti-orkestratie.”

2001 is al op vroege leeftijd diep doorgedrongen in Pallett zijn DNA. “2001 is mijn favoriete film, ik ben ermee opgegroeid. Toen ik vijf jaar oud was, brak ik in de zomer mijn been toen we op weg waren naar de dierentuin. Ik zat toen twee maanden in een rolstoel. Mijn peetvader bracht een videorecorder en videobanden van Wizard of Oz, Time Bandits en 2001 mee zodat ik films kon kijken terwijl ik herstelde. Ik heb 2001 wel honderd keer gezien. Het is alsof de geluiden van 2001 in mijn DNA zitten, niet alleen Ligeti, maar ook Chatsjatoerjan, Johan Strauss en Richard Strauss.”

Het wenselijke individu zit in je hoofd
Ook onderdeel van dat DNA is Fragmenten Uit De Taal Van Een Verliefde van Barthes, een serie epistolaire essays over de relatie tussen het zelf en het object van ons verlangen dat we al eerder aanhaalden. “Barthes stelt dat het individu dat je wenst, eigenlijk iets is dat in je hoofd zit. Zeg dat ik verliefd op je was, en bij je wou zijn. In Barthes optiek zou dat persoon met wie ik wilde zijn niet echt jou, maar een versie van jou zijn die ik hierboven (Owen wijst naar zijn hoofd) bij me hield.”

Met die gedachte schreef Pallett de bijzondere relatie tussen Lewis en Owen op Heartland en Island. “Ongeacht of Lewis een persoon is of niet, het punt is dat mijn relatie met hem intern is, het zit in mijn hoofd. En de relatie van Lewis met mij zit in zijn hoofd. Het is meer bedoeld om iets te beschrijven dat binnen een enkele eenheid gebeurt dan om iets anders.”

Onverklaarbare identiteiten
Vormde, naast Barthes, ook David Lynch een inspiratie voor de complexe karakters? “Ik houd gek genoeg niet van David Lynch, maar wel van Mulholland Drive (een van Lynch’s meest bekroonde films, red.). Wat vergelijkbaar is tussen mijn werk en dat van Lynch is een soort onverklaarbare identiteit. Lynch gebruikt veel dubbele karakters (zoals Bob en Leland Palmer in Twin Peaks, twee personages in hetzelfde lichaam, red.) en het is niet altijd duidelijk wie wie is. Dat vind ik leuk. Ik voel dat er een overeenkomst is met Lewis en Owen in zowel Heartland als Island. Met name dat het onduidelijk is of Lewis alleen mij is, of dat het iemand anders is, of Owen in mij vertegenwoordigd is, en of het de bedoeling is dat ik het ben of iemand anders.”

Island luistert door deze karakteropbouw weg als een filosofisch muzikaal verhaal: complex, soms zelfs onverklaarbaar. ‘This place is a narrative mess‘ was zelfs een gedenkwaardige lijn op Heartland. “Ik vind het leuk dat ik het zelf niet eens kan uitleggen. Het is bedoeld om een beetje dubbelzinnig te zijn. Ik zing op het nummer In Darkness: ‘A satellite mistaken for a planet / A planet for a satellite.’ Dat wil zeggen dat we niet zeker weten wat zal gebeuren. Ik weet niet zeker wat de satelliet is of wat de planeet is. En dat is bedoeld om te verwijzen naar de relatie tussen mij en Lewis, of Owen en Lewis, en dat het onduidelijk is wie de songwriter is en wie wat vertegenwoordigt.”

Het einde van Lewis?
Nu Lewis rondzweeft door de grote leegte van de ruimte, vraagt men zich af of dit het einde betekent van zijn narratief. Maar niets is minder waar, het verhaal is verre van uit. “Er zit een hint in het laatste nummer. Het woord kluizenaar in de tekst: ‘Let me be your anchorite‘ (laat me je kluizenaar zijn, red.) geeft een hint over waar Lewis hierna zal belanden.”


Wie afgelopen najaar de nieuwste single Gentleman van de onverwoestbare Amerikaanse garagerockers The Black Lips luisterde, kwam voor een verrassing te staan. Weg was het geschreeuw en de schurende riffs, in plaats daarvan was een zowaar haast fijngevoelige tekst waarop frontman Cole Alexander constateert dat zijn middelvinger te dik is geworden van al het opsteken ervan en daarbij een vrolijk tokkelende akoestische gitaar.

Tekst Reinier van der Zouw
Foto’s Nick Helderman

Jawel, The Black Lips go country. Album nummer negen Sing In A World That’s Falling Apart is dan ook een volbloed country-plaat geworden. Of nou ja, volbloed… The Black Lips zouden The Black Lips niet zijn als er niet wat kwinkslagen in zaten. Wij troffen Alexander en drummer Oakley Munson op een namiddag in Amsterdam om ze aan de tand te voelen over dit nieuwe project.

Was er een directe aanleiding waardoor jullie een country-plaat wilde maken?
CA: “Er heeft altijd al wel een beetje country in onze muziek gezeten, maar ik denk dat we er nu voor het eerst echt op focusten. Toevallig is er best wat buzz rond country nu, dus het was ook wel eens cool dat de mainstream-cultuur zich op hetzelfde gebied bevond als waar wij in geïnteresseerd waren. Dus dat was niet bewust, maar het was fijn om eens niet recht tegen over de popcultuur te staan.”

Ik kan me voorstellen dat Lil Nas X met zijn country-hiphop hit Old Town Road het genre in Amerika nogal een boost gaf.
CA: “Ja! Dat was erg fijn. Hij komt net als wij uit Atlanta en het was verfrissend om, terwijl een boel dingen zoals de politiek veel verdeeldheid zaaien, iets te hebben dat mensen bij elkaar bracht. Hij kreeg oude, witte rednecks en jonge, zwarte kids in de stad aan het dansen op hetzelfde nummer. En ik ben er natuurlijk trots op dat hij uit Atlanta komt. Dat gooide wat extra olie op het vuur. Het is op zich niet iets nieuws. Er zijn zwarte cowboys en zwarte country-artiesten geweest sinds Amerika ontstond, maar mensen komen daar volgens mij nu pas achter. Wat cool is, want zeker die zwarte cowboys waren enorm bad ass. Allemaal cooler dan John Wayne ooit geweest is. Het is zo’n lange traditie die eigenlijk vergeten is, dus het is cool om te zien dat de nieuwe generatie het een soort update geeft. Hiphop en country hebben sowieso meer gemeen dan mensen denken. We hebben ook wel eens overwogen om ons zelf aan zo’n fusie te wagen.”

OM: “Drie jaar geleden hadden we het hier met elkaar al eens over gehad. Toen had je een nieuw subgenre, hickhop, wat hele platte country-rap was. In feite gewoon gangster-rap, maar dan met een country-laagje, dus ging het over shotguns en ‘confederate flags’. Nooit zo goed als Lil Nas X natuurlijk. Het was erg low-budget, ze verkochten hun platen in truckstops. Dus we overwogen om ons in zo’n vreselijk subgenre te begeven, om te kijken of we het beter konden maken. Dat was een geweldig idee toen ik dronken was, maar uiteindelijk hebben we het maar niet gedaan.”

Was het een makkelijk album om te maken?
OM: “Het moeilijkste was denk ik dat country-liedjes écht liedjes moeten zijn. Niet gewoon een lekkere riff met wat geschreeuw er overheen. Maar als je dat dan hebt, is het juist weer makkelijker om het op te nemen, want als de basis goed is, is het eindresultaat dat ook, wat je verder ook doet. Het duurt gewoon iets langer om de lyrics goed te krijgen.”

CA: “Ja, bij punk schreeuw je er gewoon overheen. Dit is allemaal wat rustiger, dus dan kan je je met de teksten niet verstoppen achter een geluidsmuur. Je moet ze wat aandacht geven, want mensen gaan ze horen. Dus we moesten wat meer ons best doen qua lyrics, wat uiteindelijk erg goed voor ons was, denk ik.”

Was het lastig om de balans te vinden tussen een country-plaat en een Black Lips-plaat?
OM: “Het was best een natuurlijk proces. We maakten ons er niet heel veel zorgen om, maar zelfs als we meer ons best hadden gedaan om er een country-album van te maken, had hij denk ik nog steeds zo geklonken.”

CA: “Er is een hoop poeha over wat echte country is of niet, maar wij hoeven niet per se ‘echt’ country te zijn. Wat mensen zien als authentieke country wordt sowieso nog maar weinig gemaakt. Net als dat er zat mensen in Amerika rondlopen met cowboyhoeden, maar er toch maar weinig echte cowboys meer zijn. Heel veel maakt het ook niet uit. Er zijn ook mensen uit Australië die prima country maken, net als dat ook heus niet alle goede punk uit New York City komt. Het kan overal vandaan komen, zulke genres gaan meer om de houding die je meeneemt.”

Waren er nummers die tijdens het opnameproces verschillende vormen aannamen?
OM: “Albumopener Hooker Jon had ooit een intro met een rap bovenop een Neil Young-sample.”

CA: “Dat was één van die Lil Nas X-achtige dingen die we overwogen.”

OM: “Maar die sample had ons tienduizend euro gekost, dus dat werd hem niet. We bewaren hem denk ik voor onze volgende mixtape.”

CA: “Als je bijvoorbeeld ooit een Beatles-sample op een rapnummer hoort, staat dat nummer altijd op een mixtape, want voor een officiële release kan niemand zich dat veroorloven. Maar er staat wel een soort sample op het album: Get it On Time is gebaseerd op een nooit afgemaakt nummer van The Velvet Underground. Wat wij dus in feite afgemaakt hebben. Onze versie is blijkbaar goedgekeurd door John Cale.”

Hoe gingen jullie te werk om dat nummer af te maken?
OM: “Lou Reed had er een paar regels tekst voor geschreven, dus dat was een goede basis. Het slaat misschien nergens op, maar ik heb een kleine séance gehouden. In een compleet stille kamer dacht ik aan Lou Reed en wat hij zou willen schrijven en zette ik alles dat in mij naar boven kwam op papier. Het betekent dus niet echt iets, maar volgens mij werkte dat wel, ik had er denk ik ook niet te veel over na moeten denken.”

CA: “Ik ben een groot voorstander van dat iedereen zijn eigen interpretatie aan onze teksten moet kunnen geven. Zo zit in de tekst van dat nummer de naam Ritchie. Wij hadden ooit een gitarist die zo heette, hij was een wat oudere knul op mijn middelbare school, dus we keken toen allemaal best wel naar hem op. Dus Ritchie is altijd onze vriend geweest en hij is dol op The Velvet Underground, dus als hij dit nummer hoort vraag ik mij af of hij misschien denkt dat het over hem gaat. En als hij dat denkt, kan het net zo goed waar zijn. Dus voor mij gaat het nu eigenlijk ook daar over, zelfs als dat strikt genomen misschien niet zo is.”

Waren de lyrics een gedeeld proces?
CA: “Soms. Een van mijn favoriete nummers op het album is de opener, Hooker Jon, die heb samen met Oakley geschreven. Ik was aan een nummer begonnen, waarmee ik een beetje was vastgelopen en hij had ook zo’n soort nummer, dus die hebben we bij elkaar gegooid. The Beatles deden dat ook. Paul en John namen ook wel eens twee nummers en smeten die dan op een of andere manier bij elkaar. Dus dat probeerden wij ook maar eens, maar uiteindelijk paste ze verrassend goed bij elkaar.”

OM: “Het kan tot een beter nummer leiden, tot iets interessanters. Via die methode wordt een nummer een collage van woorden, die als het goed is een betekenis hebben, maar een compleet andere betekenis dan als je het in je eentje had geschreven.”

Welke delen van Hooker Jon kwamen van wie?
CA: “De coupletten kwamen uit mijn nummer en het refrein uit die van hem. De coupletten nemen je mee op reis over de weg en bij het refrein stop je bij een truckstop. En misschien proberen wat mensen je mee te nemen, zoals truckers jonge kerels mee proberen te nemen bij truckstops.”

OM: “Het is in feite een behoorlijk seksueel nummer, over minderjarige prostitutie. In de buurt waar ik een tijdje woonde in Los Angeles, was er een grote scene aan jonge, mannelijke, travestiet-prostituees. In die straat wonen vrijwel alleen maar gezinnen, maar ‘s nachts staan er rijen met jongens verkleed als meisjes. En ook niet overtuigend, ze hebben nog steeds baarden, ze hebben gewoon ook jurken aan. Maar jouw deel van het nummer was al een aantal jaar oud, toch?”

CA: “Klopt. Ik wilde destijds eigenlijk gewoon een Bob Dylan-ripoff maken, maar het overlapte toevallig met een paar van zijn thema’s. In Los Angeles zie je dat soort dingen iedere dag. Het viel mij eerst niet eens op, maar ik liep een keer ’s nachts door een deel van de stad waar ik normaal niet te voet kwam en sindsdien zie ik ze overal. Maar mensen knijpen een oogje dicht.”

OM: “De kern van het nummer zit hem in dat ik vaak in die buurt rondreed, wanhopig op zoek naar een parkeerplek, want dat is echt onmogelijk daar. Als ik dat dan deed, werd ik constant aangehouden door die jongens. Omdat ze zagen dat ik maar rondjes bleef reden, dus er vanuit gingen dat ik daar voor hen was, op zoek was naar eentje om mee naar huis te nemen. Dus ze flashten me constant en deden allerlei dansjes. Als ik dan eindelijk ergens had geparkeerd en naar huis liep, zag ik er vaak uit zoals ik er nou eenmaal uit zie na een rock-‘n-roll-show, met een strakke broek aan en met iets dat eruitziet als een pruik op mijn hoofd, dus dan werd ik aangehouden door auto’s, omdat ik er uitzag alsof ik bij de prostituees hoorde. Dus ik heb beide kanten van die situatie meegemaakt.”

Zijn er nog meer nummers op het album door iets beïnvloed dat zo dichtbij jullie staat?
CA: “Het nummer Angola Rodeo, misschien. We gingen naar een rodeo in een gevangenis. De gevangen die daar al wat langer zitten en zich goed gedragen mogen daar aan meedoen. Dat is heel bijzonder om te zien. Het is een van de vrolijkere, leukere nummers geworden, wat enigszins ironisch is, want de gevangenis kan een nogal deprimerend onderwerp zijn. En we vinden ook wel dat er heel wat zou moeten veranderen in die sector. Maar tijdens die rodeo was het duidelijk dat alle deelnemers het zoveel mogelijk naar hun zin hadden als mogelijk was. Het was voor ons erg leuk om daarnaar te kijken, maar tegelijkertijd gaf het ons ook meer empathie voor hun situatie.”

De naam van het album, The Black Lips Sing In A World That’s Falling Apart, kun je zonder al te veel fantasie herleiden naar onze huidige tijd, maar de sound van het album is dan weer bijna ouderwets. Was dat contrast bewust?
CA: “Ik denk dat ons voornaamste doel was om ouderwetse, tranentrekkende nummers te schrijven en daar paste die titel goed bij. Maar ik denk ook dat je op bijna ieder moment in de geschiedenis wel zou kunnen zeggen dat het eind van de wereld in zicht leek.”

OM: “Ja, ik kan je in iedere tijd in de geschiedenis wel iets aanwijzen dat net zo erg is als dat wat we nu doormaken. En daar werd dan ook altijd doorheen gezongen, dat is toch altijd iets dat je situatie een soort van oké kunt maken. Het is wel waar dat het nu meer dan ooit voelt alsof mensen er ook mee bezig zijn dat de wereld uit elkaar lijkt te vallen. Toen er een nucleaire wapenwedloop was en we klaar waren om elkaar op te blazen was daar volgens mij minder constante aandacht voor dan voor de situatie nu.”

De plaat is dus ook niet echt beïnvloed door iets dat in de wereld speelt op het moment?
CA: “Niet echt belangrijke issues. De inhoud van onze teksten is meestal niet bepaald relevant of diepzinnig. Maar er is altijd wel iets dat ons inspireert. Jeff (Clarke, gitarist, red.) schreef het nummer Chainsaw over een vriend die zijn hond kwijt was geraakt. Die hond was super oud, dus hij was een zwembad voor hem aan het bouwen, dat die hond kon gebruiken als geriatrische, fysieke therapie, maar de hond liep weg door de poort toen hij daarmee bezig was. Dus eindigde het zwembad als een gigantisch leeg graf voor zijn vermiste hond. Maar nadat het nummer al was gemaakt, vond hij zijn hond op Craigslist. Compleet vermagerd en uitgehongerd, maar hij had hem terug. Dus dat is een erg verdrietig nummer, maar toch met een happy ending.”

Een nummer met een titel als Dishonest Men klinkt ook wel alsof het over iets relevants voor onze tijd kan gaan, maar dat is dus ook niet zo?
OM: “Nee, dat nummer gaat over Gone With The Wind. Maar iets dat een paar jaar oud is kan natuurlijk nog steeds relevant zijn, dit onderwerp is dan toevallig honderdvijftig jaar oud. Jared (Swilley, bassist, red.) schreef dat nummer en hij schrijft sowieso graag over geschiedenis en historische gebeurtenissen of personen. Dat vind ik zelf ook fijner dan over relevante politieke of sociale thema’s schrijven, want dat is erg moeilijk. Ik heb het weleens geprobeerd, maar het eindresultaat ligt altijd erg zwaar op de hand, dus dat laat ik liever over aan Bob Dylan of Patti Smith of wie dan ook. Mensen horen tegenwoordig ook al wel genoeg nieuws, denk ik. En dat gaat ook heel snel. Ik zou zelf geen nummer over iets waar ik mensen al over heb horen ruziën willen horen. Waar ik alle kanten al van gehoord heb.”

CA: “Ik kies sowieso niet graag een kant in de muziek. Zelfs als je op het moment van schrijven denkt dat je gelijk heb, kan je er later zomaar achter komen dat je fout zit.”

OM: “Er speelt ook nog mee dat ik geen winst wil maken op iemand anders zijn ongeluk. Je kunt natuurlijk een nummer schrijven over iemand die onterecht is neergeschoten of is aangevallen door politie, maar waarom doe je dat? Om aandacht te geven aan die zaak, of om jezelf populair te maken? En was die persoon je vriend, of was het iemand die je niet kent?”

CA: “Als je een groter bereik hebt, heb je natuurlijk ook meer kracht. Neem Bob Dylan, die een van de grootste artiesten ter wereld was toen hij Hurricane schreef, over een bokser die onterecht in de gevangenis zat. Daar had die man ook echt wat aan. Niet om te zeggen dat wij niemand zouden kunnen helpen, maar dan zouden we wel iets willen vinden dat nog niet compleet dood is gediscussieerd op Twitter, maar dat juist onder de radar gevlogen is. En daar zouden we dan tactvol mee om gaan. Het is niet iets waar we per se op tegen zijn, maar we zijn er wel voorzichtig mee en als we het zouden doen, zouden we het ook góéd willen doen.”

Denken jullie dat de sound van deze plaat voor herhaling vatbaar is?
CA: “Ik denk niet dat we hem teveel vast zouden willen houden, want het wordt misschien al snel kitscherig, maar ik heb wel het gevoel dat we er nog meer uit kunnen halen. En we hebben er wel veel van geleerd, dus het blijft waarschijnlijk nog wel even om ons heen hangen.”

OM: “Het is lastig om te voorspellen. Zelfs met dit album moesten we ook maar zien wat het werd. Het is natuurlijk wel een beetje een country-album geworden, dat hebben we een beetje geforceerd, maar het klinkt nog steeds niet als de country die in de Top 40 staat.”

CA: “Om een beetje terug te komen op wat ik al eerder zei, ik doe geen poging om ‘echte country’ te maken. Maar ik denk wel dat country een stuk diverser is dan mensen denken. Net als bij punk hebben sommige mensen hele vaste regels over wat het genre moet zijn, maar voor mij ben je juist punk als je die regels breekt. Suicide had geen gitaren,  maar die zijn voor mij meer punk dan iedere willekeurige band die dat wel heeft, want ze doen iets dat je niet verwacht.”

Welke regels van de country denk je dat jullie gebroken hebben?
CA (lacht): “Allemaal, denk ik.”

OM: “We hebben geen fiddle, dat is er sowieso eentje. Ik weet even niet meer hoe het heet, maar er is een nummer met regels voor een perfect country-nummer. Uit mijn hoofd: je moet zingen over de gevangenis, je moet zingen over momma, je moet zingen over drinken en over treinen en trucks. Gevangenis, check. Het nummer zegt niks over honden, maar ik vind dat dat wel een zesde regel mag zijn.”

CA: “Die kan compenseren voor eentje die wij missen.”

OM: “Precies! We hebben het volgens mij nooit over drinken, of nou ja, dat moet vast wel ergens ter sprake zijn gekomen.”

CA: “In Gentleman!”

OM: “Maar geen trucks, verdomme. En geen momma.”

CA: “Als je door de teksten heengaat duikt er vast wel ergens een momma op. Wacht, volgens mij zit er eentje in Gentleman!”

Dan klinkt het alsof…
OM (enthousiast): “Ja! We hebben geen enkele regel gebroken, het is een perfect country-album!”

CA: “Ik verwacht hem nog steeds niet terug te zien in de country-sectie van een platenzaak, maar daar kan ik mee leven.”

Het nieuwe album van The Black Lips is vanaf vandaag uit, deze zomer is de band bevestigd voor Dour Festival en Best Kept Secret.


Met single No Woman in 2016 katapulteerde indiefolk-band Whitney zichzelf moeiteloos de muziekwereld in. Snel daarna was daar debuutalbum Light Upon The Lake en voor ze er erg in hadden was Whitney eindeloos aan het touren, verklaarde Elton John zichzelf fan, en stonden de heren voor 13.000 mensen in hun hometown Chicago.

De chaos van dakloosheid en verbroken relaties die twee jaar geleden de levens van Julien Ehrlich en Max Kacacek regeerde heeft ondertussen plaats gemaakt voor meer stabiliteit en volwassenheid. Maar ook dat brengt zijn twijfels en problemen met zich mee, vooral in een gammele tijd waar de Amerikaanse politiek een rotzooi is en klimaatverandering steeds meer een probleem wordt. Nieuw album Forever Turned Around is een reflectie op een nieuw hoofdstuk in Whitney’s leven, Ehrlich en Kacacek geven tekst en uitleg.

Dude met een Kermit de Kikker-stem
Ehrlich: “Als we nu terugluisteren naar het eerste album klinkt het voor ons meer als een collectie van singles dan een samenhangend album. Toen we Light Upon The Lake aan het maken waren hadden we heel erg het idee: oh toch niemand weet wie deze band is en wie erin zitten, mensen zullen vast gewoon denken dat het klinkt als een of andere dude met een Kermit de Kikker-stem. We wilden het gewoon graag goed laten klinken.”

Kacakek: “We begonnen toen met schrijven vanuit een ander perspectief. Wanneer we een nummer hadden bedacht namen we hem vrijwel meteen op en dan lieten we het daarbij. Bij Forever Turned Around vonden we meteen al dat het gewoon rechtstreeks vanuit onszelf moest komen. We schreven een hele hoop nummers, haalde hier en daar wat weg en vogelden de kleine dingetjes uit die geperfectioneerd moesten worden. We wilden de boel graag beter balanceren, zodat het meer een ervaring werd om naar te luisteren als geheel. Het is moeilijk om dingen te maken die goed voelen wanneer je je realiseert dat het ook écht van jezelf komt. Dat is ook wel de reden waarom het even duurde voordat we er aan begonnen.” 

Een constante cirkel
Kacakek: “Toen we klaar waren met touren hadden we dik een jaar de tijd nodig om ons leven weer een beetje vorm te geven. Om weer in een routine te vallen en dingen te schrijven waar we echt iets om gaven. Het was moeilijk om te focussen. Er komt altijd weer een punt dat we nieuwe muziek gaan maken en daardoor wordt ons leven constant beïnvloed. De dingen in ons leven zoals relaties zijn de redenen waarom we überhaupt iets willen creëren, maar het is een constante cirkel van touren, waarin je geen stabiliteit hebt, en dan weer naar huis gaan om een vorm van stabiliteit of een thema te vinden dat je inspireert om muziek te maken.”  

Ehrlich: “In Light Upon The Lake klinken we echt als onvolwassen, naïve twintigers die net leren wat liefde precies is.”

Kacakek: “Voor veel mensen is er moment in hun relatie waar ze de honeymoon phase passeren en ze terecht komen in het échte deel, waarna ze vrij snel uit elkaar gaan. Toen we jonger waren verlieten we relaties ook op dat punt, maar je kunt er ook voor kiezen om te blijven. Op het eerste album waren alle breakup songs vanuit het perspectief na de break up. Terugkijkende en denkend, wat wij hadden was echt crazy. Maar dit album gaat juist vooral over midden in een relatie zitten en de ups en downs die daarbij komen kijken. In Giving Up bijvoorbeeld, die relatie eindigde niet, maar op dat moment voelde het wel alsof het ging eindigen. We zijn dit jaar allebei samen gaan wonen met onze vriendinnen. Dan leer je te dealen met ingewikkeldere problemen.”

Kacakek: “Doorzetten en samen blijven betekent ook dat je minder leuke fases hebt die je moet ontdekken. Dat voelt voor ons als forever turned around zijn. Wanneer je verliefd bent raak je soms in paniek en denk je ‘oh shit dit is veels te goed’, je wordt compleet geconsumeerd. Soms ben je ook zo gewend om alleen te zijn dat je bang bent dat dat weer gaat gebeuren, maar tegelijkertijd is een stabiele situatie ook bijna oncomfortabel doordat je niet gewend bent.”

Ehrlich: “Gewoon de manier hoe liefde je bang kan maken.” 

Het einde van de wereld
Ehrlich: “Maar forever turned around zijn omschrijft voor ons ook de tijd waarin we zitten. We proberen te dealen met de verwarring die we voelen over de shitstorm die gaande is in ons land, maar bijvoorbeeld ook met klimaatverandering. In Chicago hebben we heel erg gemerkt hoe het weer is veranderd de afgelopen jaren. We realiseren ons steeds meer dat het einde van de wereld eraan zit te komen en dat wij dat misschien mee gaan maken. Natuur is op een of andere manier altijd een terugkerend thema in onze muziek. Bij het eerste album vonden we het vooral belangrijk dat het ging om het idee van op een prachtige plek zijn, maar deze keer is het allemaal wat donkerder. Het idee van in een kelder zitten en onze hoofden tegen de muren rammen was voor ons erg drijvend.”

Kacakek: We hebben het vaak over jezelf een beetje gek maken om iets te kunnen creëren. Om dat te bereiken hebben we ons flink afgezonderd van onze vrienden en familie. We gingen dan samen voor een lange tijd op reis. Ergens de natuur in om te schrijven en om onszelf gek proberen te maken. Het nummer Forever Turned Around pakt eigenlijk dat alles samen en is de laatste gedachte die op alles in het album terugkijkt.” 


Metropolis Festival
Zondag 30 juni

Een ietwat grauwe dag in mei vormt het decor voor een interview met de mannen van Yīn Yīn. “We spelen vanavond op een exclusief event, de opening van een Hermès-winkel. Het is zo fancy, dat ik het zelf niet eens ken”, vertelt Yves Lennertz terwijl Kees Berkers even koffie bestelt. Ze hebben haast, dat weet ik, maar zelf zeggen ze er niets over.

De zomer van Yīn Yīn belooft een drukke te worden. Zo speelt de band onder meer op zondag 30 juni tijdens het gratis toegankelijke Metropolis Festival in Rotterdam!

Het steekt opeens overal de kop op, maar ook Yīn Yīn is zo’n band die exotische invloeden gebruikt in zijn muziek. Binnenkort moeten we een nieuwe categorie binnen het uiteenlopend spectrum maken om alle westerse bands die zulke inspiraties gebruiken te bundelen. Waar Altın Gün inspiratie haalt uit Turkse psych, maakt Yīn Yīn naar eigen zeggen Thaichedelische muziek. “We hadden een heel grote interesse voor muziek en de wereld. Twee jaar terug hebben we een demo opgenomen en dat Thaise is toen opeens blijven hangen. Wat we nu spelen is eigenlijk meer oriëntaals.”

De juiste mensen
Als we de tourdata van de band bekijken, dan worden het drukke tijden. Sinds Footprints en Eurosonic is Yīn Yīn in een soort stroomversnelling gekomen. “We vragen ons soms zelf af wat er gebeurd is, maar op Footprints in Utrecht waren denk ik wel echt de juiste mensen qua boekers en managers.” Die ‘juiste mensen’, dat is anno 2019 al helemaal een ontzettend belangrijke factor. “Er wordt een planning voor jou gemaakt en dan hoef je opeens niet meer na te denken over wat je de hele zomer gaat doen.”

“Het is een aangename drukte, zelfs als je op maandag op je werk staat en eigenlijk heel erg moe bent van het voorbije weekend”

Het rooskleurige beeld dat zich stilaan in mijn hoofd vormt, wordt al snel weer weggeveegd. “Het is allemaal niet zo romantisch en flattering als het klinkt. We moeten heel veel reizen, wachten, in de auto zitten, met spullen sjouwen en in hotels slapen. Anderzijds is dat natuurlijk echt super tof! De reactie van het publiek en het festival zelf, daar doe je het voor. Het wordt dan ook een drukke zomer voor ons, maar elke week voelt het alsof het de week daarop pas echt gaat beginnen. We werken natuurlijk nog door de week en dan lijkt het altijd heftiger dan het is, want het is vooral ontzettend leuk. Het is een aangename drukte, zelfs als je op maandag op je werk staat en eigenlijk heel erg moe bent van het voorbije weekend.”

De zomer van Yīn Yīn, die valt dus makkelijk samen te vatten: druk, druk, druk! “Vakantie zit er niet echt in, maar rondtouren en spelen lijken een beetje onze nieuwe vakanties. Als we echt weg willen, dan moet het maar in de winter, naar de zon. Ik denk dat ik naar Thailand ga.”

Iets nieuws doen
Het is bijna onvermijdelijk om niet even door te gaan op dat verre oosten. “Het is niet echt dé ambitie om daar te spelen, maar meer om die sfeer naar hier te halen en onze platencollectie te vertalen naar een live-set. We hebben er niet zo veel over nagedacht, maar die klanken en toonladders waren voor ons gewoon erg interessant. En de ritmes natuurlijk, al bevinden we ons ritmisch gezien ook in de afrobeat en gewone disco. De ambitie was ook meer om iets te doen wat we zelf nog niet gedaan hadden dan echt iets heel nieuws te creëren. Er is een bizarre mix vanuit ons twee ontstaan die niet meer per se Thais is. We noemen het nog steeds wel graag Thaichedelisch, want mensen houden nu eenmaal van labeltjes en dan is dit wel eentje dat een hoop verklaart.”

“Er zijn ook mensen die zeggen dat het niet oké is om zulke elementen in je muziek te gebruiken, maar je kunt het ook anders zien”

We hebben het de laatste tijd al vaker gehad over exotische invloeden in westerse muziek en ook Yīn Yīn ontsnapte niet aan de vraag waarom het genre precies nu lijkt door te breken. “Het is de juiste tijd ervoor. We speelden onlangs nog met Dur-Dur Band uit Somalië. Die band heeft een paar jaar terug zijn album – dat al dertig jaar (!) oud is – opnieuw uitgebracht, maar dan nu op plaat. Paradiso Noord was bijna uitverkocht, terwijl het voor de band echt de derde show in Europa geweest moet zijn.”

“Dat toont gewoon aan dat de interesse er is voor vreemde dingen en ik vind het ontzettend tof dat mensen hier geïnspireerd door raken. Er zijn ook mensen die zeggen dat het niet oké is om zulke elementen in je muziek te gebruiken, maar je kunt het ook anders zien. Het gooit de grenzen open en helpt mensen om meer open-minded te worden. Afrika is geen land, maar een continent. Er gebeurt daar zo veel en in Azië is dat ook zo. Voor westerse mensen klinkt onze muziek Aziatisch, maar als je je daar even in verdiept, is Aziatisch zoveel dat het niet als een ding te typeren is.”

Yin & yang
Aziatisch is ook de naam van de band, die verwijst naar het evenwicht in yin & yang. “Yin staat voor de donkere, vrouwelijke kant. We hebben wel een aantal nummers die wat donkerder zijn en live zijn we best intensief, zoals vrouwen.” Er wordt gelachen, maar je moet het ook niet altijd even serieus nemen. “In de band is er, ondanks de naam, wel evenwicht. We moesten de support voor een band verzorgen en toen hebben we er een toetsenist en bassist bij gehaald. Inmiddels hebben we zoveel shows samen gespeeld, dat ze echt onmisbaar geworden zijn. Net als onze percussionist Gino. De balans zit echt goed, iedereen is enthousiast en gemotiveerd.”

Die motivatie is ook nodig om de komende maanden zonder kleerscheuren door te komen. “We kijken natuurlijk erg uit naar Lowlands, dat is een belangrijke en daar zijn we zelf ook nog nooit geweest. Er staan heel wat festivals op de agenda waar we wel van gehoord hebben, maar waar we nooit als bezoeker waren. En sommige dingen, die mogen we ook nog niet zeggen. Iets met een Frans en een Engels woord. Wij zijn ook nog niet echt de festivalgangers in dit genre, maar onze toetsenist vindt alles te gek, want we spelen op bijna al zijn favoriete festivals.”

Op dat moment bekijken we even het Spotify-account van de band. Er is nog niet echt veel te beluisteren. Komt er wat aan? “We zijn bezig met een album.” Het wordt even stil en op bedachtzame toon gaat het gesprek verder. “We kunnen nog niet veel zeggen, want het album is nog niet klaar, maar het komt dit jaar. Samengevat is het een album met liedjes op die in de lijn liggen van wat al uit is. We hebben het zelf opgenomen bij Gino en gemixt. In juni komt er wel een nieuwe single uit op 7-inch-vinyl.”

Ambities
We gaan even in op de ambities van de band. “De ambitie om buiten Nederland te treden is er zeker. Ik denk dat er in Europa wel een markt is en als we volgend jaar een keer een tourtje in Azië kunnen doen, zou dat echt te gek zijn. Ik vraag mij wel af hoe het is om daar te touren, ik ken wel iemand die daar met een heel ander soort muziek heen gegaan is. Die heeft toen in een week vijf keer in Tokyo gespeeld, maar dat kan gewoon omdat het zo groot is.”

Het klinkt wel spannend, met oosters-geïnspireerde muziek echt naar die plekken trekken. “Ik denk niet dat we iets moeten bewijzen, want we hebben nooit gezegd dat we traditionele Thaise muziek maken. We gebruiken oosterse invloeden en ook wij hebben echt geen idee hoe mensen in Japan daar dan op zouden reageren, want die vinden de westerse sound vaak interessant. Er zijn altijd en overal wel mensen die dit soort muziek tof vinden, maar we moeten ons eerst hier een beetje bewijzen. We zijn nu op ontzettend wat plekken geboekt, maar die verwachtingen moeten nog wel waargemaakt worden.”


WEBSITE METROPOLIS | FACEBOOK-EVENT | METROPOLIS IS GRATIS TOEGANKELIJK

De nieuwe plaat van Cate Le Bon klinkt als Deerhunter zijn Why Hasn’t Everything Already Disappeared? Of anders geformuleerd: de nieuwe Deerhunter klinkt als Cate Le Bon. De Welshe dertiger drukte als producer flink haar stempel op het geluid van Bradford Cox en co. De verrassende keuze bleek een gedroomde samenwerking. Wat Cate in de studio bij Deerhunter voor elkaar kreeg, lukt haar evengoed op soloplaat Reward, een scharnierpunt in de interessante carrière van Le Bon.

Tekst Daan Krahmer

Bradford Cox en Cate Le Bon ontmoetten elkaar via internet. “Bradford schreef iets prachtigs over mijn album Mug Museum voor Pitchfork”, vertelt Le Bon aan de telefoon. “We raakten aan de praat en hij nodigde me uit om bij hem te verblijven tijdens een tournee. Daarna hielden we contact.” Zo vloog Le Bon voor een langere periode naar Texas, waar ze meewerkte aan de achtste Deerhunter plaat. “Het is een absolute trip om je in de wereld van Bradford Cox te begeven. Bradford is een extraordinary person: onmogelijk te beschrijven, alsof hij op aarde loopt sinds het begin der tijden. Hij heeft een prachtige, bijna kinderlijke verwondering voor muziek en kan extreem opgewonden zijn. Hij leeft voor kunst en creativiteit. Zijn liefde daarvoor is onvoorwaardelijk. Het was een eer om hem beter te leren kennen. Lockett is ook een absolute sweetheart.”

Daarnaast bevalt het produceren van de muziek van anderen Le Bon prima. “It’s a gift. Als je met een band werkt, wil elk bandlid iets anders van je. Werken als producer is veeleisend en altijd anders, maar the reward is groot als je een geluid produceert waar iedereen gelukkig mee is. Elke plaat is een leerproces, ook voor mijzelf. Je bent dwaas als je niet reflecteert op het creatieve proces. Je moet je blijven ontwikkelen als artiest én als producer.”

“Hout kun je voelen en aanraken, terwijl muziek ontastbaar is”

Toch produceerde ze haar nieuwe plaat niet zelf. Het was zelfs even de vraag of Le Bon wel professioneel muzikant wilde blijven. “Ik heb een jaar lang een meubelcursus gedaan. Dat was iets wat ik al lange tijd wilde doen, maar als je in een werkritme zit, in een cyclus van optreden en platen maken, kom je daar niet aan toe. Muziek creëren is intens en kost veel energie, maar vooral het vele reizen kan uitputtend zijn. Meubels in elkaar zetten is wat dat betreft meditatiever. Je kunt je speelse creativiteit kwijt, maar je werkt ook met tastbaar materiaal. Je werkt met je handen. Hout kun je voelen en aanraken, terwijl muziek ontastbaar is.”

“Ik wist ook niet of muziek echt mijn toekomst zou zijn”, vervolgt Le Bon. Die twijfel en intense reflectie hoor je terug op Reward. De plaat ademt verandering en laat een herboren artiest horen. In ieder liedje valt wat te vinden. Een rafelig detail, een verrassende wending, of een hypnotiserende melodie. “Tijdens mijn meubelcursus bracht ik veel tijd alleen door. Nu wilde ik samenwerken met iemand. Iemand die ik vertrouwde. Samur Khouja wist in wat voor mentale toestand ik me bevond en kon daar precies op inspringen. Soms is het moeilijk om zowel creatief als kritisch te zijn. Dat kan niet tegelijkertijd en daar helpt samenwerking echt bij.”

“Je kunt niet creatief en kritisch tegelijk zijn”

De uitstekende single, Daylight Matters, blijkt om verschillende redenen een bijzonder liedje. Het nummer is exemplarisch voor het album. Le Bon creëerde de demo in haar eentje. “Ik schreef Daylight Matters in Lake District. Het liedje is geschreven op piano. Ik heb er bewust niks raars mee gedaan, maar geprobeerd het zo natuurlijk mogelijk in de studio op te nemen. Daardoor klinkt mijn nieuwe materiaal wat naïever. Dat is de insteek voor de hele plaat: Reward is intiemer en directer. De liedjes zijn overwogen en doordacht. Live ga ik het spelen met een grotere band en er komt een saxofonist mee. De saxofoon is wat mij betreft een van de mooiste instrumenten.” 

“Voor mij is Krautrock een aantrekkelijke taal waarnaar ik graag terugkeer”

Op Reward speelt dat instrument een rode draad. In ieder liedje hoor je wel een saxofoon die de textuur van het lied benadrukt. Nog steeds creëert Le Bon kleine miniatuurwereldjes, maar de absurdistische riffjes en de rusteloosheid van de vorige platen is naar de achtergrond verdrongen. “Mijn vorige albums werden gedicteerd door instrumenten. Heel machinaal. Het waren albums met hevig bewerkte liedjes. De nieuwe spontaniteit en speelsheid komen uit de Krautrock-scene. Faust IV is absoluut mijn favoriete plaat. Toen ik die voor het eerst ontdekte, ontdekte ik meteen een nieuwe muzikale vocabulaire. NEU! en veel van CAN vind ik ook te gek. Voor mij is Krautrock een aantrekkelijke taal waar ik graag naar terugkeer. It breathes joy and playfulness.”

Zo beheerst en zakelijk als ze aan de telefoon vertelt over haar werk, zo duidelijk neemt Le Bon stelling in het persbericht waarmee Reward aangekondigd werd. ‘Everything is losing its meaning’, valt er te lezen. “We leven in een aparte tijd waarin rust lastiger te krijgen is. Dit komt vooral door de politiek en het internet. We worden om de oren gegooid met slogans en woorden die gebruikt worden om te manipuleren. Mensen gebruiken grote woorden omdat ze een doel hebben. Door huge, powerful words lijkt de taal zelf haar betekenis te verliezen.”

Terwijl Le Bon twijfelde of de muziekwereld wel echt bij haar paste, dook haar naam er steeds vaker op. Ze maakte een mooie plaat met Tim Presley van White Fence en kreeg bijzondere complimenten. Jeff Tweedy schreef bijvoorbeeld dat Cate Le Bon een eigen sound heeft in een tijd waarin dat steeds zeldzamer is. “Het is altijd fijn om complimenten te krijgen, maar je moet het wel met een korreltje zout nemen. Je moet niet focussen op de negativiteit, maar ook niet op de positiviteit. Probeer zelfzeker te worden over wat je doet. Toch was het ook een bijzonder compliment. Jeff Tweedy is een gerespecteerde muzikant en echt een muziekliefhebber.”

Nu is er dus album nummer vijf, maar is Le Bon zelf tevreden over de plaat? “Altijd als ik iets gemaakt heb, háát ik het eindproduct. Heel intens. Je brengt veel tijd door met de muziek die je in elkaar zet en als je er eindelijk klaar mee bent, is het laatste wat je wil doen er nóg meer tijd mee doorbrengen. Als ik redenen heb om iets te creëren en het resultaat bevalt mij, dan voelt het zinvol om muzikant te zijn. Het kan iets bijdragen aan het leven van mensen. Ik kan me bijvoorbeeld nog herinneren dat mijn vader me voor het eerst Pavement liet horen. Dat opende nieuwe deuren in mijn denken over muziek. Naar mijn mening is het gitaarspel van Stephen Malkmus zeer invloedrijk geweest. Syd Barrett en David Bowie blijven me ook eindeloos fascineren. Ik kan me nog herinneren dat ik Bowie hoorde als baby, gaandeweg ontdekte ik hoeveel liefde in een plaat als Hunky Dory zit.” 

Le Bon zoekt authenticiteit en vindt die op iedere plaat weer. In dat opzicht passen de albumhoezen, die op een of andere manier altijd herkenbaar zijn, goed bij haar muziek. Op de nieuwe cover loopt ze door de natuur met een opvallende, lange rode jas. “Kleren zijn een gezonde interesse, maar het is geen materialistisch verhaal. Brands kunnen me niets schelen en ik houd ook niet van de elitaire smaak die rondom mode hangt. Ik poseer ook niet graag op foto’s, maar het was interessant dat Phil Collins – nee, niet dié Phil Collins – beelden schoot waar ik gelukkig mee was. Daarvoor ging ik naar Berlijn, waar we intensief aan beelden hebben gewerkt voor de plaat. Phil kijkt met een bijzonder oog. Het is niet trendy of modern, maar het staat op zichzelf.” Net als Cate Le Bon zelf. 

Cate Le Bon live zien? Op 31 mei speelt ze op Best Kept Secret en in november is ze te zien op Le Guess Who? in Utrecht.


Transformer Festival
Zaterdag 15 juni

Half juni staat alweer de derde editie van Transformer Festival op het programma, een ideale dag om de randjes van de popmuziek af te tasten in de Muziekgieterij. Voor een diepere blik in het concept en het festival, spraken we met Transformer-programmeurs Ingo Dassen en Edwin Jansen.

Het festival komt voort uit de Transformer-concertreeks, waarbij elke twee weken op maandagavond een nieuwe en spannende act wordt voorgesteld in de Muziekgieterij. Er valt een hoop te vertellen over het concept en die aanstaande editie met onder meer punksensatie Amyl & The Sniffers, Nederlandse nieuwkomers als Someone en Bawrence of Aralia, ‘oude rotten’ Mintzkov en Isbells en experimentele muzikanten als Julian Edwardes en Andrea Belfi.

De Transformer-community
Het Transformer-concept krijgt de laatste jaren steeds meer vorm, niet alleen met tweewekelijkse avonden en een jaarlijks festival, maar sinds kort ook met een online-community. Dassen vertelt hierover: “Er zijn aardig wat mensen die weten dat ze twee keer per maand bij ons terecht kunnen om nieuwe muziek te ontdekken, onder meer door middel van zo’n community willen we die groep uitbreiden en versterken. Het is een plek waar je kunt kletsen over nieuwe bands, albums en festivals.”

Het toont de laagdrempelige manier waarmee Transformer volgens Jansen nieuwe muziek op de kaart zet in de Muziekgieterij. “Een kaartje voor een show kost slechts vier euro, maar toch is het elke keer weer spannend. Tot nu toe komen er zo’n zestig à zeventig mensen op een Transformer-avond af, daar zijn we erg blij mee en het is fijn om te merken dat er groei in zit. Het zijn vaak toch wat onbekendere bands en dat op een maandagavond.”

Edwin Jansen & Ingo Dassen

‘Dit moet jij zien’
De conceptualisering van een concertreeks maakt het voor de twee makkelijker om nieuwe acts te presenteren in Maastricht. “Zeker, het hangt wat minder van de band af. We staan erachter als Muziekgieterij en zeggen: ‘wij vinden dit een act die jij moet zien, ongeacht wie er speelt.’ De druk ligt daardoor meer bij ons en op die manier worden wij nog scherper in de programmering”, vertelt Dassen.

Waar moeten de Transformer-acts aan voldoen, wat is de gemeenschappelijk factor? “Het mag nog niet af zijn, als je begrijpt wat ik bedoel. Je moet het gevoel hebben: ‘dit gaat er komen, maar het is er nog nét niet.’ Dat is vaak een van de spannendste fases van een act en op dat punt willen we ze hebben”, vertelt Dassen. “We willen acts boeken waarvan je later zegt: ‘die heb ik nog gezien in de Muziekgieterij.’ Met die doelstelling gaat het goed: we hadden eerder CUT_ en Whispering Sons, acts die het erg goed doen. Maar ook Shht, It It Anita, Vök en Ryan McMullan die later opeens bij Ed Sheeran in het voorprogramma stond.”

De uitdijing van Transformer
Elk jaar komt alles samen tijdens het Transformer Festival, dat dit jaar op 15 juni voor de derde keer wordt georganiseerd. Wat voor nieuwe dingen heeft het festival de komende editie in petto? “Dit jaar werken we onder meer samen met klankproductiehuis INTRO, dat is een hele interessante partner. Zij programmeren en ontwikkelen een hoop experimentele popacts, zo kwamen zij met Andrea Belfi. Dat zat nog niet bij ons op de radar, maar dat bleek precies zo’n act te zijn die we willen.”

De basis van het festival staat, welke richtingen zou het festival nog meer op kunnen bewegen? “Vanaf september gaat de nieuwe Muziekgieterij open, wat betekent dat we andere ruimtes in gebruik zullen nemen en er andere mogelijkheden zullen zijn. Daarbij denken we bijvoorbeeld aan exposities, waar we komende editie mee gaan experimenteren met Someone. Zij maakt illustraties en interactieve kunst bij haar muziek en ik ben erg nieuwsgierig hoe dat gaat werken”, vertelt Dassen.

Ook nieuwsgierig? Lees hier nog een uitgebreid interview met Someone.

‘Continu appen we elkaar bands door’
Het aanbod van toffe en spannende bands is bijzonder groot op het moment, net als het aantal interessante festivals. Hoe komt die line-up bij elkaar tussen Jansen en Dassen? “We houden op allerlei plekken bij wat er speelt en we appen elkaar continu allerlei bands door die we ontdekken. Waar mogelijk gaan we op pad om die acts live te zien en beetje bij beetje schuiven we de puzzelstukjes in elkaar”, vertelt Jansen.

Maar goed, wat zijn de acts waar ze als een blok voor vielen? Zonder twijfel begint Jansen: “Ik ben helemaal weg van Lysistrata, ontzettend veel energie en een beetje Mars Volta-achtig. Daar ben ik echt nieuwsgierig naar! En Amyl & The Sniffers natuurlijk, dat is onze troef waarmee de tent gaat ontploffen!”

‘Iets heel puurs’
Dassen heeft op zijn beurt een andere band in zijn hart gesloten: “Ja, Penelope Isles vind ik het einde. Toen ik die band een paar jaar geleden voor de eerste keer zag, werd ik direct geraakt door de uitstraling. Het heeft iets heel puurs. Tijdens Eurosonic heb ik de band nog twee keer gezien en toen wist ik het zeker: ‘dit móét iedereen zien!’ Het past helemaal bij Transformer”, vertelt de programmeur. “Mintzkov is een andere act met een spannende show. De band komt tijdens het festival een exclusieve try-out doen met nieuw werk. Ze zijn van een viertal naar een drietal gegaan en kwamen naar ons toe met de vraag of we ergens in juni ruimte voor ze hadden. Nou ja, dat hadden wij wel”, glimlacht Dassen.

Ontdekken
Voor hun bezoekers proberen ze natuurlijk het mooist mogelijke programma samen te stellen, maar wat vinden ze zelf eigenlijk het leukst aan Transformer Festival? “Het ontdekken en de hele weg naar het festival toe”, zegt Jansen. “Het op zoek gaan naar nieuwe bands die je een mooi podium en festival kunt bieden, vind ik fantastisch. Met als hoogtepunt natuurlijk als je de bezoekers ziet genieten van een band die je ontdekt hebt, dat is het allermooiste.”

Daar kan Dassen zich in vinden: “Absoluut, dat komt denk ik ook omdat het een lang proces is. Je ziet of hoort een band, zet ze op een lijstje, maakt vervolgens een selectie, kijkt of ze beschikbaar zijn, regelt een hele productie, probeert het publiek zover te krijgen om naar de show te komen, dan heeft de band uiteindelijk gespeeld en zeggen bezoekers: ‘Ja jongens, dat was hem helemaal!’ Dat is en blijft kicken.”

Jansen: “Daarnaast vind ik het echt heerlijk dat er echt muziekliefhebbers naar de shows komen, je zult niemand zien ouwehoeren tijdens een show. Zo wel, dan krijg je het direct te horen.”

Het Transformer festival op 15 juni is het laatste evenement in de huidige Muziekgieterij. Na de zomerstop is de opening van de nieuwbouw met twee nieuwe zalen met een capaciteit van 1100 en 350 en een inpandige studio.


WEBSITE MUZIEKGIETERIJ | FACEBOOK-EVENT | TICKETS

Zonder een stralende zon ziet de pont die ons naar de andere kant van het IJ brengt er een stuk minder fijn uit. Daar sta ik dan – mensen rond mij haasten zich om nog naar binnen te kunnen. Het is druk voor een grauwe donderdagmiddag in februari. De drukte ontvluchten doe ik even later met Aldous Harding tegenover mij. Over haar nieuwe plaat: Designer.

De Nieuw-Zeelandse is een dag in Amsterdam om te praten over haar derde album. Het is al ruim voorbij de middag en de vermoeidheid slaat toe. Het raam even open om toch wat frisse lucht naar binnen te laten. “It’s good to be here”, begint Harding. Ze staart naar buiten: fietsers die de volgende regenbui te snel af proberen te zijn, de pont die om de paar minuten van de ene naar de andere kant gaat. Routine. Ik vind het wel mooi, dat je zelf kan bepalen of alles wat buiten de vier muren waartussen je je bevindt een invloed op je heeft of dat je je terugtrekt in je bubbel.

“De plekken waar ik ben, hebben niet echt een invloed op mij. Niet rechtstreeks, maar ik zou het je niet met zekerheid kunnen zeggen. Ik let niet zo veel op alles rondom mij. Een landschap, een gevoel van nostalgie… Ik haal daar niet zo veel uit, dat beïnvloed niet echt wat ik wil zeggen. Denk ik.”

Ze denkt zorgvuldig na over elk woord en ik twijfel of het de vermoeidheid is na een hele dag praten of een zekere terughoudendheid. “We hebben een sprong gemaakt van onzekerheid naar artistieke zekerheid om vooruit te kunnen, maar toch vastgehouden worden door iets. Dat was Party, Designer laat je los. Ga maar!”

“Het is een nieuwe fase, een andere tijd”

We hebben het over Party en hoe Aldous Harding toen zei dat ze zich een stuk gelukkiger voelde. “Ik voel mij nu, met Designer, nog gelukkiger. I’m just growing up, ik leer steeds meer. Over alles. Het is een nieuwe fase, een andere tijd.” 

Harding klinkt alsof ze er al drie levens op heeft zitten. Doordacht, bij momenten bijna afwezig, alsof een onderbewustzijn het overgenomen heeft en een gedachtestroom op ons afvuurt. Levenswijsheid. Wie door het mysterie wil prikken, moet geduld hebben. 

Designer: het album
“Designer verwijst naar alles waaraan het doet denken. Hoe je het ook ziet. Sterk. Ik hou mij niet vast aan iemand. Je hoeft niet iets te zijn of te blijven. Beweeg. Je kunt een ruimte op zo veel manieren benutten. Ik moet aan dat nummer van Cat Stevens denken. ‘And if you want to be me, be me.  And if you want to be you, be you. ‘Cause there’s a million things to do.‘ Ik houd van dat nummer, dat resoneert met wie ik ben: a lot of things. Elke staat waarin je je kunt bevinden, elke fase, betekent iets. Je moet niet bang zijn om jezelf voor schut te zetten of iets nieuws te proberen.”

Het gesprek wijkt een beetje af en opeens worden de zinnen aangevuld door stilte. Ze denkt na, alsof ze bang is om iets verkeerd te zeggen. “Sinds wanneer is gelukkig zijn, je geïnspireerd voelen en hard werken un-cool?” Als het al een vraag was, dan moet ik haar het antwoord schuldig blijven. 

“Ik wil mensen laten voelen wat andere artiesten mij laten voelen”, gaat ze verder. “Soms hoor ik iets en denk ik: ‘dat is slim’, maar soms weet ik ook niet of de artiest de intentie had me zo te laten voelen. En dan loop ik ervan weg. Ik ga niet graven, hoef het niet te weten. Misschien wel als ik ouder word. I just wanna do something interesting, maar dat lijkt tegenwoordig als een hele opgave. Ik wil doen wat voor mij natuurlijk aanvoelt, maar ook anders.” 

“Er ligt veel druk op mij, mensen verwachten iets van mij en dan zijn er nog mijn eigen verwachtingen van wie ik moet zijn”

Ze laat de woorden even bezinken. Misschien is het anno 2019 helemaal niet zo vanzelfsprekend meer om die dingen te doen. Hoe zorg je ervoor dat je interessant en relevant bent? “Er ligt veel druk op mij, mensen verwachten iets van mij en dan zijn er nog mijn eigen verwachtingen van wie ik moet zijn.” En op dat moment besef ik mij dat Aldous Harding – hard nut to crack – ook maar gewoon een mens is, met dezelfde twijfels en onzekerheden als diegene die we allemaal hebben. 

Climbing the stairs
“Het zijn stapjes: van de debuutplaat, via Party en dan nu Designer. Het voelt alsof ik een trap op loop, elke stap voelt anders. Hoe verder ik kom, hoe meer energie ik krijg. Daar zijn verschillende redenen voor: de keuzes die ik gemaakt heb, maar vooral ook de realisatie dat je niet serieus moet zijn om serieus genomen te worden. Ik weet niet wat het doel van het leven is, dus ik kan niet veralgemenen, maar ik doe waar ik zelf zin in heb. Vrijheid. In a way. Je moet jezelf dat comfort geven, want je zet jezelf al op om te falen als je gedreven wordt door de gevolgen wanneer je iets niet zou doen. Ik wil niet iets maken met een doel. Ik bedoel, natuurlijk heeft het een doel, maar dat is eerder persoonlijk.”

“Ik zou het wel kunnen, stoppen, maar ik zie daar nu niet echt een reden toe”

En de volgende stap, die ligt alweer om de hoek. Designer is nog niet eens verschenen wanneer we dit gesprek voeren, maar Harding is al bezig met what’s next. “Helaas, het is mijn job, maar ik kan niet stoppen. Als er iets gebeurt, wil ik daar een nummer over schrijven en voor je het weet ben je alweer een stuk verder. Ik ben niet goed in ergens mee ophouden, dat is een beetje mijn obsessieve kant. Ik zou het wel kunnen, stoppen, maar ik zie daar nu niet echt een reden toe.”

Ik wil mezelf
Op Heaven Is Empty horen we het al: ‘People ask me all the time what I want. The answer is one.’ Maar wie is one? “Dat ben ik. Ik wil wat ik wil. Als je zegt wat je wilt, dan gaat het per definitie toch al om jezelf, dan mag je zeggen dat je andere mensen wilt helpen. Dat is wat jij wilt. En ik, ik wil mezelf, want uiteindelijk is dat alles wat ik heb. Zelfs al heb ik andere mensen, die heb ik niet als ik mezelf niet heb.”

“Ik ben niet onzeker over mijn ideeën, maar wel over mijn ability om de druk te kunnen dragen”

Waar we een paar minuten geleden nog voorzichtige antwoorden kregen, is Harding heel zeker van wat ze hier zegt. Ietwat dromerig, maar de boodschap is duidelijk. “Ik ben niet onzeker over mijn ideeën, maar wel over mijn ability om de druk te kunnen dragen. Het is niet de muziek zelf, maar alles wat erbij komt, dat is veel enger. En ik ben de enige hier en er is een limiet van hoeveel we van de wereld rond ons kunnen zien.” 

Ik zie de tijd opeens heel snel aan mij voorbijrazen en stilaan voel ik dat ik weer in de echte wereld kom. Opeens hoor ik gesprekken uit de ruimte naast mij en ik weet dat mijn tijd er bijna op zit. Nog even over optreden, want dat heeft Aldous Harding – zo blijkt – al maanden niet meer gedaan. “Als ik op het podium sta, wil ik het publiek alles geven. Soms word ik mij heel bewust van wat ik aan het doen ben en dan is de magie weg, niet voor het publiek, soms wel voor mezelf. Je gaat zo op in een moment en opeens realiseer je je wat je aan het doen bent. Ik denk dat je dat soms, als je goed oplet, ook kan zien.” Net voor ik de kamer verlaat, kijk ik haar aan. Voorzichtig vraag ik of het wat uitmaakt als iemand dat dan ziet. “Actually, no. It doesn’t.

In juni speelt speelt Aldous Harding op Best Kept Secret en 27 november is zij live te zien in Paradiso.


Valkhof Festival
13 t/m 19 juli

Het gaat hard met de Ierse postpunkers van Fontaines D.C. Al voor de release van debuutalbum Dogrel is de band hard op weg om een gevestigde naam te worden binnen de scene. Dat uit zich onder meer in shows, veel shows. Onder meer op het gratis toegankelijke Valkhof Festival deze zomer in Nijmegen. Het vijftal is nog maar een paar dagen terug uit Austin voor een negental shows op South By Southwest als we de heren treffen in het Backstage Hotel in Amsterdam.

Tekst Reinier van der Zouw
Foto’s Tom van Huisstede

Frontman Grian Chatten lijkt de jetlag nog te voelen en zit deze ronde van de persdag even uit. We krijgen gitarist Conor Curley en bassist Conor ‘Deego’ Deegan III te spreken. We voelen ze aan de tand over de haat-liefdeverhouding van de band met hun thuisstad Dublin en hoe je toch van een stad kunt houden waar je bijna onmogelijk een voet aan de grond kan krijgen. “Zo is Ierland nou eenmaal. Je gaat er weg en niemand kraait naar je, maar zodra je dan succesvol terugkomt, vindt iedereen je geweldig.”

Sommige albums ademen echt de sfeer van een stad op een bepaald moment. Turn On The Bright Lights van Interpol heeft dat met New York aan het begin van deze eeuw, Bowie’s Berlijn-trilogie met die stad aan het einde van de seventies. Dogrel ademt in vrijwel alles Dublin. Hoe hebben jullie de essentie van de stad proberen te vangen?
CD: “We begonnen gewoon met schrijven over de dingen die we om ons heen zagen. We zochten naar authenticiteit, wat begon met Grian die besloot in zijn eigen accent te zingen. Toen vormde zich al snel het idee dat we een band zijn die verhalen vertelde over Dublin. Maar we willen vooral menselijke verhalen vertellen en mensen zijn overal fundamenteel hetzelfde. Dus eigenlijk maakt het niet uit over welke stad we zingen. Het Dublins accent en de straatnamen, daardoor lijkt het misschien een Dublin-album. Dat is prima, want het is tenminste authentiek, maar het is ook redelijk oppervlakkig.”

Waren er bands of personen in Dublin die in het bijzonder inspirerend voor jullie waren? 
CD: “Jazeker, Girl Band. Die band is een grote inspiratiebron voor ons. Zij kwamen ongeveer op in Dublin in de nasleep van een recessie, dus de muziekindustrie lag redelijk op zijn gat. Dan laat Girl Band zijn gezicht zien en beginnen die jongens super vreemde en unieke en authentieke muziek te maken, die toch weet aan te slaan. Dat uitte zich al snel in een contract bij Rough Trade. Als je dan een jonge knul bent die graag bij een band wil, is het een openbaring dat dat ook met rare muziek kan, dat je geen radiovriendelijke popmuziek hoeft te maken om door te breken. Dat was erg inspirerend.”

CC: “Nog iemand die belangrijk voor ons was, is de man die onze eerste paar singles produceerde: Dan Doherty van Darklands Studio. Hij was de perfecte persoon voor ons om mee te werken op dat punt, want hij gaf ons alle ruimte om ons door de muziek te laten leiden. Dat niveau van vrijheid was voor ons enorm fijn, omdat we nog niet bijster veel hadden opgenomen en alles op ons gemak konden ontdekken. Hij runt die studio in zijn eentje, en is een groot figuur in de muziekscene in Dublin momenteel.”

Mag ik albumopener en single Big opvatten als een mission statement voor de hele band? ‘My childhood was small, but I’m gonna be big.’
CD: “Absoluut. Daarom is het de opener. Als nummer gaat het over een personage dat zichzelf opstelt als een echte tough guy “Dubin in the rain is mine”. Hij vindt dat de stad van hem is en is erg ambitieus. We willen overbrengen dat dat ook een schadelijke kant heeft en dat het niet per se iets goeds is om je zo op te stellen. Het gaat over de zwaktes van bravoure.”

In de videoclip wordt dit personage vertolkt door een uiterst schattig playbackend kind, wat denk ik wel duidelijk maakt dat er ook iets van een knipoog in de tekst zit. Waar kwam het idee voor die clip vandaan?
CD: “Het idee om iemand te volgen die rondloopt in Dublin komt voort uit een alternatieve take die Grian en ik hadden opgenomen voor de video van Hurricane Laughter, toen we nog niet zeker wisten of we de uiteindelijke video voor dat nummer ook echt konden uitbrengen. We liepen gewoon rond met een telefooncamera en filmden hoe Grian de lyrics zong. Dat idee wilden we altijd eens gebruiken. Wiens idee het was om dat voor deze te doen weet ik niet meer.”

CC: “Ik vond het een heel aantrekkelijk idee om zo’n jonge knul te gebruiken als stand-in voor Grian, zonder dat ‘ie nou echt een jonge versie van hem moet voorstellen of iets dergelijks, maar die route volgen leek mij leuk omdat het wat anders was dan al onze andere video’s. Het hield ons buiten beeld, wat we ook wel eens wilden doen. Het voelde alsof al onze video’s tot dan toe gewoon lieten zien hoe wij naast dingen stonden.”

CD: “Ja, het was fijn om eens wat anders te doen dan standaard performance-video’s.

Wat maakt Moore Street voor jullie zo’n kenmerkende Dublin-straat? 
CD: “Het is niet echt een van de grotere straten, maar het is een straat waar veel geschiedenis aan verbonden is. Moore Street is een straat waar mensen vis, fruit en groente verkopen. Die marktkooplui hebben karakter, omdat ze altijd de hele straat bij elkaar staan te schreeuwen. ‘TIEN BANANEN VOOR TWEE EURO!’”

CC: “Of twee bananen voor tien euro.”

CD: “Haha, dat kan ook, inderdaad. Stelletje afzetters. Dat soort dingen hoor je daar en dat zijn een paar van de mooiste geluiden die je in Dublin kan horen. Je hoort ze van mijlenver al. Het zijn ook altijd vrouwen van rond de zeventig, voor de goede orde. Die schreeuwen hun kop er bijna af.”

CC: “Er gebeurt een hoop persoonlijke interactie. Mensen gaan daar ieder weekend heen om boodschappen te doen, dus er vinden altijd heel wat gesprekken plaats. Zo van: ‘Oh, was jij ook in de kerk vorige week?’ Daar kan ik echt van genieten.” 

CD: “Ja! Dan hoor je opeens vanaf de overkant van de straat: ‘Heb je over Maureen haar zoon gehoord?’ ‘Ja, hij is gescheiden.’ ‘Ja, alweer.’ Dan denk ik altijd, dat is een persoonlijk gesprek, waarom schreeuw je dat over de hele straat heen?”

CC: “Precies. Maar als je er over nadenkt, het gros van de mensen communiceert nu alleen maar via hun telefoon. Het idee van mensen die met elkaar communiceren door van de overkant van de straat naar elkaar te schreeuwen terwijl ze aan het werk zijn, heeft toch ook wel iets.”

CD: “Ja, het is fantastisch.”

CC: “Voor onze generatie voelt het bijna buitenaards, maar het is erg cool.”


De band werd gevormd op school, waar de bandleden allen muziek studeerden en bij elkaar kwamen vanwege een gedeelde interesse in poëzie. Hoe heeft dat uiteindelijk tot een band geleid?
CD: “We begonnen samen poëzie te schrijven als een reactie op wat wij zagen als een intellectueel gat in de manier waarop er les gegeven werd over muziek. Dat klinkt nu heel negatief en cynisch, maar we leerden helemaal niets over poëzie terwijl we dat wel belangrijk vonden, dus wisselden we boeken uit en praatten we met mensen die in ons jaar zaten die er ook in geïnteresseerd waren. We spraken af in bars, schreven poëzie en bespraken dan die gedichten. Als groepje brachten we twee poëziebundels uit en eigenlijk is dat zo ongeveer de formatie van de band. De band is wat daar nog van over is.”

CC: “Ik weet nog dat Deego me op een dag een sms’je stuurde. We hadden het er al wel eens over gehad om een punkversie van The Beatles te beginnen. We wilden vrij geraffineerde nummers schrijven en die dan uitvoeren met de energie van The Stooges. Hij vroeg of ik die band wilde beginnen. Ik zei meteen ja, want op dat punt waren er in Dublin eigenlijk geen bands. Iedereen was bezig met singer-songwriter-achtige soloprojecten met nummers van acht minuten.”

CD: “Oh God, ja. Men probeerde het antwoord op de vraag: ‘Hoeveel galm zou er op dit nummer passen?’ keer op keer te overtreffen.”

CC: “Maar daar was geen van ons in geïnteresseerd. We keken naar oude foto’s van bijvoorbeeld The Rolling Stones en wisten dan, dit is wat we willen. In een bar waar we vaak dronken, hing een foto van de Stones in bontjassen, volgens mij tijdens een show in Hyde Park. Ik weet nog dat ik dat zag en dacht: ik wil in een band zitten.”

Maakte die situatie het lastig om door te breken in Dublin of maakte de opkomst van Girl Band dat toch makkelijker? 
CD: “Voor lange tijd was Girl Band toch wel een uitschieter. Mensen zagen dat zij getekend werden bij een label als een freak accident. De gevolgen daarvan merkte je eigenlijk pas later. Toen wij begonnen vond men ons ook freaks, omdat we drie akkoorden speelden en in een Dublins accent zongen. We werden opgemerkt in het Verenigd Koninkrijk voordat men ons een beetje begon op te merken in Ierland. Eigenlijk begint het daar nu pas dat mensen naar ons om kijken en denken ‘hé, deze gasten zijn best oké’, wat ergens wel triest is.”

Dus jullie kregen makkelijker een voet aan de grond in het Verenigd Koninkrijk dan in Ierland?
CC: “Zo is Ierland nou eenmaal. Je gaat er weg en niemand kraait naar je, maar zodra je dan succesvol terugkomt vindt iedereen je geweldig.”

CD: “Zodra je in het Verenigd Koninkrijk hebt gespeeld, heb je jezelf in feite bewezen.”

Hebben jullie enig idee hoe dat komt? 
CC: “De Ierse muziekscene is erg klein, dus tenzij je een voet aan de grond kan krijgen in het Verenigd Koninkrijk, wat natuurlijk een veel grotere markt is, stel je niet zo veel voor. Halverwege de nillies – met de hele indie boom – kon bijna iedere band die ook maar een beetje wat waard was bij een label komen, want labels waren toen dol op indiebands. Als je nu geen indruk in Engeland kunt maken op een zaal vol mensen, zal het wel niet zo goed zijn. Ieren zijn geïnteresseerder in de Britse charts dan in de Ierse, daar komt het volgens mij op neer.”


Poëzie is duidelijk een grote inspiratiebron voor jullie, maar het viel mij op dat jullie bandnaam juist ontleend is aan een film. Fontaines komt van het personage Johnny Fontaine uit The Godfather. Vormen films verder nog ene inspiratiebron voor jullie of bleef het daar bij?
CC: “Ik kan mij niet echt directe voorbeelden voor de geest halen nu. Wij kwamen uit bij Fontaines omdat het gewoon klinkt als een bandnaam. Dat heeft weer te maken met dat we gewoon een band wilden zijn, dus wilden we ook gewoon een bandnaam.”

CD: “Ja, in die tijd noemden mensen hun bands naar vage dingen als Atlas Cloud of Shining Sceptre of iets dergelijks.”

CC: “Ja, of twee v’s in plaats van een w.” 

CD: “Of dat ja, vreselijk.”

CC: “Fontaines klinkt gewoon… normaal.” 

CD: “Jep, dat is nou echt een naam voor een band. Het klinkt als een band.”

CC: “Sommige bands proberen zich echt te verkopen met hun naam. Dan gaan ze ingewikkeld doen.” 

CD: “Juist, maar de naam wordt juist goed door de muziek, niet andersom. Arctic Monkeys is een vrij nietszeggende bandnaam, maar door de muziek betekent het nu iets, krijg je er een bepaald gevoel mee. Een gevoel dat niks te maken heeft met het beeld van een aap middenin de poolcirkel. Ik denk nooit aan een aap middenin de poolcirkel als ik aan Favorite Worst Nightmare denk.”

Om even terug te komen op Dublin, wonen jullie er graag? In sommige van de nummers bespeur ik toch meer een haat-liefde-verhouding.
CD: “Het is een wisselvallige plek om te leven. Er is een hoop romantiek maar ook een hoop gebrek daaraan. We kunnen de koopvrouwen op Moore Street romantiseren, het liedjes zingen in bars, dat is allemaal echt. Aan de andere kant is er ook een hoop sociaal onrecht en ongelijkheid. Er zijn een hoop daklozen en drugsverslaafden op de straat. Mensen die niet de hulp krijgen die ze wel verdienen, die de regering in feite heeft laten vallen. Er zijn zo veel dingen die je op straat kan zien, waar iedereen van op de hoogte is, maar niemand het gevoel heeft dat hij er ook echt wat aan kan doen. Het is zeker niet alleen maar een zonnige, dromerige plaats. Het is geen mythische plaats, Dublin is hard en echt.”

CC: “Het is een moeilijke plek om te leven en het wordt steeds moeilijker. De huren stijgen, dat soort dingen. Voor een artiest die probeert te doen wat wij doen, zelfs als je redelijk succesvol bent, is dat lastig. Als je in de techsector werkt zit je wel gebakken, anders is het geen makkelijke stad om te leven.”

In Liberty Bell zingt Grian over ‘that violence that you get around here’. Aan wat voor geweld moet ik dan denken? 
CD: “We hebben in januari nog een tour door Europa gedaan, voor ongeveer een maand. We hebben alle landen zo ongeveer wel gehad, dus dat was waarschijnlijk de langste tijd dat we ooit in een periode van Ierland zijn weg geweest. Je beseft je niet hoe blind je bent voor sommige dingen die je dagelijks ziet totdat je na een tijd afwezigheid weer terugkomt. De hoeveelheid mensen die je ziet die je vragen om geld, die geld van je af willen troggelen, die je op straat ziet vechten of die je op de hoeken van de straat ziet bibberen, dat breekt je hart.”

“Als je dan terugkomt, zie je het met frisse ogen. Het aantal daklozen in Dublin is niet normaal, het zijn er haast twee per straat. Stel je voor dat je over die straat daar zou lopen en dat daar ook twee daklozen zouden zitten. En de straat verderop weer. Dat is vreselijk. En ze zijn overal, ze willen allemaal je geld, terwijl ik ze ook niet kan helpen. Over zo’n soort geweld gaat dat nummer. Het is erg oneerlijk.”

Overwegen jullie soms om Dublin, of Ierland in het algemeen, te verlaten? 
CC: “Ik zou niet permanent uit Ierland weg willen. Ik kan mezelf, en ons als band, wel Dublin zien verlaten. Het tweede album maken we nog wel hier, maar het is wel interessant voor ons als artiesten om ooit onze omgeving te veranderen, als we die kans krijgen. Uiteindelijk zijn we ook nog maar een stel jonge gasten in de twintig. Als we de kans krijgen om te vertrekken en ons te laten inspireren door wat nieuws moeten we dat volgens mij gewoon doen.”

CD: “Absoluut, je bent maar één keer jong. Iedere kans die we krijgen om rond de wereld te reizen en nieuwe dingen te proberen, grijp ik met beide handen aan.”

Het album is vernoemd naar ‘dogrel’, een wat uit de gading geraakte traditionele stijl poëzie. Proberen jullie, door het album ernaar te vernoemen, een soort comeback te ensceneren?
CD: “Kijk, veel van de traditionele Ierse nummers die we onder elkaar zingen, die je in bars hoort, vallen daar ook onder, maar dat had ik me nog nooit gerealiseerd. Ik hoorde dat al mijn hele leven, maar ik had nooit door dat dat een eigen kunstvorm was. Dogrel bestaat denk ik nog steeds wel, maar men beseft gewoon niet dat het zo heet. Neem het album Holding Hands With Jamie van Girl Band. De manier waarop op dat album gezongen wordt over hoe het er in de straat aan toe gaat – “a pigeon eating a chicken filet roll” – dat gaat over de straten van Dublin, vanuit het perspectief van iemand die nu in Dublin woont, dus dat is ook dogrel. Wij doen eigenlijk hetzelfde. Het is voor ons belangrijk om te laten zien dat het nog niet dood is. Het is denk ik goed om te erkennen dat de Ierse kunst nog steeds levend en wel is. Helemaal als je in hokjes van Amerikaanse scenes en Britse scenes geplaatst wordt, is het belangrijk om een idee van je eigen culturele identiteit te behouden. Onze Ierse identiteit wordt ons soms snel afgenomen.”

Hopen jullie dat jullie eigen nummers later ook in bars worden gezongen, zoals die Ierse klassiekers? 
CD: “Als ik daar eerlijk antwoord op moet geven: ja. Als mensen onze nummers waarderen en genoeg van ze houden om die in bars te zingen, zou dat natuurlijk geweldig zijn. Dat zou laten zien dat we de juiste snaar raken en dat is wel iets waar we op hopen.”

CC: “We zien het nu al een beetje, op een hele kleine schaal. Onze manager runt een garagebar in Dublin, waar hij Hurricane Laughter wel eens speelt. Ik heb al gezien hoe mensen dan bij het ‘and there is no connection available’ gedeelte doen alsof ze telefoons bij hun oor houden, dus dat is een begin. Het lijkt me natuurlijk wel leuk om het te zien als dat zich voortzet. Of misschien hoor ik er liever over, het is een beetje raar om het ook echt te zien.”

Wat zijn jullie hoop en verwachtingen als het op de toekomst van Dublin of Ierland aankomt en denken jullie dat je daaraan kan bijdragen?
CD: “Ik hoop dat de Ieren wat dapperder worden en meer op durven staan voor de dingen die ze belangrijk vinden en die ze graag willen zien gebeuren binnen de samenleving. Dat daklozen onderdak krijgen, dat verslaafden worden geholpen met hun verslaving, dat er huurbescherming wordt geïntroduceerd, dat soort dingen kunnen gebeuren als je er durft voor te gaan staan. Dat zou ik fijn vinden. Ook mogen ze wat meer waardering en liefde voor hun eigen cultuur hebben. Ze moeten herkennen dat de eigen cultuur valide genoeg is en ze zichzelf niet hoeven laten witwassen om meer Brits of meer Amerikaans te lijken. Daar word je echt geen beter mens van.”


WEBSITE VALKHOF | FACEBOOK-EVENTLOCATIE



Als je dwars door de dromerige lagen van haar muziek heen luistert, hoor je dat Weyes Blood bloedserieuze onderwerpen bezingt. Al op haar vorige album Front Row Seat to Earth besprak Natalie Mering ‘the end of days‘ en ook haar nieuwe plaat, Titanic Rising, draait om ons kolossale klimaatprobleem.

In een eerder interview met The Daily Indie werd de Amerikaanse muzikante omschreven als “een langharige mevrouw met glazige blik”. Als we haar drie jaar later ontmoeten op een druilerige dag in Amsterdam Noord zien we dit toch anders. Langharig? Check. Haar blik? Bezorgd, maar scherp. We spraken Weyes Blood over de ondergang van de Titanic en de wereld.

Enya de matriarch
Weyes Blood is sinds haar laatste solo-album in 2016 behoorlijk actief geweest. Ze speelde mee op de platen van Drugdealer en Father John Misty en ging ook de samenwerking aan met de excentrieke Ariel Pink. In ons gesprek reflecteert ze kort op de overeenkomsten tussen zichzelf en haar collega’s. Met Father John Misty deelt ze haar streng gelovige achtergrond, net als Ariel Pink nam ze in haar slaapkamer experimentele liedjes op met een viersporenrecorder en met Drugdealer is ze gewoon al lang bevriend. “Maar mijn eigen leven is denk ik toch heel anders dan dat van hen, omdat ik een vrouw ben. De manier waarop ik liedjes schrijf en waarover die liedjes gaan, dat is gewoon anders. Qua geluid ben ik helemaal niet bang om matriarchaal te zijn en een beetje als Enya te klinken.”

Naast Enya zoekt Weyes Blood naar inspiratie in de muziek van Kate Bush, Brian Wilson en vrij recentelijk de Beach Boys. “Jarenlang ontliep ik de Beach Boys, ik dacht, ugh, iedereen houdt van de Beach Boys, whatever! Ik was daar iets te hipster voor, maar nu heb ik ze ontdekt.” Met Jonathan Rado (Foxygen, red.) als co-producer van haar nieuwe album, luisterde ze veel naar Robert Fripp en Brian Eno. Door hen een beetje na te doen en hier samen lol in te hebben, creëerden ze een experimenteel geluid voor Titanic Rising.

Titanic Rising: what’s in a name?
Drie singles van het nieuwe album zijn al uitgebracht. Movies is geheimzinnig en elektronisch, Andromeda traagjes meeslepend, Everyday juist weer nostalgisch en catchy. De verbindende kracht? Het diep-doordachte thema van het album. “De albumtitel is dus Titanic Rising. Ik wilde daarmee inspelen op het symbolisme van die iconische gebeurtenis, die mij en vele anderen, onder andere in Hollywood, zo fascineerde. De tragedie is te danken aan de hoogmoed van de mens.”

De makers van de Titanic dachten dat het schip onzinkbaar was, maar niets is onzinkbaar. “Ik vond het wel symbolisch dat de Titanic tegen een ijsberg botste en zonk, maar nu smelten de ijskappen en zinken wij zelf. Op die manier is de Titanic als een feniks die uit zijn as herrijst. Titanic Rising moet iedereen wakker schudden: “Hey! Dit gebeurt al sinds het begin van de industrialisatie.”

Kleine meisjes en klimaatontkenners
Toen de jonge Natalie in de jaren negentig naar Titanic keek, gebeurde er iets bij haar. Ze zag hoe machtige witte mannen keuzes maakten waar vooral de mensen in de derde klasse de gevolgen van merkten. “Toen ik zo jong was, was ik niet eens bang voor klimaatverandering, maar voor men fucking things up.” Ze hoopte dat iedereen deze boodschap in de Oscarwinnende film zag, maar nu gokt ze dat andere meisjes van haar leeftijd de film vooral keken om weg te zwijmelen met Leonardo DiCaprio. “Die film was echt gemaakt voor kleine meisjes.”

Als we het hebben over de president van haar land, een grote oranje klimaatontkenner, schudt ze haar hoofd. “Toen ik Titanic voor het eerst keek, had ik mij deze gekte nooit kunnen voorstellen. De ijskappen smelten en Amerika zakt steeds dieper en dieper in het gat van klimaatontkenning.” Titanic Rising heeft dus een duidelijke boodschap op een cruciaal moment in de geschiedenis. “Het is lastig om mensen uit te leggen dat de mens geen totale heerschappij over de natuur heeft, als we dat nooit gaan inzien, dan is het onze ondergang.”

Posterkind
We hebben al even kunnen kijken in de hersenpan van het jonge meisje dat later Weyes Blood ging heten. Een intelligent jong meisje dat al van sweatshops en kinderarbeid af wist. Op de albumcover van Titanic Rising zwemt Weyes Blood in een overstroomde tienerkamer met tientallen posters aan de muur. Een verwijzing naar die tienertijd. Ze heeft lang over de idolatrie van popsterren en filmsterren nagedacht. “We hebben geen verenigende mythes meer in onze samenleving. Behalve kapitalisme en films. Consumentisme is de religie van onze tijd. Bands en muzikanten zijn de nieuwe heiligen.”

Ze geeft ons een kleine geschiedenisles: het begon met The Beatles en John Lennon die riep dat ze groter dan Jezus waren. Men begon de gapende leegte waar religie ooit diep gegrond zat te vullen met legendarische rocksterren. De tienerkamer werd een tempel waar men begon te bidden tot Madonna en The Jesus and Mary Chain. De vijftien-jarige Natalie was net iets anders dan andere tieners. Haar religieuze tekst was Wise Blood, een boek van Flannery O’Connor. “Dat boek had zo’n impact op mij. De hoofdpersoon zette een kerk op zonder Christus. “The church without Christ! Dat vond ik zo’n sicke gedachte.” Toen ze muziek begon te maken, noemde Natalie zich eerst Weyes Bluhd. “Toen was ik echt gek experimenteel. Ik veranderde het naar Blood toen mijn liedjes helderder werden.”

Terugkomst naar Nederland
Na de release van Titanic Rising op 5 april begint Weyes Blood aan haar Europese tour, op 29 april staat ze in Paradiso. Mering heeft zelf erg veel zin om weer in Nederland te spelen. “Ik kom hier al jaren en ik voel mij hier zeer geliefd.”




Ik heb afgesproken met Chris en Guus, respectievelijk de gitarist en frontman van Foxlane, om de kwalificatiewedstrijd Nederland-Duitsland te gaan kijken. Tijdens die wedstrijd bestook ik ze ondertussen met vragen, want de band heeft een livesessie opgenomen bij zijn twee nieuwe singles!

Een schappelijke studentenkamer in Nijmegen, de biertjes staan klaar, de rommel van het avondeten is nog niet opgeruimd en het grote licht is vervangen door allerlei kleurrijke discolampen. Ik neem plaats op de bedbank, omsingeld door gitaren en versterkers, de voorbeschouwing staat op stil terwijl Fontaines D.C. door de speakers blaast. De voorspellingen zijn binnen, Chris meent dat het 2-0 gaat worden voor Nederland, Guus zit tussen hoop en vrees in: 1-1.

Jongens, volgend jaar is het EK, we hopen natuurlijk allemaal dat Nederland weer mee kan doen, maar waar hopen jullie zelf te zijn in 2020?
Met een brede glimlach zegt Guus: “In Amsterdam, op de tribune”, eigenwijs als hij is, maar ik bedoelde natuurlijk waar Foxlane op dat moment is.
Chris reageert iets zakelijker: “Hopelijk hebben we tegen die tijd Popronde en Eurosonic achter de rug. Dat is misschien wel wat hoog gegrepen, maar zeker niet onmogelijk! We hebben de laatste jaren sowieso al veel dingen mogen doen waar we ooit alleen maar over durfden te dromen, we verrassen onszelf ook de hele tijd, dus waarom zou het niet lukken?”

Guus is duidelijk de optimist, waar Chris het enthousiasme nog een beetje probeert binnen te houden. “We hebben net twee kersverse singles uit en samen met Jelle Weber hebben we, wat mij betreft, heel erg sicke video’s opgenomen. We hebben ons ingeschreven voor Popronde, net als honderden andere acts, dus het is nu even afwachten of we straks mogen knallen!”
Guus voegt toe: “En anders gaan we gewoon door met optreden, nog meer mensen leren kennen en heel veel biertjes achterover tikken!”

Het is wel duidelijk wie van de twee een rijbewijs heeft. Daar valt de 0-1 voor ‘die Mannschaft’, na wat gescheld, gemopper en gezeik op de verdediging kunnen we door.

Er zijn natuurlijk ontelbaar veel rammelende indiebands en er komen er elk jaar weer veel bij. Hoe onderscheiden jullie je van de rest?
Het antwoord is bijna romantisch, de heren kijken elkaar aan en zeggen, net niet in koor: “Norman!” Dat is natuurlijk de bassist van Foxlane. Ze lachen en nadat ze elkaar meerdere keren onderbreken in het begin van een uitgebreider antwoord weet Guus de beurt te bemachtigen: “We hebben wel de energie van garage, maar ik heb het gevoel dat we wel een heleboel andere dingen doen die je niet te vaak ziet bij garagebands, majeur zeventjes bijvoorbeeld.”
Chris houdt zijn statement kort: “Vooral de uitbuiting van de ritmesectie, die er vandaag niet is, maakt ons aanzienlijk anders.” De heren babbelen en discussiëren nog even door over de vraag, maar worden onderbroken door de 0-2 van Duitsland. “Die Serge Gnabry heeft Arsenal echt voor vijf miljoen verkocht!”, bromt Chris, fervent Arsenal-fan.

Na de rust gaan de heren weer zitten voor de tweede helft. Voor Guus hoeft het niet meer, een gespeelde wedstrijd meent hij, maar Chris wilt ‘de boys’ nog lekker zien ballen. De eerste vraag in de tweede helft is mijn mond amper uit of wonderboy Matthijs de Ligt kopt de bal binnen. Het geloof is terug en de boys zijn bijzonder uitzinnig. “Frenkie de Jong en De Ligt samen bij Barcelona, dat zou wat zijn”, zegt een dolblije Chris.

“Laten we het even over de teksten gaan hebben.”, terwijl ik het zeg wendt Chris zijn blik al naar Guus, de frontman. Waar gaan de twee nieuwe singles over?
“Uhm, oke, komt ‘ie! Reinc. gaat over de angst voor de dood en dat terwijl ik nog heel jong ben”, zegt Guus met een vers biertje achter de kiezen. “Ik hoop eigenlijk wel dat er iets bestaat als reïncarnatie. Niet dat ik gelovig ben, maar dat lijkt me nou wel heel erg mooi. Er zit natuurlijk ook nog een cultuurhistorisch aspect aan, aangezien ik me…”, Guus wordt onderbroken door de 2-2 van Nederland. Depay scoort, “Klasbak dat ‘ie is”, schreeuwt Guus.

Als de blijdschap wat is gezakt gaat Guus verder: “Ik pak het wel gewoon op bij Halley’s Comet, de rest was toch alleen interessant vanuit mijn studie!”, hij neemt een slok bier en dan kan Guus er weer tegenaan. “Halley’s Comet is een verwijzing naar een komeet genaamd Halley die in 2061 weer langs onze aardkloot zal vliegen, maar eigenlijk gaat het erover ik bang ben voor een saai leven, routinematigheid, een eentonig bestaan en dat er in 2061 dan maar allemaal legendarische dingen mogen gebeuren!”

En de covers, die heb jij gemaakt, toch Chris? Vertel, wat zien we nou precies?
“Ja, dat klopt. De cover is eigenlijk een vrij simpel oventje wat in de studio stond waar we onze livesessie hebben opgenomen. We vonden het wel iets hebben, iets retro-moderns. Dat vind ik wel passen bij de muziek, het oude met het nieuwe. We hebben daarnaast een soort.. hoe zal ik het noemen, een eerie sfeer proberen te pakken.”

Eerie, als in.. spannend? Eng?
“Iets spannends, ja, iets griezeligs, het onbekende, op zoiets doelde ik wel ja!” 

Hebben jullie dat in de videoclip ook proberen aan te houden?
Guus knikt meteen, maar Chris gaat verder: “Zeker, dat ligt ook wel in het verlengde van de nummers, qua sound, maar ook als het gaat om de teksten. Allebei de nummers gaan over een vorm van angst.” Op het moment dat Guus wilt invallen scoort Duitsland de 2-3, vlak voor het einde van de wedstrijd. Verbitterd begint Guus maar weer aan wat hij wilde zeggen: “De angst van het onbekende, wilde ik daaraan toevoegen. De dood, of juist een vorm van leven die ik niet wil.”

“En als jullie zo doorgaan ook niet zullen krijgen!” De heren lachen: “Dat is waarom we het doen, hè”, voegt Guus er aan toe terwijl de jassen aan worden getrokken om wat frisse lucht te happen.

“Als je geen alcoholist bent, ben je een ochtendmens”, grinnikt Stephen Malkmus. Het mag dan vroeg zijn als zijn telefoon gaat in Portland, maar Malkmus zit duidelijk op zijn praatstoel. Volgens Pitchfork schreef hij de beste liedjes van de jaren negentig, maar hij geniet tegenwoordig van een meer bescheiden leven als vader en freelancer. Voor het werk van zijn vrouw verhuisde hij even naar Berlijn, waar Malkmus zijn achtste soloplaat Groove Denied in elkaar sleutelde.

De plaat verschijnt snel na Sparkle Hard en is – werkelijk waar – vol knarsende electronica de meest afwijkende uit zijn carrière. “It’s funny to mess with things I’m not supposed to”, is het nieuwe, ietwat ironische levensmotto van Malkmus. Dat geldt ook voor dit interview, waar Malkmus spreekt over de meest uiteenlopende onderwerpen. Van dad jokes via Billie Eilish tot aan klimaatopwarming.

Eerst een kleine familiegeschiedenis. Mijn vader kocht in de jaren negentig een kaartje voor een concert van – houd je vast – Yo La Tengo, Sonic Youth én Pavement in Eindhoven. Zo’n sprookjesachtige programmering leek te mooi om waar te zijn. En helaas was het dat ook voor hem. Griep zorgde ervoor dat deze loyale concertbezoeker het concert miste. Zijn enige ooit. Een collega die zijn kaartje kreeg bedankte hem met een goedbedoelde concertposter, die hem nog jaren aan dit voorval herinnerde. Zo’n twintig jaar later kwam Stephen Malkmus terug met een reünietour van Pavement en ik mocht mee. Het werd zijn herkansing en mijn eerste concert (boven de rivieren).

“Ik ben benieuwd hoe de toekomst van Billie Eilish eruitziet”

“Wat een awesome verhaal! Very cool.” Zo reageert Malkmus op mijn familieverhaal. Hij geniet hoorbaar van zijn verleden. Als hij over Pavement vertelt, mogelijk de meest invloedrijke indie-band van de jaren negentig, klinkt hij vol liefde. Hij verwijst er tijdens het gesprek quasi-nonchalant naar. Meestal met “mijn vroegere bandje, Pavement”. “Mijn dochter van veertien en ik delen sommige muziek. Ze vindt het niet erg om naar gitaren te luisteren, maar haar generatie is meer into Frank Ocean. Geef haar ongelijk: Blonde is great, ik krijg maar geen genoeg van de rap in Nikes. We zijn ook samen naar shows gegaan. Ik nam haar mee naar Courtney Barnett en Animal Collective en als concessie gingen we samen naar Billie Eilish, die is super massive bij dertien en veertien-jarigen. Op die leeftijd kan je smaak snel veranderen. Ik ben benieuwd wat er in de toekomst gebeurt met Billie Eilish. Het doet me denken aan Taylor Swift. Dat is totally over nu…”

Onlangs liet Malkmus zijn loyale fanbase schrikken met een krakkemikkige video bij Viktor Borgia. Het is een zwaar ironische video, met een pathetisch dansende Malkmus op een beat die vooral aan Kraftwerk en David Bowie doet denken. Wat zijn dochters daarvan vonden? “Haha, ze zijn niet vooringenomen over de clip. Het kan ze niet schelen wat ik doe. Ze zeggen wel: ‘Hey dad, you sound weird on this one!’. En dat is geweldig, ik vind het tof dat ik vrij kan zijn wanneer ik muziek opneem. In Nederland nam ik ooit een album op met Canshaker Pi. Ken je dat bandje? Het waren jongetjes destijds, 18 en 19, maar wel de coolste jongetjes van hun middelbare school. Ze luisterden naar Death Grips, Kanye West en introduceerden mij tot Ought. Ik werd geïnspireerd door de grote variatie in hun luistergedrag, vaak nog hipper dan wat mijn dochters luisterden.”

“Tegenwoordig is muziek alsof je Italiaans en Indiaans eten in één gerecht combineert”

Toen hij zelf op de middelbare school zat, zag Malkmus zichzelf ook als een van die jongetjes met een larger-than-life muzieksmaak. “Ik deed wel mijn best, ja”, lacht hij. “We probeerden cool te zijn met een intelligente, kosmopolitische kijk op muziek. Tachtig jaar geleden luisterden mensen alleen naar klassieke muziek en dat deed je dan vooral als je rijk en slim was. Dat is helemaal anders nu. Een rijk en slim figuur luistert nu naar Drake en Bach’s zoveelste symfonie door elkaar. Ik hield van punk, hardrock en artsy dingen, maar ik werd ook verliefd op mainstream-acts als Van Halen. Daar zat destijds zo’n grote marketingmachine achter dat ik er wel enthousiast van moest raken. Als luisteraar verlies je tegenwoordig soms focus omdat je kunt verdwalen in alle ‘lekkere’ genres. Alsof je Italiaans en Indiaas eten in één gerecht combineert. Het kan goed zijn, maar het kan ook shitty smaken: een gevaarlijke gok. De enige hoop voor rock-’n-roll – and I still love rock-’n-roll – is dat het afgewisseld wordt met R&B en hiphop. Anders gaat het een langzame, pijnlijke dood sterven.”

In Malkmus herken je een sterke observant die goed nadenkt over wat hij ziet. Antwoord geeft hij vanuit het perspectief van de man die veel gezien heeft, maar wel geniet van het leven, en van het vaderschap. Maakt hij ook, de op internet populaire, dad jokes? “Fuck. Haha. Ik leef 24/7 als dad… Dad jokes zijn een fascinerend verschijnsel. Vaak hangt er een soort nare smaak aan, omdat dad jokes een oubollige ondertoon hebben, maar ik vind het niet erg om een dad te zijn. Het toont de frustratie van een jongere generatie, aangezien de wereld van nu het resultaat is van hun vaders. Making fun of them is good. Je kan het ook vanuit het dad-perspectief bekijken. I’m you’re dad, but you’re my little punk! Hahaha, wij maken wel grappen, maar wij weten ook wat er gaande is in de wereld.”

Terug naar muziek. In het persbericht schrijft Malkmus: “it’s funny to mess with things I’m not supposed to”, maar wie bepaalt dat Malkmus niet met elektronische muziek zou mogen stoeien? “Nou ja… Ik ben bekend van lofi-gitaren en emo-melodieën. Neem LCD Soundsystem. James Murphy maakte zijn naam met hippe dance-punk. Ik ben echt een fan van James Murphy, maar stel je voor dat hij een akoestische countryplaat zou maken, dan zou ik daar geen verwachtingen bij hebben. Ik heb geen behoefte aan James Murphy die Tim McGraw of Hank Williams probeert te zijn. Toch zou een Murphy kunnen overtuigen met disco-country.

“Het internet is drukbevolkt. Everyone is on top of each other”

Malkmus blijft zichzelf verrassen. Als hij op tournee is, speelt hij geen enkele avond dezelfde liedjes. Elke avond heeft een unieke setlist. “De eer daarvoor moet naar bassist Joanna Bolme. Zij publiceert elke setlist online. Zonder haar zou het niet zo afwisselend zijn. Er zijn wel nummers die niet zo goed zijn, maar ik wil dat eigenlijk niet toegeven. Misschien is het iemand anders zijn favoriete liedje, dan voelt het slecht. Ooit deed ik een interview waarbij ik eerlijk vertelde over reünieconcerten, met mijn oude bandje Pavement, die verschrikkelijk waren verlopen. Later kwam ik wat mensen op het vliegveld tegen die naar Noorwegen waren gereisd om ons te zien optreden. Dat grapje kostte ze 250 euro. It sucked that they said that, hahaha.”

Hij onderhoudt een goed contact met de bandleden van Pavement. “They’re around. They’re my friends. Je kent het internet, je kan met iedereen in contact blijven. Forever. Voor mij is het een vooruitgang, maar het internet is wel druk bevolkt. Everyone is on top of each other. In Nederland kun je de straat niet over zonder iemand die je kent tegen te komen, dat gevoel geeft het internet ook. Je vader zal het hier wel mee eens zijn: als je ouder wordt, verdwijnen sommige vrienden uit je leven. Je ziet ze niet meer. Ze worden anti-sociale, vijftig-plussers. Met het internet kun je iedereen weer opsporen. Je blijft in contact met mensen die extreem introvert of gedeprimeerd zijn.”

“Muziek is en blijft een door mannen gedomineerde, patriarchische wereld”

Zelf zit Malkmus vooral op Twitter. “Vanmorgen heb ik twee keer gekeken. Dat is mijn nieuwsbron. Daarnaast check ik vaak mijn email. Ik zit niet op Facebook of Instagram. Ik kijk weleens met mijn dochters mee. Wanneer je op Instagram zit krijg je te maken met weird times. Je krijgt bad vibes wanneer je praat over andere vrienden. It can totally kill you. Ooit maakte ik op Twitter een grapje over een headline die ik tegen kwam. Het was een ongevoelige en domme opmerking. Niet grappig. Whatever, I fucked up a bit. Het kan mij niet schelen als iemand mijn plaat slecht vindt, maar dit was direct op mijzelf gespeeld. Stel je een kid voor van zeventien die weinig zelfvertrouwen heeft en geen muziekcarrière en die krijgt zulke reacties. Social media kan je echt kapot maken.”

De kracht van social media zien we elke dag, ook bij publieke figuren als Ryan Adams en R. Kelly, die nu van hun voetstuk vallen door wangedrag. Hoe keek Malkmus tegen de verhalen rondom bijvoorbeeld Ryan Adams? “It sounds like a bad trip. Hij is slecht in relaties. In het dagelijks leven ontlopen we dit soort types. Los daarvan is een relatie van een volwassene met een minderjarig meisje altijd slecht. Het internet moet zich meer op het grotere vraagstuk richten: de rol van vrouwen in de muziekindustrie. Het is en blijft een door mannen gedomineerde, patriarchische wereld. Om gezien te worden zijn vrouwen daarom aangewezen op figuren als Ryan Adams. Hij trekt, denk ik, vrouwen aan omdat vrouwen ook muziek willen maken.” Zuchtend: “Het is zo moeilijk om gehoord te worden als je een vrouw bent.”


“Als muzikant doe ik aan vingerverven”

Nee, de (muziek)wereld is niet leuk en ook niet eerlijk. Toch haalt Malkmus, die een bovengemiddeld lange carrière in de muziek onderhoudt, er ook veel plezier uit. “Making music is a form of delayed adulthood. Veel dingen die we associeren met kind zijn komen terug in muziek maken. Muziek is speels, je maakt iets zonder doel. You’re playing around a little bit. Ik doe gewoon aan vingerverven. Maar in een kapitalistische maatschappij moet het al snel verkoopbaar zijn. Dus krijgt iets waarde. Je kunt dan wat waarheden vertellen over de wereld en wijs zijn, niet kinds. Maar muzikaal groei ik nooit helemaal op.”

In veel interviews begint Malkmus over kapitalisme. Hoe kijkt hij hier tegen aan? “Het vermoordt de wereld! Kapitalisme is een belangrijke oorzaak voor de milieu-apocalyps die voor de deur staat. Die catastrofe komt er snel aan. De oplossing? Je kunt voor een ander model gaan, een meer socialistische aanpak, wat het einde voor cumulatieve wedstrijden betekent. Je kunt ook vertrouwen op het kapitalisme. Door juist concurrentie te bevorderen kan er een wedstrijd ontstaan om een oplossing voor de milieuproblematiek vinden.”

“De ironie is dat een oplossing gepaard zal gaan met veel rijkdom en status. Ik maak mij zorgen over de milieu-apocalyps. Het is vooral ‘ja’ zeggen tegen de mensheid. Ik wil dat kinderen later rond kunnen lopen, niet alleen de mijne, maar alle kinderen. Voor nu kun je het beste de situatie accepteren, hoe moeilijk dat ook is. Anders word je gek haha.”