Het ‘tweede album-complex’: er is veel over geschreven. En dat is niet voor niets. Wanneer je als band na jaren in de marge een succesvolle debuutplaat uitbrengt, krijg je voor de opvolger te maken allerlei belangen, verwachtingen en de bijbehorende prestatiedruk. Maar wie had verwacht dat ook de laidback feestbeesten van FIDLAR te maken zou krijgen met de classic sophomore slum?

Zac Carper, Brandon Schwartze en broertjes Elvis en Max Kuehn zitten er tamelijk relaxed bij. De Europese tour voor het 4 september verschenen tweede album ‘Too’ duurt maar drie weken. Niks vergeleken met de maandenlange, uitputtende Amerikaanse tour die het viertal dit voorjaar deed. FIDLAR is inmiddels wel wat gewend. Het jaar na de zelfgetitelde debuutplaat uit 2013 speelde, zoop en feestte de band uit LA zich non-stop een weg langs elk Amerikaans en Europees festival. Bij thuiskomst een jaar later begon het viertal meteen aan ‘de lastige tweede’. En dat werkte niet.

Wat ging er mis?
Carper: “We kamen thuis en hadden geen idee wat we moesten doen. We schreven dertig, veertig songs, maar we waren niet tevreden. We probeerden te klinken als FIDLAR, de songs klonken als variaties op de eerste plaat. We schreven niet meer voor onszelf. We waren een soort merk geworden en dat was een vreemde, enge gewaarwording. Maar dat was ook het keerpunt waarop we ons realiseerden dat we tijd nodig hadden om te resetten. Daarop zijn we bijna een jaar lang vooral weg bij elkaar geweest. We hebben toen maar één of twee shows gespeeld. Ik maakte een lange surftrip langs de kust en begon weer te schrijven, omdat ik het wílde, niet omdat het móést. Toen begon het weer te lopen. We moesten duidelijk een stap terug nemen om te realiseren dat het vooral leuk moest blijven.”

Je zei over ‘Too’: ‘For this record we wanted to challenge ourselves to admit we don’t know everything’. Wat bedoelde je daarmee?
“De eerste plaat werd geproduceerd door Brandon en mij. We leefden praktisch in de studio en maakten een plaat omdat het kon. Nu realiseerden we ons dat je in de studio gemakkelijk vast komt te zitten in dezelfde maniertjes van produceren. Dus we dachten: laten we accepteren dat we onszelf moeten dwingen iets anders te doen.”

Is de plaat daarom gemaakt met producer Jay Joyce in Nashville? Dat lijkt nogal een stap.
“Jay is geweldig. Hij doet precies wat een producer moet doen. Hij is heel goed in zorgen dat je niet obsessief bezig bent met een bepaald ritme. Zo van: ‘als je nu eens tada tada tada da da speelt, in plaats van tadadadadadadada’. In de basis zijn het allemaal FIDLAR-songs gebleven, maar we hebben niet dezelfde plaat opnieuw gemaakt.”

Dat zeggen bands altijd, maar wat is er dan precies anders?
“Dat klopt, we zijn dezelfde band, we maken niet ineens hiphop of zo. Het is vooral iets dat we onszelf voorhouden, omdat wij het belangrijk vonden. Maar de plaat is dit keer live opgenomen, dat geeft een andere feel. Dat kon eerst natuurlijk niet omdat Brandon of ik achter de knoppen zaten. Ook waren de songs altijd behoorlijk simpel: coupletje, refreintje, coupletje, refreintje, staccato gezongen en met dikke, dubbele gitaarlagen. ‘Fidlar’ was een hele harde plaat. Nu zit er meer melodie en dynamiek in de songs. We hadden beschikking over andere instrumenten in Jays studio, zoals een mellotron of een orgel. Soms zeiden we: ‘laten we het hier bij één gitaarlijn houden.’”

De tracklist valt ook op. Naast de titels zoals we die van FIDLAR gewend zijn (40oz On Repeat, The Punks Are Finally Taking Acid), zijn er ook titels als Sober, Overdose, Stupid Decisions en Bad Habits. Zijn jullie volwassen geworden?
“Het gaat over de slechte kanten van feesten (lacht)! Maar serieus: ik denk dat we opgroeien, ja. Dat feestimago is saai, want hoe kan je verder ontwikkelen, weet je wel? Het is wel een beetje irritant dat we steeds gezien worden als feestband. Op zich kan ik dat, door songtitels als Cheap Beer en Cocaine, niemand verwijten hoor, maar als mensen beter zouden luisteren, zouden ze horen dat het meestal geen feestsongs zijn, zelfs niet die op de eerste plaat. Het voelde goed om ze snel en hard te spelen, maar de teksten zijn altijd vrij duister geweest.”

Hadden jullie verwacht dat je bij je tweede plaat een grote band zou zijn?
“We zijn nog steeds blut, haha. Voor ons voelt het niet als een enorme sprong, er zijn een paar jaar overheen gegaan. Ik weet niet of we het hadden verwacht. Je ziet de groei en het is geweldig, maar het is niet iets dat je verwacht. Je merkt het aan de kleine dingen. Op festivals spelen we nu later op de avond voor een groter publiek. We hebben nu voor de eerste keer eigen hotelkamers, een tourmanager, iemand voor de merch. Je wil altijd blijven groeien…”

Waar houdt het op? Vorige keer dat The Daily Indie met jullie sprak was jullie droom om met The Hives te touren net uitgekomen…
“Toen wilden we toeren met The Pixies en dat is nu ook gelukt. En nu? The Pixies zijn! Spelen met Jimi Hendrix! Serieus: het is fijn dat we door kunnen gaan en het groeit. Het is nu een carrière en we verdienen eraan. Maar we zijn harde werkers en willen het zo groot mogelijk zien worden. Joey Ramone werd eens in een interview gevraagd naar zijn ultieme doel en hij zei: ‘ik wil de grootste band ter wereld worden’. Dat zei hij over The Ramones! Het is bizar dat zo’n grote band die ambitie heeft. Maar ik denk dat het goed is. Richt je op de sterren en waar je landt, land je. Dat is een verkeerd gebruikte uitspraak van Kanye, inderdaad. Haha!”

 

 

Optimisme, daar draait Unknown Mortal Orchestra’s derde plaat ‘Multi-Love’ om. Dat is weleens anders geweest. Ten tijde van ‘II’ (2013) ging zanger Ruban Nielson door een diep dal van drugsproblemen en eenzaamheid. Nu, twee jaar later, wil hij een goede vader zijn.

Toen Unknown Mortal Orchestra uit Portland in 2011 zijn eerste plaat uitbracht, hanteerde het één tactiek: tegen alles ‘ja’ zeggen. De strategie werkte, maar misschien iets te goed: de driekoppige band tourde uiteindelijk maar liefst anderhalf jaar de wereld over. Klinkt wellicht als een droom, maar dat gold niet voor Nielson. Zijn gezin was thuis in Portland, terwijl de reizende frontman zich steeds eenzamer voelde en almaar dieper wegzonk in drugsmisbruik. Op zijn dertigste verjaardag nam hij zelfs zoveel middelen dat hij wakker werd in het ziekenhuis.

De tweede plaat ‘II’ uit 2013 stond vol met verwijzingen naar die eenzaamheid, met als meest veelzeggende tekstfragment de zin ‘isolation can put a gun in your hand’ op From The Sun. Het donkere album betekende de doorbraak van Unknown Mortal Orchestra.

Op een koude dag in februari is Nielson in Amsterdam om te praten over zijn nieuwe plaat ‘Multi-Love’. The Daily Indie treft hem in hotel De Hallen. Hij oogt ietwat onzeker, en verstopt zijn haar onder een bolvormig petje. Toch gaat het nu echt stukken beter met de frontman. Zijn excessieve drugsgebruik is voorbij, en hij wil nu vooral een goede vader zijn. Tijdens het vorige album, zo vertelt Nielson, was hij alleen maar met zichzelf bezig.

Dat is nu wel anders: “Ik heb twee kinderen en ik hou van ze”, zegt hij. “Ze zijn cool. Ik begon te denken: ik wil ook dat ze mij gaan zien als hun coole vader, in plaats van die arsehole uit die band. Mijn zoon Mobius is vijf, mijn dochter Iris vier. Terwijl ik in deze band zat, groeiden zij op. Er zijn tijden geweest waarop ik echt heel veel drugs gebruikte. Ik heb de rekeningen altijd betaald hoor, maar ik ben gewoon niet echt een goede vader geweest. Dat moest ik omkeren.” Hij denkt even na en zegt: “Hoe kun je goed met anderen omgaan als je te fucked up bent om met jezelf om te gaan? Dat was mijn probleem, ja.”

 

Je optimisme valt terug te horen op ‘Multi-Love’. Dit album klinkt een stuk opgewekter dan ‘II’.
“Dat klopt. Ik heb voor deze plaat veel nagedacht over Utopia. Je weet wel: de ideale wereld. Vroeger maakten mensen films over hoe geweldig de toekomst zou zijn. Ik heb de laatste tijd veel toekomstfilms van nu bekeken. Wat me opviel was dat men de toekomst langzaamaan is gaan zien als een dystopie. Het zijn allemaal post-apocalyptische zombiefilms. De toekomst wordt steeds neergezet als een slecht, donker iets. Maar ik vind: als we niet positief naar de toekomst kunnen kijken, hoe kunnen we er dan wat van gaan maken met zijn allen?”

Nielson vertelt dat hij geobsedeerd is door de jaren zestig: de burgerrechtenbeweging, het feminisme en ‘alle progressieve ideeën’. Toch, een hippie mogen we de John Lennon-brilletjesdragende frontman niet noemen. Hij komt uit de punkscene en beschrijft zichzelf eerder als antihippie. Flowerpower vindt hij ‘bullshit’. “Maar zoals de maatschappij nu draait, is ook verkeerd. Met neoliberalisme heb ik niets. In de jaren zestig waren er goede ideeën, maar die mislukten. We hebben veertig jaar met die mislukkingen moeten omgaan. En het gevolg daarvan is bijvoorbeeld de sterke klimaatverandering. We zouden de oude denkbeelden nu moeten opstoffen en toe gaan leven naar Utopia.”

Aan de onderkant van zijn hals heeft Nielson een oog getatoeëerd, waardoor hij je continu met drie ogen aankijkt. Wat is het verhaal hierachter?
“Dit is een derde oog, dat staat voor communicatie. Ik wil met andere mensen in verbinding staan. Kijk, ik heb ook ringen met dat oog.” Hij wijst ernaar en vervolgt: “Mijn bassist zag in Zuid-Korea iemand met deze tatoeage en zei: ‘dude, kijk, dat lijkt op jouw ringen!’ Ik vond het er creepy maar cool uitzien, dus ik besloot een zelfde tatoeage te nemen.”

De tattoo staat dus voor communicatie. Hoe goed ben jij in communiceren?
“Ik heb er wat problemen mee soms, maar daar is mijn muziek voor. Ik communiceer door mijn muziek. Zo kan ik dingen gemakkelijker uitleggen.”

Je bent een fan van de Nederlandse schilder Vincent Van Gogh. Hoe hebben zijn schilderijen je muziek beïnvloed?
“Van Gogh schilderde niet wat anderen van hem verwachtten, maar hij maakte zijn kunst precies op de manier waarop hij dat wilde. In zijn tijd werd hij niet begrepen, maar toch groeide hij uit tot een grootheid in de kunst. Kortom: maak kunst op de manier waarop het goed voelt en hoop dat anderen het ook kunnen waarderen.”

“Ik heb natuurlijk meer veel meer mazzel gehad dan Van Gogh. Ik heb een label en ik kan ongestoord doen wat ik wil. Toch dacht ik in het begin dat iedereen mijn muziek zou gaan haten. Ik maakte psychedelische muziek met veel gitaarsolo’s. Alle bands om me heen in Portland speelden elektronische muziek, dus niemand gaf een fuck om gitaarsolo’s. Nog steeds zijn ze niet in de mode, maar for some reason I’m allowed to.”

Je eerste platen klonken erg lo-fi. Die sound heb je losgelaten op ‘Multi-Love’. Hoezo?
“II’ voelde als een sequel van mijn eerste plaat. Ik stond mezelf toen toe nog eens hetzelfde te doen als bij mijn eerste plaat, maar op ‘Multi-Love’ wilde ik het anders aanpakken. Ik wilde kritisch naar mezelf kijken. Zou het interessant zijn om opnieuw een lo-fiplaat te maken? Ik dacht het niet, het was tijd voor iets nieuws. De liedjes op ‘Multi-Love’ zijn songtechnisch vergelijkbaar, maar de sound is breder.”

Je experimenteert op ‘Multi-Love’ met R&B. Hoe is dat zo gelopen?
“Dat heeft met Frank Ocean te maken (lacht). Op een dag belde Def Jam (label – red.) me. Ze zeiden: ‘Frank Ocean doet een opnamesessie in Florida. Kun je morgenochtend met het vliegtuig daarheen komen om wat gitaarpartijen in te spelen?’ Ik had zoiets van: ‘sure’. De volgende dag bevond ik me een luxe studio in Florida die ook gebruikt wordt door mensen als Pharrell Williams. Ik ben DIY-studio’s gewend, dus dat was een behoorlijke ervaring.”

“Ik weet niet eens of iets wat ik heb gespeeld uiteindelijk op het album terecht komt. Toch heeft het me wel geïnspireerd. Ik bedacht me dat R&B niet een miljoen mijl verwijderd is van wat ik doe en besloot het genre te gebruiken. Dat pakt soms gek uit. De titeltrack vind ik op een of andere manier bijvoorbeeld erg op Destiny’s Child lijken.”

Van kille lo-fi naar warme R&B: het lijkt echt beter met je te gaan.
“Inderdaad. Weet je, ik ben altijd goed geweest in muziek maken, maar niet in een goed mens zijn. Ik wilde creatief zijn en avontuurlijk leven, maar ik wilde mezelf niet kapot maken. Dat probeer ik nu beter in balans te houden.”

Ondergetekende is een uur te vroeg in Amsterdam-Noord beland, waar vertoeven aan het water een goed plan blijkt te zijn om op deze zonnige dag de tijd te doden. Op de agenda staat een persdag bij Excelsior rond Jacco Gardners nieuwe album ‘Hypnophobia’. Later, zittend aan een picknicktafel in de tuin van het label, praat The Daily Indie met deze oude bekende over zijn nieuwe plaat. En synthesizers.

Op ‘Hypnophobia’ experimenteert Jacco Gardner met library music: muziek die in films voorkomt en veelal instrumentaal is. Denk bijvoorbeeld aan het werk van de Italiaanse componist Ennio Morricone en de soundtrack van de film Suspiria, gemaakt door Goblin. Deze sound is prominent aanwezig op ‘Hypnophobia’. Hoe is dit tot stand gekomen? “Op de eerste plaat was ik al bezig met library music zonder dat ik eigenlijk wist wat de term inhield”, vertelt Gardner. “Maar uiteindelijk kwam ik erachter: ‘O ja, dat is een ding’. Toen ben ik er helemaal ingedoken en begon ik meer naar films te kijken uit de jaren zeventig en tachtig. Met name Disneyfilms uit de jaren tachtig hebben mij geïnspireerd om dit album te maken. Vanwege de combinatie tussen iets dat duister en kinderlijk is. Bijvoorbeeld de film Return of Oz is superdisturbing en totaal niet geschikt is voor kinderen.”

Hoorn
Gardners fascinatie voor fantasy- en horrorelementen in kinderfilms op ‘Hypnophobia’ maakt benieuwd naar zijn eigen kindertijd in Hoorn. “Ja, een moeilijke periode was dat, niet echt per sé leuk. Ik was altijd al een loner, al ik trok wel vaak op met Hugo (van de Poel, van Earth Mk. II – red.) ondanks dat hij in een ander jaar zat. Resultaat was dat ik verplicht werd om ook met andere mensen om te gaan. Je kunt nu eenmaal niet vier jaar lang in je eentje op school rondhangen, je moet sowieso vaak samenwerken. Dus ook met mensen met wie ik vrijwel niets gemeen had.” Gardner had het kortom niet makkelijk in Hoorn, iets dat vandaag de dag weerspiegelt in zijn eigenzinnige muziek, die ook lang niet door iedereen begrepen wordt. Sowieso heeft de muzikant Engels bloed, maar is er eigenlijk nog wel iets typisch Nederlands aan Jacco Gardner? “Goede vraag…”, bekent hij. “Dit is echt een lastige, omdat ik me tijdens het maken van mijn muziek juist niet per se op Nederland richt. Ik vind het moeilijk om het zelf te zeggen, waarschijnlijk kan iemand anders het heel duidelijk aanwijzen. Misschien de structuur van hoe ik mijn muziek maak. Het heeft ook wel iets Duits, dat hele rigide ding, dat komt ook wel terug in de Nederlandse cultuur.”

Analoog vs Digitaal
Het mag bekend zijn dat het verzamelen en gebruiken van allerlei instrumenten een belangrijk aspect is van Gardners muziek. Zo kreeg hij op zijn debuut ‘Cabinet Of Curiosities’ hulp van muziekkunstenaar Jean Audier. Op ‘Hypnophobia’ gebruikte Gardner verscheidene analoge en digitale instrumenten, bijvoorbeeld de Korg MS-20, een analoge synthesizer uit de jaren zeventig, die typerend is voor zijn geluid. Gardner vertelt vol passie dat hij fan is van zowel analoog als digitaal: “Door de combinatie kom je geluiden tegen die je vroeger nog nooit eerder hoorde, omdat ze in die tijd niet konden. Dat maakt het zo fascinerend, omdat je die hele synthesizerwereld opnieuw kan verkennen. Ik koop mijn instrumenten voornamelijk op Marktplaats en soms ook via eBay. Ik zit niet tot diep in de nacht op instrumenten te bieden, hoor. Ik gebruik een auction sniper (een tool die de advertentie in de gaten houdt en automatisch voor je biedt – red.).” Iedereen koopt wel eens iets op internet waar je later spijt van hebt.

Zo ook Gardner: “Ja, mijn Yamaha NP-30, een grote elektronische piano uit de jaren zeventig met gewogen toetsen. Ik had daar iets meer van verwacht, omdat er tof elektronisch harpsichords-geluid uitkwam, maar ik heb dat ding nog nooit gebruikt. Dus als iemand dit leest en denkt: dat wil ik nog graag hebben…”

 

 

Luis Vasquez glimlacht de hele dag door, maar hij is geen blij man. The Soft Moons derde album ‘Deeper’ is het document van een gekwelde ziel en met gemak het meest duistere album van het jaar tot nu toe. De thema’s: dood, depressie en zelfmoord. En dat mag iedereen dit keer horen.

Vasquez zit er relaxed bij wanneer The Daily Indie hem ontmoet, maar schijn bedriegt. Het achterste van zijn tong laat de zanger nooit zien en wat hij echt voelt, blijft voor iedereen een raadsel. Zeker is dat ‘Deeper’ Vasquez niet gemakkelijk afging. Hij zat een jaar lang in een zelfgekozen isolement om het album te schrijven.

“Ik wilde weg van mijn familie en vrienden, weg uit de comfortzones”, zegt hij. “Ik haat het proces van het schrijven van een liedje, ik stort emotioneel in. Ging mijn debuut over mijn verleden en ‘Zeros’ over mijn frustraties over het leven, deze plaat is meer een innerlijke reis. Op tour zijn heeft natuurlijk zijn invloed gehad op het schrijfproces. Als je op het podium staat, leer je steeds beter hoe je jouw verhaal kan overbrengen. Ik ben nog steeds op zoek naar complete catharsis, het volledig leegmaken van jezelf. Het geeft ook een soort zelfvertrouwen: op het podium voel ik een zelfverzekerdheid die ik nergens anders voel.”

Woorden
In tegenstelling tot op zijn voorgaande albums, gebruikt Vasquez op het nieuwe album zijn stem meer om woorden over te brengen, in plaats van als instrument. “Bij vorige albums kon ik de woorden niet vinden”, vertelt hij. “Nu ben ik mijn angst en depressie zo onder ogen gekomen dat ik er woorden aan kon geven. Na het schrijven van deze songs voelde ik me lichter, ik ben nu optimistischer. Ik glimlach veel, dat is mijn manier om het leven dragelijk te maken. Ik heb een soort sadistische haat-liefdeverhouding met mijn gevoelens en dit is de manier waarop dat eruit komt. Het is naast tekstueel duidelijker óók melodieuzer geworden. Toen ik als jongen in allemaal bands speelde, zong ik altijd melodieën. Dat ben ik bij The Soft Moon een lange tijd kwijt geweest. Nu heb ik dat element weer proberen terug te vinden.” ‘Deeper’ klinkt daarnaast een stuk minder trippy. Het trekt de luisteraar minder Vasquez’ wereld in. Bewust, volgens de zanger: “Dat gebeurt bij dit album inderdaad niet. Ik wil de luisteraar zonder antwoorden achterlaten. Geen oplossingen, maar een pure open vraag over de essentie van het bestaan. Niemand weet waarom we hier zijn, niemand weet wat het doel is. Ik wil die vragen recht in de ogen kijken. En daarbij komen gedachten van zelfmoord ook op. Het opnemen van een album is een heel gecontroleerd proces, je kunt alles overdoen en tot in de oneindigheid dingen aanpassen. Je kunt dus ook de tijd nemen om jezelf helemaal in de spiegel te bekijken en alle vragen die je hebt over leven en dood tot in de oneindigheid te overwegen. Er zijn alleen geen antwoorden. Ik ben er in geslaagd meer woorden te geven aan de grote onduidelijkheid in mezelf.”

Zuiverende werking
The Soft Moons eerste twee platen waren opgenomen en geproduceerd door Vasquez zelf. Deze keer ging hij echter een collaboratie aan met een producer Maurizio Baggio, op tournee ook geluidsman van The Soft Moon. “Als je op tour bent, leer je alle kanten van elkaar kennen”, verklaart hij. “De goede, maar ook zeker de nare kanten. Natuurlijk moest ik wennen aan de samenwerking, maar het kwam voort uit wat we live deden en dat hebben we omgezet naar geluid. Maurizio snapt wat ik wil doen. Maar het was ook wel vreemd om het resultaat aan mijn band te laten horen. Mijn drummer zei: ‘ik vind het echt te gek, maar ik heb het met je te doen dat je dit het komende jaar dag in dag uit wilt gaan spelen, iedere keer op het podium die confrontatie met jezelf aan te gaan’. Maar zoals ik al zei, ik voel me er nu optimistischer over. Nu het eruit is, gaat er een zuiverende werking vanuit. Misschien is dat voor de luisteraar niet direct te horen, maar nu is het voor mij zaak om dit over te brengen.”

Vasquez nipt relaxed van zijn pilsje en glimlacht inderdaad vrij veel. Als een man die een veelbelovend derde album gaat uitbrengen en daar weer een jaar de hort mee op kan. Maar dat betekent niet dat het hem gemakkelijk afgaat. “The Soft Moon heeft mij gevonden”, zegt hij samenzweerderig. “Ik ben het eigenlijk niet. Ik heb het gevoel dat ik door een andere kracht, iets externs wordt geleid om dit te gaan doen. En om eerlijk te zijn, ik haat het. Ik haat dat ik iedere keer weer helemaal tot op het bot moet gaan. Het liefst deed ik dit niet, was dit niet nodig geweest, maar ik kan niet anders.” Om te besluiten: “Ik heb eigenlijk hierna nog één ding wat ik nog kwijt wil. Vier albums, dat is genoeg, dat is compleet. Ik heb misschien nog één laatste ding te zeggen.” En weer die glimlach. We mogen blij zijn dat wij Luis Vasquez niet zijn. En zo waar: nog blijer dat hij wel zijn muziek maakt. Hij blijft een raadsel.

 

Dat het muzikale gras bij onze zuiderburen groen is, is duidelijk. En dat Balthazar sinds debuutalbum ‘Applause’ geldt als een van de kroonjuwelen van de Belgische muziek, mag een understatement heten. Opvolger ‘Rats’ overtrof het debuut met vlag en wimpel en nu stond het vijftal voor de opdracht deze lijn door te zetten met ‘Thin Walls’. En dat terwijl de tourbus al meer als thuis voelt dan welke plek dan ook.

Tweeënhalf jaar eerder zat The Daily Indie al eens tegenover dezelfde heren (frontmannen Jinte Deprez en Maarten Devoldere) van dezelfde band (Balthazar) op dezelfde locatie (Backstage Hotel te Amsterdam) in eenzelfde situatie (praten over de nieuwe plaat). Maar in deze periode is er veel gebeurd met het vijftal. Drummer Christophe Claeys stapte uit de band. Zijn plek wordt nu ingevuld door Michiel Balcaen. Ook is de band sinds de release van ‘Rats’ in alle opzichten gegroeid, de grootte van de fanbase door heel Europa incluis. “Zien we er tweeënhalf jaar ouder uit?” vraagt de inmiddels bebaarde Deprez. “De eerste grijze haren ontstaan langzaamaan, enfin.” Maar een groot verschil is, op Deprez’ baard en Devolderes’ langere haren na, nog niet prominent aanwezig. Wie weet over tweeënhalf jaar wel.

Europa
Vorige keer spraken de heren de twijfel uit of ‘Rats’ wel een goed album zou zijn om heel Europa mee rond te reizen. Die twijfel bleek compleet ongegrond te zijn. Deprez: “Dat hadden we zelf niet aan zien komen. Nu achteraf is het misschien minder gek als ik toen dacht. We hebben de tours langer zien worden, hebben de zalen zien groeien en voller zien staan dan ooit.” Middenin alle tour-drukte was daar opeens Leipzig, een one-off single en naar verluid de eerste Balthazar die volledig on the road gecreëerd is. “Het had wel iets, om nog voordat er aan een nieuw album begonnen was een nummer uit te brengen. Het was ook fijn dat het een nieuwe song betrof en niet een oude die nog overgebleven is van de vorige sessies. We hebben altijd open gelaten of Leipzig op de nieuwe plaat zou komen of niet. Leipzig paste net niet bij het gevoel en de sfeer die op ‘Thin Walls’ aanwezig zijn. Het was niet logisch om die song op een nieuwe plaat te zetten”, zegt Devoldere.

 

Thin Walls
Een koerswijziging heeft Balthazar nog nooit ingezet en het al jaren toenemende vertrouwen in eigen kunnen, was ook nu de basis van de werkwijze. “We hebben ook niet het gevoel dat het nodig is”, vindt Deprez. “Het schrijf- en opnameproces was dusdanig anders bij ‘Thin Walls’, dat het ook niet nodig was om iets in de kern te veranderen.” Alle nummers zijn op tour geschreven, iets wat niet zo specifiek anders is ten opzichte van eerdere schrijfsessies: “Tijdens een lange tour kun je je verdoofd voelen, alsof je in een lange rush zit. De melancholie die in ‘Rats’ zit, heeft ‘Thin Walls’ hierdoor in mindere mate”, vertelt Devoldere. “‘Thin Walls’ is in mijn ogen emotioneel directer dan eerdere platen”, vertelt Devoldere. Deprez vult aan: “We hebben op zoveel plekken zoveel songs of delen van songs opgenomen dat er, anders dan bij Leipzig, niet één specifieke locatie aan de songs gehangen kan worden. Daar zijn het gewoon te veel nummers en te veel locaties voor. In dat opzicht hadden we het album ook best ‘Europa’ kunnen noemen.” De albumtitel ‘Thin Walls’ komt uit een songtekst van Last Call: “I will tell you all the truth that I heard through the grapevine and the thin walls.” Het gemis van privacy is het gevoel dat dit album tekent, vindt Devoldere. “Dat we het de titel ‘Thin Walls’ hebben gegeven, voelt logisch.”

Nieuwe drummer
Enkele dagen voordat Balthazar de laatste ‘Rats’-show op eigen bodem speelde, maakte toenmalige drummer Christophe Claeys bekend uit de band te stappen. Niet veel later vond de band een nieuwe slagwerker in Michiel Balcaen. De tot dan toe een onbekende in de Belgische scene zou vanaf dat moment achter de Balthazar-drums zitten. “Voor Michiel is alles nieuw, hij heeft voor Balthazar nooit getourd. Hij is bijvoorbeeld erg verbaasd als we na een optreden naar een hotel gaan. Dat werkt verfrissend. Het zorgt bij ons ook voor bewustwording dat het heel goed gaat en dat veel dingen die bij ons inmiddels nu als standaard worden ervaren, niet voor iedereen zo zijn”, legt Devoldere uit. “Ondertussen is hij wel een verwend nest geworden, haha! Hij zat muzikaal al heel erg dicht tegen het Balthazar-gevoel aan. Toen we hem hadden gevonden, hebben we hem op een trainingskamp gestuurd en heeft hij enkele shows gespeeld. Hij was er klaar voor.”

Het vele touren heeft ondanks de nadelen – dunne muren en weinig privacy – toch voor gewenning gezorgd in de dagelijkse levens van Balthazar. “Het is nu zo dat er op tour meer dagelijkse consistentie is dan thuis. Het voelt lang niet altijd zo, maar het zijn in wezen werkdagen. Als ik thuis ben, sta ik dan zo in de keuken met de gedachte: ‘oké, en nu?’ Het zijn dat soort momenten, waarop dat duidelijk naar boven komt.”

Laatst won Happyness nog de NME Award voor Best Lyric: “I’m wearing Win Butler’s hair/There’s a scalpless singer in a Montreal rock band somewhere” en in de nieuwste TDI MAG lees je een interview met de band. Vandaag komt de band met hun nieuwe videoclip bij het nummer A Whole New Shape.

We houden de heren al een tijdje met veel genoegen in de gaten, zeker na hun voortreffelijke album ‘Weird Little Birthday’. Happyness is mometeel druk aan het touren in de Verenigde Staten, maar komt snel naar Europa om hun shows tijdens Eurosonic op te volgen. Op 30 april speelt de band in V11 te Rotterdam en speelt Happyness ook op Down The Rabbit Hole in het weekend van 26 – 28 juni.

 

Voor fans van New Order, Echo & The Bunnymen

Soms hoef je als band geen plaat vol songs te hebben, evenmin als een agenda ramvol shows. Temples rings a bell? En zo is er nu Lusts, oftewel de broers Andy and James Stone uit Leicester, van wie welgeteld één song en één liveshow voldoende waren voor een deal met 1965 Records (ook van The View) en de blogosphere op zijn achterste benen.

De liveshow hebben we niet gezien, maar toegegeven: die song. Die song! Temptation, want zo heet ‘ie, heeft een hook waar we wel een festivalweide op los zien gaan. Ook op de drie andere nummers van de inmiddels uitgebrachte EP tapt Lusts uit het jarentachtigvaatje, met New Order- en The Cult-esque wijd opgezette psychedelische Britrock, vol gitaren verzuipend in reverb en dik aangezette synths. En we waren niet de enigen die onder de indruk zijn, getuige de inmiddels wél ramvolle agenda van de band (inclusief London Calling).

 

De Duitstalige cocktailpsych van Klaus Johann Grobe is er eentje waar we al lange tijd erg van kunnen genieten bij TDI. De Zwitserse band weet met weinig instrumenten een onwijs dansbare, sexy, groovy en verrassend diverse sound op plaat vast te leggen. Hun laatste elpee ‘Im Sinne Der Zeit’ staat ook weer vol met pompende en stoffige DDR-hits die doen denken aan de tijd van wollige bankstellen, bloemetjesgordijnen, hoog tapijt, Opel Kadettjes, bruin grenen kasten en teevees die met een knal aan schieten. 

De bescheiden en uitzonderlijk vriendelijke jongens Sevi Landolt en Daniel Bachmann zijn de geestesvaders van Klaus Johann Grobe en duiken sinds dit jaar met hun aanstekelijke muziek steeds dieper Europa in. Hoe vergaat het de band op hun tours? “Goed, we vermaken onszelf uitstekend!”, vertelt Sevi. “We zitten bij steeds meer goede boekingskantoren in verschillende landen en krijgen de kans om op mooie festivals te spelen zoals Incubate en het Liverpool Psych Fest. Via dat laatste zijn we bijvoorbeeld bij ons huidige label Trouble In Mind (o.a. Mikal Cronin, Jacco Gardner, FUZZ, Night Beats, red.) terechtgekomen vorig jaar. Zo komen we steeds een stapje verder.”

Maar om even een stap terug te doen naar het begin, hoe is dat muzikale pad door de jaren voor de heren gelopen? Sevi: “We hebben vroeger samen in allerlei soorten surf- en garagebandjes gespeeld, maar toen ging Daniel drie jaar naar het buiteland en stopte dat. Na een tijdje wilde ik wel graag weer iets gaan doen, iets in de vorm van een discoachtige band, en stuurde ik wat demo’s op naar Dani.” Daniel vertelt verder: “Op dat moment zat ik in Istanbul. Ik kwam net uit Syrië, waar ik het land moest verlaten omdat het te gevaarlijk werd. Ik zat toen al een tijdje in het Midden-Oosten, in een heel andere leefwereld. Toen hoorde ik het nummer Koordinaten van Sevi… Ik  besloot op dat moment direct terug te gaan naar Zwitserland, haha!”

Zwiterse scene
Terug bij elkaar beginnen de jongens te werken aan nieuwe muziek en brengen al snel materiaal uit. Maar waar begin je in Zwitserland als band? “Tja, er is niet echt een scene of iets anders waar je min of meer bij aan kunt sluiten. Er zijn wel bandjes, maar die gaan verder niet veel met elkaar om. Er zijn ook niet zoveel muziektijdschriften of blogs die over Zwitserse muziek schrijven. Wel komen er steeds meer kleine venues bij, maar die zijn voornamelijk gericht op buitenlandse bands”, vertelt Sevi. “Dus zijn wij op onze beurt maar naar het buitenland gegaan om daar te spelen.”

De band begint regelmatig in Duitsland te spelen en dendert steeds verder door Europa. Hoe zijn de reacties op hun Duitstalige zang in landen waar ze dat niet gewend zijn? “Het maakt mensen niet zoveel uit volgens mij, ze verstaan er niks van waarschijnlijk. Maar ik zag laatst in Engeland wat mensen meezingen, dat vind ik dan wel heel grappig om te zien”, lacht Daniel. “Ik heb eigenlijk geen idee waarom we in het Duits zingen, want in andere bands zongen we altijd in het Engels. Het past vooral gewoon heel erg goed bij de muziek en de sound, je kunt de Duitse taal in je zang heel anders gebruiken dan het Engels. Het kan heel zwoel, soepel maar tegelijkertijd ook heel strak, pulserend en stuwend zijn. En het is vooral erg leuk!”

 

Damon McMahon, de man achter Amen Dunes, heeft met zijn 33 jaar al een druk verleden achter de rug. Een verleden dat hem maakt tot wie hij nu is. Damon is een jaar of zeventien als hij begint met live-optredens tijdens ‘open mic’ avonden in de buurt van zijn school. Een paar jaar later begint hij samen met zijn broer en wat vrienden de band Inouk: “Dat was heel andere muziek, een beetje Roxy Music en Stone Roses. De muziekindustrie was toen nog heel anders. Er ging veel geld in om en dat merkten wij ook. Er was een soort hype rond de band, iets wat je nu minder snel hebt. We hadden sjieke etentjes met advocaten enzo. Heel erg oppervlakkig allemaal. Maar het gebeurt nog steeds, als een platenmaatschappij besluit dat een band het gaat maken, dan zorgen ze daarvoor. Ze laten mensen denken dat de muziek goed is, terwijl dat niet zo is.”

Maar als Damon 26 jaar is vertrekt hij voor langere tijd naar China. Hij wil weg uit New York en weg van de muziek: “Ik was uitgeblust. Ik was destijds niet op de plek waar ik nu ben. Nu kan ik uit puur het maken van muziek voldoening halen, zonder dat ik de meest succesvolle persoon in de wereld hoef te zijn. Dat kon ik destijds niet, mijn ego kon dat niet aan. Ik was jong en voelde me als een mislukking.” Een aantal maanden voordat hij naar China vertrekt neemt hij zijn eerste Amen Dunes album op. Na twee jaar keert hij terug naar New York, omdat er serieuze interesse is in zijn muziek: “Ik wilde niet terug naar New York, China was mijn uitvlucht. Maar ik werd overtuigd om terug naar New York te gaan en zo begon ik langzaam weer muziek te maken.”

Eerlijk en persoonlijk
Damon heeft een wat sombere jeugd gehad. Iets waar hij vaker openlijk over heeft verteld: “Ik denk dat het belangrijk is voor artiesten om zichzelf bloot te geven. Daarmee leg je je muziek uit. Ik vond het vroeger altijd geweldig om eerlijke en persoonlijke interviews te lezen. Ik las eens een heel lang en oprecht interview met Mick Jagger in Rolling Stone Magazine, ik vond het geweldig. Daarom probeer ik heel open te zijn, hoewel ik toch voorzichtig ben. Ik zou willen dat ik de ballen had om echt alles te zeggen over mijn verleden bijvoorbeeld, maar dat is wat ongepast. Als ik ouder ben komt dat wel. Maar dit album is heel erg persoonlijk. Als mensen de lyrics lezen, zullen ze ook veel begrijpen. Het eerste nummer op het nieuwe album White Child’ en gaat over mijn moeder. Mijn ouders hielden van me en zorgden goed voor me, maar mijn familie was behoorlijk fucked up. Ik heb een tijd geen contact met ze gehad, maar dat probeer ik nu weer te onderhouden. Het is toch je familie. Ze weten tegenwoordig zelfs hoe mijn band heet en mijn moeder is een maand geleden voor het eerst naar één van mijn optredens geweest.”

 

 

‘Love’ is het nieuwe album van Amen Dunes. ‘Love’ als albumtitel klinkt wat afgezaagd en hoewel het in zekere zin ook over liefde gaat, heeft Damon hiervoor gekozen omdat het lekker ‘punk’ klinkt, riskant en gedurfd is. Juist omdat het afgezaagd is: “Het album gaat vooral over het soort liefde waar artiesten die ik bewonder het over hebben: zoals Marvin Gaye, Elvis, Van Morrison. De liefde waar zij het over hebben is een soort toewijding. Een soort onbaatzuchtige liefde. Maar het gaat op de tweede plaats ook gewoon over geliefden, want ik schreef het album net nadat mijn relatie was uitgegaan. Veel nummers gaan over die relatie en die persoon.”

Literatuur
Lyrics zijn enorm belangrijk voor Damon, al dan niet het belangrijkste: “Goede teksten laten zien dat iemand zorgvuldig is. En ik hou van lezen en van literatuur. Ik hou nog meer van literatuur dan van muziek. Ik bewonder goede schrijvers. En mijn muzikale helden zijn Bob Dylan, Alex Chilton, mensen die teksten erg serieus nemen. Het geeft betekenis aan een nummer.”

Op het nieuwe album zijn Colin Stetson en Elias Bender Rønnenfelt (Iceage) te horen: “Tijdens het samenwerken met Godspeed You! Black Emperor stelden zij voor om met Colin te werken. Ik kende hem niet, maar hij is een ontzettend goede muzikant. Hij kwam naar de studio en ik vroeg of hij zijn ding wilde doen bij de muziek. Maar Elias was al een goede vriend van me en een muzikant die ik enorm waardeer. Ik hou niet zo van de hedendaagse muziek, maar wat hij doet is fantastisch. Elias is echt een magische kerel. Zijn aanwezigheid, zijn energie, hij is charmant, intelligent, hij is echt geweldig!”

En nu?
“We toeren tot november. Daarna rond december/januari wil ik weer een nieuw album gaan opnemen.”

Conor Oberst, frontman van bands als Bright Eyes en Desaparecidos, is terug met een nieuw solo-album: ‘Upside Down Mountain’. Reden genoeg voor The Daily Indie om hem te interviewen.

Door Robin Kramer

Ik heb veel naar je nieuwe plaat geluisterd en het viel me op dat je terug bent gegaan naar een meer conversational approach van schrijven, in tegenstelling tot de meer cryptische benadering op, bijvoorbeeld, ‘The People’s Key’. Was dat opzettelijk?
“Ik denk dat een groot deel van mijn werk een reactie is op wat ik daar vlak voor aan het doen was. ‘The People’s Key’ en ‘Upside Down Mountain’ zijn daar een goed voorbeeld van. Zoals je al zei was ‘The People’s Key’ cryptischer en met opzettelijk, dichtgetimmerd taalgebruik. Hoewel het niet met opzet was, merkte ik me dat ik meer richting een conversationele schrijfstijl begon te bewegen op deze plaat. I guess that is just my restless nature shining through.”

Jonathan Wilson heeft je geholpen met het opnemen en produceren van dit album – ik vroeg me af hoeveel je andere muzikanten een invloed laat hebben op je liedjes? Veranderen ze nog veel zodra je in de studio bent? Of zijn ze min of meer besloten?
“Ze maken veel veranderingen door in de studio. Iedereen die op de plaat speelt, draagt bij aan die veranderingen. Op wat voor een manier dan ook. Zoals met alles is het moeilijk om vast te stellen wanneer de liedjes af zijn en zoveel beslissingen, qua arrangement en compositie, zijn gemaakt tijdens het mixen door mijzelf en Jonathan. Maar er zijn ook andere vingerafdrukken op het album te vinden: Andy LeMaster, Blake Mills, Nate Walcott, de dames van First Aid Kid schieten me ook te binnen.”

Je albums lijken altijd een gemeenschappelijk thema te hebben, terwijl de liedjes nog steeds sterk zijn als je afzonderlijk naar ze luistert – is dat iets dat je bewust doet? Ga je op zoek naar een thema of merk je dat het er is zodra de stapel liedjes zijn geschreven?
“Dat is niet iets waar ik bewust naar op zoek ga. Maar ik merk wel dat als ik een stapel liedjes heb geschreven er patronen beginnen te verschijnen. Ik denk dat dit album minder conceptueel is dan een aantal andere die ik heb gemaakt, ook omdat de liedjes over een langere periode, drie jaar, zijn geschreven. Maar er zijn nog steeds thema’s te herkennen. Ik hou van dat soort platen, waarop de liedjes bij elkaar lijken te horen en elkaar verheffen als je het hele album in één keer luistert.”

Eén van de thema’s op dit album, lijkt mij, is escapisme en iemand anders worden tegenover een thuis vinden en settlen – was die discrepantie aanwezig terwijl je dit materiaal schreef?
“Escapisme is altijd al een thema van mij geweest. Ik denk dat dat deels door het ‘gras is altijd groener’-scenario komt. En zoeken naar betekenis en tevredenheid. Maar ik heb gemerkt dat er geluk kan worden gevonden in conflicterende gevoelens. Het verlangen naar geborgenheid en avontuur kunnen naast elkaar bestaan. Home and away. We leven allemaal in een constante stroom, dus moeten we troost proberen te vinden waar het kan bestaan en er niet naar op zoek blijven op de plaatsen waar dat niet lukt.”

Eén van mijn favoriete liedjes op de nieuwe plaat is Desert Island Questionairre. Het komt een beetje cynisch over, of misschien simpelweg bezorgd over de tijd waarin we leven.
“Het is ook cynisch, en beangstigend. Ik kan niet zeggen dat ik optimistisch ben als het gaat om de inherente zelfzuchtigheid van het menselijk hart en waar zij kruist met de onbetwiste technologie, fanatieke religies en de afnemende hulpbronnen op aarde. Ik weet niet wat de toekomst brengt. Misschien dat de mensheid me nog verrast. Ik hoop het zeker. Momenteel zijn we in ieder geval verschrikkelijk voorspelbaar.”

Op Enola Gay zing je over ‘mixing Charles Manson songs up with show tunes’. Ik ben ontzettend benieuwd hoe je zo’n line verzint…
“Het is gewoon een speelse, kleine illustratie over de concurrerende manifestaties van de menselijke natuur. Het beste en het slechtste in ons en hoe snel die elkaar afwisselen en in elkaar overlopen, like a shitty mash-up remix. Het is een beetje een jokey line, maar ik vind hem wel leuk.”

In één van je Bright Eyes-liedjes, If The Brakeman Turns My Way, zit de zin: ‘All this automatic writing I’ve tried to understand.’ Is dat hoe het werkt voor jou? Ik bedoel: ben je praktisch ingesteld als je liedjes schrijft of wacht je tot het je aan komt vliegen?
“Ik denk een beetje van beide. Ik kan niet wanneer ik maar wil gaan zitten en een liedje schrijven. Dat is niet hoe het werkt. Zelfs na al deze jaren is er nog steeds geen methode. Het gaat erom dat je open bent en een vruchtbare, mentale omgeving voor jezelf creëert waar de liedjes uit voort kunnen komen. Maar zodra het eerste idee zich presenteert (en dat is het magische gedeelte) weet ik hoe ik verder moet tegenwoordig. Omdat ik het zoveel heb gedaan. Ik ben beter geworden in het redigeren van mijn eigen materiaal en mezelf te forceren ideeën steeds opnieuw te bezoeken totdat ze, hopelijk, zo goed mogelijk worden.”

Ik weet niet of je je dit herinnert maar, tijdens je solo-show in Paradiso van afgelopen jaar vroeg je het publiek of ze een oud of een nieuw liedje wilde horen. De meeste mensen vroegen om een oud liedje. Storen dat soort dingen je? Of begrijp je het ergens wel?
“Ik begrijp het wel. Het doet me niet al te veel. Mensen willen dingen horen waar ze bekend mee zijn. Zo gaat het. Ik probeer altijd een balans te vinden tussen mijn nieuwe en oudere materiaal als ik optreed tegenwoordig. Then everybody wins.”

Is het vreemd voor je om die oudere liedjes te zingen? Kun je nog steeds in die sfeer komen?
“Sommige. Ik speel alleen de liedjes waar ik me nog goed over voel. Ik heb honderden liedjes dus ik ben allang blij dat ik er een aantal in het verleden kan laten, maar er zijn er nog steeds een heleboel waar ik me verbonden mee voel.”

Je hebt een aantal vrij obsessieve fans die soms bijna naar je teksten lijken te leven. Heb je je zelf weleens zo gevoeld over een liedje of album?
“Ik ga door fases met bands en songwriters waarin ik behoorlijk geobsedeerd kan raken. Niet zozeer met de artiesten met maar met hun werk. Absoluut. Het is altijd een beetje een moving target maar dat maakt het ook fijn – er is zoveel muziek in de wereld om te ontdekken en jezelf in onder te dompelen.”

Je noemt Hemingway op Common Knowledge. En je hebt in je carrière wel vaker aan literatuur gerefereerd: Don DeLillo op Gold Mine Gutted, Hunter S. Thompson op Roosevelt Room. Heb je zelf eigenlijk literaire aspiraties?
“Niet echt. Ik geloof dat liedjes en fictie of poëzie schrijven behoorlijk verschillende disciplines zijn. Na twintig jaar heb ik het idee dat ik een aardig goede songwriter ben, maar ik denk niet dat dat meteen betekent dat ik ook een goede dichter of prozaschrijver zou zijn. It might be fun to try at some point. Met een beetje geluk leef ik lang genoeg om ooit nog eens aan dat soort hobby’s toe te geven.”

Het is misschien een beetje vroeg om te vragen maar, zijn er plannen voor nieuwe Monsters of Folk of Desaparecidos-platen?
“We zijn bezig met het afronden van een nieuwe Desaparecidos full-length. We hebben al een heleboel opgenomen. We hopen op een release ergens volgend jaar.”

Het titel van je album is ‘Upside Down Mountain’, een berg in Frankrijk waarvan sommige mensen geloven dat het een geheime parkeerplaats is voor UFO’s. Betekent dit dat je nog steeds in je alienfase zit?
“Ha! That’s an awesome question. Ja, ik zit voor altijd in mijn alienfase! Until they come, until they come! Maar ik wist dat eerlijk gezegd niet toen ik de albumtitel koos, maar toen ik er eenmaal achter kwam zag ik dat wel als een goed voorteken.”

 

Even een quiz-vraagje: wat heeft ervoor gezorgd dat Pearl Jam bekend is geworden? Juist, Kurt Cobain van Nirvana, die shirts van de band ging dragen tijdens gigs. Deze poples brengt ons naar de hardrock van het duo Royal Blood uit Brighton. Sinds Arctic Monkeys-drummer Matt Helders namelijk een shirt van die band droeg is het behoorlijk snel gegaan met Royal Blood. The Daily Indie spreekt zanger/bassist Mike Kerr en drummer Ben Thatcher in de kleedruimte van Paradiso voor hun optreden op London Calling.

Het verhaal van Royal Blood is er een van one in a million. Terwijl de band nog maar een dik jaar bestaat, werd het nu al genomineerd voor de BBC Sound of 2014, gaf het een show op SXSW en staat het deze zomer op het programma van zowel Lowlands als Glastonbury. Het laatstgenoemde popfestival was precies waar Kerr en Thatcher zich bevonden toen ze hoorden dat de Arctic Monkeys-drummer met een shirt van hen rondliep. “We waren daar gewoon als bezoeker”, vertelt Kerr. “En we kunnen je vertellen dat we enorm dronken zijn geworden toen we dat nieuws te horen kregen.”

De vraag is natuurlijk: hoe heeft het zo snel kunnen komen? Kerr legt het bestaan van de band uit: “Ben en ik speelden eigenlijk al samen sinds we zestien zijn, maar telkens in andere bands. Ik ben vervolgens een jaar weggegaan om te gaan reizen naar Australië.” Thatcher vult hem op ironische toon aan: “Ik bleef thuis en wachtte de dagen af tot Mike terug zou komen. Toen hij kwam, haalde ik hem van het vliegveld en besloten we een band te beginnen.” Het was hun idee om iets fris en nieuws te beginnen en ze besloten dat in eerste instantie als duo te doen, met het idee om later misschien nog meer bandleden toe te kunnen voegen.

Niet dat dat er ooit van gekomen is: “Onze muziek klonk als duo al zo groots dat we de bezetting zo hebben gehouden”, legt Kerr uit. In plaats van de elektrische gitaar koos Kerr er in Royal Blood voor om basgitaar te gaan spelen: “Ik was benieuwd hoe ik de bas zo groots mogelijk kon laten klinken. Naar de top, als het ware. Slechts met een basgitaar werken vind ik een goede toevoeging. Zo geven we onze muziek een eigen handtekening.”

Zodra het duo vijf tracks geschreven had, besloot het de studio in te duiken: “Het koste ons vijfhonderd euro voor een paar dagen opnemen bij een vriend en geld om onze nummers te masteren hadden we niet,” illustreert Kerr de do it yourself-begindagen van de band. Nadat de band zijn muziek online had gezet, duurde het slechts een maand voordat de muziekindustrie de nummers opmerkte en kregen de leden een droomaanbod om fulltime met deze band bezig te gaan. Royal Blood staat nu getekend bij Warner Bros. Records: “Het was echt een uitkomst,” blikt Kerr terug. “Als je een gewone baan hebt, ben je erg beperkt in de tijd die je in een band kunt stoppen. Dit gaf ons dus de mogelijkheid om in alle rust songs te schrijven. Deze recorddeal is eigenlijk wat ons heeft gebracht tot waar we nu zijn.”

In een rommelige studio een paar tracks opnemen, een bekende rockster die je T-shirt draagt en opgemerkt worden door een grote platenmaatschappij: eigenlijk is het allemaal erg klassiek rock-‘n-roll. Net zo klassiek als de seventies-hardrock van het duo in feite klinkt. Over hun invloeden zijn de bandleden het snel eens: “Led Zeppelin, Queens of the Stone Age”, begint Thatcher. “Maar ook Jeff Buckley en alle zijprojecten van Jack White”, vult Kerr hem aan. Zie je de personen van Kerr en Thatcher als vaste bezoeker van de lokale classic rockbar in Brighton voor, dan ben je niet alleen. Niets is echter minder waar: “We gaan eigenlijk alleen naar discotheken”, begint Thatcher meteen. “Als we bandjes gaan kijken, gaan die op een gegeven moment namelijk teveel op elkaar lijken,” vult Kerr aan.

Het zegt iets over hun kritische houding tegenover Britse rockbands anno 2014. Als we Kerr vragen naar zijn mening hierover, antwoordt hij dan ook: “do you know any?” Dat andere duo uit Brighton, Blood Red Shoes, kenden ze bovendien niet eens. “Ik had wel van ze gehoord”, vertelt Thatcher. “Maar ik wist simpelweg niet wat voor muziek ze maakten en dat zij überhaupt ook een band met twee leden waren.” Kerr concludeert: “Weet je, het duo-element is bij ons ook eigenlijk vrij irrelevant, want wij willen klinken als een vierkoppige band.”