Feature

Op de valreep: de troostende gedaanteverandering van La Bruja de Texcoco


31 december 2019

Ken je dat, dat je na al het jaarlijstjes-geweld van begin december toch altijd nog een paar van die pareltjes ontdekt die je om één of andere reden compleet gemist had? Daarom brengt The Daily Indie de laatste dagen van het jaar traditiegetrouw nog een ode aan een aantal briljante, tot nu toe compleet overkeken albums. Vandaag het mysterieuze debuut van La Bruja de Texcoco.

Laat ons vertellen over dit wonderbaarlijke herkomstverhaal,
echt, het is gebeurd zoals verteld, zoals we het vernamen uit haar eigen mond.

Boek I
Zomaar in het voorjaar: het opus De Brujas, Peteneras y Chachalacas,
verschenen uit de zoemend stralende Octavio Mendoza Anario.
Oostwaarts van Mexico-Stad vindt haar gedaante zijn herkomst,
waar alles zich afspeelt rondom het oude Azteekse stadje Texcoco,
ooit bij de mensen bekend als het Athene van de Nieuwe Wereld.
Gelegen rondom een antiek meer dat zijn oevers en leven gaf aan deze steden, maar in onze tijd is verdroogd, gebarsten en tot vliegveld gemaakt.

Daar begint de legende als Anario wordt gevraagd om viool te spelen,
een groep vrienden begeleidend die concheros worden genoemd,
een gezelschap dat op van gordeldieren gemaakte gitaren speelt.
Wanneer het feest aan de gang is en er wordt gedanst en gedronken,
krijgt een vrouw in het publiek stuiptrekkingen door haar hele lijf.
Een traditionele genezer in het publiek, een zogenoemde curandero,
roept de violiste op om deze vrouw te helpen. Ze smeekt haar!
Toon ons je magie, laat Gods ziel toch spreken door je instrument.

In lichte paniek strumt Anario een oude katholieke hymne: El Pescador,
die ze nog had leren spelen in haar jeugd die nooit gebeurt lijkt te zijn.
Uit de viool glijden zalvende melodieën, snarentrillingen zuiveren de lucht,
de band valt in en met haar lofzang roept ze onzichtbaren aan: genees deze vrouw,waarbij de klanken als wierook door de lucht dwarrelen en de vrouw bedaren. Als late schemer voor avond wijkt en donkere aarde zich met nacht omhult, overtuigt de curandero de violiste om mee te gaan naar een nabijgelegen bos.

Daar tussen de verscholen wezens van het woud moet Anario zich laten zien, aan de demon die ze zojuist verdreven heeft uit de zinderende vrouw.
‘Ik ben de heks van Texcoco, La Bruja de Texcoco‘, fluistert ze zachtjes,
tegen de zilveren bomen, de rustende planten en de wind die ze wiegt,
terwijl er iets door Anario beweegt in dat maanbeschenen moment.
Sindsdien draagt de violiste bloemen in haar haar, daarna
een gebloesemde rok, kleden vol veren en meer en meer kleuren in haar gezicht.

Boek II
Het is de beweging tussen het mannelijke en vrouwelijke dat klinkt,
in de liederen uit haar snaren en haar majestueuze en sonore stem,
die allerlei bont gekleurde vogels roept die fladderend om haar neerdalen.
Daar zien ze haar geschilderde maskers die diablo’s weerspiegelen in de rivier, en zonder de bodem te zien varen ze naar een offerplek in zacht gras in de verte, waar alles van gisteren wordt vergeven in een wereld vol wrede mensen. Dan zijn er zachte dissonante liederen uit de stad van paleizen, schuim en bubbels en de branding van een louterende oceaan en alles wegspoelt, een vogel smoezelt dat ze in staat is om zelfs de wind te veranderen.

La Bruja raapt de klanken bij elkaar die klinken als de wereld ontstaat,
en kondigt de schepsels een donderend einde aan met onheilspellende tonen.
Aan alle dieren die voor het eerst de wereld ontdekken, vertelt ze
in troostend Spaans dat ze van hen houdt, wenst ze honderd gouden jaren,
zoals ooit: een gul hof vol galmende harmonieën en waar alles elkaar lief heeft.
Er zijn tokkels van de harp en het knetterende vuurwerk in de effen lucht,
het gitaarwerk dat raspt en nevels trekken op uit dikke sluiers.

Hier worden bloemen door zachte zefiers met een koele bries bewaaid,
rivieren stromen rijk aan melk, sommige zelfs met nectar en uit de
groene steeneik dropte houden honingvocht neer voor alle wezens.
Alles was zo mooi, zo licht en zo zuiver: in de bomen en over de velden,
vertellen vogels nog haar verhaal en in de verte rommelt het onweer.
Een laatste klavecimbel doet denken aan alles wat geweest is in onze tijd,
langzaam sluit het gordijn zich, rood en zwaar, het gewicht van de wereld opbergend,
draag ons in stilte naar mijn graf, we waren zo moe en vaak toch zo gelukkig.