Interview

Lian Ray: “Deze tracks helpen mij om van de drugs af te blijven”


13 maart 2020

Dit album werd gemaakt in de hel, de grootstedelijke Berlijnse hel. Het zwarte gat van David Bowie, de Boheemse droom van Rufus Wrainwright, de afgefakkelde stad van Lou Reed. Deze keer tekent Aurelièn Marie, tegenwoordig Lian Ray, voor zijn eigen ontsnapping. Batman’s Joker gilt: ‘I played this stinkin’ city like a harp from hell.’ Het zouden Lian’s eigen woorden kunnen zijn: hij moest bijna volledig kapotgaan om terug te komen met Rose. Als Orpheus met zijn harp.

Het is veel te warm voor de zesde november en ik sta met een zware winterjas aan de bar van Bar Dó en dan valt het me ineens op – take your protein pills and put your helmet on – dat de muziek in het café niets minder is dan een gruwelijke reggae-bewerking van David Bowie zijn Space Oddity. Ik word vriendelijk verzocht naar mijn stoel te gaan, omdat ik daar wel bedient zal worden. Daar zit in een donkere hoek Aurelièn Marie met een bier zo hoog als zijn gezicht. Het is elf uur ‘s ochtends.

Ik kan er niet omheen dat hij er wat verschaald uitziet, dus ik vraag of Aurèlien goed geslapen heeft.

Heb je goed geslapen?
“Niet echt. Ik had het recept voor mijn antidepressiva verlengd, maar toen ik ze twee dagen geleden wilde ophalen lagen ze niet klaar. Dus nu slaap ik twee dagen slecht, of eigenlijk niet. Ik kom dan in zo’n halfslaap terecht waarin ik mijn tijd ‘s nachts doorbreng in een obscure, donkere uithoek van YouTube, met in dit geval filmpjes over het openmaken van sloten. En dan slaap ik een beetje en droom ik dat ik sloten openmaak.”

Dan wordt het drie uur, vier uur, vijf uur.
“Vlak bij mijn appartement staat een kerkklok en die gaat ieder uur, het carillon, ook ‘s nachts. Om de zoveel tijd veranderen ze het liedje, en nu is het While My Guitar Gently Weeps, ‘s nachts, ieder uur. En dan wordt het zes uur en dan denk ik: Ik kan nu net zo goed uit bed komen. Dan sta ik op en werk ik soms een beetje aan mijn muziek. En dan heb ik overdag een job, ik sta hier vlak om de hoek in een winkel. In Berlijn had ik best veel tijd voor het maken van muziek, met m’n band Rhesus hadden we best wel wat geld verdiend. Ik besef mij nu dat dat een enorme luxe was.”

Wanneer ben je nu uit Berlijn vertrokken?
“Dat is nu bijna exact één jaar geleden, november 2017. Ik ben per vliegtuig gegaan. De rest, de meubels, de katten, per truck.”

Hoe was je laatste dag in Berlijn?
Pretty horrible. Last-minute inpakken, trappen op en af omdat er geen lift was. Ik doe die dozen wel even van boven naar beneden, dacht ik. Maar na de tweede keer op-en-neer was ik al stuk. Ik móést weg. Berlijn was alles wat ik geweldig vond aan een stad. Daar was die laatste dag niks meer van over. It’s the greatest city to self-destruct.

Ik vond een quote uit een oud interview.
“O jee.”

Waarin je je nog best positief uitlaat over Berlijn. Je zegt: ”Het is echt een toffe stad voor een artiest en om als artiest in te wonen. Er is nog steeds een bohemian-kant, de straten, clubs, gallerijen. Alles is gerenoveerd, getransformeerd, opnieuw gemaakt.”
“Natuurlijk, natuurlijk zijn er ook positieve kanten aan Berlijn: je vindt er ontzettend veel artistieke mensen, er is een toffe muziekscene, dat is er allemaal. Ik ontdekte al vrij snel dat Berlijn onder de oppervlakte een door-en-door verrotte stad is. In 2016 liep ik tegen een gigantische muur. Ik was al mijn geld kwijt, nonstop drugsverslaafd.”

In het persbericht lees ik de zin: this album was made in hell.
Aurelièn lacht, heel erg hard: “De eerste zes maanden waren nog leuk, hoor. Je experimenteert wat: zal ik muziek schrijven op deze drug of deze drug? Hier en daar kreeg ik drugs aangeboden en vanzelf ook een telefoonnummer. Ik was eigenlijk altijd te verlegen om contact te leggen met een dealer en van het één komt toch het ander. ‘Let’s try coke and cannabis’, het ging net zo gemakkelijk als Amazon. En vanzelf loopt het dan helemaal uit de hand.”

Hoe ziet dat eruit?
“Oh zeker, en ik heb het geprobeerd, en voor mij werkte het niet. Helemaal niet. Als ik schreef en high was dacht ik, dan was ik ervan overtuigd: “Oh yeah, this is great.” Dan keek ik er de volgende dag nog eens naar en dan was er niets van over.”

Hoe kwam je überhaupt toe aan muziek?
“In de tussendoor-momenten hield ik mij daarmee bezig en in mijn hoofd zijn dat net eilandjes. Ik kan je wel verzekeren dat nul tracks van deze plaat zijn geschreven toen ik high was. Ik had een piano in mijn studio staan en als ik daar zat en speelde kwam ik een beetje op adem. Het schrijven aan dit album deed ik steeds op dat soort eilandjes tussen 2012 en 2014. En alle songs gaan over m’n muze destijds: Rose. The one woman. Er speelde iets met een ongezond soort jaloezie en dat werd de brandstof voor deze plaat, als mijn Melody Nelson.”

Hoe ben je weggekomen uit Berlijn?
“Nadat ik zonder geld tegen die muur klapte, is mijn stiefvader is mij komen ophalen, met een busje uit Frankrijk. Na een jaar in een afkick-kliniek heb ik nog een jaar in Berlijn doorgebracht, waar ik mijn huidige vriendin heb leren kennen. She’s a rock. Omdat ze epilepsie heeft kan ze absoluut geen drugs of alcohol hebben en dat heeft mij geholpen om clean te blijven. En toen ben ik in 2018 opnieuw contacten gaan leggen met de muziekwereldm en die contacten bleken te zitten in Nederland, zoals Cedric (Muyres, manager Snowstar – red.)”

En nu woon je in of all places Amsterdam. Niet overwogen om in een boerderij op het platteland te gaan zitten?
“Mijn moeder zei dat ook al: “Joh, waarom nu uitgerekend Amsterdam?” Het ziet hem niet per se in de stad, maar vooral om een nieuw begin, een schone lei. In Berlijn kende ik elke toilet van elke bar en elke kelder waar ik die en die drug heb genomen. Naast de muzikale contacten en mijn vriendin hier, heb ik ook contact met Kick Your Habits. Ze helpen mij om clean te blijven, verder is het een pure kwestie van wegblijven bij die ‘typische’ plaatsen. Ik ga dus niet, nee: nooit meer uit.”

Hoe is het nu, om met die nieuwe plaat, steeds geconfronteerd te worden met deze periode uit je leven? Wil je dit hoofdstuk nu niet sluiten?
“Nu ik met deze tracks terugkijk op acht jaar in Berlijn is het haast een droom en de thema’s die mij destijds aanzetten om te gaan schrijven spreken mij nu nog steeds aan: het verlangen, iets willen dat je niet kunt krijgen. Of dat nu over jaloezie gaat, een vrouw, iets anders. Daar ben ik nooit los van gekomen. En ook zijn deze tracks nu therapeutisch voor mij, ze helpen mij om van de drugs af te blijven. Like, never drop your guard. Er zal altijd iets in mij blijven zitten dat terug wil.”