The Daily Indie Presents
24 april

 

Het zal de meeste TDI-lezers niet ontgaan zijn: Japandroids is terug en op 24 april presenteert The Daily Indie wij de band in de Melkweg. Maar niet voordat we de band uitgebreid hebben geïnterviewd, want ieders favoriete Canadese rockduo bracht eind januari zijn derde album Near To The Wild Heart Of Life uit: de eerste Japandroids-plaat in vijf jaar.

In die tussentijd heeft zanger en gitarist Brian King het Canadese Vancouver verlaten, dat sinds de begindagen de thuisbasis van de band is. Hij woont nu afwisselend in Toronto en Mexico-Stad, waardoor er voor hem en drummer David Prowse flink wat heen-en-weer gereis nodig was om het schrijfproces te voltooien. Tel daarbij op dat de heren ook niet meer de jonge honden zijn die we ten tijde van Post-Nothing (2009) en Celebration Rock (2012) hoorden en je snapt dat Japandroids anno 2017 zo nu en dan als een herboren band klinkt. Wij voelden Prowse aan de tand over de veranderingen die hij en de band hebben doorgemaakt.

 

Lid van The Daily Indie? Dan maak je kans op kaarten. Lid worden doe je hier!

 

Dat hij en King tijdens het maken van Near To The Wild Heart Of Life in feite een lange afstandsrelatie onderhielden, heeft volgens Prowse zeker een impact of hoe de plaat uiteindelijk is geworden. “We hebben een maand lang een huis kunnen huren in New Orleans, waar we iedere dag konden schrijven en aan onze songs konden sleutelen, maar verder vond het schrijfproces plaats in drie verschillende steden. Wat alles wel een stukje ingewikkelder maakte”, vertelt hij. “Al denk ik dat het uiteindelijk tot een beter eindproduct heeft geleid. Ik weet natuurlijk niet wat voor plaat het had opgeleverd als we alles wel in Vancouver hadden geschreven, maar ik denk dat we dan sneller een zelfde richting als onze vorige twee platen waren opgegaan.”

Meer instrumentale ruimte
Hoewel het album nog steeds moeiteloos herkenbaar is als een Japandroids-plaat, klinkt het nieuwe album op cruciale vlakken wel degelijk anders. Het tempo is gemiddeld wat omlaag gegaan, er staan minder anthems op dan op voorgaande platen en er is meer ruimte gekomen voor instrumenten als akoestische gitaren en synthesizers. De koerswijziging is misschien niet radicaal genoeg om van een geheel nieuwe sound te spreken, maar bij momenten komt het in de buurt volgens Prowse. “We deden absoluut een poging om op een andere manier te schrijven dan we gewend waren. Voorheen schreef Brian een gitaarpartij, dan voegde ik daar wat drums aan toe en was het devies: ‘hoe luider, hoe beter’. Die tijd is nu voorbij. Nu wilden we als eerste zorgen dat ieder nummer zijn eigen identiteit had voordat we het gingen opnemen.”

 

“Ik had nooit verwacht dat we dit in onze mars zouden hebben. Dat was een serieus holy shit-moment.”

 

Als gevolg daarvan is het eindresultaat ook gevarieerder dan vorige platen. Zo is het titelnummer een ‘gewone’ Japandroids-knaller, gaat de band op North East South West meer dan ooit richting de Southernrock en klinkt het met distortion overladen I’m Sorry (For Not Finding You Sooner) als een mix tussen My Bloody Valentine en Death Cab For Cutie. Meest in het oog springend is het zeven minuten durende epos Arc Of Bar, wat vrijwel volledig gebouwd is op een dikke laag synths. Zodra het nummer ten sprake komt, wordt Prowse ook direct enthousiast. “Arc Of Bar! Dat is een van de nieuwe nummers waar we het meest trots op zijn, omdat het zo anders is. Toen we het eindproduct hoorden, hadden we allebei zoiets van: ‘Ik had nooit verwacht dat we dit in onze mars zouden hebben.’ Dat was een serieus holy shit-moment.”

 

 

Kant A en B
Het is ook geen toeval dat dat nummer precies het middelpunt van de plaat is. “Vrijwel iedereen luistert tegenwoordig natuurlijk muziek op zijn telefoon, maar wij denken toch altijd nog in een kant A en B. Daarom besteden we altijd vrij veel aandacht aan de volgorde van de tracks, zo ook bij deze plaat. Het titel- en openingsnummer is nog een vrij typische Japandroids-track. Die staat aan het begin zodat mensen denken: ‘Cool, ik heb al vijf jaar geen nieuwe song van de band gehoord, dit is precies waar ik op hoopte.’ Dan stappen we gaandeweg steeds meer van die sound af, wat zijn hoogtepunt bereikt met Arc Of Bar. Vanaf daar gaan we weer wat meer terug naar onze roots, met als afsluiter uiteindelijk het nummer In A Body Like A Grave. Een nummer dat mensen wat meer van ons gewend zijn. Zo is de cirkel rond.”

Met het album op zak, is het toeren inmiddels weer volop losgebarsten voor de band. Op het moment van spreken zit het duo nog middenin hun Amerikaanse tour, op 24 april brengt hun Europese tour de band naar de Melkweg. Hoewel hij het leven on the road “meedogenloos” noemt, is Prowse toch erg blij om weer terug te zijn. “Ik heb dit echt héél erg gemist. Ik ben dol op live spelen, vooral op de directe verbinding die ik voel met het publiek. Mensen zingen ieder woord mee, klimmen op het podium, crowdsurfen. Dat alles zorgt voor een hele bedwelmende omgeving voor een artiest.”

Op de vraag of hij liever op het podium staat dan in de studio moet hij even nadenken. “Vroeger had ik meteen ja gezegd. Van het opnameproces genoot ik in het begin niet heel erg. Ik miste vooral de onmiddellijke pay-off van wat je aan het doen bent. Op het podium juichen mensen je al toe voor je ook maar een noot gespeeld hebt, terwijl we in de studio overal heel lang bij stil moeten staan, wat lang niet altijd leuk is”, vertelt de drummers. De opnames van de nieuwe plaat zorgden echter voor een omslagpunt. “Dit was de eerste keer dat we echt veel tijd hebben besteed aan de opnames, waardoor we ook veel meer mogelijkheden hadden om te experimenteren en lol te hebben. Daardoor voelde de studio voor mij voor het eerst als een inspirerende omgeving.”

 

 

De angst dat het nieuwe materiaal live vanwege de iets rustigere inslag minder goed zou vallen, bestond natuurlijk ook bij de band. Maar die bleek al snel ongegrond. “Voordat de plaat uitkwam, voelde het altijd een beetje ongemakkelijk om de nieuwe nummers te spelen, maar nu zijn dat juist de songs waar een groot deel van het publiek voor komt.” Dat heeft er ook voor gezorgd dat de band zijn optredens iets anders aanpakt. “Voor deze plaat konden we mensen gewoon om het hoofd slaan met snelle, energieke nummers zodat iedereen totaal van de wereld was aan het einde van de show. Nu bouwen we het momentum ongeveer net zo vaak op als af. Dat zorgt natuurlijk wel voor een andere reactie die je oproept. Ik heb nog niemand zien crowdsurfen op bijvoorbeeld I’m Sorry (For Not Finding You Sooner), maar ik ben al lang blij dat de nummers in de smaak lijken te vallen.”

 

 

WEBSITE MELKWEG
FACEBOOK-EVENT

Precies een week voor het uitkomen van Meandering, het debuutalbum van The Mysterons spreekt The Daily Indie met Peter Peskens (basgitaar) en Sonny Groeneveld (drums) in The Q-Factory in Amsterdam. De band is vernoemd naar de jaren zestig-poppenserie Captain Scarlett And The Mysterons, waarmee de band knipoogt naar de tijdsperiode waar alle bandleden een zwak voor hebben. Toch laat de muziek van The Mysterons zich niet gemakkelijk omschrijven. Peskens: “In een eerder interview hebben we gezegd popnoir. Dat vond ik wel nice. Maar ik weet niet of dat nu ook echt nog zo is…”

Groeneveld vult aan. “Ik denk dat ons geluid met het nieuwe album wel minder donker is geworden. Het is meer de pop-kant opgegaan. We proberen nieuwe kanten van onszelf te ontdekken en op die manier een andere insteek te vinden om popmuziek te maken. Maar dat is geen doel op zich. We hebben allemaal wel een soort idee van wat het specifieke geluid moet zijn. Op het moment dat we aan het spelen zijn, weten we wel wat ‘Mysterons is’ en wat ‘niet Mysterons’ is. Er zijn geen duidelijke regels voor, maar het is wel een duidelijk gevoel.”

Nieuwe bandleden
The Mysterons is een band, er is geen frontvrouw of bandleider, ieder heeft zijn aandeel en is gelijkwaardig verantwoordelijk voor het geluid. De vijf bandleden kennen elkaar van het Amsterdamse conservatorium en ieder heeft een ander muzikaal verleden. Doordat alle bandleden hun talenten en muzikale achtergronden inbrengen, ontstaat er een originele mix van invloeden. Na de laatste EP is gitarist Brain Pots uit de band gestapt om zich volledig te concentreren op PAUW, waarvoor Jordy Sanger in zijn plaats kwam. Het is een bewuste keuze geweest om met Pots af te sluiten voordat de band aan het nieuwe album begon. Hierdoor heeft Sanger zijn eigen inbreng gehad en bracht zijn komst een andere sound mee. Dat werd ook wel als verfrissend ervaren. “Brain was heel erg soundgericht, Jordy gaat dieper op de partijen in, hij probeert alles passend te maken”, aldus Peskens. “Door zijn manier van lijntjes bedenken zijn we een stuk ritmischer gaan denken. Het ene is niet beter dan het andere, maar de rol van Jordy is – zoals hij nu is – passend bij The Mysterons op dit moment.”

 

 

Verzameling jams en soundchecks
De totstandkoming van het debuutalbum is vooral te danken aan een verzameling opnames van jams en soundchecks. Als het eigenlijk niet hoeft, komen er ineens de beste ideeën. Sold My Medicine, de recente single, is ook op deze manier ontstaan. “Dat was een soundcheck. Dan spelen we wat en dan zegt iemand: ‘wacht, dit moeten we even opnemen’ en dan zet hij zijn iPhone aan. Als we het dan terugluisteren, is het nog best wel lastig te ontcijferen wat we precies deden”, zegt Peskens lachend. Groeneveld: “De volgende stap is dan om het in te kleuren en er een verhaal van te maken. Als band vinden we het belangrijk dat het geen standaard, saai voor de hand liggend ding wordt. We houden ervan om verschillende dingen binnen een nummer en binnen het album te proberen.”

Zo heeft iedereen zijn eigen inspiratiebronnen: van Wu Tang tot Portishead en Asia Boleh. Peskens: “Meestal zijn we ons niet heel bewust waar de inspiratie vandaan komt en zit het ergens in een onderbewuste laag. De baslijn van de track Meandering is daarentegen wel geïnspireerd op de basloop van Burn The Witch van Radiohead, dat vond ik zo vet dat ik dat idee ook wilde gebruiken. Uiteindelijk is het wel heel anders geworden, maar het zit wel ergens in de genen van het nummer.”

Meandering komt op 10 februari uit via Excelsior. Misschien is de band met hun geluid daar een beetje een vreemde eend in de bijt, voor Peskens voelt het als een persoonlijke overwinning. “Het zijn goede gasten en het label heeft vertrouwen in ons. Het past misschien niet bij de vibe die we tegenwoordig van Excelsior kennen, maar het zijn smaakmakers en ze hebben een duidelijk beeld van wat ze vet vinden. Dus ik ben erg trots dat ons album op dat label uitkomt.”

 

 

Totale wereldoverheersing
De band is momenteel druk met repeteren voor de komende clubtour. Dat werpt een heel ander licht op het album: er gebeurt muzikaal een hoop en er zijn tempowisselingen die op het album goed werken, maar live wat minder praktisch zijn. “Wij willen ook graag dat je live een andere ervaring hebt dan wanneer je de plaat luistert”, geeft Groeneveld aan. “Dat je als publiek ziet dat we samen muziek aan het maken zijn en iets aan het creëren zijn in plaats van dat we de plaat aan het naspelen zijn. Dat er zichtbaar iets ontstaat op het podium en dat je muziek kunt uitbouwen op het moment zelf. Wat op de plaat waarschijnlijk veel te lang zou duren. Het is live sowieso allemaal een stukje rauwer en uitvergroot. Het is de bedoelding dat de energie van het album ook terug te zien en te voelen is in de show. Maar dan wellicht nog net even wat sterker.”

Na de clubtour is het nog even afwachten, in Frankrijk is de band een samenwerking aangegaan met een van de meest toonaangevende agents op het gebied van indiemuziek, voor de Duitstalige landen zijn er gesprekken met een agent en ook vanuit Groot-Brittannië zijn de eerste voorstellen binnen gekomen. De band hoopt voor de toekomst ook op grote festivalshows, uiteraard een wereldtournee en om de grote zaal van Paradiso uit te verkopen. Groeneveld: “Ik verwacht niet dat we ineens een soort van ontploffen als het album uit is. Het is ook juist fijn om er te blijven bouwen en steeds een beetje verder te komen.” Peskens vult aan: “Maar we gaan zo ver als het maar kan. Wereldoverheersing.”

 

 

LIVE-DATA
17-02 – Merleyn, Nijmegen
19-02 – Rotown, Rotterdam
25-02 – Ekko, Utrecht
02-03 – Paradox, Tilburg
03-03 – Hedon, Zwolle
10-03 – Gebr. De Nobel – Leiden
23-03 – Sugarfactory, Amsterdam
04-03 – Metropool, Hengelo
24-03 – Podium Asteriks
07-04 – Fluor, Amersfoort

 

Het is de periode van het jaar waarin we eens rustig terug kunnen kijken op wat we allemaal gedaan hebben en wat er gebeurde in de scene. Begin dit jaar interviewden we bijvoorbeeld Bombay, de band die jaren een vaste waarde in het Nederlandse circuit is. Ondanks de roerige ontwikkelingen in de bandbezetting (frontman en oprichter Mathias Janmaat is de enige overgeblevene van de originele band) bracht Bombay dit jaar het goed ontvangen Show Your Teeth uit, waarop de band het lo-fi two man band-geluid verruilt voor een toegankelijker en tegelijkertijd intensere sound. 

Dit interview verscheen in The Daily Indie | Issue #22 (voorjaar 2016)
Bombay cureert op 30 december het ‘Show Your Teeth’ in Paradiso. Lees hier onze uitgebreide preview van die avond, onderaan deze pagina vind je een speciale prijsvraag waarbij je kaarten kunt winnen én de nieuwe singles op 7″-vinyl!

Janmaat startte Bombay Show Pig samen met Linda van Leeuwen en Christian Kratzch op het Conservatorium van Amsterdam. Kratzch stapte vlak voor de release van debuutplaat Vulture / Provider in 2012 op. Niet lang daarna spraken we de overige twee bandleden voor de allereerste issue van The Daily Indie. Vier jaar, een nieuwe bandnaam, een rits bandleden (drummer Van Leeuwen stapte op, Lisa Ann Jonker en bassist Gijs Loots sloten aan) en een album later schuiven we weer aan bij Bombay, om te praten over verleden, heden en toekomst.

Over de grens
Vier jaar kunnen razendsnel gaan of voorbij kruipen. Daar weet Janmaat alles van. In 2012 boog TDI zich al met het duo Bombay Show Pig over een bord pasta-pesto, at kaasvlinders in een tourbus en sprak over de eerste verandering in de bezetting, de debuutplaat en de droom om door te breken in het buitenland. “Zeker qua doorbraak in het buitenland hebben we flinke stappen gezet”, zegt Janmaat. “We zijn naar allerlei landen gegaan, terwijl we nog helemaal niks bereikt hadden. Nu hebben we in Frankrijk een goede boeker, met wie we al een tijdje samenwerken. De plaat komt daar nu ook uit. We speelden bij de Franse DWDD. Het is allemaal dus echt een level verder dan hoe we die vorige plaat hebben uitgebracht. Ook Duitsland begint nu lekker te lopen. Dat was wat toentertijd het doel, maar nu wil ik weer veel verder. Het zou ook vet zijn om dingen in Amerika of Engeland te doen. Misschien dat het later nog gaat gebeuren. Bij deze plaat, of bij de volgende.”

 

 

Van rocky naar nasty
Naast de naam en bezetting kreeg ook het kenmerkende geluid van Bombay een update. Minder rocky, meer nasty: popnummers met een rauw sausje. Hiervoor werden de opnames door een ouderwets cassettedeck geslingerd, wat het opnameproces niet makkelijker maakte: “Het zorgde ervoor dat het fucking lang duurde. We namen eerst op met de computer en daarna weer op tape. We moesten de hele tijd heen en weer, dus dat was vooral voor Simon (Akkermans, producer, red.) heel veel werk. En voor mij heel veel wachten. Het was niet de meest interessante tijd van m’n leven. Maar telkens, als het na wat gedoe af was, dan was het wel van: dit is precies wat we willen. Het heeft zoveel karakter.” De tijd dat Bombay met Blood Red Shoes en PJ Harvey vergeleken werd, is voorbij. Een nieuw geluid vraagt om nieuwe inspiraties: “Qua drumsound waren we best wel into die nieuwe Unknown Mortal Orchestra. Die een beetje tapy klinkende drumsound. Ook de zang van Deerhunter was een eyeopener: met nasty vocalen kun je best wegkomen. Dat waren grote inspiraties.”

Antireactie
Het album ligt in de winkels, de releaseshow was uitverkocht. Tijd om vooruit te blikken. Janmaat is ondanks de veranderlijke formule van Bombay zeker van zijn zaak: “Deze plaat heb ik net als de vorige voornamelijk zelf gedaan, dus dat was altijd de werkwijze al. Maar nu hebben we laatst nog met z’n drieën allemaal nieuwe dingetjes zitten uitproberen. Dus het voelt nu ook wel wat meer alsof we echt een band vormen. Het proces is veranderd en ik vind het heel cool om te zien dat het werkt. Het lijkt me best vet om de volgende plaat, als antireactie op het langdradige, stroperige proces, gewoon als een band in te spelen. Een paar overdubs en klaar. Wel goed klinkend en echt zo uitgewerkt dat je die toffe sound krijgt, maar niet weer maanden erover doen. Dat zou heel leuk zijn een keertje, snel wat uitbrengen. Dus hopelijk gaat dat gaat wel het nieuwe ding worden.”

2020
Bij een band die zo spontaan het roer om kan gooien, mogen we dus niet te veel gewend raken aan de huidige gang van zaken. In vier jaar kan erg veel gebeuren. “Ik denk dat we nooit platen gaan uitbrengen die hetzelfde klinken als de vorige”, besluit Janmaat. “Dus het zal zeker wel weer veranderen. Maar er zijn ook aspecten waarvan ik wel weet dat ze constante factoren zijn vanaf nu. Ik heb vrij sterk het gevoel dat we het eind van dit jaar weer wat af zouden kunnen hebben, als we door blijven gaan op deze manier. Of zelfs het tempo iets kunnen opvoeren. Dus ik hoop dat er in 2020 een veel uitgebreider repertoire van Bombay is dan wat we de afgelopen jaren hebben opgebouwd.”

 

PRIJSVRAAG!
Nu je weer alles weet over het reilen en zeilen van het Bombay-universum, is het tijd om nog één keer te knallen dit jaar! Op vrijdag 30 december organiseert de band namelijk een eigen feestje in Paradiso Amsterdam met allerlei te gekke bands als Cocaine Piss, Jo Goes Hunting, EUT en Canshaker Pi. Onze volledige preview lees je hier, kaarten winnen voor de show plus de nieuwe singles op 7-inch doe je hieronder!

Winnen?! We hebben 2 x 2 kaartjes liggen en vier 7″-inches die je op mag halen in Paradiso voor de gelukkige prijswinnaars. Als je mee wilt doen, stuur dan een leuk mailtje naar ricardo@thedailyindie.nl waarom je naar de speciale avond van Bombay wilt gaan op 30 december en wie weet ga je met een vriend of vriendin lekker naar de Amsterdamse poptempel om het jaar muzikaal goed af te sluiten. Deadline: 28 december.

FACEBOOK-EVENT: https://www.facebook.com/events/1625430274415470/

Dit interview is afkomstig uit The Daily Indie Magazine, issue 24. Bestel hem hier voor meer interviews, achtergrondartikelen, reviews en nog veel meer! 

In de Poelestraat in Groningen, zo’n beetje dé uitgaansstraat van het hoge noorden, zit een trotse Mark Lada, die met liefde en een grote grijns vertelt over de te verschijnen derde plaat van traumahelikopter. De frontman en songwriter van de band dus in z’n eentje, maar voor een saai stroperig gesprek zijn we geen seconde bang. Lada is een goede prater en verstopt zijn liefde voor muziek zeker niet. Lekker lullen over muziek met een biertje, niets mis mee. Al hangend op de bank in de achterkamer van het Concerthuis, een zeventiende-eeuws voormalig concertpodium, hebben we het over album drie: Competition Stripe. 

Voor traumahelikopter moet de tijd de afgelopen zes jaar zijn omgevlogen, want: time flies when you’re having fun. Het begon met recht-voor-z’n-raap-garagerock op het titelloze debuutalbum. Op album twee werden de nummers melodieuzer en de teksten zwarter. Succes hadden ze in Amerika, waar de garagerockscene vele malen groter is dan in Nederland, met drie keer showcasefestival SXSW tot gevolg. Maar traumahelikopter is niet het doorsnee garagerockbandje: het heeft een vrijwel unieke opstelling met twee gitaren en een gestripte drumkit: enkel een floordrum, een bekken en een snaredrum. Op het derde album Competition Stripe zoekt de driemansformatie naar meer dynamiek. Niet meer veertig minuten knallen op het fameuze ‘standje traumahelikopter’ dus, want zeker op de tweede helft van de plaat mindert het tempo en vinden we ballads.

Hoe kwam de sound van Competition Stripe tot stand?
“Bij ons eerste album (traumahelikopter, 2013 – red.) waren we onbevangen en zo hebben we de plaat gemaakt. We hebben in vijf dagen alles erop geknald en dat was het. Het tweede album was gecompliceerder, zo ook het opnameproces. Onze nieuwe plaat gaat qua eenvoud meer richting album één, maar is ook een stuk gevarieerder geworden. Je ontwikkelt je als band. Er hoeft bij ons niet koste wat het kost vooruitgang in te zitten, als we maar niet twee keer hetzelfde album maken. We vinden het altijd interessant om te kijken wat we nu weer kunnen doen. Doordat we zo’n gestripte opstelling hebben, is dat de uitdaging. We hebben nu drie verschillende platen gemaakt en voorlopig lukt dat nog. De rek is er nog niet uit.”

Tekst gaat verder onder video

 

Kunnen we traumahelikopter met deze nieuwe ingeslagen weg nog wel garagerock noemen?
“Als mensen het hebben over garagerock, dan stellen ze zich voor dat het Californische, wiet rokende ragbandjes zijn, maar zo zie ik het niet. Het genre staat voor mij eerder voor een laagdrempeligheid en eerlijkheid in muziek dan voor een bepaalde sound. Waar we voor deze plaat naar geluisterd hebben loopt uiteen van country tot duistere wave. We zijn alle drie ontzettende muzieknerds en dat zit er allemaal in. Voor mij maken we daarom gewoon gitaarmuziek. Ik hoef het wiel niet per se opnieuw uit te vinden, ik zie onze band in een traditie van andere groepen. Het is gitaarmuziek van beste vrienden die het leuk vinden om te spelen. Zo simpel is het.”

De reputatie van garagerockers is wel dat er nog weleens vreemde dingen gebeuren bij een optreden.
“Ja, we hebben ooit in een Belgische bikershop gespeeld waarbij iemand, bewust of onbewust, op een gegeven moment zijn haar in de fik stak. Dat is wel een van de raarste dingen die ik ook heb gezien. Het was een heel klein zaakje en we stonden op een verhoging met een motor ernaast. Toen keek ik naar beneden en zag ik het. De bezoeker is hij de zaal uit geëscorteerd.”

Hoe was het om met de band drie keer op SXSW in Amerika te spelen?
Spelen in Amerika was altijd al een jongensdroom. Ik ben altijd gigantisch fan geweest van de muziek daar en wilde het land heel graag zien. Vooral hun kijk op muziek is inspirerend om mee te maken. De popcultuur in Amerika verschilt enorm van die in Nederland en Europa. Ik merk in Europa, en zeker in Nederland, dat het enorm goed gefaciliteerd is met popzalen en subsidies. In Amerika is dat niet zo. Daar kom je niet weg met halfbakken shit, iedereen kan daar goed spelen. Al die bands zien er goed uit, klinken goed en zijn gewend om keihard te werken – vaak zonder enig succes. Er is veel meer een kroegencircuit waar middelgrote bands nog rocken in bars. Dat heeft iets romantisch, iets charmants. Tegelijkertijd mag je hartstikke blij zijn dat wij hier in een land leven waar je de meest geweldige festivals hebt met topgeluid en goed eten. Op SXSW speelden we op een feestje van het label Burger Records. Het was een van de hipste feestjes die je er kon vinden. Toch was er een enorm slecht geluidssysteem, geen soundcheck of wat dan ook. Iedere band kwam gewoon, plugde in en ging meteen spelen, of het geluid nou goed was of niet: daar was geen tijd voor. Dat is Amerika: een enorm verschil met hier. Het is de essentie van de muziek en het is daardoor heel oprecht en echt. Ik mis die instelling bij veel Nederlandse bandjes, hier moeten we alles maar polijsten.”

Het land Amerika houdt je bezig; je zingt in de titeltrack van jullie nieuwe album ‘We Are Europeans in America, this is what we do now’. Is dat waar de plaat over gaat?”Dat was lichtelijk ironisch bedoeld. Je ziet heel vaak dat mensen in Europa erg bezig zijn met het kopiëren van wat er in Amerika gebeurt, en een heleboel bandjes doen dat ook. Hoe ik het zie ie dat ik met de vele invloeden die ik heb, graag iets wil maken wat van mij is; iets persoonlijks en geen kopie ergens van. Het overkoepelende idee van de plaat is dat we nu in een internettijd leven waarin alles toegankelijk is voor iedereen. Hartstikke mooi natuurlijk, en het levert ons een ontzettend rijke beeldcultuur op, maar er is ook een geweldige overdaad. Dan vraag ik me af: wat beklijft er nog? Wat houdt er waarde en waar kijk en luisteren we over twintig, dertig jaar nog steeds naar? Bandjes schieten als paddenstoelen uit de grond, krijgen heel veel aandacht en worden heel erg gehypet, maar een jaar later heeft niemand het er nog over. Mensen zijn continu opzoek naar iets nieuws. Daar zit ook een competitief element in, in de zin dat iedereen probeert interessanter, leuker, knapper en beter te zijn dan een ander. Alles lijkt op elkaar en je ziet het eigenlijk in veel dingen: de kunst, de mode en de muziek. Dat is de competition waar de plaat over gaat.”

Doet traumahelikopter daar dan niet aan mee?”
Als ik het op onszelf betrek, vind ik het heel cool dat wij het met z’n drieën gewoon tof hebben. Überhaupt dat we drie platen gemaakt hebben, wat heel veel bands tegenwoordig al niet meer lukt. We zijn beste vrienden, dat is het. Dat maakt dat wij er wel heel veel zin in hebben. We zijn meer een soort broers nu omdat we zoveel samen hebben meegemaakt. Wij hoeven elkaar niets uit te leggen, wij begrijpen elkaar en weten wat we aan het doen zijn.”

Gemakkelijk in een hokje te plaatsen zijn ze niet, die DMA’s. Ze zien eruit als rasechte hooligans, maar ze spelen Britpop. Brits zijn ze dan weer niet, want ze komen uit Australië. En om het nog idioter te maken: folkmuziek bracht de bandleden bij elkaar. The Daily Indie neemt poolshoogte. 

Tegenstrijdig, zo zou je de stijl van de Australische DMA’s het beste kunnen omschrijven. Met hun petjes, gouden kettingen en sportjassen zien de drie late twintigers uit Sydney er nog het meest uit als hooligans. In plaats van terrormuziek spelen ze daarentegen melancholische Britpop. Live uit dit zich in een nogal, laten we zeggen, opvallend schouwspel. Gitarist Matt Mason oogt op het podium agressief en maakt continu idiote opruiende gebaren naar het publiek, terwijl het ene na het andere Britpop-anthem de revue passeert. De stoïcijns ogende zanger Tommy O’Dell staat onbewogen achter de microfoon en zingt zijn teksten met een gespeelde ongeïnteresseerdheid, alsof hij Liam Gallagher van Oasis imiteert. Tsja, en die Oasis-vergelijking wordt dan ook vaker gemaakt bij het drietal.

Een interessante vraag: zijn ze echt zo gevaarlijk als ze ogen? Dat valt behoorlijk mee, blijkt als The Daily Indie ze spreekt in Hilversum. ‘How are you, mate’, zegt Mason vriendelijk. Ze excuseren zich meteen: moe zijn ze inmiddels wel. Terwijl de zon buiten verleidelijk schijnt, worden O’Dell, Mason en zanger/gitarist Johnny Took al de hele dag geïnterviewd in het café van het VPRO-gebouw. Hun hooligan-uiterlijk vormt hier een mooi contrast met dat van de vele nette mediamensen die dit gebouw rijk is. Voor de reeks interviews hebben ze nog gespeeld bij 3FM. ‘Bij welke DJ?,’ vragen we. Dat weten ze niet meer, hoor. Gokje: Giel Beelen? ‘Ja, zo heette hij,’ zegt Took. ‘Een very nice guy!’ Mason is inmiddels druk verzeild in een WhatsApp-gesprek op zijn iPhone. Ongegeneerd, zoals het hoort bij dit soort jongens.

Het is een folkfestival dat er in 2012 voor zorgt dat DMA’s het levenslicht ziet; het Sydney Young Folk festival. Ja, je leest het goed: folkmuziek heeft de DMA’s bij elkaar gebracht. O’Dell en Took zitten in die tijd samen in een folkband en staan op het festival ingeroosterd voor Mason, die weer onderdeel uitmaakt van een andere band. Wat Mason zoal speelt in die tijd? ‘Heavy metal met bluegrass-invloeden,’ herinnert hij zich met een ietwat ongemakkelijke glimlach. ‘Veel banjo en sly gitaar. Behoorlijk gênant was het.’ Gênant of niet, met zijn banjospel trekt Mason wel de aandacht van Took. Die is samen O’Dell bezig aan een nieuw project naast hun band, en ze zoeken hiervoor bandleden. Took besluit na de show op Mason af te lopen en hem een EP’tje met hun nummers te geven. Het blijkt een schot in de roos; als ze later een paar dagen gaan oefenen, blijkt Mason alle nummers al te kunnen spelen. DMA’s is geboren.

Interview gaat verder onder de video

De jaren hierna brengt het drietal vooral door in de tot studio omgebouwde kamer van Took. Ze schrijven in totaal vijftig nummers, waarvan ze er 35 opnemen in Tooks slaapkamer. Geen folk meer, daar zijn ze wel even klaar mee. Ze maken nu wat meer elektronische popmuziek. Puur praktisch trouwens, legt Mason uit: ‘We hadden niet de juiste opnameapparatuur om drums op te nemen, dus besloten we maar met een drumcomputer te werken.’ Al snel verschuift de muziekstijl van DMA’s richting de Britpop, waar O’Dell en Took ook al lange tijd naar luisteren. ‘Toch was het elektronische element achteraf ook erg leuk,’ blikt Mason terug. ‘In de toekomst willen we daar misschien wel weer naar terug.’

Het drietal werkt in die tijd erg gedisciplineerd. Hun vrienden organiseren continu huisfeestjes, maar Took, O’Dell en Mason blijven nooit lang. Hun gemiddelde zaterdagavond in die tijd: eerst wat drinken bij vrienden om later op de avond weer naar Tooks slaapkamerstudio te gaan. Vol met nieuwe, al dan niet door drank beïnvloede ideeën. ‘Ik kan me eigenlijk geen feest uit die tijd herinneren waar we tot het einde zijn gebleven,’ herinnert Took. O’Dell: ‘We wilden gewoon mooie muziek maken. Dat vonden we interessanter dan huisfeesten.’

Het werkethos werpt zijn vruchten af; nadat de demotracks in handen komen van het lokale label I Oh You, krijgt DMA’s begin 2014 een contract aangeboden. Ze vinden muzikale versterking in drie vrienden, en als zestal touren ze de wereld over. Ook Nederland maakt kennis met de band; op London Calling laten de Britpop-hooligans het publiek in 2014 enigszins verbouwereerd achter. Op een goede manier; ze mogen een half jaar later terug komen. Daarnaast verschijnt er een eerste EP van de band. Hun vrienden spelen daarop dan wel partijen in, maar toch blijft DMA’s officieel een driekoppige band. Dat houden ze voorlopig maar even zo, zegt Mason: ‘We houden ervan om met zijn drieën de belangrijke beslissingen te kunnen nemen.’

Dit voorjaar verschijnt hij dan eindelijk: debuutplaat Hills End. Van hun management moeten ze de bulk van 35 liedjes hiervoor terugbrengen naar twaalf nummers. Een hele klus, vinden de bandleden, maar het resultaat mag er zijn; Hills End staat vol fijne, typisch Britse popnummers. Toch is het vooral thuisland Australië waar de bandleden van houden. Zo is Hills End een verwijzing naar een Australisch kinderboek van Ivan Southal. Took vertelt dat hij het momenteel leest: ‘Het gaat over kinderen die in een grot schuilen voor een sneeuwstorm. Het speelt zich af in de fictieve stad Hills End, die eigenlijk refereert aan Hill End. Dat ligt in New South West; de regio waar Matt en ik oorspronkelijk vandaan komen.’ Mason: ‘Het is ook een nummer, het eerste dat Johnny en ik samen schreven. Tijdens het schrijven aan dit album zijn we vaak naar het platteland afgereisd. Daar hebben we dit nummer ook geschreven.’

Interview gaat verder onder de foto

Een andere song op de plaat, Delete, groeit al snel uit tot het bekendste nummer van DMA’s. Dit nummer, dat in 2014 hun debuutsingle is, is een typisch anthem waar je in Manchester zalen mee kunt vullen; een melancholisch meezingnummer met een overigens opvallende tekstregel: ‘don’t delete my baby.’ Het gaat over liefde en social media, legt Mason uit. Hij heeft het nummer ruim acht jaar geleden geschreven, lang voordat hij in DMA’s speelde: ‘Ik moet toen 18 jaar geweest zijn, en het was net uit met mijn vriendin. Ik zag haar foto’s daarna telkens op social media. Ja, dat had je toen al. Je twijfelt: ergens wil je haar verwijderen als vriend, maar het lukt niet. Het is een typisch modern liefdesnummer, maar ik moet toegeven: de tekst vind ik inmiddels een beetje simplistisch. Zoiets zou ik nu niet zo snel meer schrijven.’

Goed, die Britpop dan; hoe hebben de Australiërs deze stijl eigenlijk ontdekt? Engeland ligt voor hen niet om de hoek, en de hoogtijdagen van de Britpop liggen ook al weer zo’n twintig jaar achter ons. ‘Van mijn oude schoolvrienden,’ zegt Took. O’Dell’s ouders komen uit Liverpool, vertelt hij. Hij heeft het dus van huis uit meegekregen. En Mason? ‘Voordat ik in deze band kwam, kende ik die muziek helemaal niet,’ geeft hij toe. ‘Ik luisterde vooral naar Amerikaanse bandjes.’ Hij moet lachen: ‘Dat ik nooit naar Britpop luisterde achtervolgt me nog iedere dag, als journalisten dit soort vragen stellen.’ Toch luisteren ze niet alleen naar Britpop, zegt Took: ‘Ik luister ook veel naar Springsteen en Dylan, en dat is Amerikaans. En zo hoort het, ieder modern persoon luister toch ook naar van alles; van hiphop tot rock en jazz? Als we reggae zouden maken, zou niemand het gek vinden. Nu wel. Dat is vreemd.’

Nou, helemaal vreemd is het natuurlijk niet. DMA’s speelt typisch Britse muziek, terwijl de bandleden uit Australië komen; de andere kant van de wereld. Geen enkel probleem, vinden ze zelf. Integendeel, ze zien het juist als voordeel. ‘Als we Brits waren hadden we dit niet kunnen doen,’ denkt Took. ‘Daar zou dit nogal afgezaagd overkomen. Voor ons als Australiërs is dit juist origineel. Als wij in Engeland optreden, krijgen we alleen maar positieve reacties.’ Alleen maar? Nou, geeft Took toe: ze hebben er wel een paar keer negatieve opmerkingen gekregen. ‘Een paar keer zeiden mensen dat we fuck offs waren, omdat we zulke Britse muziek maakten, maar er niet vandaan kwamen.’ Hij wuift de kritiek weg: ‘Ach, dat blijf je houden.’

In de media wordt DMA’s continu vergeleken met Oasis. Vinden ze dat niet vervelend? ‘Oasis is natuurlijk een goede band,’ zegt Took meteen. ‘We voelen ons niet beledigd door zo’n vergelijking. Als je goed naar onze muziek luistert, hoor je daarentegen ook andere invloeden.’ Hij wijst op de akoestische gitaar, die ze veel gebruiken. ‘Een band als The La’s gebruikte die ook veel. Ook zij vormen een invloed.’

Of de Gallaghers ook van DMA’s houden? Dat valt te betwijfelen. Zo laat Oasis-gitarist Noel Gallagher zich begin 2015 nogal negatief uit over DMA’s in een interview met de Australische muziekwebsite The Music. Hij zou ‘boe’ willen roepen tijdens een optreden van de band. Niet dat hij ook maar een noot van de Australiërs gehoord heeft, overigens. Wat de DMA’s vinden van deze uitspraak? Ze denken even na; deze vraag vinden ze duidelijk niet leuk. Dan neemt Mason het woord. ‘Het is een beetje zijn houding,’ zegt hij, zijn blik naar de grond gericht. ‘Als hij onze band zou horen, zou hij het vast leuk vinden.’ Took: ‘Weet je wat het ook is? Hij geeft waarschijnlijk een miljoen interviews per dag, dus op het einde van zo’n dag komt er dan weinig zinnigs meer uit.’

Met of zonder Noel als fan, de bandleden van DMA’s touren dankzij hun muziek toch maar mooi de wereld over. Ook de rest dit jaar staat voor hen in het teken van vliegtuigen en tourbussen. En als ze thuis komen, hebben ze dan nu wel tijd voor de huisfeestjes van hun vrienden? ‘Dat wel,’ lacht Mason, ‘maar toen ik laatst eens thuiskwam, merkte ik dat die feestjes er plotseling niet meer waren. Iedereen was opeens opgegroeid.’

*DMA’s LIVE*
Op 7 november speelt de band in Tivoli de Helling, 9 november in de Maassilo in Rotterdam en op 8 november in de Eindhovense Effenaar.

Karawane is niet helemaal onbekend: frontman Anne Caesar van Wieren speelde eerder in indieband LPG. Door drukte van sommige bandleden moest Karawane de eerste maand van de Popronde laten schieten, maar de band heeft zich voorgenomen om dat ruimschoots goed te maken met de andere shows. En dat lijkt te lukken: het Popronde-tourschema is ramvol.  

Was de Popronde iets waar je al lang naar uitkeek?
“Ja natuurlijk, zo veel spelen in korte tijd is te gek. We sloten pas later bij het hele feest aan omdat we nog niet compleet waren in de eerste maand, dus dat is wel jammer. Anders hadden we waarschijnlijk in nog meer steden kunnen spelen. Maar we mogen niet klagen: we mogen bijvoorbeeld van Groningen via Maastricht naar Middelburg en weer naar Alkmaar, met nog een aantal tussenstops. Veel meer kilometers kun je niet maken”

Zit er een stad tussen die favoriet is?
“Groningen is sinds twee weken weer mijn thuisstad, dus daar spelen vind ik heel leuk. Bijna iedere stad is om een bepaalde reden wel bijzonder voor één van ons. Zelf ben ik op de meeste plekken wel eens geweest, maar het mooie aan de Popronde is dat je terechtkomt op gekke plekken: kleine cafeetjes en kroegen die we nog niet kennen. Dat wordt wel echt een verrassing. Ik ben benieuwd hoe dat uitpakt.’

Hebben jullie nog bijzondere plannen voor de Popronde?
“Er zijn de afgelopen tijd een aantal bandwissels geweest, dus het wordt sowieso anders dan wat de meeste mensen van ons gezien hebben. Maar we houden van improviseren: tachtig procent van onze show staat in de planning en twintig procent is improvisatie. Of ja, eigenlijk moet je het zo zien: je hebt de band die de liedjes speelt, en je hebt Jorrit Westerhof. Hij is de vrije geest die af en toe wat doet, en wij als band volgen hem dan. Daar kan van alles misgaan, maar daar kunnen ook prachtige dingen gebeuren.

Jullie agenda is voor komende tijd helemaal vol. Hebben jullie al plannen gemaakt voor daarna?
“Na de Popronde willen we een aantal mooie voorprogramma’s gaan doen, daarna gaan we verder met het opnemen van onze nieuwe plaat. Daar hebben we onlangs een begin mee gemaakt, we brengen hem net als onze vorige uit bij Excelsior. Het wordt nogal een groots project, dus we hebben er nog geen datum op geplakt. We gaan daar rustig de tijd voor nemen.”

Thomas Werbrouck – in de bio omschreven als meester van licht en schaduw – zit in zijn badkamer. Voorheen samen met Eline Adam, aanjager van Little Trouble Kids. Was dat vrolijk neurotische indiepop met een hoekje eraf, in het schaduwuniversum van Krankland gaan de gordijnen volledig dicht. Zo nu en dan passeert er buiten een auto. Beneden drinkt het dwergkonijn soms van zijn water. Thomas vertelt met enthousiasme over het ontstaan Krankland en debuut Wanderrooms. 

“Ik was ’s nachts aan het autorijden, op een duistere autostraat van Kortijk naar Ieper – de streek waarin ik ben geboren. Er is geen geen straatverlichting en er zijn bijna geen huizen. Westvlamingen zijn de, hoe moet ik dat zeggen, stugge mensen die niet veel over emoties babbelen en dat altijd dapper door doen. Ik reed met mijn auto door het Vlaamse duister en ik ben beginnen gaan zingen, met woorden gaan spelen. Toen ik thuis kwam heb ik een gitaar genomen en de melodie op muziek gezet. Toen begreep ik: dit is iets nieuws, dit is iets anders.”

Verder had ik last van slapeloosheid. Ik stond op in het midden van de nacht en ging in mijn muziekkamertje zitten, in het donker. Ik heb daar een bureau, een zetelbed, veel gitaren en een klein klavier.  Mijn muziekkamer is drie bij twee groot – echt wel klein. Ik heb daar een groot raam, waardoor ’s avonds de oranje lichtpollutie mijn kamer binnen komt. Vooral in nevelige winternachten geven de lichten van de stad in het duister een rare gloed af.”

Een atmosfeer waar alles mogelijk is  
Krankland is het universum van Thomas Werbrouck. Geënt op muzikale referenties als Elliott Smith en Jonny Greenwood, maar ook op termen als spaarzaamheid, minieme beweging, suggestie, emotie doorlaten op de rede. Thomas: “Ik vond het belangrijk dat er een vrije, duistere atmosfeer ontstond, waarin alles mogelijk is. Dat is het landschap vanuit de auto. Donkere wegen, weinig licht. Een ander landschap dat mij heeft geïnspireerd is dat van de Belgische Ardennen, de heuvels, bergen, het bos. We gaan vaak zo naar een huisje, diep, diep in de bossen waar je geen enkel mens tegenkomt. Daar zijn ook een aantal nummers van de plaat geschreven.”

Een van de nummers die in de Ardennen is ontstaan, is het donkere Dog Days. “We zaten daar in de winter, de wegen waren dichtgevroren. Er lag sneeuw. Bovenop een heuvel heb ik mijn gitaar gepakt en ben gaan spelen. Daar is Dog Days ontstaan. In 2016 heb ik toen de band thuisgehaald.”

Dolende zielen
Plaatduwer van Wanderrooms is de psychedelische traagbrander In The Realms Of The Unreal. “Dit nummer is eigenlijk gebaseerd op de Goddelijke Komedie van Dante: het verhaal van een door duistere bossen dwalende ziel die uiteindelijk de verlichting vindt. In de clip wilde ik zoiets vinden: spookachtige, rare figuren die ronddolen en dan iemand die als een soort halve godheid licht brengt. Ik ben zelf niet gelovig ofzo, maar op een manier resoneren de thema’s uit de Goddelijke Komedie bijzonder bij mij. Er zit ontzettend veel kracht in de metafoor.”

De leeuw op de hoes van Wanderrooms is ook losjes afkomstig uit De Goddelijke Komedie: we hebben het meest fragiele dat er is, een breekbaar kindje, op de koning van het bos gezet. De leeuw als een soort beschermheer. In het echt is zo’n leeuw nooit te goeder trouw – je mag zo’n dier niet vertrouwen.”

Wanderrooms verscheen 30 september.

 

De psychedelische, experimentele rock van Nairobi Golf Kid vindt zijn oorsprong in Enschede, maar Utrecht is de de huidige uitvalbasis. De vierkoppige band combineert atmosferische ritmes met elementen uit de garage en triphop. Een combinatie die het beslist goed doet tijdens Popronde, wij spraken de heren over hun avonturen! 

Er zijn ondertussen al wat Popronde-shows achter de rug, hoe bevalt het?
“Goed! Het is een leuke ervaring. De opkomst is ons in ieder geval heel erg meegevallen. We staan op veel plekken waar we nog nooit zijn geweest, dus dat er dan daadwerkelijk mensen komen waardoor we een soort redelijk vol, of semi vol, of helemaal vol café staan… Ja, dat is hartstikke tof om te zien.”

Jullie komen oorspronkelijk uit Enschede, hoe is de muziekscene daar?
“Verrassend levendig. Er zijn redelijk weinig artiesten die wij zelf vet vinden, maar er zijn veel grappige initiatieven. Er is een overweldigende hoeveelheid aan harde rock- en metalbandjes, dat is in Enschede echt een dingetje. Wij vallen daar niet bepaald onder, dus wat dat betreft zijn er niet heel veel bandjes uit Enschede die een beetje in onze scene zitten, maar er gebeurt heel veel. Qua muziekscene past Utrecht al veel beter bij ons.”

Wat is het grootste verschil tussen jullie plaat en jullie live-performance?
“Toen we begonnen met onze vorige EP live spelen, merkten we wel heel erg dat wij ons op plaat graag profileren als een studioband. Dat we bezig zijn met productie en niet zoveel met of het wel mogelijk is om het ook zo live te spelen. Dus er zijn redelijk veel dingen die wij live anders doen. Het is vaak harder en onverwachter. Soms spelen we dingen die we nog niet hadden gerepeteerd. We proberen wat meer te variëren en zijn, nou ja, wat losser. Het is allemaal wat meer ontspannen.”

Jullie hebben best lange nummers, hoe proppen jullie dit op een setlist?
“Dat is inderdaad proppen! Soms moeten we nummers een beetje inkorten, en onze setlist bestaat over het algemeen niet uit heel erg veel nummers. Het is nou niet zo dat we nummers van tien minuten maken, maar we komen bij een optreden niet toe aan meer dan zes nummers. Dus die proberen we ook een beetje af te wisselen. Ik vind het wel heel lekker om lange nummers te spelen, maar proppen is het absoluut. Onze nieuwe nummers zijn langzamer en daarbij zijn we nog een beetje aan het uitproberen. Dat Popronde nu is, is dan ook perfecte timing! We hebben nog niets opgenomen, dus kunnen lekker experimenteren.”

Hoe hopen jullie dat het post-Popronde-leven eruit ziet?
“We gaan eerst aan de EP werken, daar hebben we erg veel zin in. Daarmee willen we dan ook touren. Nouja, we willen over het algemeen lekker veel showtjes spelen! Supportshows staan ook op ons verlanglijstje, en Eurosonic Noorderslag. We zijn voorlopig dus nog niet klaar met optreden.”

De Utrechtse rockers van Coppersky zijn goed bezig, en dan vooral bij onze oosterburen. De band tekende in 2015 bij het Duitse punklabel Uncle M, bracht de prima ontvangen tweede plaat If We’re Losing Everything uit, en daarop volgde ook nog eens een flinke tour in Duitsland. Ze zijn inmiddels weer terug, dus hoog tijd om bij te praten met zanger Martijn Zwart, bassist (en tevens broer) Robert Zwart en drummer Ray Kornet.

Robert, Martijn en Ray schuiven aan in de zonovergoten tuin van The Village Wolvenplein aan de Utrechtse Singel. De twee laatstgenoemden werken ook als barista bij The Village, Robert heeft tevens een koffieverleden. Samen met andere Zwart-broer Erik en gitarist Jeffrey van Driest houden ze desondanks tijd over om samen muziek te maken. In 2013 verscheen debuutplaat Relief, Be Around The Bend en twee jaar later EP Coppersky. In maart dit jaar stond De Helling in Utrecht vol voor de release van hun tweede, persoonlijke langspeler vol melancholische punkrock, waarop ze bewijzen steeds meer een eigen smoel te krijgen. Eentje die in Nederland nog niet honderd procent lijkt aan te slaan, maar bij de buren des te meer.

Martijn, volgens jou werkt jullie muziek veel beter in Duitsland dan in Nederland. Hoe komt dat, denk je?
Martijn: “Duitsers luisteren gewoon meer gitaarmuziek, veel breder ook. Onze muziek past daar beter. Ik kan er niet een specifieke reden voor geven, maar het werkt. Ons label zit in Duitsland en doet de albumpromotie daar. We hebben best veel airplay gekregen daar en waren plaat van de week bij een paar radiostations. We slaan daar goed aan en in Nederland wat minder. Ik heb er wel achteraan gezeten bij 3FM, maar het is ‘m niet geworden.”
Ray: “De focus lag daar ook niet echt op.”
Robert: “Nee, die lag op Duitsland. Niet dat we nu klaar zijn met Nederland, maar door het Duitse label en onze Duitse boeker kwam dit open te liggen en dit vinden we mega-interessant. Hier gaan we alles uithalen.”

Nou, vertel, hoe was de Duitse tour?
(In koor): “Supervet!”
Ray: “Ik vond het aller vetst dat we echt goede vrienden gemaakt hebben. Je speelt ergens een show en dan komen er gasten die vijf uur moeten rijden om jou te zien. Die doen dat gewoon, die komen langs. Ze hebben het qua tijd niet eens gered om de show te zien, maar ze wilden hangen met ons. Dan word je vrienden en dat vind ik echt bijzonder.”
Martijn: “We mochten ook logeren bij een stelletje in Meppen na onze show. Ik had ze pas die dag voor het eerst ontmoet. Hij stuurde mij een sms’je, hij had mijn nummer via de boeker of zo, en vertelde dat hij wel een plekje had.”
Robert: “Je merkt aan deze mensen dat zij er zo erg voor leven om bands op te vangen, naar festivals te gaan of zelf iets te organiseren. Dat ken ik hier niet echt.”

Welke verschillen merken jullie dan, als je Duitsland met Nederland vergelijkt?
Martijn: “Mensen waren daar echt aan het grooven op onze muziek. Eén weekend speelden we in Heidelberg en Trier, twee kleine, supermooie steden. We speelden in een of ander afgelegen kraakding om half één ’s nachts. Mensen waren aan het drinken, de hele zaal was vol, en toen we begonnen te spelen deed iedereen direct mee. Meteen interactie, meteen energie terug beuken. Wij zeggen altijd voor een show: dit is onze party hier op het podium. We willen mensen erbij hebben, maar wij zijn de partystarters. We gaan niet wachten tot mensen naar ons toekomen, we gaan lekker spelen en jammen. Mensen dansten keihard en er ontstond zelfs een moshpit. Dat gebeurt normaal nooit bij ons. In Nederland heb ik dat nog nooit meegemaakt. Heel bijzonder.”
Ray: “Ja, zeker als je er voor het eerst komt en dan meteen zo’n toffe feedback krijgt. Kijk, we maken er wel eens een grapje over. In Nederland heb je de befaamde Dutch Gap. Je speelt voor een halfvolle zaal. Dan heb je dus het publiek, een gat, en dan de band. Als je daar in Duitsland voor een zaal speelt waar niet zoveel mensen zijn heb je een gat, de mensen en de band.”

Mensen durven meer los te gaan?
Ray: “Ja, dat zit meer in die cultuur daar, lijkt het. In Duisburg speelden we in een soort restaurant bij een haven met een mooi uitzicht. Als je op zo’n plek in Nederland speelt denk je al snel: ‘ah, dit wordt helemaal niks’. Dat is daar compleet anders. Iedereen ging aan een lange biertafel zitten. Het was alsof we voor een dinerend gezelschap aan het spelen waren. Eén gast ging helemaal los. De dorpsgek, zeg maar. Toen het klaar was ging iedereen weer lekker met elkaar kletsen. Iedereen wist: ach, die gast gaat helemaal los, tof! Hier zou iedereen naar hem staan kijken. Heb je die dorpsgek weer.”
Martijn: “Dat was zó mooi. Iedereen was ook boven de veertig. Ik denk dat we nog nooit zoveel platen en shirts verkocht hebben. Die show was super last-minute geregeld, er was geen gage afgesproken, niks. Ga gewoon, komt wel goed, zei onze boeker. Aan het eind van de show ging een gast met de pet rond. We hebben meer geld opgehaald met die pet dan wat een normale gage is in Nederland. En daarna kochten die mensen ook nog een plaatje van ons. Niet normaal!”

Jullie houden van koffie. Die passie hebben jullie ook toegepast in de tour door coffeeparty’s, toch?
Ray: “Klopt. We vinden koffie heel erg leuk, we drinken allemaal koffie en in elke stad kun je wel koffie drinken.”
Martijn: “Ja, we kunnen alle drie heel goed koffiezetten. Het is Ray’s en mijn beroep, en Robert deed het vroeger ook. Dus gingen we koffie maken voor mensen naast de merchandise-tafel. We hebben ook een show gespeeld en vooraf en nadien koffie staan maken. Dat was supertof. Het was pay what you want, het ging totaal niet om het geld. Plaatjes verkopen, praatjes maken met mensen. Lullen en koffiezetten. Een leuk extraatje erbij.”

In een interview zei Martijn een keer dat jullie geen stadionrockband zijn en daar ook nooit genoeg voor zouden zijn. Leg eens uit?
Robert (lacht): “Dat gaan we ontkrachten!”
Martijn: “Nou, er zijn stadionrockbands die zo ontiegelijk goed zijn, zoals Foo Fighters. Hoe zij een show tweeënhalf uur kunnen doorbeuken.. Dan kijk ik ernaar en denk ik: dit is een doel waar je naar streeft. Die gasten spelen zoveel en zijn al zo lang bij elkaar. Het is geen nederigheid van mij om dat te zeggen, maar meer dat ik me niet daarmee wil vergelijken. Veel stadionrockbands van nu hebben ook een heel plaatje eromheen. Wij zijn eigenlijk best een simpele band. Het mag ook gewoon een beetje rommelig zijn af en toe. Dat zijn onze shows ook. Mensen spreken ons daar wel soms op aan: ‘ja, het was goed, maar wel wat rommelig’, zeggen ze dan.”

Trek je je dat aan?
Martijn: “Ach, dat is die punk in ons. Het hoeft niet allemaal zo perfect gelikt te zijn. Misschien had ik dat ook gezegd omdat we vaak met Kings Of Leon vergeleken worden, een heel gelikte stadionband. Zo’n soort band worden we nooit. Als wij ons liedje Hometown Show spelen, is dat simpelweg keihard beuken. Het hoeft niet zo strak te zijn.
Robert: “Toen wij de plaat Ralief uitbrachten in EKKO, werd er gezegd dat we van zo’n kleine ruimte een stadion hebben gemaakt. Dat is een superpositief compliment dat we ook vaker te horen krijgen; mensen die vertellen dat onze muziek thuishoort in een grotere zaal. Maar wij vinden het juist interessant om ook op de grotere podia een gevoel te creëren alsof je in een café staat met een groep vrienden. Maar eh.. dat we er niet goed genoeg voor zouden zijn. We zijn een beetje een jam-band. Soms gebeurt er gewoon iets terwijl we live spelen. Dan gaan we muziek maken in plaats van dat we de liedjes netjes afspelen zoals het hoort. We zoeken de spanning op van wat je op dat moment met elkaar kunt creëren. Ons label en de boeker vinden dat juist interessant aan ons. Ik denk dat we wel goed genoeg zijn. Zulke bands hebben zoveel routine opgebouwd, ook op andere grote podia. Wij hebben die routine in kleinere vorm gehad en daardoor zijn we ook geschikt voor grote plekken. Ik hoop dat we in 2017 gewoon het hele festivalseizoen meespelen.”

Jullie staan volgende maand op festival De Beschaving. Spelen jullie festivalshows anders dan kleinere clubshows?
Ray: “Op een groot podium kun je lekker hard beuken. Dat kunnen wij wel. Heel eerlijk gezegd is dat ook niet zo moeilijk. Wij proberen nu juist alle grenzen op te zoeken, hoe klein kun je het houden en hoe groot kun je het krijgen. En dat moet wel; wij spelen gewoon in kleine zalen. Als we op grotere podia staan en we die cafésfeer proberen te houden, gaat het misschien nog wel beter. We proberen met die intentie te spelen. Met het idee dat het een groot podium is, maar dat we spelen alsof we hier mét iedereen staan. Niet dat we vóór iedereen staan.”

Jullie zijn ook alweer bezig met het schrijven van nieuwe muziek. De laatste plaat is heel persoonlijk. Wordt het nieuwe album compleet anders?
Martijn: “Ik denk het wel.”
Robert: “Sowieso niet weer precies dezelfde thema’s.”
Martijn: “Maar onze muziek gaat heel vaak over familie, over thema’s die dichtbij liggen. Ik vind het belangrijk om daarover te zingen en muziek te maken.”Ray: “Het maakt ook niet wat eruit komt, als we het maar met elkaar doen.”
Robert: “Ik kan eigenlijk niet wachten om weer op te nemen. Dat gaat echt nóg beter worden, ik weet het zeker.”
Martijn: “Dat is het doel, dat wij zelf het gevoel hebben dat we beter worden in het creëren van muziek. Dat wij ook een groei maken. Getallen doen mij niet zo heel veel, daar mag de manager lekker naar kijken. Jullie spelen nu voor 150 man en volgend jaar voor 300 man. Ach, dat maakt me niet zoveel uit. Ik wil dat onze show intenser wordt, dat wij op het podium meer met elkaar gaan spelen ook. We doen steeds meer spontane dingen op het podium. Meer jammen. Zoals Robert al zei, we zijn meer die jamband geworden. Dat is ook een kenmerk geworden van bands die we heel vet vinden zoals DeWolff. Gewoon ter plekke dingen maken.”
Ray: “Wat wel grappig is, is dat ik geloof ik al vijf keer de vraag heb gehad of we allemaal een muzikale achtergrond hebben. Hebben we niet, we hebben ook geen conservatorium gedaan of zo. Ik moet dan altijd wel grinniken, want we zijn allemaal gewoon aan het kloten. Vanaf het begin zijn we aan het kloten geweest.”
Martijn: “Toen jij in de band kwam had jij überhaupt zeven keer een drumstel gezien in je leven. Ik had drie maanden gitaarles gehad en alleen maar wat Metallica-riffjes geleerd. En Robert, jij hebt helemaal nooit iets geleerd, jij hebt het gewoon gedaan.”
Robert: “DeWolff is echt te gek. Wat zij doen wil ik ook met Coppersky. We doen het ook al. Zij spelen altijd alsof het hun laatste show is. Die intensiteit. Nu is het moment. Niet met een idee van over een jaar staan we voor drieduizend man. Nee, we spelen nu die dertig man plat.”
Martijn: “In de plastische zin van het woord blijf je gewoon een entertainer als muzikant. In de middeleeuwen waren muzikanten ook van die mafkezen die gewoon mensen moesten entertainen, die in een hoekje wat muziek stonden te maken en niemand die erop lette. Nu is de band het focuspunt geworden, maar je blijft een entertainer. Wij entertainen door met elkaar heel veel plezier te hebben. En als dat er niet meer is, waar de fuck gaat het dan over?”

Volg Coppersky tijdens hun aankomende shows op Facebook en Instagram.

 

 

Een band die klinkt alsof Lana del Rey de frontvrouw is van een nineties-rockband met sterke surfinvloeden uit de jaren vijftig. Niet alleen op papier, ook uit de speaker klinkt dit als een sublieme mix. Giet er nog een beetje Joe Meek en Tarantino met Mazzy Star overheen en je hebt de gouden formule te pakken van Black Honey. De band uit Brighton gooit hoge ogen met zijn Britse garage en speelt vandaag op London Calling.

‘Rondtoerende bandavond’ Unknown Pleasures host de bovenzaal van Paradiso op de vrijdagnacht van London Calling, waar zij zal waken over bands als Autobahn (1:10 uur) en Black Honey (23:50 uur). Om binnen het thema te blijven: wat zijn de meest unknown pleasures van Black Honey-zangeres Izzy Baxter? “Ik hou van schilderen, tekenen en inkleuren”, vertelt ze. “Op het moment hou ik mij vooral bezig met het maken van inkttekeningen met een toffe kalligrafiepen. Al kan het soms wat lastig zijn om een pot inkt op tour mee te nemen.” Wat voor platen luisteren de bandleden in hun niet-voor-inkt-geschikte-en-schuddende-bandbus naar Amsterdam? “De nieuwe plaat Tell Me I’m Pretty? van Cage The Elephant. Een best of-compilatie van Lou Reed gaat op elke tour mee, onder meer omdat er een paar Velvet Underground-nummers op staan. Daarnaast zijn we gek op door de nieuwe track Hello Death van Johnny Lloyd. En uiteraard de nieuwe mixtape van Tommy (bassist, red.)! Er gaan geruchten dat het een soort spectaculaire mix is van Robbie Williams, Martha Reeves en Kraftwerk.”

Roberto Cavalli
Het ziet ernaar uit dat de band op volle oorlogssterkte in Paradiso aan zal treden. “Ik heb het gevoel dat we de laatste maanden na al het toeren zijn veranderd in een onstuitbare machine”, zegt Baxter enthousiast. De band is in ieder geval lekker op dreef na een bizarre show in Milaan. “Onlangs werden we gevraagd om te spelen op de Milan Fashion Week tijdens de show van Roberto Cavalli. We hadden geen idee dat de show en de catwalk om ons heen zouden worden gebouwd. Onze gezichten werden geprojecteerd op de muren en onze bandnaam stond met graffiti op elke muur gespoten. Het leek wel de Factory van Andy Warhol”, vertelt de zangeres. Laatstgenoemde setting en locatie sluiten naadloos aan bij de muziek van het viertal. “We plukken ideeën uit verschillende decennia en disciplines en proberen deze vervolgens om te zetten in klanken die filmisch, iconisch of ronduit betoverend klinken. Daarbij proberen we met ons artwork het gevoel van de muziek te versterken.”

It means everything
Vanaf het moment dat de eerste, gelijknamige EP van de band uitkwam in 2014, werd de band door talloze blogs opgepikt en gelanceerd in de muziekindustrie. De een na de andere show kreeg de band aangeboden en de festivals stonden in de rij. Het harde werk en de vele uren die de muzikanten in de band stoppen, lijken zich dan ook steeds meer uit te gaan betalen. “Het betekent alles voor ons. We hebben onze heel volwassen leven minimumloonbaantjes gehad en elke cent bij elkaar gespaard om plaatjes uit te brengen en op te kunnen nemen in Chris (gitarist red.) zijn slaapkamer. We proberen alles te doen om zo oprecht en zuiver mogelijke muziek te maken.”

Strolling down the canals
De laatste keer dat de muzikanten in Amsterdam waren, gingen de vier als pasgeboren hertjes met x-beentjes over de schaatsbaan voor het Rijksmuseum. Wat willen ze deze keer doen? “We zouden ditmaal graag het museum ín willen. Vorige keer hadden we geen geld en zijn we maar gaan schaatsen”, zegt Baxter. “Wandelingetjes langs de grachten en koffiedrinken doen we het liefste in de stad.”

Sweaty madness of The Honeys
Om volledig voorbereid het Black Honey-gedruis in te duiken vannacht, voelde de London Calling Times de zangeres nog even aan de tand door middel van een paar korte en snelle vragen. Welke band wil ze niet missen vanavond? “Absoluut Kid Wave, we kunnen niet wachten om hen eindelijk eens te zien spelen!” Hun grootste droom? “Om ooit de grote zaal van Paradiso uit te verkopen.” Vreemdste omschrijving van hun band? “Voordat we een persfoto hadden, werden we omschreven als een duo met synths. Wij dachten: huh?!” Wat doet de band over een paar jaar? “We nemen de wereld over en spelen daarna de eerste show op de maan!” Wat is het laatste nieuws rondom nieuw materiaal? “Binnen een paar maanden brengen we een nieuwe EP uit. Over ons debuutalbum kunnen we nog weinig vertellen, maar het zal het wachten waard zijn.” Waarom moet je vanavond vooraan staan? “The front row is the closest you can get to the chaos and sweaty madness of The Honeys.” Staat genoteerd!

De Leidse/Amsterdamse band Torii schittert in de nieuwe TDI videosessie. De band brengt 17 maart zijn debuut-EP ‘Submerged’ uit op Purple Noise Record Club. De gelaagde nummers van de band doen denken aan Radiohead, John Maus en Deerhunter en zijn opgenomen in een antikraakpand in Leiden. Op het moment van interviewen is band deze voormalige school net abrupt uitgezet. In een nieuwe oefenruimte praat TDI met twee vijfde van de band: zanger en gitarist Domenico Mangione en toetsenist Jilles van Kleef.​

Laten we beginnen bij de basics: hoe is Torii ontstaan?

Domenico: “Torii is ontstaan uit een periode waarin ik veel muziek schreef. Gek genoeg kwamen er al snel best wat aanvragen om live te spelen. Dat terwijl we nog vrijwel niets online hadden staan behalve wat weird ass demo’s. Pas sinds februari vorig jaar bestaat Torii als een ‘echte’ band.”

Hoe en waar is ‘Submerged’ tot stand gekomen?

D: “Ik heb het opgenomen in een school in Leiden. Ik woonde daar antikraak en Jilles woonde in het pand daarnaast. Ik had veel opname apparatuur staan en had genoeg ruimte, waardoor we alles tegelijkertijd konden inspelen. De basis van de EP is dus ook helemaal live opgenomen. Uiteindelijk heeft Tijmen van Wageningen van de band The Womb alles gemixt.”

Komen daar ook die meeuwen, die je af en toe op de EP hoort, vandaan?

Jilles: “Ja, er was echt een meeuwenplaag daar. Als je naar buiten ging, kwamen ze om je heen cirkelen en probeerden ze expres op je te schijten, verschrikkelijk was dat.”

D: “Een middag regende het keihard en de meeuwen waren aan het krijsen, dus had ik het raam opengezet en dertig minuten aan omgevingsgeluid opgenomen. Dat hebben we in de EP verwerkt. Dat mis ik soms wel in opnames van artiesten: de sfeer van de omgeving. De locatie draagt echt iets bij. “

Hoe zit het met de tekst: wat betekenen de nummers op de EP?

D: “Voor mij is zang in Torii meer een instrument dan een overdrager van tekst. Dat betekent echter niet dat de teksten niet belangrijk zijn, de plaat is doordrenkt met thematiek. Ik heb erg last van depressie en ben daar veel mee bezig. Voor mij is muziek heel reflectief. Als je je depressief bent voel je je vaak heel erg gedissocieerd. Alsof de werkelijkheid net niet klopt, er net niet is. Daarom heet de plaat ook ‘Submerged’. Het beschrijft het gevoel alsof je onder water zit, alsof er een barrière is tussen jou en de wereld.”

J: “Het gaat om een soort geïsoleerdheid, afgesneden van de rest. Dat heeft ook te maken met de betekenis van onze bandnaam, namelijk ‘poort’. De muziek is een soort poort naar dat geïsoleerde gevoel.”

D: “Het nummer Submerged is bijvoorbeeld opgebouwd uit één akkoordstructuur, het is één stuk dat zich herhaalt en daarmee weer het concept bevestigt en misschien zelfs versterkt. Het is een existentialistische isolatie waarbij je alles in je leven langs ziet gaan.”

Op 17 Maart is de releaseshow van ‘Submerged’ in De School in Amsterdam, in samenwerking met Subbacultcha.

Ook in samenwerking met Subbacultcha: onze videosessie met de Torii!