Homeshake begon ooit als een side-project van Peter Sagar, die we kennen als voormalig gitarist van Mac DeMarco (lees hier ons interview met hem). Het constante touren werd hem echter te veel, waardoor hij de band verliet. Hij trok terug naar zijn thuishaven Montreal om zich compleet te focussen op zijn solowerk.

Als bedroom-producer vond Sagar de tijd en ruimte om op te gaan in zijn eigen muziek en zo wist hij de afgelopen jaren drie karakteristieke albums ter wereld te brengen. Helium is de nieuwste toevoeging aan die collectie. 

Het korte Early mag Helium openen, het instrumentale nummer benadrukt meteen het kenmerkende, ontspannen tempo van Sagar zijn muziek. Tussendoor wordt dezelfde boodschap door een aantal rustige intermezzo’s opnieuw duidelijk gemaakt. Ook op Helium heeft Sagar duidelijk geen haast.

Losstaand zouden de intermezzo’s niet tot hun recht komen, maar in de context van het album lijken ze de luisteraar van het ene naar het andere verhaal te brengen. Het is bijna zoals de aangename achtergrondmuziek van een film of computergame, maar zonder meer op te roepen dan een vaag en onheilspellend gevoel.

Sensuele gitaren
Eigenzinnige keuzes zijn we inmiddels wel gewend van Homeshake. Verschillende synthesizers, sensuele gitaren en soms moeilijk te plaatsen geluiden zijn op alle albums terug te vinden. De meeste nummers op Helium maken gebruik van eenzelfde formule, waardoor het allemaal maar subtiel van elkaar lijkt te verschillen.

In vergelijking met de eerdere albums klinkt Helium een stuk gepolijster. In The Shower en Midnight Snack hadden nog duidelijk een slackerrock-nasmaak. Fresh Air stapte daar al meer vanaf en plaatste de synthesizer meer op de voorgrond. Maar alle drie de albums hadden nog sterk een analoog gevoel. Op Helium lijkt Homeshake wat afstand van de lofi genomen te hebben om zijn geluid te verfijnen.

Makkelijk
Wat eerder werkte, zien we terug in de nieuwe nummers. Deze keer geen verrassende synths of nieuwe, onverwachte gitaarloopjes. Dat heeft geleid tot een hoop ontspannen materiaal wat makkelijk weg luistert, maar tegelijkertijd blijft daardoor weinig hangen.

De grootste verrassingen zijn te vinden in Like Mariah en All Night Long. De eerste wordt gekenmerkt door zijn baspartij, die meteen aan het Seinfeld-theme doet denken. In eerste instantie klinkt dit bijna lachwekkend. De bas lijkt veel te overdreven voor het langzaam voortkabbelende geluid van Sagar, maar juist dat contrast zorgt ervoor dat Helium niet onnodig doorslaat in herhaling.

Ook All Night Long komt onverwachts uit de hoek. De trapbeat in de intro lijkt precies het tegenovergestelde van wat Homeshake normaliter zou doen, waardoor je je bijna af gaat vragen of het niet als grap bedoeld is. Al met al is Helium zeker geen onaangenaam album, maar Homeshake lijkt over het algemeen minder gericht op het experiment dan voorheen.

Ken je dat, dat je na al het jaarlijstjes-geweld van begin december toch altijd nog een paar van die pareltjes ontdekt die je om één of andere reden compleet gemist had? Daarom brengt The Daily Indie de laatste dagen van het jaar traditiegetrouw nog een ode aan een aantal briljante, tot nu toe compleet overkeken albums. Zodat er ook op de valreep van de jaarwisseling nog genoeg goede muziek te ontdekken valt. De hekkensluiter van het jaar is The Great Unknown van Mystic Braves, een band die al jaren schandalig onder de radar blijft.

Tekst Robin van Essel

Soms heb je van die bands die al járenlang geregeld van zich laten horen, platen verkopen, volle zalen trekken en zo voorts, maar die desondanks toch alleen vragende blikken opleveren wanneer je zegt dat de band in kwestie toch wel weer een lekker plaatje heeft gemaakt. Zo ook Mystic Braves. Toegegeven: je vraagt er ook wel een beetje om, wanneer je als band niet één, maar twee keer je naam wijzigt.

Hou je vast: in 2012 bracht Blackfeet Braves uit Californië zijn gelijknamige debuutplaat uit vol met zonnige psychedelische pop, die destijds naadloos mee liftte in de slipstream van bands als Allah-Las, Night Beats, The Growlers en Mr. Elevator & The Brain Hotel. Het album lag koud in de winkel toen de band zijn naam wijzigde naar Mystic Rabbit, wat dan ook weer de eerste single was van het album Blackfeet Braves, dat dan op zijn beurt weer niet van naam wijzigde. De plaat landde prima, voornamelijk door de populariteit van eerdergenoemde bands in die tijd die Blackfeet Braves / Mystic Rabbit meenamen op tours door de VS. Toen de band een jaar later met een opvolger genaamd Desert Island kwam, prijkte ineens de naam Mystic Braves als bandnaam op de cover en werden ook zowel bandnaam als titel van de debuutplaat met terugwerkende kracht omgedoopt.

Driemaal is scheepsrecht, moeten Julian Ducatenzeiler (zang en gitaar), Tony Malacara (bas en zang), Shane Stotsenberg (gitaar en zang), Cameron Gartung (drums), Ignacio Gonzalez (orgel) gedacht hebben, want sindsdien houdt de band uit San Diego netjes Mystic Braves aan. Plaat nummer drie Days Of Yesteryear kwam uit 2015: het jaar waarin we het wel even gehoord hadden met die Californische psychpop, getuige de miljoenmiljard Allah-Las-klonen die rond dat jaar rechtstreeks terug de obscuriteit in gingen. Niet verwonderlijk: het begon allemaal wel erg veel op elkaar te lijken, toch? Hoe lekker het ook is, een mens kan maar zo veel zongeblakerde stranden, surfers, roadtrips in Amerikaanse convertibles met aangename lofi sixties janglegitaartjes en Hammond-akkoorden verdragen.

En het duurde inderdaad drie jaar waarin Mystic Braves het gemakkelijk voor gezien had kunnen houden, ware het niet dat het publiek in de VS om een of andere reden er geen genoeg kreeg: de band tourt sinds 2015 praktisch nonstop door het land en afgelopen zomer was daar ‘ineens’ plaat nummer vier, The Great Unknown. En laten we er niet omheen draaien: als na vier seconden klinkt opener Under Control alsof de tijd heeft stilgestaan. Het klinkt allemaal nog net zo retro als 2012. Begrijp me niet verkeerd, alles dat Allah-Las zo onweerstaanbaar maakte is aanwezig. En: een ‘bekend geluid’ staat volgens ons echt niet altijd gelijk aan ‘niet de moeite waard’.

Desondanks was The Great Unkown was redelijk geruisloos uit ondergetekende’s 2018-canon vertrokken als bleek dat de plaat bij nader luisteren niet zo belachelijk vol heerlijke songs zou staan. Ducatenzeiler en co. zijn namelijk bijzonder goede songschrijvers, die alle twaalf nummers op deze plaat erin slagen om hun collectieve geluid meer te laten zijn dan een jangly gitaartje, vierkwartsmaat drums en wat samenzang. Het is herkenbaar, maar mede dankzij de kraakheldere hifi productie wel anno-nu-herkenbaar, en het ontstijgt daarmee met gemak de eeuwige vergelijking met die andere Californische psychpopband.

Om maar eens een cliché van stal te halen: Mystic Braves klinkt op The Great Unknown zelfverzekerd en volwassen. De een na andere onweerstaanbare hook, een subtiel pianoriedeltje, een tempoversnelling – het is muzikale aankleding voor melancholieke, soms ronduit trieste mijmeringen over hoe godvergeten vergankelijk en betekenisloos deze wereld soms is, en dat eigenlijk het enige dat je kunt doen om de boel als de sodemieter te relativeren is erop uit trekken, op weg naar nieuwe avonturen.

Mystic Braves is op deze plaat net zo retro en tijdloos als midden-in-de-roos 2018.


Lees hier ook de overige delen van onze Op de valreep-serie van dit jaar terug:
1: The Citradels – Fuck The Hits, Vol 1.
2: American Pleasure Club – A Whole Fucking Lifetime Of This
3: Man From The South – The Disappearance Of Man From The South
4: Tropical Fuck Storm – A Laughing Death In Meatspace

Ken je dat, dat je na al het jaarlijstjes-geweld van begin december toch altijd nog een paar van die pareltjes ontdekt die je om één of andere reden compleet gemist had? Daarom brengt The Daily Indie de laatste dagen van het jaar traditiegetrouw nog een ode aan een aantal briljante, tot nu toe compleet overkeken albums. Zodat er ook op de valreep van de jaarwisseling nog genoeg goede muziek te ontdekken valt. Nummer vier in de reeks: redacteur Bart brengt een ode aan het fijnzinnig getitelde A Laughing Death In Meatspace van het al even zo fijnzinnige Tropical Fuck Storm.

The Drones gooide in thuisland Australië hoge ogen, met het prachtige Wait Long Enough By The River And Your Enemies Will Float By uit 2005 als uitschieter. Maar ècht doorbreken deed de gruizige, bluesy gitaarmuziek ook weer niet. In 2016 stopte de band ermee, maar zanger/gitarist Gareth Liddiard en bassiste Fiona Kitschin gingen verder.

In 2017 begon het duo Tropical Fuck Storm, met Erica Dunn op gitaar en toetsen en Lauren Hammel op drums, en schreven ze het ook al zo fijnzinnig getitelde  A Laughing Death In Meatspace bij elkaar. Het is een plaat die nog iets ongemakkelijker is, nog wat harder schuurt en misschien ook nog wel iets mooier is dan wat The Drones ooit uitbrachten.

Tropical Fuck Storm klinkt als een pislinke David Bowie en het boze neefje van Nick Cave in één. De algehele modus operandi is dat het viertal er steeds in slaagt een gemiddeld popliedje bij de kladden grijpen, om het daarna op de pijnbank smijten en uit elkaar te trekken tot het gilt. Het is gedeconstrueerde popmuziek in optima forma en de plaat luistert als een koortsachtige, bijna beangstigende trip.

In opener You Let My Tires Down lijkt Liddiard uit zijn tenen te zingen, terwijl de gitaren over elkaar jagen in een nummer dat steeds dramatischer wordt, maar nergens verzandt in nodeloos bombast. Misschien nog wel sterker zijn ondergistende, broeierige nummers als Chameleon Paint, waarin de focus minder op feedbackende gitaren ligt en meer op synths en gerafelde beats. Dan hoor je pas goed hoe slim de band speelt met zijn liedjes; hoe ze worden afgebroken en weer aan elkaar gelijmd, zodat er iets volstrekt nieuws en spannend is ontstaan. 

Vrolijk is het bepaald niet, al doet de venijnige humor in Liddiards teksten je regelmatig grijzen. Verhalen over dropouts van de maatschappij wisselt hij af met distopische toekomstbeschouwingen over een wereld waarin niemand meer schaakt en waarin computerproducent IBM niet alleen je dromen, maar ook je nachtmerries bewaarheid laat worden. A Laughing Death In Meatspace is de misschien wel ongemakkelijkste én sowieso één van de mooiste platen die dit jaar verschenen is.


Lees hier ook de overige delen van onze Op de valreep-serie van dit jaar terug:
1: Fuck The Hits, Vol 1. – The Citradels
2: A Whole Fucking Lifetime Of This – American Pleasure Club
3: Man From The South – The Disappearance Of Man From The South

Ken je dat, dat je na al het jaarlijstjes-geweld van begin december toch altijd nog een paar van die pareltjes ontdekt die je om één of andere reden compleet gemist had? Daarom brengt The Daily Indie de laatste dagen van het jaar traditiegetrouw nog een ode aan een aantal briljante, tot nu toe compleet overkeken albums. Zodat er ook op de valreep van de jaarwisseling nog genoeg goede muziek te ontdekken valt. Eén van die gemiste parels komt gewoon uit het zuiden des lands, van Man From the South.

Tekst Niels Steeghs

Man From the South is het geesteskind van Eindhovenaar Paul van Hulten (die je wellicht al kent van zijn eerdere band Woody & Paul). Voor de oplettende en belezen lezer: inderdaad, er is een link naar de vertelling van Roald Dahl. The Disappearance Of Man From The South is Van Hultens derde, meesterlijke plaat.

Ietwat ironisch getiteld is ‘ie wel, want verdwijnen is niet eens zo moeilijk als je niet staat te popelen om overal in de spotlights te staan. Van Hulten is geen man van veel woorden en al evenmin een boodschapper van al te veel poespas. In gesprek met de krant van zijn regio, het Eindhovens Dagblad, zei hij over muzikanten met maniertjes die over hun zogenaamd moeilijke levens zingen: “Ik kan niet zo goed naar zulke mensen luisteren. Dan denk ik vooral: ‘Zoveel mensen met zo’n enorm interessant leven zijn er toch niet? En dan zijn ze ook nog allemaal muzikant!’ Er was maar één Townes Van Zandt, geen honderd!”

Getormenteerd mag het bestaan dan misschien niet zijn, de liedjes van Man From the South zouden niet misstaan in een filmisch decor. Denk aan de beelden van David Lynch of Twin Peaks en je hebt een idee. Fans van Jason Isbell, Bonnie ‘Prince’ Billy en ook Townes van Zandt kunnen dit moeiteloos aan de platenkast toevoegen. De thema’s? Een liedje als Swedish Balls gaat precies over dat waar je nu het eerst aan denkt: het herkenbare gevoel van verdwaald en verdwaasd raken in de Ikea: ‘Forgot what I was once looking for. No voice to guide me through these endless corridors’, horen we Van Hulten met zijn donkere vocalen zingen. Niks moeilijk gedoe, gewoon dingen die uit het leven gegrepen zijn. Net zo herkenbaar als het ouder worden waar Demons Of Age over handelt, en in The Death Of Me zelfs mijmerend over hoe het einde van het leven zal komen.  

Net als op zijn vorige platen staat dit werkje bol van de serene prachtliedjes. Intens, broeierig en een tikje dromerig. Van Hulten krijgt wederom hulp van compagnon Chris Draaijer, de multi-instrumentalist (zelf spelend onder de naam travelsunnysamsara) en producer die de plaat voorziet van dat extra spannende laagje synthesizers en vocale vervormingen.

Een puik werkje vol warme melancholie en bedachtzaamheid dat in alle bescheidenheid – want in eigen beheer – werd uitgebracht en daardoor behoorlijk onder de radar bleef, maar dat zeker wat extra draaibeurten verdient. En wie weet ligt het Ikea-sentiment na de tweede kerstdag ook bij jou nog wel vers in het geheugen.      


Lees hier ook de overige delen van onze Op de valreep-serie van dit jaar terug:
1: Fuck The Hits, Vol 1. – The Citradels
2: A Whole Fucking Lifetime Of This – American Pleasure Club

Ken je dat, dat je na al het jaarlijstjes-geweld van begin december toch altijd nog een paar van die pareltjes ontdekt die je om één of andere reden compleet gemist had? Daarom brengt The Daily Indie de laatste dagen van het jaar traditiegetrouw nog een ode aan een aantal briljante, tot nu toe compleet overkeken albums. Zodat er ook op de valreep van de jaarwisseling nog genoeg goede muziek te ontdekken valt. In deel twee: redacteur Mick over A Whole Fucking Lifetime Of This van American Pleasure Club.

Voel jij je een oude ziel die niet meer bijhoudt waar ‘de jeugd’ zich mee bezighoudt? Soms is het lastig om bij te houden hoe jonge (echt jonge, bedoelen we) mensen nieuwe muziek ontdekken. En dat is misschien niet heel gek. Hoe moet je in hemelsnaam weten dat het de moeite waard is om Soundcloudrappers via Tumblr te volgen? Voor je het weet, loop je plots achter de feiten aan en ben je al veel te laat om de dood van Lil Peep te betreuren. Of was het Lil Pump? Waarom zit überhaupt iedereen ineens aan de Xanax als een partydrug? Nee, geef ons oude zielen maar de zolderkamerfratsen van Car Seat Headrest.

American Pleasure Club zou weleens de brug kunnen zijn tussen die twee werelden. De band staat onder aanvoering van Sam Ray, wiens online persoonlijkheid al net zo alle kanten opschiet als de muziek. Zelf kondigde hij in blokletters aan dat we vooral moeten genieten van dit in februari uitgebrachte album, hij had er immers zijn eigen bloed voor vergoten en zijn ziel voor geruïneerd.

De emoties liggen er inderdaad dik bovenop. In veel andere gevallen zou dat slecht uitpakken. Dat komt vaak banaal over, of zelfs nep. Op A Whole Fucking Lifetime Of This slaagt American Pleasure Club er echter in om enorm veel stukjes evocatieve muziek achter elkaar te plakken, zonder dat het overkomt als puur effectbejag. Het is de knip-plakgeneratie, die lak heeft aan genre-grenzen, en gewoon speelt wat ze vindt dat er op dat moment nodig is.

Het levert een overweldigende potpourri aan stijlen op die, ondanks de titel van de plaat, met een krappe vijfendertig minuten voorbij is voor je het doorhebt. In dat half uurtje wordt de luisteraar wel achtergelaten met een collage van nostalgie: naar zeroes indie, nineties triphop, scheurende gitaren en zelfs een snufje jungle. Voor mensen die geen geduld hebben om een album van voor naar achter helemaal te beluisteren is dit misschien wel het moment om dat eens te leren. Het duurt maar even en je hoeft nooit veel langer dan anderhalve minuut op hetzelfde te letten. Ook binnen de liedjes zelf springen de arrangementen allerlei richtingen uit. Als ze dat niet doen, levert dat juist weer prachtige contrasten op, waar je wel naar moet luisteren.

De voormalige bandnaam Teen Suicide doet al vermoeden dat we hier met een stereotype hooggevoelige millennial te maken hebben. Sam Ray lijkt dit imago donders goed door te hebben, want hij weet juist zo met de verwachte clichés te spelen dat je het album meteen nog maar eens opzet. Gewoon om nog eens goed na te gaan wat er nou eigenlijk net allemaal gebeurd is. De kleine liedjes zijn bloedstollend mooi, de grote intens meeslepend. Maar denk nu niet dat dit album zo random is dat het nutteloos wordt. Het is juist een van de sterke punten dat zowel de losse tracks als het hele album ondanks zichzelf allemaal als één geheel aanvoelen.


Ken je dat, dat je na al het jaarlijstjes-geweld van begin december toch altijd nog een paar van die pareltjes ontdekt die je om één of andere reden compleet gemist had? Daarom brengt The Daily Indie de laatste dagen van het jaar traditiegetrouw nog een ode aan een aantal briljante, tot nu toe compleet overkeken albums. Zodat er ook op de valreep van de jaarwisseling nog genoeg goede muziek te ontdekken valt. De eerste: het magistrale Fuck The Hits, Vol. 1 van het Australische The Citradels.

Tekst Jort van Meeteren

Toen we in het voorjaar van 2017 schreven over Where’s One?, het toen net uitgebrachte album van The Citradels, merkten we al op dat de band voorzichtig een andere koers inzette. Zoals wij als luisteraar ouder worden en onze interesses verschuiven, zo begonnen ook deze Aussies met andere stijlen en vormen te flirten. De songs waren melodischer, er was minder feedback en drone en het werd allemaal wat kleurrijker.

Onlangs kwam Fuck The Hits, Vol. 1 uit en dat bleek, niet geheel onverwacht, de definitieve omarming van de innerlijke Brian Wilson van de band. Waar vroeger de reverb vol open gedraaid stond en het luisteren naar The Citradels platen voelde alsof je door een opiumwolk bevangen werd, heeft de band nu een plaat gemaakt die een heel andere luisterervaring biedt. De composities zijn complexer, er is meer ruimte voor individuele inbreng en er zit een zeker gevoel van mysterie in dit album. Het galmt nog steeds op een aangename, psychedelische manier, maar ze zijn iets zuiniger met de echo: de effecten worden hier op een heel andere manier ingezet.

The Citradels heeft inmiddels bewezen prima op zichzelf te kunnen staan en zich geen reet aan te trekken van wat er hip en commercieel interessant is. De titel van het album zegt wat dat betreft eigenlijk al genoeg. Maar laat er geen twijfel over bestaan: de band werkt gepassioneerd aan elke plaat. Ook deze is allerminst een gevalletje ‘op-de-automatische-piloot-nieuwe plaat-uitpoepen’.

Toen The Beach Boys destijds met Pet Sounds kwam, sloeg dat in als een bom. Zelfs The Beatles, toch ook niet de minsten, vonden inspiratie in het orkestrale, psychedelische meesterwerk van Brian Wilson. En nu, vijftig jaar later, blijkt het album nog steeds een bron van inspiratie voor nieuwe generaties. The Citradels heeft een wonderschoon album gemaakt dat mijlenver verwijderd ligt van hun early years, maar het is onmiskenbaar het werk van de Australiërs.

Muziek groeit soms in een bloedende rotvaart, zoals in de hoofden van Robert Pollard en Ty Segall. Dat de angst je om het hart slaat om het niet meer bij te kunnen houden. Dat je het maar voor de helft kunt verwerken, omdat er nog een andere overdaad aan muziek op de Spotify-plank ligt. Modern luistergedrag: één keer luisteren, hooguit twee, oppervlakkig tussen het multitasken door, of als onderdeel van een multitask.

In de gloeiende boog van de meest recente single van Faradays klinkt Karindra Perrier: ‘The spoon-fed freedom got us numb / A million chances to be happy, like youth is wasted on the young.’ Of hoe de vrijheid om te kiezen uit een bijna onwereldse hoeveelheid muziek nogal eens leidt tot verveling, verdoving. Tot zover de overdenking: het is weekend, de zon schijnt in de tuin.

Muziek groeit soms in een bijna onwereldse slakkengang, als in het hoofd van Sandro Perri. Dat je na Impossible Spaces uit 2011 al haast geen rekening meer had gehouden met iets nieuws. Want het is zeven jaar later, een muzikale eeuwigheid. Genoeg tijd om vergeten te worden, en dat er geen haan ooit meer naar kraait. Toch ook verscheen er vorig jaar muziek van Sandro en dat er geen haan ooit meer naar kraait.

Traag ademend organisme
Sandro Perri is gewoon Sandro Perri, muzikant en producer uit Toronto, een mens dat in eigen tempo onder stuk voor stuk obscure aliassen (Polmo Polpo, Off World, Sandro Perri) langzaam muziek maakt. Vier jaar lang speelde Sandro lapsteel in Great Lake Swimmers. Sandro is een traag ademend organisme. Nu is hij terug met In Another Life, en als Sandro zingt is het alsof Matt Berninger van The National vanuit een droomslaap uit zijn dagboek zingt.

En langzaam grijpt de traagheid om zich heen, want de eerste track van In Another Life duurt vierentwintig minuten, als een uitgesponnen opus als Destroyer’s Bay of Pigs, als een uitgestrekte horizon van Arthur Russell, als een swingende navertelling van Brian Eno’s Music for Airports. Ook tijdens het schrijven, tijdens het luisteren, komen de zinnen trager.

 

De wil om alles tegelijkertijd te doen
In Sandro’s eigen woorden is In Another Life een oefening in ‘infinite songwriting’, als lussen die alsmaar groter worden, als uitvloeiend water, zodat je nog maar vier tracks in drie kwartier nodig hebt. Gooi die conventies van drie minuten nu maar overboord, het verlangen om emotioneel en intellectueel geroerd te worden, de wil alles tegelijkertijd te doen, om te rennen, om efficiënt met je tijd om te gaan.

Dan Bejar van Destroyer zong voor Kaputt zijn teksten in vanaf de bank, liggend. Nu drijft hij aan voor de laatste zeven minuten: Everybody’s Paris, Pt. III. Als een natuurlijke verschijning die wel moest gebeuren, domweg afgedwongen door de omstandigheden. En dan komt alles langzaam, heel bedachtzaam tot stilstand.

Etc. 1.
Micro-organismen die in het slijk van de allerdiepste zeebodem wonen schijnen te groeien met een vaart die in een menselijk leven niet waar te nemen is. De celdeling verloopt gewoon te traag. Je kunt je voorstellen dat zo’n micro-organisme (oplichtende stip onder een microscoop) volstrekt niet onder de indruk is van het overspannen tijdsbesef van de organismes boven het water.

Ik wil mij voorstellen dat ik volstrekt niet onder indruk van het overspannen tijdsbesef van de mensen om me heen – als ik nog eens wegzink in In Another Life van Sandro Perri.

Etc 2.
Dan neem ik mij voor om mij tenminste voor vandaag niet langer druk te maken, om wat dan ook.

Mocht het je ontgaan zijn, dan hier een kleine reminder: Sports, de band die zichzelf heeft uitgeroepen tot band der tovenaars – is terug met een nieuw album. Everyone’s Invited luidt de titel en iedereen is uitgenodigd om even te luisteren. Dus begin je week goed en laat je oren betoveren door de heren van Sports.

Dit is alweer het derde album van de band uit Oklahoma en volgens Cale Chronister – de zanger van de band – het album waarin de sound van Oklahoma het beste naar voren komt. Waar het debuutalbum Naked All The Time veel lofi-nummers bevat, die ergens op een zolderkamertje opgenomen zijn en je een gevoel geven alsof je een kleine dertig minuten lang ronddwaalt door de arcade van Stranger Things, voelt Everyone’s Invited gepolijst aan. Hier is trouwens helemaal niets mis mee! Op Everyone’s Invited wordt veel meer dan voorgaande albums geëxperimenteerd met verschillende geluiden, daarnaast worden de groovy gitaar- en basloopjes – die je wellicht gewend bent van Sports – op sommige nummers iets meer ingeruild voor de synthesizer.

 

Psychedelische R&B
Op Everyone’s Invited vliegt een mix van psychedelische R&B, jaren tachtig- en cowboygeluiden je om de oren. Zo mondt het nummer Shiggy uit in een bijna laid back rap, zorgt Palavar ervoor dat je je plotseling in een oude western bevindt, in vol ornaat met bijpassende hoed, zittend op een paard (net zoals op de albumhoes) turend over de uitgestrekte prairies. Het nummer Autopilot dat je een gevoel geeft alsof je in de bijrijdersstoel zit van de film Drive en de zwijgzame chauffeur het gaspedaal nog even wat verder indrukt. Tot slot vind je op Everyone’s Invited nummers zoals No Pressure of We Should Get Married die je een fijn en behaaglijk gevoel geven. Hier verschijnen die typische lome geluiden die zo kenmerkend zijn voor Sports en wat de band zo goed maakt.

Sports laat je met Everyone’s Invited verschillende muzikale landschappen zien. Wellicht het beste album van de band tot nu toe. Bij mij staat dit album al een aantal dagen op ‘repeat’.

Je bent je al weken aan het volstouwen met barbecue-worstjes, speklapjes en stokbrood. Je kijkt in de spiegel en je oordeelt dat dat corpulente lichaam van je betere tijden heeft gekend. Wellicht is het een idee om op dieet te gaan?  Om alvast in de mood te komen is hier Cullen Omori met zijn tweede langspeelplaat The Diet.

Al gaat het album niet over Omori die letterlijk aan de lijn is, maar over een metaforisch dieet waar Omori de confrontatie aangaat met zijn negatieve gevoelens en deze probeert in te perken en om te buigen. Wat volgt is een album met daarop twaalf aanstekelijke nummers die aanvoelen als liefdesliedjes en je meenemen naar de turbulente tijd waarin Omori afgelopen jaar zat.

The Diet kun je zien als twaalf losse liedjes die de frustraties van Omori representeren en op de een of andere manier verbonden zijn met het thema liefde. De plaat opent met het sterke Four Years, de dromerige gitaarriff aan de start van het nummer voert je direct mee in het album. De galmende vocalen van Omori zorgen ervoor dat je je – voor een kleine veertig minuten – waant in de jaren zeventig. Voor je het weet ben je alweer bij het zonovergoten (en met die fijne gitaartokkel) A Real You beland en beluister je de plaat gewoon nog een keer!

 

Antidepressiva en romantiseren
Op The Diet vermijdt Omori de clichés en probeert hij het thema liefde breder te trekken. Zo benoemt hij – in het persbericht van zijn label Sub Pop – dat The Diet liefdesliedjes bevat over antidepressiva en romantiseert hij over gedachtes die hij had over hoe zijn leven eruit zou zien wanneer hij 27 jaar oud zou zijn. Slechts enkele nummers op The Diet hebben betrekking op liefde met een écht persoon. Een goed voorbeeld hiervan is in mijn ogen het vrolijke Happiness Reigns, dat een ode is naar zijn vriendin. Happiness Reigns bevat een refrein dat makkelijk in je hoofd blijft hangen (Flowers of uranium / and the kids just play along) en een strakke gitaarsolo aan het eind.

 

Toegankelijke plaat
Met The Diet heeft Omori een toegankelijke plaat die makkelijk in het gehoor ligt en je meeneemt van begin tot eind. Een sterk indie-album met voor mij als favoriet het nummer Quiet Girl. De zware synths, de dromerige riffs, de gitaarsolo aan het eind en de harmonie van de vocalen zorgen voor een nummer dat er uitspringt.

Lofi-house is een genre dat mensen regelmatig met de ogen laat rollen. Het staat bekend om weinig originaliteit en flauwe humor die zich onder andere uit in DJ-namen als DJ Seinfeld en DJ Boring. Toch zijn er aan de randen van dit genre ook interessante muzikanten te ontdekken. Zo staat in Compton de rapper/producer Channel Tres op die het genre frisser dan ooit laat klinken.

Op 27 juli is zijn zelfgetitelde debuut-EP uitgekomen op het vooruitstrevende label Godmode, dat bijvoorbeeld ook de Koreaans-Amerikaanse housekoningin Yaeji onder zijn hoede heeft.

 

IJkousde industiële beats
Channel Tres is al een tijdje te vinden in de muziekwereld, maar tot voor kort vooral op de achtergrond. Zo schreef en produceerde hij al voor onder anderen r&b-ster Kehlani en de groovy rapper Duckwrth. De ervaringen uit deze genres neemt Channel Tres hoorbaar mee als hij zelf de studio induikt. De manier waarop hij zijn ijskoude industriële beats vervlecht met gesproken en droog klinkende rap laat zien dat hij de enigszins vastgeroeste lofi-housescene echt kan verrijken met zijn creativiteit en songwriting-skills. Dankzij zijn lage stem en de pulserende baslijnen klinkt Channel Tres streng, als een dictator die heerst over de dansvloer en je gebiedt te dansen. Ach, we hebben ergere dictaturen gekend.

Ik vul wachttijd in een winkel met boeken en magazines, pak een niet nader te noemen muziekblad en lees muziekrecensies. Uitgelicht: Oneohtrix Point Never en dan Stuart A. Staples’ Arrhythmia. Plaat die bij ons op de plank ligt, dus ik lees de paragraaf beleefd van boven tot onder. De schrijver concludeert dat de frontman van Tindersticks zich met deze, toch bij vlagen ook schone plaat uit de bladen schrijft. Want: te moeilijk, te onbestemd, te dwars.

Ik vouw het blad dicht en zet het terug op het schap. Ik kijk naar de voorkant: Kensington. Ik denk dat het Stuart A. Staples een rotzorg is of hij zich uit de bladen schrijft, ja of nee. Ik vraag mij af of de conclusie ‘op deze manier schrijft u zich uit de bladen’ klinkt als een verkapte waarschuwing. Ik kijk naar de voorkant, opnieuw: Kensington, muziek voor iedereen.

Dan de plaat, Arrhythmia. Arrhythmia, een pas die te snel of te traag gaat; een hartslag in een onwenselijk tempo. In het geval van de plaat slaat de balans al rap door naar de trage gang. Sterker, Staples brengt zijn muziek geduldig tot stilstand. Tot nachtelijke muzak; minder dreigend dan Tindersticks’ Ypres van drie jaar terug, maar minstens zo statisch.

 

Romantische barhanger
Niet langer de romantische barhanger, niet langer de orkestrale swing. Nu hangt Staples in een glazige droomstaat, een waarin hij voor niemand zucht over herinneringen, werkelijkheid en schijn. Nu zijn het geen afgeronde liedjes met een kop en staart; nu zijn het nachtschaduwen. Trage, onbestemde schaduwen met een omvang van zeven, tien en dertig minuten: het dertig minuten durende Music For a Year in Small Paintings laat de luisteraar dan ver, ver achter zich. Dan is Arrhythmia muziek voor niemand.

Bij gebrek aan een andere manier om ervan te genieten laat ik het als een wezenloos lange zucht aan mij voorbij gaan. Als in de clip van The New Real: Op rugkant naar het voorbijtrekken van de lucht turen, het treinraam, de spiegeling van het voortijlende buitenzicht. Zo wil ik zijn, traag en onthaast, terwijl de wereld minstens zo onaangedaan aan mij voorbij raast.