Laura Bettinson, front-vrouw van superband Ultraísta: in slaap-kloffie, met koffie, op een sofa, in een Victoriaans huis, in het zuidoosten van Londen. Aan de andere kant van de straat wordt er een huis gerenoveerd. Tussen de repetities, douche en het ontbijt in maakt ze tijd voor een telefoongesprek. Het is half tien, Greenwich Mean Time.

Zo kan dat lopen: in een pub staan met je loopstation, sampler en vierentwintig jaar van leeftijd, als Nigel Godrich (producer van Radiohead sinds OK Computer, red.) langskomt en vraagt of je je wil aansluiten bij iets waar hij samen met perscussionist Joey Waronker toch al mee bezig was. Dat is dan Ultraísta. Behoorlijk spontaan, beweeglijk, samplers en beats. Het is 2012: geen Brexit, geen Trump, geen COVID-19.

Andere tijden.

Als ik Laura aan de telefoon spreek zijn we acht jaar verder. Ze is onlangs getrouwd, heeft een hondje dat Bullet heet en ‘s ochtends eet ze yoghurt met fruit. Laura Bettinson noemt het allemaal ‘natural progression‘. Het trekt allemaal door in Ultraísta’s tweede album Sister, de volwassen opvolger van Ultraísta’s gelijknamige eerste.

Na acht jaar, een nieuwe plaat.
“Eindelijk.”

Hoe zit dat?
“Druk, vooral. Veel dingen. Nigel vooral: Radiohead tussendoor, Roger Waters tussendoor. Met Joey is het niet anders, en met mij ook niet. Na het debuut met Ultraísta ben ik mijn eigen solo-carrière wat uit het oog verloren, dus daar ben ik druk mee: singles releasen als FEMME en lau.ra, en veel reclamemuziek.”

Over je eigen muziek: het verschil tussen lau.ra en Ultraísta is best wel… flink.
“Het verschil is zeker groot. Maar dat ben ik óók: popmuziek. Ik produceer, schrijf en zing dat dan zelf en het vreemde is dat ik dat dus maar niet uitgelegd krijg.”

Want?
“Het is tegenwoordig zo extreem vanzelfsprekend dat popartiesten een flinke crew van producers, schrijvers en stylisten om zich heen hebben. Het valt niet mee om dat zelf te doen. Ik denk: een van de laatste artiesten die dat met succes heeft gedaan was Prince: een one-man-pop-machine. Ik ben vanzelf wat meer in de clubscene terecht gekomen, waar ik mijn eigen tracks draai. En dan mag het ineens wel: zelf produceren, zelf doen. Ik vind het belangrijk dat mensen begrijpen dat ik én zanger én producer ben.”

Hoe doe je dat bij Ultraísta? Wat is je rol?
“Zanger, muzikant. Dat is dan een andere kant van mij: een groot deel van dat project is volledig buiten mijn controle, vooral deze plaat. Die is vooral geschreven door Nigel. Ik was daar wanneer ik nodig was, met teksten en melodieën. Ultraísta is nu Nigel’s soloproject en he called most of the shots. Hij had vrij scherp voor ogen waar hij met de songs heen wilde, meer nog dan de eerste keer, toen hij vooral produceerde.”

Hoe is dat dan voor jou? Je zei dat je het belangrijk vindt dat mensen weten dat je én zingt én schrijft én produceert.
“Oh, dat vind ik in dit geval helemaal prima, ik ben meer dan blij om mee te bewegen. De uitdaging voor mij zat hem deze keer vooral in het song-schrijven. Met mijn eigen muziek vertrek ik steeds meer vanuit samples en wil ik mensen in beweging zetten, nu was ik vooral bezig met het schrijven en meeschrijven van songs. Het is niet makkelijk om mij in iemand anders schoenen te verplaatsen. Ik ben geen sessie-zangeres.”

Staan er nummers op Sister waarvan je kunt aanwijzen: dat deel ben ik, dat komt echt bij mij vandaan?
“Ja – Ordinary Boy. Die was makkelijk, dat kostte haast geen moeite. Die kwam vanzelf uit een improvisatie, de tekst viel vanzelf uit mijn mond.”

Hoe werkt dat voor je, denk je dan bij het terugluisteren: ah, deze en deze tekst betekent eigenlijk dit-en-dit? Hoe persoonlijk wordt het?
“Ik zie persoonlijke betekenis op zoveel plaatsen op deze plaat. Ordinary Boy is wat abstracter, maar past net zo goed in een overlappend thema: onzekerheid over de plek die je in het leven hebt en relaties die je hebt. Het lijkt wat dat betreft wel een beetje op Smalltalk van de eerste plaat: ‘The more I learn the less I know.’ We hebben er niet al te hard over nagedacht… is dat een antwoord?

Ja hoor, dat is zeker wel een antwoord. Blik je trouwens nog weleens terug op die eerste plaat?
“Ik weet dat Nigel er behoorlijk kritisch naar kijkt, vooral daarom wilde hij het nu anders doen. Als ik naar mijn eigen muziek uit het verleden kijk ben ik wat minder kritisch. Je denkt over iets na, maakt keuzes. Met wat je nu weet zou je dingen anders kunnen doen, maar je moet er een keer vrede mee maken. Wat ik wel voel aan deze tweede plaat, is dat hij echt wat meer volwassen is. En emotioneler. En dat kan bijna niet anders, we zijn allemaal ouder geworden, en er is veel gebeurd, ik zing de pijn van een ander”

Pijn?
“Ja, er zit veel melancholiek in deze plaat.”

Zoals?
“Nigel zijn vader is overleden tijdens het schrijven aan de plaat. Dat was een enorme klap en dat sijpelt dus door in de teksten. En al zijn het niet je eigen teksten, je reflecteert toch vanzelf op je eigen leven, waar je staat, wat je wel en niet hebt gedaan. En het voelt veilig voor mij om die pijn te bezingen. Nigel, Joey en ik kennen elkaar nu alweer zoveel langer. En er is onderling veel vertrouwen.”


Naast de fratsen van Poetin en onrust in Oekraïne krijgen we in Nederland over het algemeen vrij weinig mee over Oost-Europa. Landen zoals Rusland, Servië, Bulgarije, en Slowakije kennen we vooral als Oostbloklanden, met bijbehorende stereotypen over depressieve, wodkaverslaafde mensen. Subroutine Records-oprichter Koen ter Heegde ziet er echter andere kansen en bouwde er zijn initiatief Yugofuturism omheen.

Tekst Valerie van Hazendonk
Foto’s van Koen Niek Hage

De gemiddelde Nederlander komt zo nu en dan vluchtig in aanraking met een willekeurige Poolse arbeidskracht, maar van écht contact komt het over het algemeen niet. Een achterdochtige observatie bij de plaatselijke supermarkt, uiteraard op veilige afstand, is waar het dan ook vaak bij blijft. We nodigen de Oost-Europeaan wel uit, maar een graag geziene gast is het niet. Liever richten we ons op Engeland en de Verenigde Staten. De muziek van daar is iets waar we nog altijd verslingerd aan zijn en ook zien als superieur aan ons eigen werk. We bieden onze overzeese voorbeelden maar al te graag een gastvrij onthaal op onze podia en radiozenders, en emuleren gewillig wat we daar zien en horen.

Tunnelvisie
Nu is het niet zo dat Nederland complete tunnelvisie heeft. De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor diverse programmering. Poppodia wagen zich steeds vaker aan bijvoorbeeld Aziatische of Afrikaanse acts. En ook festivals als Le Guess Who?, Welcome to The Village en Lente Kabinet staan bekend om hun goed doordachte en diverse selectie. Toch lijkt de connectie met onze oosterburen nog nauwelijks te zijn gemaakt.

Tien jaar geleden deed Koen ter Heegde jongerenwerk in voormalig Joegoslavië, van waaruit hij ook tours boekte en begon met het opbouwen van een netwerk. Later woonde hij ook nog in Belgrado en Skopje. Zijn netwerk groeide rap en hij verloor zijn hart aan de regio. Tegenwoordig woont Ter Heegde gewoon in Rotterdam. Hij haalde al minstens sinds 2012 bands naar Nederland. In 2015 zag hij posters voor Afrofuturism Now! in WORM en begon hij met Yugofuturism, waarmee hij acts uit Centraal- en Oost-Europa en Nederland op de juiste manier probeert te cureren. De naam van het concept is een tegenhanger van ‘joegonostalgie’, een vorm van nostalgie die het oude communistische verleden van Joegoslavië verheerlijkt.

“Wat natuurlijk krom is, omdat er ook veel dingen mis waren in die tijd”, vertelt Ter Heegde. “Het zegt ook iets over mijzelf en mijn kijk op Oost-Europa. Ik wil naar de toekomst en over grenzen heen kijken. Nu is het hele idee van futurisme dat je je niet moet beperken tot een geografische regio, maar je hebt in Oost-Europa zoveel verschillende tradities, folklore en muziek. De regio wordt gekenmerkt door een enorme diversiteit aan talen en culturen. Wat ook een van de redenen is waarom ik Nederlandse bands daarnaartoe stuur; zodat ze kunnen zien hoe uiteenlopend het is en dat je per stad in compleet andere situaties terecht komt. Het is echter geen ontwikkelingswerk. Ik boek bands niet enkel omdat ze uit Oost-Europa komen, maar omdat ze iets niet-alledaags bieden wat in Nederland nog onbekend is. Door de juiste band op de juiste plek voor het juiste publiek te zetten, kun je ze iets bieden dat ervoor zorgt dat ze ook daadwerkelijk aan achterban winnen.”

Betonnen dozen
“In Skopje en Belgrado werk ik veel samen met podia en platforms. Vanwege mijn werk voor Subroutine en verschillende banen die ik heb gehad, heb ik veel ervaring met managen en boeken, maar ik ben in eerste instantie gewoon liefhebber. Livemuziek kan mij enorm enthousiast maken, vooral als ik dat op een plek zie waar ik mezelf op mijn gemak voel, wat ik in Nederland op steeds minder plekken heb. Het is steeds minder mogelijk om concerten op rare plekken te doen en er zijn steeds meer regels. Ik krijg echt jeuk op onbereikbare plekken als ik bijvoorbeeld TivoliVredenburg binnenloop.”

“Het is echt niet zo dat ik alleen maar in kraakpanden wil staan, maar er is wel een verschil tussen bijvoorbeeld een EKKO en een TivoliVredenburg. En we zien steeds meer van dat soort betonnen dozen ontstaan in Nederland. Voor veel professionele muzikanten is dat ook fijn: dingen zijn goed geregeld en er zijn veel faciliteiten. Maar beginnende bands kunnen daar van hun lang-zal-ze-leven niet spelen, die zijn financieel gezien gewoon niet aantrekkelijk. Wanneer het licht aangaat, is er al tweeduizend euro verlies gedraaid. Muziek wordt steeds meer in hokjes geplaatst waar alles perfect geregeld is. Dat is ook een van de grootste risico’s nu voor steden zoals Amsterdam, Utrecht en Rotterdam, die van oudsher juist een hele grote scene hebben met verschillende podia en veel verschillende kleuren en contexten waarin muziek plaatsvindt, dat dat soort dingen steeds minder worden georganiseerd.”

“Als je dan naar bijvoorbeeld Bratislava kijkt, is dat nou niet bepaald een plek waar toeristen naartoe gaan vanwege de Instagram-waardige straatjes. De stad is best wel grauw, met veel sociaal-modernistische architectuur. Maar juist dat trekt mij. Daar zijn wel gewoon nog steeds drie à vier podia waar bijna elke dag concerten zijn. De scene daar bestaat uit ongeveer vier-, vijfhonderd mensen die regelmatig naar experimentele muziek gaan in kleinere podia. Door heel Oost-Europa zijn er zoveel podia dat het bijna beangstigend is. Mensen staan er ook meer open voor muziek uit het buitenland, omdat er heel lang weinig muzikanten die kant op gingen. Je krijgt er goed te eten, een slaapplek aangeboden en je speelt er voor een leuker publiek, in een leukere zaal, met vaak ook leukere gages.”

Hokjes
“Ik wil bands ook naar Nederland halen en Oost-Europa insturen, omdat ik helemaal gek word van die hokjes in Nederland. Van die clichés, maar ook van de duizelingwekkende middelmatigheid die er bij vlagen in Nederland is op muziekgebied. Nu is het niet aan mij om daarover te oordelen, maar wat is nou veelzeggender? Dat in Nederland mensen die er financieel baat bij hebben, steeds toejuichen dat bandjes steeds hetzelfde traject ingaan, of dat je een tour doet door zes verschillende landen en daadwerkelijk een nieuw publiek opbouwt? De mensen die je in Oost-Europa ontmoet, hebben een andere kijk op jouw muziek. Je komt met compleet andere dingen in aanraking, waardoor je tegen grotere uitdagingen aanloopt en je harder moet werken. Maar je wordt er rijker van als mens en muzikant. Het maakt mij niet uit als er bands zijn die alles volgens het boekje willen doen, maar daar gaat mijn hart niet sneller van kloppen.”

“De mooiste tour die ik heb geboekt was, voor The Homesick. Die kwamen vanuit Engeland via Duitsland naar Polen voor drie optredens. Daarna gingen ze door naar Slowakije, Hongarije, Slovenië, Kroatië, Servië, Macedonië, Bulgarije, Kosovo… De laatste week was ik ook ingevlogen. De opkomst was echt geweldig. In Pristina was er rond het optreden een soort minifestival ontstaan waar wel vierhonderd mensen op afkwamen. Er zijn voor The Homesick toen zoveel deuren opengegaan in Centraal- en Oost-Europa. Op elk festival waar de band stond, werden ze alweer geboekt voor een volgende.”

“Door mijn netwerk kan ik in die landen nu de juiste mensen vragen om zoiets op te zetten. Die weten welke mensen die muziek leuk vinden en welke supportact ze erbij moeten zetten. Precies zoals ik in Nederland ook probeer te doen. Yugofuturism is zo een soort onderdeel geworden van de grote underground railroad van Europa. Zo kan ik bands op plekken krijgen waar ze anders nooit terecht waren gekomen. The Sweet Release Of Death bijvoorbeeld is in Nederland niet zo’n bekende band. Laatst stonden ze op Rockaway Beach Festival in Zuid-Engeland, met namen zoals Fontaines D.C. en The Jesus and Mary Chain en een hele hoop aanverwante bands die op een gigantisch hoger niveau staan. Dit was nooit gelukt via het Nederlandse traject. Dat werkt alleen maar als je op je eigen manier bezig gaat, gelooft in wat je doet en zelf ook dingen mogelijk maakt voor andere bands en liefhebbers.”

Tegendraads
“Vrijetijdsbesteding en cultuurconsumptie zijn steeds belangrijker geworden in Nederland, maar de focus ligt nu vooral bij festivals. Het grootste deel van het publiek is toch meer geïnteresseerd op dance in de breedste zin van het woord, denk ik. Iets experimenteler of avontuurlijker is niet waar de meeste mensen voor gaan. Je hebt de hele week hard gewerkt, dus in het weekend ga je met twee halfjes op naar een festival om je cultuurconsumptie voor deze maand tot je te nemen. Ik denk dat in de ons omringende landen grotere waarde wordt gehecht aan eigenheid en tegendraadsheid van muziek en cultuur in het algemeen. We houden hier toch wel van wat platter vermaak.”

“Nederland is nog altijd voornamelijk gericht op de Engelse en Amerikaanse muziek. Godzijdank beginnen we langzaamaan onze horizon wat te verbreden, maar er is nog steeds geen balans. Over Centraal- en Oost-Europa wordt vaak nog in Koude Oorlog-termen gedacht. Wij zijn politiek correcter, maar er wordt desondanks nog steeds veel onzin over deze regio’s gesproken. Alsof achter het voormalig IJzeren Gordijn Borg-achtige minions wonen die primitiever en wilder zijn. De regio wordt nog steeds gegijzeld door de beeldvorming van zestig jaar communisme post-wereldoorlog. Ik vind het heel idioot dat we daar ook in Nederland nog niet voorbij zijn.”

“Vooroordelen en stereotypering over Oost-Europa zijn nog enorm aanwezig. Een voorbeeld zijn brass-bands die allerlei dingen bij elkaar rapen en met bontjassen en rode sterren in een semi-communistisch kostuum gaan optreden, omdat het dan lekker Oost-Europees is of zo, terwijl miljoenen mensen hebben geleden onder de communistische dictatuur. Maar dan wordt bij zo’n optreden alles op één hoop geveegd als een soort Slavische massa. Ik ben echt niet zo dat ik nergens de humor van kan inzien of kan relativeren, maar dat is natuurlijk wel een beetje idioot om te doen.”

Zelf Yugofuturism meemaken? Ter Heegde is dit jaar onder andere curator bij Welcome to The Village. Samen brengen ze een collectief onder leiding van Bulat Khalilov, initiatiefnemer van het label Ored Recordings, naar verschillende podia en festivals in Nederland. Khalilov trekt met een draagbare recorder de Kaukasus door om de cultuur en tradities van volkeren zoals Circassiërs, Abchazen en Pontische Grieken vast te leggen en gebruikt dat in zijn muziek.

Ook boekt Yugofuturism regelmatig losse gigs voor bands. Check hier alle events.


Dit album werd gemaakt in de hel, de grootstedelijke Berlijnse hel. Het zwarte gat van David Bowie, de Boheemse droom van Rufus Wrainwright, de afgefakkelde stad van Lou Reed. Deze keer tekent Aurelièn Marie, tegenwoordig Lian Ray, voor zijn eigen ontsnapping. Batman’s Joker gilt: ‘I played this stinkin’ city like a harp from hell.’ Het zouden Lian’s eigen woorden kunnen zijn: hij moest bijna volledig kapotgaan om terug te komen met Rose. Als Orpheus met zijn harp.

Het is veel te warm voor de zesde november en ik sta met een zware winterjas aan de bar van Bar Dó en dan valt het me ineens op – take your protein pills and put your helmet on – dat de muziek in het café niets minder is dan een gruwelijke reggae-bewerking van David Bowie zijn Space Oddity. Ik word vriendelijk verzocht naar mijn stoel te gaan, omdat ik daar wel bedient zal worden. Daar zit in een donkere hoek Aurelièn Marie met een bier zo hoog als zijn gezicht. Het is elf uur ‘s ochtends.

Ik kan er niet omheen dat hij er wat verschaald uitziet, dus ik vraag of Aurèlien goed geslapen heeft.

Heb je goed geslapen?
“Niet echt. Ik had het recept voor mijn antidepressiva verlengd, maar toen ik ze twee dagen geleden wilde ophalen lagen ze niet klaar. Dus nu slaap ik twee dagen slecht, of eigenlijk niet. Ik kom dan in zo’n halfslaap terecht waarin ik mijn tijd ‘s nachts doorbreng in een obscure, donkere uithoek van YouTube, met in dit geval filmpjes over het openmaken van sloten. En dan slaap ik een beetje en droom ik dat ik sloten openmaak.”

Dan wordt het drie uur, vier uur, vijf uur.
“Vlak bij mijn appartement staat een kerkklok en die gaat ieder uur, het carillon, ook ‘s nachts. Om de zoveel tijd veranderen ze het liedje, en nu is het While My Guitar Gently Weeps, ‘s nachts, ieder uur. En dan wordt het zes uur en dan denk ik: Ik kan nu net zo goed uit bed komen. Dan sta ik op en werk ik soms een beetje aan mijn muziek. En dan heb ik overdag een job, ik sta hier vlak om de hoek in een winkel. In Berlijn had ik best veel tijd voor het maken van muziek, met m’n band Rhesus hadden we best wel wat geld verdiend. Ik besef mij nu dat dat een enorme luxe was.”

Wanneer ben je nu uit Berlijn vertrokken?
“Dat is nu bijna exact één jaar geleden, november 2017. Ik ben per vliegtuig gegaan. De rest, de meubels, de katten, per truck.”

Hoe was je laatste dag in Berlijn?
Pretty horrible. Last-minute inpakken, trappen op en af omdat er geen lift was. Ik doe die dozen wel even van boven naar beneden, dacht ik. Maar na de tweede keer op-en-neer was ik al stuk. Ik móést weg. Berlijn was alles wat ik geweldig vond aan een stad. Daar was die laatste dag niks meer van over. It’s the greatest city to self-destruct.

Ik vond een quote uit een oud interview.
“O jee.”

Waarin je je nog best positief uitlaat over Berlijn. Je zegt: ”Het is echt een toffe stad voor een artiest en om als artiest in te wonen. Er is nog steeds een bohemian-kant, de straten, clubs, gallerijen. Alles is gerenoveerd, getransformeerd, opnieuw gemaakt.”
“Natuurlijk, natuurlijk zijn er ook positieve kanten aan Berlijn: je vindt er ontzettend veel artistieke mensen, er is een toffe muziekscene, dat is er allemaal. Ik ontdekte al vrij snel dat Berlijn onder de oppervlakte een door-en-door verrotte stad is. In 2016 liep ik tegen een gigantische muur. Ik was al mijn geld kwijt, nonstop drugsverslaafd.”

In het persbericht lees ik de zin: this album was made in hell.
Aurelièn lacht, heel erg hard: “De eerste zes maanden waren nog leuk, hoor. Je experimenteert wat: zal ik muziek schrijven op deze drug of deze drug? Hier en daar kreeg ik drugs aangeboden en vanzelf ook een telefoonnummer. Ik was eigenlijk altijd te verlegen om contact te leggen met een dealer en van het één komt toch het ander. ‘Let’s try coke and cannabis’, het ging net zo gemakkelijk als Amazon. En vanzelf loopt het dan helemaal uit de hand.”

Hoe ziet dat eruit?
“Oh zeker, en ik heb het geprobeerd, en voor mij werkte het niet. Helemaal niet. Als ik schreef en high was dacht ik, dan was ik ervan overtuigd: “Oh yeah, this is great.” Dan keek ik er de volgende dag nog eens naar en dan was er niets van over.”

Hoe kwam je überhaupt toe aan muziek?
“In de tussendoor-momenten hield ik mij daarmee bezig en in mijn hoofd zijn dat net eilandjes. Ik kan je wel verzekeren dat nul tracks van deze plaat zijn geschreven toen ik high was. Ik had een piano in mijn studio staan en als ik daar zat en speelde kwam ik een beetje op adem. Het schrijven aan dit album deed ik steeds op dat soort eilandjes tussen 2012 en 2014. En alle songs gaan over m’n muze destijds: Rose. The one woman. Er speelde iets met een ongezond soort jaloezie en dat werd de brandstof voor deze plaat, als mijn Melody Nelson.”

Hoe ben je weggekomen uit Berlijn?
“Nadat ik zonder geld tegen die muur klapte, is mijn stiefvader is mij komen ophalen, met een busje uit Frankrijk. Na een jaar in een afkick-kliniek heb ik nog een jaar in Berlijn doorgebracht, waar ik mijn huidige vriendin heb leren kennen. She’s a rock. Omdat ze epilepsie heeft kan ze absoluut geen drugs of alcohol hebben en dat heeft mij geholpen om clean te blijven. En toen ben ik in 2018 opnieuw contacten gaan leggen met de muziekwereldm en die contacten bleken te zitten in Nederland, zoals Cedric (Muyres, manager Snowstar – red.)”

En nu woon je in of all places Amsterdam. Niet overwogen om in een boerderij op het platteland te gaan zitten?
“Mijn moeder zei dat ook al: “Joh, waarom nu uitgerekend Amsterdam?” Het ziet hem niet per se in de stad, maar vooral om een nieuw begin, een schone lei. In Berlijn kende ik elke toilet van elke bar en elke kelder waar ik die en die drug heb genomen. Naast de muzikale contacten en mijn vriendin hier, heb ik ook contact met Kick Your Habits. Ze helpen mij om clean te blijven, verder is het een pure kwestie van wegblijven bij die ‘typische’ plaatsen. Ik ga dus niet, nee: nooit meer uit.”

Hoe is het nu, om met die nieuwe plaat, steeds geconfronteerd te worden met deze periode uit je leven? Wil je dit hoofdstuk nu niet sluiten?
“Nu ik met deze tracks terugkijk op acht jaar in Berlijn is het haast een droom en de thema’s die mij destijds aanzetten om te gaan schrijven spreken mij nu nog steeds aan: het verlangen, iets willen dat je niet kunt krijgen. Of dat nu over jaloezie gaat, een vrouw, iets anders. Daar ben ik nooit los van gekomen. En ook zijn deze tracks nu therapeutisch voor mij, ze helpen mij om van de drugs af te blijven. Like, never drop your guard. Er zal altijd iets in mij blijven zitten dat terug wil.”


Een gesprek met deze band is als luisteren naar deze band: het kabbelt lekker voort en om de zoveel tijd vraag je jezelf af of je dit niet eerder gehoord hebt. Als je vervolgens goed luistert, blijken de details toch anders te zijn. En dan wel dusdanig anders dat het toch echt iets anders is dan waar het op lijkt.

Tekst Mick Arnoldus
Foto’s David van Dartel

Als je een kijkje in de keuken van een journalist krijgt, zul je vaak zien dat ze huiverig zijn twee keer hetzelfde neer te pennen. Schrijven is schrappen. Verveel je lezer vooral niet. Bij dit interview moesten we die instincten laten varen. Laat je net als ons meevoeren op de niet zo woelige baren die Real Estate bevaart. Iedereen die weleens een paar uur naar de zee gestaard heeft, kan beamen dat de eeuwige golfslag je vanzelf aan het denken zet. Zo ook Martin Courtney en Alex Bleeker, die ons ontvangen in een kombuis waar de wijn klaarstaat. Niet zomaar wijn overigens, maar Reality Estates: een signature rode wijn van de band, in de varianten malbec, petit verdot en cabernet sauvignon.

The Main Thing
Over naar de nieuwe plaat: de band heeft er lang over gedaan. In maart 2018 begonnen de opnames van het nieuwe album The Main Thing. Alex: “We hadden onszelf eerst wel een deadline opgelegd, maar gaandeweg kwamen we erachter dat we de tijd wilden nemen die nodig is. Zo hoefden we niet op de automatische piloot te varen en konden we alles echt goed overdenken.” Voor de opvolger van In Mind heeft Real Estate dezelfde studio inclusief producer gebruikt als voor de definitieve doorbraakplaat Days. Daarover vertelt Martin: “Alex en ik hadden al met Kevin (McMahon de producer, red.) gewerkt, de rest nog niet. Eigenlijk was eerst het idee dat we gingen kijken hoever we kwamen met een paar tracks die we al hadden. Maar het voelde daar, in die studio, op die plek, met Kevin, al vanaf dag één precies zoals het zou moeten zijn. Terug in onze Airbnb besloten we samen dat we het zo gingen doen.”

Alex: “Voor dit album draaien wel meer dingen om het juiste gevoel. Wat betekent het voor ons om in deze tijd een plaat te maken? We zijn een jaar of tien geleden begonnen met deze band, we staan er nu heel anders in dan toen. Kevin is de man die ons laat nadenken. Hoe laten we de emoties spreken die onze keuzes voor het album bepaald hebben. Hij kent ons al heel lang.”

Martin: “En hij begrijpt in welke levensfase wij zitten, hij kent al die emoties die daarbij horen al. Hij is net wat ouder dan wij. De mijlpalen die wij nu bereiken heeft hij al gehad. Vóór de opnames heb ik met hem een paar liedjes opgenomen en goede gesprekken gehad. We hadden elkaar ook al een tijdje niet gezien. Daarna opperde ik bij de band om met hem samen te werken.”

Alex: “Hij was zo ook echt een onderdeel van de band, dat werkt anders dan wanneer je een derde partij inhuurt die het gewoon als het zoveelste project ziet. Dat kan natuurlijk ook werken, maar zo konden we bijna een heel jaar intensief samenwerken”.

Ouder worden
Die emotionele keuzes komen naar voren in de productie en zeker in de teksten. Martin: “De rest van de band hoort ook gewoon wat ik zing. Ik wilde echt iets betekenisvols meegeven aan dit album. We worden allemaal een jaartje ouder en we praten veel over wat dat voor ons betekent. Ik denk dat je dat wel terughoort in de arrangementen, de productie en de teksten.”

Alex: “Bij de opnames hebben we door al die gesprekken ook veel bewuster rekening gehouden met de inhoud van de nummers, het zit veel meer verweven in de muziek. Zoals lichaam en geest één zijn, zo is de muziek één met de inhoud van de teksten. Het beïnvloedt elkaar evenredig.”.

We schamen ons een beetje dat we deze vraag echt stellen, maar toch doen we het: wat was the main thing dat ze uit elke opnamedag wilde halen? Tot onze opluchting is de formulering net wat specifieker dan wat ze tot nu toe gewend zijn en geven ze graag antwoord. Martin: “Door Kevin dachten we elke dag na over wat we wilden zeggen. Wat wil je zeggen met dát akkoord op je gitaar, met díe melodie? Zit er een idee achter en zo ja: wat is het en is dat wat je wilt zeggen?”

Alex: “Door dat micromanagen werd het grote plaatje ook ingekleurd, elke stap die we namen had een doel. Dus dat was the main thing elke dag, nadenken over waarom je doet wat je doet.”

Martin: “Gisteren hadden we het er nog over dat veel liedjes op het album gaan over stilstaan bij wat je met je leven aan het doen bent. Ik heb nu een heel ander leven dan toen we net begonnen hiermee op mijn 22ste. Is dit wat ik blijf doen? Zodra je kinderen hebt denk je vaker na over zulke dingen.”

Alex: “Tegelijk lees je over het einde van de wereld door klimaatverandering of oorlog en stel je jezelf de vraag of het maken van een album wel het beste is wat je kunt doen. We hopen ook dat mensen de boodschap oppikken en zich elke dag even afvragen wat the main thing is. Ondertussen heeft Martin al bedacht dat het voorbeeld dat hij nu voor zijn kinderen stelt het goede is.”

Martin: “Ik wil niet dat ze iemand zien die een of andere saaie baan heeft omdat dat nu eenmaal moet. We hebben enorm geluk gehad dat we dit leven kunnen leven, niemand heeft ons gedwongen, dus we kunnen er dan maar net zo goed mee doorgaan.”

Melancholie?
Die existentiële twijfel hoor je in het eerdere werk van Real Estate ook terug. Het geeft de muziek die melancholische lading, die tevoorschijn komt als je de op het eerste gehoor prettig onbezorgde liedjes al een beetje kent. Hoe kunnen ze dat spanningsveld nog voeden als de twijfel weg is? Alex: “Dat kan makkelijk!”

Martin: “Onze muziek klinkt in eerste instantie inderdaad zonnig, met leuke melodietjes die prettige gevoelens oproepen. Toch proberen we er wel een bepaalde emotionele diepte aan mee te geven en we hopen dat die uiteindelijk ook de luisteraar bereikt. Ik weet niet of melancholie het juiste woord is. Het is eerder een zoektocht of een verlangen dat uit de muziek spreekt. Iedereen mag er natuurlijk alles in horen wat ze willen. Het jezelf afvragen waar je staat zat er altijd wel in.”

Alex: “We staan nu aan het begin van een nieuw tijdperk met de band. Een nieuw decennium, nieuwe bezetting, nieuw album, nieuwe samenwerkingen. Je kunt de toekomst niet voorspellen, maar ik denk dat we er nog een decennium aan gaan plakken.”

Even terug naar die prettig onbezorgde en zonnige sound. Je wilt er meteen opnieuw naar luisteren. Dat is iets waar Real Estate bewust naar streeft. Beginnen ze daar elke opname mee of destilleren ze dat achteraf? Martin: “Als we een album opnemen, proberen we er altijd een geheel van te maken. Uiteindelijk eindigden we voor The Main Thing met bijna twintig tracks, daar maken we dan een selectie van. Ik houd er niet van als een album eindeloos doorgaat.”

Alex: “Het zit hem ook in de details, iedere keer kan je iets anders opvallen. De teksten kunnen een nummer een hele andere lading geven als je daar voor het eerst goed naar luistert.”

We bespreken als treffend voorbeeld Crime, van het derde album Atlas. De intro is mierzoet en stralend en dan de eerste woorden: ‘Toss and turn all night / don’t know how to make things right / crippling anxiety.’

Alex: “Dat is de dualiteit ervan inderdaad.”

Martin: “Er zit een hoop verontrusting in onze muziek. Ik ben een ongerust mens. Maar dát liedje in het bijzonder is dan ook wel the anxiety song. Een heel mooi liedje en in het refrein zing ik: ‘I don’t wanna die.’ Het is op zijn minst intrigerend.”

Ligt die verontrusting op het nieuwe album meer of minder op de voorgrond? Alex: “We treden het nu met open blik tegemoet. We hebben meer antwoorden. Voorheen waren we die angsten aan het bevragen en ontdekken, nu doen we er echt iets mee.”

Iets anders dat bij het repertoire van Real Estate hoort, zijn de intrigerende videoclips van de band. Martin: “Vaak werken we daarbij met dezelfde mensen en hebben we ook inbreng, maar het echte werk wordt door hen gedaan.”

Alex: “Ja, laat daar geen misverstand over bestaan.”

Martin: “Als we zeggen dat we trots zijn op het resultaat, is dat omdat we er ons verbonden mee voelen, niet vanwege het werk wat wij er aan gehad hebben.”

Wat vinden de twee van videoclips als medium? Welke functie hebben ze tegenwoordig? Martin: “Het is minder relevant dan vroeger. Je hebt wel iets om op het internet te zetten dat iets om het lijf heeft. En het blijft een stukje van het beeld dat je als band uitdraagt.”

Alex: “Een goede clip past bij het nummer en het vangt de aandacht. En het is leuk om een soort mini-film te maken.”

Martin: “Dat is zeker leuk! Je krijgt de kans om samen te werken met interessante artiesten in dat vak. We houden ervan om er iets interessants mee te doen. Voor Stained Glass (van het album In Mind, red.) hebben we een soort interactieve kleurplaat gemaakt als videoclip, die staat nog online.”

Over andere vormen van kunst gesproken: wie kwam op het idee van de wijn? Alex: “Dat was het idee van iemand die we kennen met geërfde wijnboerderij in Californië. Hij vond dat wel leuk maar hij vond het nog leuker om daar concerten te houden. Na een paar keer daar spelen werden we vrienden. Hij vond: bij goede muziek hoort goede wijn.”

Martin: “Uiteindelijk hebben we met zijn allen al zijn wijnen geproefd om een goede mix samen te stellen. Tijdens het proeven draaiden we onze muziek en de muziek die ons geïnspireerd heeft. Het was een heel leuk project. Een andere vriend van ons heeft het etiket ontworpen.”


Met de bekendmaking van de eerste en de tweede rits namen voor Sniester, plus de ruigere vormgeving met zwart-oranje tinten, kregen we al het gevoel dat het festival de boel een stuk steviger gaat maken. Onze vermoedens worden bevestigd door Marco Bijsterbosch, een van de programmeurs van het festival, die ons vertelt over de nieuwe koers van het Haagse festival.

Niet dat er tijdens eerdere edities nou zo weinig rock-‘n-roll was te vinden op de poster van het festival, want Sniester is van oudsher een weekend vol energie en rauwe acts. Door de jaren heen werd de programmering echter zo breed dat de uiterste zover uiteen liepen dat de balans en het karakter van het festival niet meer in evenwicht bleken te zijn. “We zijn begonnen als gratis event en met dat hoge energie- en rock-‘n-roll-gehalte. Dat hebben we behouden toen we tickets in gingen voeren voor het festival, maar de programmering werd steeds wijder, om op die manier toch een groter publiek aan te spreken”, vertelt Bijsterbosch. “In die zin zijn we meer en meer de extremen op gaan zoeken en ging het vorig jaar inderdaad van Blanck Mass tot Jacco Gardner, GIAN, OBN III’s, Weval, Evil Invaders, Merol en Joost. Het ging behoorlijk wat kanten uit waardoor bezoekers niet meer goed wisten wat voor soort festival Sniester nou is.”

“We hadden van tevoren het idee dat er meer mensen af zouden komen op een aantal hiphop-artiesten en de wat grotere acts, maar daarvoor was het aanbod te klein in vergelijking met de rest van het programma. Dat gold voor meerdere genres, dus die mensen trokken we niet en de gemiddelde Sniester-fan ging tegelijkertijd niet naar de shows van die headliners. Waardoor we, kom je dan achteraf achter, die ruimte in het programma beter hadden kunnen besteden aan acts die bij ons passen. Want in de kroegen en bij de hardere acts stond het overal wel vol en was het gekkenhuis.”

Marco Bijsterbosch – Foto: Leni Sonck

Kleur bekennen
Juist door dingen uit te proberen kun je beter worden als festival, maar er moest volgens de programmeurs wel iets gebeuren om Sniester zijn smoel terug te geven. “Daarom hebben we besloten om kleur te bekennen… en dat voelt ontzettend goed! We zijn een alternatief en high energy festival en dat moet weer terug gaan komen in alles wat we doen. Sinds we die keuze hebben gemaakt, voelde alles meteen juist. Zo waren we vroeger eindeloos aan het zoeken en discussiëren over een act, nu hebben we veel helderder voor ogen wat bij het festival past en welke richting we met zijn allen op willen”, zegt de programmeur. “Vanaf dat moment viel het kwartje ook ineens bij de boekingskantoren, want die begonnen meer en meer nieuwe acts op te sturen die perfect binnen die nieuwe lijn pasten. Voor mijn gevoel klopt het programma helemaal, ik ben nog nooit zo trots geweest op de line-up die we nu hebben staan. Ik wil het echt al-le-maal zien! Dit is eigenlijk wat we altijd voor ogen hebben gehad.”

Foto: Parcifal Werkman

Duidelijke identiteit
Al waren er de afgelopen jaren meer dan genoeg acts om je shirt bij uit te trekken en in de pit te springen tijdens Sniester, toch voelt het alsof alles ineens ‘stroomt’ bij het festival. Door de knoop door te hakken, is het duidelijker waar Sniester voor staat en die visie sijpelt vanzelf door in alle andere onderdelen. “Onze identiteit is nu een stuk duidelijker en je merkt aan alles dat dat effect heeft. Het communiceert bijvoorbeeld een stuk makkelijker naar de buitenwereld toe als je ideeën rondom het festival helderder zijn. Zoiets zie je ook terug in het artwork, dat sluit nu ook allemaal nauwer aan bij het gevoel van de programmering. Omdat we een keuze hebben gemaakt in wat we willen doen, kun je eenvoudig op allerlei plekken binnen het festival doorvoeren: van wat je op social media post tot en met je locaties. De laatste jaren hebben we altijd een tof programma gehad, maar deze keer hebben we de puntjes op de ‘i’ gezet en dat zie je dan ineens in alles terug.”

“Met dit nieuwe programma wordt ons bereik als festival voor ons gevoel een stuk groter. We gaat met onze promotie daarom verder het land in deze keer. Enerzijds omdat de Hagenaren het festival wel weten te vinden naar ons gevoel en anderzijds dat Sniester dit jaar veel specifieker is. Het programma haakt aan alle kanten op elkaar in en als jij daar een liefhebber van bent en ergens in, ik noem maar wat, Tilburg of Nijmegen een poster met echt alleen maar namen ziet hangen die je tof vindt: ja, dan is de kans een stuk groter dat je een keertje lekker de trein naar Den Haag pakt. Ik heb er echt een goed gevoel bij, was het maar vast eind mei, hé!”

Sniester vindt plaats in Den Haag op 22 en 23 mei, meer informatie over het programma vind je op de website van het festival.

Foto: Leni Sonck

WEBSITE SNIESTER | FACEBOOK-EVENT | TICKETS

Meer dan vijf jaar heeft het geduurd voordat er een vervolg kwam op Our Love. Nu is hij er dan eindelijk: Suddenly, waarop Dan Snaith volop twisten en nieuwe geluiden de wereld instuurt. Op dit album doet Dan zelfs een scheutje old school-hiphop bij zijn herkenbare Caribou-geluid en durft nog meer zijn emoties te tonen. Die emoties komen voort uit de vele gebeurtenissen tussen de release van Our Love en Suddenly, en dat is te horen. Tijd dus om de in Londen wonende Canadees in Amsterdam aan de tand te voelen over zijn nieuwe album. 

Op een typisch druilerige vrijdagmiddag in januari maak ik een treinreis naar onze hoofdstad. De wolken dreigen: het kan elk moment gaan regenen. Dat doet het overigens de hele dag niet. Met nog veel tijd over besluit ik gebruik te maken van mijn Museumkaart en het EYE te bezoeken. Als het dan eindelijk zover is stap ik, met toch wel ietwat knikkende knieën, een gemoedelijk café in. Al sinds 2010, toen Swim uitkwam, luister naar Dan zijn muziek. Our Love werd, toen het uitkwam in 2014, als één van mijn eerste fysieke platen grijsgedraaid. De gastvrouw meldt mij bij binnenkomst dat het voorgaande gesprek uitloopt, dus wacht ik met haar en bestel ondertussen een thee. Als Dan vervolgens komt binnenzetten groet hij mij met een glimlach. We worden naar een tafeltje verwezen in een hoek van het café. Het valt mij direct op hoe de zonnestralen (en dat op deze druilerige dag) recht op Dan zijn gezicht schijnen. Hij is goed geluimd en praat met liefde over zijn familie, verloren muziekschatten en reizen. 

Voor ons interview praatte Caribou met een radiostation. Ik vraag wat ze zeiden over het album. “It was terrible“, lacht hij. “‘Deze had er niet op gehoeven…. Deze had korter gekund.’ Dat is een goeie… Dat ik niet degene ben die mensen iets vertelt over de plaat, maar iemand die mij vertelt wat ik anders had moeten doen, dat zou een goed format zijn geweest. En dan… Terug naar de tekentafel.

Vele concepten als puzzelstukken
Waar is Dan mee bezig geweest in de tussentijd? “Weet je, ik laat mensen niet expres wachten. Ik zit erg in de gemoedstoestand dat ik veel muziek heb gemaakt en er is al zoveel muziek in de wereld. Ik ga geen album releasen waar ik niet honderd procent achter sta. Dus het duurt zo lang als het duurt. Ik verontschuldig mij naar mensen die een beetje geduld met mij moeten hebben. Er is veel gebeurd in mijn persoonlijke leven dat mijn aandacht vroeg. Maar ik heb een manier om dit te meten. Ik maak heel veel concepten van ideeën, ik maak een heleboel dingen die nooit worden gebruikt. Deze keer waren het negenhonderd kleine concepten, vorige keer waren het er zeshonderd of zevenhonderd, de keer daarvoor waren het er vierhonderd. Het probleem wordt groter. Het is geen gezond traject, toch? Maar het is noodzakelijk.”

Wanneer bereikte hij dat punt dat hij dacht: hier ben ik tevreden mee? “Op de laatste dag, wanneer het af is. Het grootste deel van die vijf jaar dacht ik: dit gaat nooit gebeuren. Ik ben er een beetje op voorbereid: dat ik niets meer te zeggen heb, niets meer heb wat de moeite waard is. En dat zou ik prima vinden. Maar ik heb dat gevoel altijd, zoals de meeste mensen: hoe komt dit allemaal samen? Ik heb dit vaak genoeg gedaan, waardoor ik het proces vertrouw. Om te blijven werken, ideeën te blijven genereren, te blijven genieten… Ik ben nog steeds dol op muziek maken en ik hou ervan elke dag opnieuw te beginnen en iets nieuws te maken. Ik maak me er geen zorgen om, ik doe het gewoon en dan gebeurt het. Het is misschien maar drie maanden voordat het album af moet zijn, dat je begint te zien dat bepaalde delen bijna klaar zijn en de puzzelstukken samenvallen.”

Ik zeg dat dat één van de dingen die mij terug deed keren naar het album, is dat ik mij telkens afvroeg wat er op bepaalde punten eigenlijk gaande was. “Het is gek dat je dat zegt, omdat ik mij ook zo voelde. Ik was klaar met de plaat en ik luisterde ernaar. Ik was echt blij, hoewel het zo non-lineair is, dat er toch een bepaalde flow doorheen stroomt. Mijn label had de plaat al een week en vroeg: kun je ons vertellen, wat gaan we de mensen vertellen? Wat is dit album, muzikaal gezien, wat wordt ‘de kop’? Ik wist het niet. Wat was het eigenlijk? Dat vind ik juist het leuke aan dit album. Ik hoop dat het de mensen beloont die terugkeren om het album volledig te kunnen begrijpen. Het heeft een paar luisterbeurten nodig.”

Suddenly als fotoboek
Dan spreekt vaak over zijn albums alsof het een fotoboek is, een collage van herinneringen uit zijn leven. Als hij een fotoboek zou maken van Suddenly, hoe zou die eruit zien? “Hoe ik die vraag interpreteer, is dat dit gaat over de dingen die in mijn persoonlijke leven zijn gebeurd, want veel van de songteksten gaan daarover. Er zit veel verdriet in het album, maar ik heb het gevoel dat het nog steeds vrij hoopvol en optimistisch is. Het biedt support aan de mensen in mijn directe omgeving, die het de laatste paar jaren nodig hebben gehad. Er zijn wel een aantal dingen gebeurd in mijn leven en in mijn vrouw haar familie. We zijn al eeuwen samen en ik ben heel close met haar familie. Er is iemand overleden aan een hartaanval die niet veel ouder dan ik was. Dat heeft haar familie kapotgemaakt. Aan de andere kant van het spectrum: onze dochter is onverwachts geboren op de achterbank van een auto. Wat een blije gebeurtenis was, alles was goed, maar het kwam nogal onverwacht. In dit album zijn allerlei van dit soort gebeurtenissen samengebracht.”

Ik vraag Dan of al die zaken ertoe hebben geleid om het album Suddenly te noemen. “Als ik deze interviews doe, geef ik de impressie dat ik wist wat ik aan het doen was. Dat is helemaal niet het geval. Toen de muziek klaar was en ik het platenlabel aan de telefoon had, zeiden ze: ‘we hebben de albumtitel nodig, hoe heet het? Tomorrow, yesterday?‘ Onze jongste dochter had net het woord ‘suddenly’ geleerd. Een soort van dan, ze snapte de betekenis niet helemaal en dus ze gebruikte het vaak op de verkeerde manier. Wat heel schattig is, een tweejarig meisje dat zo’n groot woord gebruikt. Het was mijn vrouw die suggereerde om het te gebruiken als albumtitel. Dan begint het te lijken alsof het op de een of andere manier zo bedoeld was, omdat het de muzikale en persoonlijke omwentelingen en verschuivingen in mijn leven vertegenwoordigt.” 

Iets nieuws creëren
De eerste track van het album die af was, was Never Come Back. “Die is misschien het meest bekend, het klinkt bijna alsof het op Our Love had kunnen staan. Ik heb die track heel snel gemaakt, het kwam snel samen. Ik had zoiets van: dit nummer maakt me blij, het heeft een soort euforisch dance-idee. Ik zag alle puzzelstukjes samenvallen. Dus ik bedenk mij dan: het is oké dat het bekend klinkt, want er is a lot of weird stuff dat op de tracklist zal belanden. Eén track af hebben is dus een belangrijk punt. You And I was een ander belangrijk moment. Ik had de halve track af: het begin, het couplet en het karakteristieke Caribou-geluid. Ik wist dat ik iets totaal anders wilde: een meer eigentijdse sound of onverwachte wending. Dus het tweede deel van het refrein vinden en dat samenvoegen, was een keerpunt. Dit vertegenwoordigt wat ik wil dat het album is, met verrassende left turns.”

Suddenly lijkt nog meer door hiphop en house beïnvloed te zijn en dus vraag ik Dan waar die inspiratie vandaan kwam. “Toen ik halverwege het album was, had ik een vriend op bezoek die mijn coverart maakt, Jason Evans. Hij kwam om naar een aantal nummers te luisteren. Samen met mijn vrouw zaten we te luisteren om bij een visuele associatie te komen. Ze zeiden: ‘het is echt gaaf dat het een behoorlijk aantal old school jaren negentig-hiphop- en soul sampling-invloeden heeft.’ Dat was belangrijk voor mij: ik ben opgegroeid met A Tribe Called Quest, Public Enemy en Wu-Tang Clan. Niet veel mensen weten dat over mij, omdat het niet in de muziek zit die ik tot nu toe heb gemaakt. Waarom deze smaak juist nu op een plaat terugkomt? Ik weet het niet.”

Platen als tastbare herinnering
Dan is een fervent platenliefhebber, dus vraag ik hem over de laatste plaat die hij heeft gekocht. “Dat weet ik toevallig. Ik koop niet zoveel platen meer nu muziek overal verkrijgbaar is, maar ik koop wel oude dingen die niet heruitgegeven zijn. Het was een plaat van Priscilla Ermel, een Braziliaanse componist uit de jaren tachtig… Maar ken je eigenlijk Music From Memory, een reissue-label? Volgens mij is het in Amsterdam gevestigd, het is zeker verbonden met de hele Rush Hour-scene (het is een Amsterdams label met distributie door Rush Hour, red.). Ze hebben twee geweldige compilaties, genaamd Outro Tempo. Er staat allerlei rare Braziliaanse excentrieke muziek uit de jaren tachtig op en Ermel is een van die componisten. Dat soort platen koop ik nog steeds graag. Ik denk dan: oh, mijn God, ik zal dit nooit meer tegenkomen. Ik moet ze hebben.”

Daarop vraag ik dan ook wat Dan’s meest gekoesterde plaat is. “Weet je wat, op dit moment is dat een cassette. Een transman genaamd Beverly Glenn-Copeland heeft een album getiteld Keyboard Fantasies uitgebracht, die hij helemaal alleen heeft opgenomen. Het is een beetje new age. Met zijn DX7-synthesizer klinkt het erg jaren tachtig, met een emotionele en krachtige stem. Een soort soulfolk. Dat album was een enorme inspiratie voor me tijdens het maken van Suddenly, een manier om moeilijke dingen te verwerken. Het is alsof je een grote knuffel krijgt wanneer je naar die plaat luistert. Er is nu een heruitgave. Hij produceerde eerst vijftig kopieën en verkocht er tien van. Bijna niemand had dit album oorspronkelijk toen het uitkwam, wat het een verloren schat maakt, die nu opnieuw ontdekt kan worden. Dus toen ik het kocht, dacht ik: ik moet het origineel bezitten. Ik heb geen cassettespeler, dus ik heb hem nog nooit heb geopend of beluisterd, het is echt iets voor verzamelaars.”

Ik vertel over mijn ervaring met Our Love, een van mijn eerste fysieke platen die ik grijs draaide. Maar ook over een gesprek dat ik met een vriendin had die hem eveneens had grijsgedraaid, omdat ze op een plek woonde waar ze geen toegang tot internet had, en alleen deze plaat tot haar beschikking. Ik trek de parallel dat twee mensen zich enorm verbonden kunnen voelen, terwijl ze een compleet andere ervaring doormaken. “Dit is iets waar ik zoveel van geniet. Het moment waarop je iets hebt gemaakt en dat het ineens overal ter wereld is, en het niet meer alleen van jou is. Vroeger voelde ik mij daar erg ongemakkelijk bij, beschermend. Ik wilde ervoor zorgen dat het op de manier werd gebruikt die ik voor ogen had, dat niemand een nummer remixte. Ik ben beter gaan begrijpen hoe muziek iets kan betekenen voor andere mensen en heb het omarmd. Dat heeft mijn perspectief echt volledig veranderd. Het gaat erom een plaat aan mensen te geven, om dank je wel te zeggen voor al het geluk en de steun die ik in al die jaren heb gehad.”

Als laatste vraag ik hem nog om één gunst: een Polaroid-foto. Als ik mijn camera pak: “Oh, we actually have one of those at home!” Ik maak de foto en wacht vol spanning tot hij is ontwikkeld. De zonnestralen, die het gehele interview op Dan’s gezicht schenen, zijn duidelijk zichtbaar op de foto.

(De betreffende foto staat halverwege dit artikel).

Het nieuwe album Suddenly is vandaag uit. Caribou gaat ook op tour: op 29 april staat hij in de Ronda in TivoliVredenburg en ook is hij live op Lowlands te bewonderen.


Het leek er wellicht even op dat de Haagse band Torii van de radar verdwenen was, maar niets is minder waar. De afgelopen twee jaar werkte multi-instrumentalist en producer Domenico Mangione met zijn bandleden in alle rust aan een debuutplaat, die vandaag het levenslicht ziet. En geloof ons: Return To Form is een plaat die je gerust grijs kunt draaien. De kans is groot dat je met iedere luisterronde weer nieuwe lagen ontdekt. En laat dat nou precies de bedoeling zijn. We spreken Mangione over een nieuw hoofdstuk voor Torii.

Tekst Bente Hout
Foto’s Tom van Huisstede

“We wilden iets compleets maken. Niet een flard, maar een compleet album”, zegt Mangione. “Dat kost misschien wat meer tijd dan de meeste mensen denken.” Hij doelt op de afgelopen twee jaar, waarin de band zich achter de schermen verscholen hield, om zijn volle focus op de opnames te richten. “Het is al met al best een ontwikkeling geweest. Toen we na de EP-release live gingen spelen, ontstond er eigenlijk een heel andere band. Het duurde even voor we de tijd weer hadden om verder te gaan.”

Zelf opnemen in een eigen studio
Een lang en intensief proces volgde. “We hebben de hele plaat in onze eigen studio opgenomen. Dus we bleven er continu mee bezig. Het duurde bijna een jaar voordat we alle opnames compleet hadden”, vertelt Mangione. Daarna volgde een fase van veel sleutelen en bijschaven: “Zelf opnemen in een eigen studio gaf ons de kans om nummers op verschillende manieren te benaderen.” Hij lacht: “Ik durf niet te zeggen dat ik ooit nog een album op deze manier zou opnemen. Het kostte echt héél veel tijd.”

Die laatste uitspraak wekt misschien een enigszins ontmoedigde indruk. Echter, zelf doen en de tijd nemen lijken in de aard van het beestje te zitten. Ook voorganger Submerged kwam tot stand door Mangione’s eindeloze geploeter in zijn toenmalige thuisstudio in een oude school. “Dat was toch een ander proces”, zegt hij. “Ik heb toen alles opgenomen in een leeg klaslokaal en ik was destijds nog maar net met opnemen bezig. Die EP is meer een soort verwerkingsproces geweest.”

Een nieuwe benadering
Waar Submerged een redelijk kale en pure momentopname is, klinkt Return To Form gelaagder en beter doordacht. In ieder nummer zitten details verwerkt die je misschien pas na een paar keer luisteren ontdekt. Ook is de creatieve input van de huidige bandleden goed hoorbaar. “Torii is nu echt een collectief ding, waarop iedereen zijn eigen invloed uitoefent. De benadering van deze plaat was anders”, aldus de frontman. En dat zat ‘m niet alleen in de manier waarop de nummers geschreven werden. “We hebben op verschillende plekken opgenomen, waaronder in het skatepark naast onze huidige studio The Womb”, vertelt hij.

De DIY-studio die Mangione met een aantal anderen oprichtte, waaronder bandlid Tijmen van Wageningen, was van grote invloed op het opnemen van de plaat. “We konden daar onze eigen gang gaan.” Onder andere het uitgesponnen, instrumentale nummer Tongue Tied werd opgenomen in dat skatepark naast de studio. “We hebben de drums opgenomen in een skatebowl. De reflecties van die ruimte hebben we bewust verwerkt in de opname.”

De ruimte verwerken in opnames is iets dat Mangione al langere tijd intrigeert. Zo hoor je in oudere nummers onder meer de meeuwen die om zijn voormalige studio cirkelden. “Op deze plaat hoor je ook weer vogelgeluiden en andere omgevingsgeluiden. Maar we hebben de ruimte ook op andere manieren benut. Zo waren we de snaredrum in de single Forward Retreat aan het opnemen, en terwijl we dat deden, hebben we ‘m ook uitgestuurd door een tape-machine. Dat creëerde een weerkaatsing die uiteindelijk het nummer aandrijft.” De gelaagdheid die het gebruik van een locatie kan creëren in muziek, speelt volgens Mangione een belangrijke rol in zijn opnames. “Spelen met ruimte is niet iets wat je direct hoort, maar het creëert wel geluidslagen en een bepaalde dynamiek die iets toevoegt. Het zet je ertoe aan om op nieuwe manieren naar muziek te kijken.”

Verzameling van gevoelens en verwerkingen
We mogen gerust stellen dat de verstreken jaren en het intensieve opnameproces geleid hebben tot een prachtige debuutplaat, die het verdient om met aandacht beluisterd te worden. Een zorgvuldig samengestelde bundeling van tot in de kern doordachte ideeën. “Ik zie het als een verzameling van gevoelens en verwerkingen. Sommige nummers zijn nieuw. Andere nummers, zoals Oh Nola, heb ik jaren geleden al geschreven. Dat vind ik juist bijzonder: dat we op deze plaat zoveel verschillende ideeën bij elkaar hebben gebracht. Er kan een eeuwigheid zitten tussen de momenten waarop de nummers zijn ontstaan, maar toch vormen ze een geheel.”

Return To Form is vandaag uitgekomen via Mink Records. Morgen vindt de releaseshow plaats in De School in Amsterdam, daarna speelt Torii onder andere nog in V11 in Rotterdam en Het Magazijn in Den Haag. Klik hier voor alle shows.


Schoon schip maken en met een opgeruimd gevoel en gemoed opnieuw beginnen. Dat deed Marten de Paepe de afgelopen jaren. Het vertrouwde ging overboord, de grote schoonmaak volgde. In het kielzog van gestrande relaties wierp hij ook nog eens de liedjes in het vertrouwde Engels van zich af. Alles moest naar de stort. Daarna vond hij zijn heil in de eigen taal. Met als doel om met de billen bloot te gaan en tot de kern te komen.

Al in 2011 – ten tijde van zijn plaat Boskoopspeelde De Paepe met de gedachte om de overstap naar het Nederlands te maken. Toch verscheen er tussendoor in 2013 nog het Engelstalige album Wait Another Year. Daarna bleef het ruim zes jaar stil. Tot nu. “Ik had een behoefte om tot de kern te komen. Als ik alle vormen en dingen eromheen weghaal: wat blijft er dan over? In het Engels heb je de neiging te blijven hangen in epigonisme. In het Nederlands heb ik veel meer taalgevoel. Dan moet je wel zorgen dat al die onderdelen kloppen. De melodie, je stem, gitaarspel, de tekst.  Elk woord dat ik zing, daar heb ik iets mee te vertellen.”

Schone lei
“Het album gaat over meerdere dingen, maar vooral ook over de opkomst en ondergang van twee liefdesrelaties. Ik heb vier jaar samengewoond in Utrecht. Nadat die relaties uitgingen kwam ik een leuk nieuw iemand tegen en stortte ik mij daar vol overgave in. Veel liedjes gaan over die nieuwe relatie in Utrecht. Die had een verloop van iets van twee tot drie jaar, met op een gegeven moment ook weer een neergang. Die opkomst en ondergang omschrijf ik, maar het is breder dan dat. In een ander interview zei ik dat de plaat een loflied is op het menselijk vermogen om opnieuw te beginnen.”

Met dat opschonen, ruimen en opnieuw beginnen, kwam De Paepe als vanzelf tot een pakkende plaattitel. Het rauwe plaatje van de vuilstort. De plek waar het leven van afgedankte spullen eindigt, daar waar het opgeruimde gevoel begint. “Alles Naar de Stort vond ik catchy, het spreekt tot de verbeelding. Ik heb een haat-liefdeverhouding met singer-songwriters. Aan de ene kant houd ik ervan, aan de andere kant is het soms wat zoetsappig, weeïg en oversensitief. Alles Naar de Stort gaat daar lekker tegenin. Ik bedoel het als iets positiefs. Al het overbodige weggooien, beginnen met een schone lei en een opgeruimd gevoel. In de opkomst en neergang van een relatie is dat vaak een ding. Veel dingen die je samen hebt opgebouwd, gedeelde herinneringen. Als je die allemaal wegmietert, dan vallen er dingen af en ben je in staat je in iets nieuws te storten.”

“Alles Naar de Stort klinkt in mijn beleving ook kaler dan de vorige plaat. De stem staat meer centraal. Het is de eerste plaat die ik heb gemaakt die ik graag luister. Het heeft een Spartaanse aanpak, met ruimte voor de luisteraar om zijn eigen plek te vinden. Soms kan een singer-songwriterplaat erg gezwollen en pathetisch zijn. Door minder hard te zingen, minder duidelijk die emotie naar voren te laten komen trek je de luisteraar meer naar je toe. Ik heb het idee dat ik het heel erg gestript breng, zonder pathos. Het teveel dichtsmeren met een particuliere emotie, dat wilde ik niet.”

Uitgebeend
Delen van de plaat kwamen tot stand als de Utrechter op en neer treinde naar zijn werk, in Rotterdam of Amsterdam, waar hij als marketingspecialist in de kunsten werkt. Zeker in de ochtenden, als hij scherp in zijn hoofd is, kraakhelder. Zijn doel: minder is meer. En de recycling toepassen, schavend  aan zijn kleinoodjes tot het echt goed genoeg was. “Ik wilde het verhaal proberen te vangen in tien woorden die een veel groter verhaal vertellen en minder kiezen voor een rationele duiding. Er zijn veel auteurs die ik bewonder, die met weinig woorden veel kunnen zeggen. Om het uit te beelden, niet letterlijk te verwoorden. Ik heb ook veel herschreven. Zo van: ik zeg het nu in twintig woorden, kan ik het ook in tien woorden zeggen? Het is een uitdaging om zo kernachtig mogelijk te zijn. Je raakt je voortdurend bewuster wat het is dat je wilt zeggen. De kern. Ik ben lang met de teksten bezig geweest en vaak opnieuw begonnen. De plaat heb ik ook een paar keer naar de stort gebracht, waarna ik weer opnieuw begon. Ik heb liedjes weggegooid, ze opnieuw aangekleed, soms voorzien van een nieuwe tekst. Tot ik het gevoel had dat het klopte.”

“Er staan liedjes op die ik lang geleden heb geschreven, zoals In Rots en Rijm. Dat heb ik vijf of zes jaar geleden geschreven naar aanleiding van een bundel van de Zuid-Afrikaanse dichter/zanger Gert Vlok Nel. Dat was in opdracht van Wintertuin, een literair productiehuis in Nijmegen. Ook Straattoneel is geschreven in opdracht van hen. Dat begon met een gedicht van W.F. Hermans. Die twee hadden dus al een Nederlandstalige oorsprong. De andere liedjes heb ik in eerste instantie in het Engels geschreven en er daarna een Nederlandstalige tekst bij gemaakt.”

Harmonieuze zinnen
Dan komt het gesprek op de auteurs die hij bewondert, die invloed hebben gehad op zijn manier van liedjesschrijven in het Nederlands. “Ik heb een paar jaar in Rotterdam gewerkt bij een literaire organisatie die een modern-stedelijke manier van schrijven voorstaat, recht voor zijn raap, teksten stript. Via die organisatie kwam ik met interessante dichters in aanraking. Menno Wigman is er daar eentje van. Heel erg uitgebeend en gecondenseerd werk. Ook Tommy Wieringa inspireerde mij. Hij is nu vader en heeft een verhalenbundeltje geschreven over het jonge vaderschap. Nu ben ik iets aan het lezen van Griet Op de Beeck, die schrijft erg emotioneel en behoorlijk uitvoerig. Toen dacht ik: ik pak even dat bundeltje van Wieringa en stapte ik een soort oase binnen van taal, waar elk woord telt en daardoor betekenis en smaak krijgt. Ook ben ik gek op het werk van Ingmar Heytze. Die schrijft met veel harmonie in zijn zinnen, mooi georkestreerd.”

“Nederlandstalige muziek heeft mij niet per se erg geïnspireerd, al zijn er genoeg artiesten die mooie dingen doen. Spinvis is wel iemand die ik bewonder om zijn teksten. Niet erg wollig, behoorlijk concreet. Er waren wel twee artiesten die voor deze plaat als voorbeeld dienden. Dat was Andy Shauf, met zijn platen The Bearer Of Bad News en The Party. Dat zijn twee verschrikkelijk mooie platen. Zeer uitgebalanceerd, kaal, droog. En het oeuvre van Bonnie ‘Prince’ Billy, maar in het bijzonder Master & Everyone. Een kale plaat die ik maar blijf omdraaien en die nooit gaat vervelen. Er blijft altijd ruimte. Als het mij lukt om zo’n soort plaat te maken, dat zou fantastisch zijn.”

Eigenlijk strookt wat De Paepe doet met zijn analoge fotografiehobby uitstekend met zijn muzikale werk. Hij maakt miniatuurtjes, een sublimatie van een moment. “Morgen Dekken We De Tafel, dat is een liedje waarin het erover gaat dat als je niet meer de moeite neemt om de tafel te dekken, de rek snel uit een relatie gaat. Een klein particulier voorbeeld van iets groters. Je zou ook kunnen zeggen: ‘Het is belangrijk te blijven investeren in je relatie, want blablabla…’ Maar het beeld is veel leuker. De foto’s en liedjes zijn dichtbij en tastbaar, organisch en levendig. Niet al te uitbundig, eerder verstild. Als je twintig bent heb je een enorme geldingsdrang. Ik heb het gevoel dat dat minder wordt. Door een stapje terug te nemen, niet te reageren, niks te doen bereik je meer dan dat je overal bovenop springt. Dat is deze plaat: minder hard pushen, ruimte geven aan wie ik al ben.”

Check op de website van Marten de Paepe zijn tourdata. Op 14 februari speelt hij in Theater VIER in Nijmegen.


Met de release van het album In Je Hoofd, bracht Mevrouw Tamara afgelopen december een schitterend (winter)album uit. Op 22 februari komt de Utrechtse muzikante Peel Slowly And See verwarmen met haar muziek, wij trokken alvast voorzichtig de schillen van Tamara van Esch haar muzikantschap om haar beter te leren kennen.

Meer informatie over Peel Slowly And See en tickets vind je hier!

Niet dat de muzikante een onbekende is bij The Daily Indie, zo lieten we in november nog haar single Error In Je Hoofd in première gaan, waar over Van Esch ons onder meer vertelde: “Ik hoop altijd dat ik met mijn muziek een gevoel over kan brengen op de luisteraar, zodat die zich even overgeeft aan het moment door stil te staan bij wat de muziek met hem of haar doet en welke gedachten hierbij opkomen.”

Slopen en klussen
Het is een van de zaken – naast het maken van haar album, haar wisselende band en de Nederlandstalige muziekhype – waar we het met Van Esch over hebben in dit interview. Maar niet voordat we even vragen hoe het gaat met de verbouwing van haar nieuwe huis. Lacht: “Grappig, hoe weet jij dat nou weer?! Ik heb inderdaad onlangs een klushuis gekocht en ik ben daar druk mee bezig, er komt zo nog een loodgieter langs na dit interview. We hebben het eerst helemaal leeggetrokken en nu zijn we bezig met isolatie, het plaatsen van een plafond, een vloer en binnenkort de badkamer. Ik moet zeggen dat ik het erg fijn vind om niet de hele dag achter een scherm te zitten, maar lekker te slopen en dingen te maken.”

Die DIY-mentaliteit komt niet alleen terug in haar klusgedrag, in haar muzikale carrière doet Van Esch eveneens het meeste zelf. “Op een of andere manier is dat zo een beetje gelopen. Mijn muziek valt mogelijk overal een beetje tussenin, waardoor het uiteindelijk het beste past om het zelf te doen. Al houd ik wel van aanpakken en het geeft veel voldoening als het lukt om op mooie plekken te spelen en zelf een album uit te brengen.”

Het gevoel van een demo
Het nieuwe album In Je Hoofd verscheen ruim vier jaar na het debuut Zo Lang Mogelijk van Mevrouw Tamara. Andere projecten vroegen aandacht en het duurde even voordat alle muzikale stukjes op zijn plek vielen: “Ik was al een tijdje bezig met schrijven en het hele proces kwam onverwacht in een versnelling toen ik een keertje met Roy en Paul van Figgie afsprak. We wilden eens kijken of het leuk zou zijn om samen iets te maken en ik voelde meteen dat het klikte tussen ons. Daarop heb ik ze voor mijn band gevraagd en zijn we een keertje een paar dagen gaan oefenen. Een aantal liedjes hebben we daar verder uitgewerkt; per nummer vertelde ik waar het voor mij over ging en welk gevoel ik erbij had, waarna zij aan de slag gingen om daar partijen bij te maken.”

“Het hele proces voelde erg spontaan en vrij. Ik wilde ook het idee loslaten om van tevoren alles tot in de puntjes al uit te denken. Als ik mijn vorige plaat hoor, dan vind ik het best wel netjes klinken allemaal. Nu wilde ik het meer laten gebeuren. Bijvoorbeeld door zoveel mogelijk liedjes in één take op te nemen en meer ruimte te laten voor de rest van de band. Daardoor heeft de plaat een beetje het gevoel van een demo, die voelen altijd fris en nieuw, nog onbegrensd.”

Geen vaste band
Wie Mevrouw Tamara al wat langer volgt, zal het zijn opgevallen dat ze vaak met een wisselende bezetting op het podium staat. Een manier van werken waar ze niet in eerste opzicht voor koos, maar van de nood heeft ze een deugd gemaakt en eigenlijk bevalt het best goed. “Ik heb geen vaste band en door de jaren heen heb ik aardig wat bandleden gehad. Ondertussen heb ik wel een soort poule van allerlei mooie muzikanten opgebouwd, maar die samenstellingen wisselen nog regelmatig. Ik vind dat ook wel een goede uitdaging: het houdt de muziek fris, omdat we niet alles plat repeteren en dat je elkaar tijdens optredens als het ware wat meer moet zoeken. Op die manier speel ik niet elke keer dezelfde show en dat houdt mij scherp. Eigenlijk vind ik het juist fijn als iedereen een beetje op zijn tenen loopt en dat het publiek dat soms aanvoelt. Dat maakt het bijzonderder en spannend, dan gebeurt er iets.”

Bespreekbaar maken
Op de nieuwe plaat komen diverse mentale obstakels aan bod zoals depressie, autisme en het aanlopen tegen grenzen binnen een relatie. Toch gaan de teksten niet per se over het leven van de muzikante zelf, ze wil die onderwerpen graag meer bespreekbaar maken. “Ik heb deze thema’s gekozen omdat ik het belangrijk vind om hierover te praten. Onbewust zaten veel van die onderwerpen al in mijn teksten en vanuit daar ben ik er verder ingedoken. Het is inderdaad niet zo dat alle liedjes specifiek over mij gaan. Soms gaat het over iemand in mijn omgeving en vertel ik wat ik zie of ik hoe ik dat ervaar. Ik probeer de teksten wel iets algemener te maken zodat er voor de luisteraar ruimte blijft om er zelf iets in te horen.”

“Ik merk wel dat het wat losmaakt bij mensen, bij de releaseshow vertelden een aantal mensen dat ze zich konden identificeren met de teksten of dat het steun biedt in lastige tijden. Dat is fantastisch, want dat is uiteindelijk toch waar ik het voor doe: ik vertel graag dingen waar mensen over na gaan denken.”

Nederlandstalige hype
Een van de redenen dat luisteraars door haar muziek worden geraakt, zal ongetwijfeld samenhangen met het feit dat Mevrouw Tamara in het Nederlands zingt. Het komt vaak toch iets harder binnen dan in het Engels gezongen teksten. Het is al langer te merken dat Nederlandstalige muziek zich steeds verder vertakt en onlangs becijferde Trouw dat maar liefst 43 procent van de Noorderslag-artiesten in onze moedertaal zingt. Merkt Van Esch iets van deze trend? “Ik vind het een mooie ontwikkeling, het aanbod is een stuk groter geworden, er is meer aandacht voor dan toen ik tien jaar geleden begon en je ziet zelfs aardig wat artiesten die buitenlandse tours doen”, vertelt ze. “Verder heb ik niet het gevoel dat ik er zelf iets van merk. Ik heb ook nog niet het idee dat het écht is geland, dat de ontwikkeling nog een beetje vastzit. Als ik bijvoorbeeld recensies lees, dan heb ik vaak het gevoel dat Nederlandstalig als een genre wordt gezien in plaats van de taal van het liedje, dat zijn twee totaal verschillende dingen.”

Al is de muzikante alweer een tijdje bezig, er liggen nog genoeg jaren voor haar. Wat zou ze allemaal nog willen doen? “Ik heb geen groot plan of een bepaalde visie voor de toekomst, ik vind het vooral mooi als ik mensen weet te raken met mijn muziek. Daarnaast wil ik veel optreden en ook in andere bands blijven spelen, daar leer ik ontzettend veel van. Zo heb ik een tijdje in de rockband Drive Like Maria gespeeld, maar ook in Jo Goes Hunting, waar allerlei muzikanten in spelen met een jazzachtergrond. Iedereens blik op muziek is heel anders, net als de manier waarop je muzikaal met elkaar communiceert. Het zijn toffe uitdagingen en op die manier blijf ik leren. Al die ervaringen neem ik mee als muzikant.”

Mevrouw Tamara speelt op 22 februari tijdens Peel Slowly And See in Leiden. Voor meer informatie en speeldata: check hier de website van Mevrouw Tamara.


WEBSITE PEEL SLOWLY AND SEE | FACEBOOK-EVENT | TICKETS

Wie afgelopen najaar de nieuwste single Gentleman van de onverwoestbare Amerikaanse garagerockers The Black Lips luisterde, kwam voor een verrassing te staan. Weg was het geschreeuw en de schurende riffs, in plaats daarvan was een zowaar haast fijngevoelige tekst waarop frontman Cole Alexander constateert dat zijn middelvinger te dik is geworden van al het opsteken ervan en daarbij een vrolijk tokkelende akoestische gitaar.

Tekst Reinier van der Zouw
Foto’s Nick Helderman

Jawel, The Black Lips go country. Album nummer negen Sing In A World That’s Falling Apart is dan ook een volbloed country-plaat geworden. Of nou ja, volbloed… The Black Lips zouden The Black Lips niet zijn als er niet wat kwinkslagen in zaten. Wij troffen Alexander en drummer Oakley Munson op een namiddag in Amsterdam om ze aan de tand te voelen over dit nieuwe project.

Was er een directe aanleiding waardoor jullie een country-plaat wilde maken?
CA: “Er heeft altijd al wel een beetje country in onze muziek gezeten, maar ik denk dat we er nu voor het eerst echt op focusten. Toevallig is er best wat buzz rond country nu, dus het was ook wel eens cool dat de mainstream-cultuur zich op hetzelfde gebied bevond als waar wij in geïnteresseerd waren. Dus dat was niet bewust, maar het was fijn om eens niet recht tegen over de popcultuur te staan.”

Ik kan me voorstellen dat Lil Nas X met zijn country-hiphop hit Old Town Road het genre in Amerika nogal een boost gaf.
CA: “Ja! Dat was erg fijn. Hij komt net als wij uit Atlanta en het was verfrissend om, terwijl een boel dingen zoals de politiek veel verdeeldheid zaaien, iets te hebben dat mensen bij elkaar bracht. Hij kreeg oude, witte rednecks en jonge, zwarte kids in de stad aan het dansen op hetzelfde nummer. En ik ben er natuurlijk trots op dat hij uit Atlanta komt. Dat gooide wat extra olie op het vuur. Het is op zich niet iets nieuws. Er zijn zwarte cowboys en zwarte country-artiesten geweest sinds Amerika ontstond, maar mensen komen daar volgens mij nu pas achter. Wat cool is, want zeker die zwarte cowboys waren enorm bad ass. Allemaal cooler dan John Wayne ooit geweest is. Het is zo’n lange traditie die eigenlijk vergeten is, dus het is cool om te zien dat de nieuwe generatie het een soort update geeft. Hiphop en country hebben sowieso meer gemeen dan mensen denken. We hebben ook wel eens overwogen om ons zelf aan zo’n fusie te wagen.”

OM: “Drie jaar geleden hadden we het hier met elkaar al eens over gehad. Toen had je een nieuw subgenre, hickhop, wat hele platte country-rap was. In feite gewoon gangster-rap, maar dan met een country-laagje, dus ging het over shotguns en ‘confederate flags’. Nooit zo goed als Lil Nas X natuurlijk. Het was erg low-budget, ze verkochten hun platen in truckstops. Dus we overwogen om ons in zo’n vreselijk subgenre te begeven, om te kijken of we het beter konden maken. Dat was een geweldig idee toen ik dronken was, maar uiteindelijk hebben we het maar niet gedaan.”

Was het een makkelijk album om te maken?
OM: “Het moeilijkste was denk ik dat country-liedjes écht liedjes moeten zijn. Niet gewoon een lekkere riff met wat geschreeuw er overheen. Maar als je dat dan hebt, is het juist weer makkelijker om het op te nemen, want als de basis goed is, is het eindresultaat dat ook, wat je verder ook doet. Het duurt gewoon iets langer om de lyrics goed te krijgen.”

CA: “Ja, bij punk schreeuw je er gewoon overheen. Dit is allemaal wat rustiger, dus dan kan je je met de teksten niet verstoppen achter een geluidsmuur. Je moet ze wat aandacht geven, want mensen gaan ze horen. Dus we moesten wat meer ons best doen qua lyrics, wat uiteindelijk erg goed voor ons was, denk ik.”

Was het lastig om de balans te vinden tussen een country-plaat en een Black Lips-plaat?
OM: “Het was best een natuurlijk proces. We maakten ons er niet heel veel zorgen om, maar zelfs als we meer ons best hadden gedaan om er een country-album van te maken, had hij denk ik nog steeds zo geklonken.”

CA: “Er is een hoop poeha over wat echte country is of niet, maar wij hoeven niet per se ‘echt’ country te zijn. Wat mensen zien als authentieke country wordt sowieso nog maar weinig gemaakt. Net als dat er zat mensen in Amerika rondlopen met cowboyhoeden, maar er toch maar weinig echte cowboys meer zijn. Heel veel maakt het ook niet uit. Er zijn ook mensen uit Australië die prima country maken, net als dat ook heus niet alle goede punk uit New York City komt. Het kan overal vandaan komen, zulke genres gaan meer om de houding die je meeneemt.”

Waren er nummers die tijdens het opnameproces verschillende vormen aannamen?
OM: “Albumopener Hooker Jon had ooit een intro met een rap bovenop een Neil Young-sample.”

CA: “Dat was één van die Lil Nas X-achtige dingen die we overwogen.”

OM: “Maar die sample had ons tienduizend euro gekost, dus dat werd hem niet. We bewaren hem denk ik voor onze volgende mixtape.”

CA: “Als je bijvoorbeeld ooit een Beatles-sample op een rapnummer hoort, staat dat nummer altijd op een mixtape, want voor een officiële release kan niemand zich dat veroorloven. Maar er staat wel een soort sample op het album: Get it On Time is gebaseerd op een nooit afgemaakt nummer van The Velvet Underground. Wat wij dus in feite afgemaakt hebben. Onze versie is blijkbaar goedgekeurd door John Cale.”

Hoe gingen jullie te werk om dat nummer af te maken?
OM: “Lou Reed had er een paar regels tekst voor geschreven, dus dat was een goede basis. Het slaat misschien nergens op, maar ik heb een kleine séance gehouden. In een compleet stille kamer dacht ik aan Lou Reed en wat hij zou willen schrijven en zette ik alles dat in mij naar boven kwam op papier. Het betekent dus niet echt iets, maar volgens mij werkte dat wel, ik had er denk ik ook niet te veel over na moeten denken.”

CA: “Ik ben een groot voorstander van dat iedereen zijn eigen interpretatie aan onze teksten moet kunnen geven. Zo zit in de tekst van dat nummer de naam Ritchie. Wij hadden ooit een gitarist die zo heette, hij was een wat oudere knul op mijn middelbare school, dus we keken toen allemaal best wel naar hem op. Dus Ritchie is altijd onze vriend geweest en hij is dol op The Velvet Underground, dus als hij dit nummer hoort vraag ik mij af of hij misschien denkt dat het over hem gaat. En als hij dat denkt, kan het net zo goed waar zijn. Dus voor mij gaat het nu eigenlijk ook daar over, zelfs als dat strikt genomen misschien niet zo is.”

Waren de lyrics een gedeeld proces?
CA: “Soms. Een van mijn favoriete nummers op het album is de opener, Hooker Jon, die heb samen met Oakley geschreven. Ik was aan een nummer begonnen, waarmee ik een beetje was vastgelopen en hij had ook zo’n soort nummer, dus die hebben we bij elkaar gegooid. The Beatles deden dat ook. Paul en John namen ook wel eens twee nummers en smeten die dan op een of andere manier bij elkaar. Dus dat probeerden wij ook maar eens, maar uiteindelijk paste ze verrassend goed bij elkaar.”

OM: “Het kan tot een beter nummer leiden, tot iets interessanters. Via die methode wordt een nummer een collage van woorden, die als het goed is een betekenis hebben, maar een compleet andere betekenis dan als je het in je eentje had geschreven.”

Welke delen van Hooker Jon kwamen van wie?
CA: “De coupletten kwamen uit mijn nummer en het refrein uit die van hem. De coupletten nemen je mee op reis over de weg en bij het refrein stop je bij een truckstop. En misschien proberen wat mensen je mee te nemen, zoals truckers jonge kerels mee proberen te nemen bij truckstops.”

OM: “Het is in feite een behoorlijk seksueel nummer, over minderjarige prostitutie. In de buurt waar ik een tijdje woonde in Los Angeles, was er een grote scene aan jonge, mannelijke, travestiet-prostituees. In die straat wonen vrijwel alleen maar gezinnen, maar ‘s nachts staan er rijen met jongens verkleed als meisjes. En ook niet overtuigend, ze hebben nog steeds baarden, ze hebben gewoon ook jurken aan. Maar jouw deel van het nummer was al een aantal jaar oud, toch?”

CA: “Klopt. Ik wilde destijds eigenlijk gewoon een Bob Dylan-ripoff maken, maar het overlapte toevallig met een paar van zijn thema’s. In Los Angeles zie je dat soort dingen iedere dag. Het viel mij eerst niet eens op, maar ik liep een keer ’s nachts door een deel van de stad waar ik normaal niet te voet kwam en sindsdien zie ik ze overal. Maar mensen knijpen een oogje dicht.”

OM: “De kern van het nummer zit hem in dat ik vaak in die buurt rondreed, wanhopig op zoek naar een parkeerplek, want dat is echt onmogelijk daar. Als ik dat dan deed, werd ik constant aangehouden door die jongens. Omdat ze zagen dat ik maar rondjes bleef reden, dus er vanuit gingen dat ik daar voor hen was, op zoek was naar eentje om mee naar huis te nemen. Dus ze flashten me constant en deden allerlei dansjes. Als ik dan eindelijk ergens had geparkeerd en naar huis liep, zag ik er vaak uit zoals ik er nou eenmaal uit zie na een rock-‘n-roll-show, met een strakke broek aan en met iets dat eruitziet als een pruik op mijn hoofd, dus dan werd ik aangehouden door auto’s, omdat ik er uitzag alsof ik bij de prostituees hoorde. Dus ik heb beide kanten van die situatie meegemaakt.”

Zijn er nog meer nummers op het album door iets beïnvloed dat zo dichtbij jullie staat?
CA: “Het nummer Angola Rodeo, misschien. We gingen naar een rodeo in een gevangenis. De gevangen die daar al wat langer zitten en zich goed gedragen mogen daar aan meedoen. Dat is heel bijzonder om te zien. Het is een van de vrolijkere, leukere nummers geworden, wat enigszins ironisch is, want de gevangenis kan een nogal deprimerend onderwerp zijn. En we vinden ook wel dat er heel wat zou moeten veranderen in die sector. Maar tijdens die rodeo was het duidelijk dat alle deelnemers het zoveel mogelijk naar hun zin hadden als mogelijk was. Het was voor ons erg leuk om daarnaar te kijken, maar tegelijkertijd gaf het ons ook meer empathie voor hun situatie.”

De naam van het album, The Black Lips Sing In A World That’s Falling Apart, kun je zonder al te veel fantasie herleiden naar onze huidige tijd, maar de sound van het album is dan weer bijna ouderwets. Was dat contrast bewust?
CA: “Ik denk dat ons voornaamste doel was om ouderwetse, tranentrekkende nummers te schrijven en daar paste die titel goed bij. Maar ik denk ook dat je op bijna ieder moment in de geschiedenis wel zou kunnen zeggen dat het eind van de wereld in zicht leek.”

OM: “Ja, ik kan je in iedere tijd in de geschiedenis wel iets aanwijzen dat net zo erg is als dat wat we nu doormaken. En daar werd dan ook altijd doorheen gezongen, dat is toch altijd iets dat je situatie een soort van oké kunt maken. Het is wel waar dat het nu meer dan ooit voelt alsof mensen er ook mee bezig zijn dat de wereld uit elkaar lijkt te vallen. Toen er een nucleaire wapenwedloop was en we klaar waren om elkaar op te blazen was daar volgens mij minder constante aandacht voor dan voor de situatie nu.”

De plaat is dus ook niet echt beïnvloed door iets dat in de wereld speelt op het moment?
CA: “Niet echt belangrijke issues. De inhoud van onze teksten is meestal niet bepaald relevant of diepzinnig. Maar er is altijd wel iets dat ons inspireert. Jeff (Clarke, gitarist, red.) schreef het nummer Chainsaw over een vriend die zijn hond kwijt was geraakt. Die hond was super oud, dus hij was een zwembad voor hem aan het bouwen, dat die hond kon gebruiken als geriatrische, fysieke therapie, maar de hond liep weg door de poort toen hij daarmee bezig was. Dus eindigde het zwembad als een gigantisch leeg graf voor zijn vermiste hond. Maar nadat het nummer al was gemaakt, vond hij zijn hond op Craigslist. Compleet vermagerd en uitgehongerd, maar hij had hem terug. Dus dat is een erg verdrietig nummer, maar toch met een happy ending.”

Een nummer met een titel als Dishonest Men klinkt ook wel alsof het over iets relevants voor onze tijd kan gaan, maar dat is dus ook niet zo?
OM: “Nee, dat nummer gaat over Gone With The Wind. Maar iets dat een paar jaar oud is kan natuurlijk nog steeds relevant zijn, dit onderwerp is dan toevallig honderdvijftig jaar oud. Jared (Swilley, bassist, red.) schreef dat nummer en hij schrijft sowieso graag over geschiedenis en historische gebeurtenissen of personen. Dat vind ik zelf ook fijner dan over relevante politieke of sociale thema’s schrijven, want dat is erg moeilijk. Ik heb het weleens geprobeerd, maar het eindresultaat ligt altijd erg zwaar op de hand, dus dat laat ik liever over aan Bob Dylan of Patti Smith of wie dan ook. Mensen horen tegenwoordig ook al wel genoeg nieuws, denk ik. En dat gaat ook heel snel. Ik zou zelf geen nummer over iets waar ik mensen al over heb horen ruziën willen horen. Waar ik alle kanten al van gehoord heb.”

CA: “Ik kies sowieso niet graag een kant in de muziek. Zelfs als je op het moment van schrijven denkt dat je gelijk heb, kan je er later zomaar achter komen dat je fout zit.”

OM: “Er speelt ook nog mee dat ik geen winst wil maken op iemand anders zijn ongeluk. Je kunt natuurlijk een nummer schrijven over iemand die onterecht is neergeschoten of is aangevallen door politie, maar waarom doe je dat? Om aandacht te geven aan die zaak, of om jezelf populair te maken? En was die persoon je vriend, of was het iemand die je niet kent?”

CA: “Als je een groter bereik hebt, heb je natuurlijk ook meer kracht. Neem Bob Dylan, die een van de grootste artiesten ter wereld was toen hij Hurricane schreef, over een bokser die onterecht in de gevangenis zat. Daar had die man ook echt wat aan. Niet om te zeggen dat wij niemand zouden kunnen helpen, maar dan zouden we wel iets willen vinden dat nog niet compleet dood is gediscussieerd op Twitter, maar dat juist onder de radar gevlogen is. En daar zouden we dan tactvol mee om gaan. Het is niet iets waar we per se op tegen zijn, maar we zijn er wel voorzichtig mee en als we het zouden doen, zouden we het ook góéd willen doen.”

Denken jullie dat de sound van deze plaat voor herhaling vatbaar is?
CA: “Ik denk niet dat we hem teveel vast zouden willen houden, want het wordt misschien al snel kitscherig, maar ik heb wel het gevoel dat we er nog meer uit kunnen halen. En we hebben er wel veel van geleerd, dus het blijft waarschijnlijk nog wel even om ons heen hangen.”

OM: “Het is lastig om te voorspellen. Zelfs met dit album moesten we ook maar zien wat het werd. Het is natuurlijk wel een beetje een country-album geworden, dat hebben we een beetje geforceerd, maar het klinkt nog steeds niet als de country die in de Top 40 staat.”

CA: “Om een beetje terug te komen op wat ik al eerder zei, ik doe geen poging om ‘echte country’ te maken. Maar ik denk wel dat country een stuk diverser is dan mensen denken. Net als bij punk hebben sommige mensen hele vaste regels over wat het genre moet zijn, maar voor mij ben je juist punk als je die regels breekt. Suicide had geen gitaren,  maar die zijn voor mij meer punk dan iedere willekeurige band die dat wel heeft, want ze doen iets dat je niet verwacht.”

Welke regels van de country denk je dat jullie gebroken hebben?
CA (lacht): “Allemaal, denk ik.”

OM: “We hebben geen fiddle, dat is er sowieso eentje. Ik weet even niet meer hoe het heet, maar er is een nummer met regels voor een perfect country-nummer. Uit mijn hoofd: je moet zingen over de gevangenis, je moet zingen over momma, je moet zingen over drinken en over treinen en trucks. Gevangenis, check. Het nummer zegt niks over honden, maar ik vind dat dat wel een zesde regel mag zijn.”

CA: “Die kan compenseren voor eentje die wij missen.”

OM: “Precies! We hebben het volgens mij nooit over drinken, of nou ja, dat moet vast wel ergens ter sprake zijn gekomen.”

CA: “In Gentleman!”

OM: “Maar geen trucks, verdomme. En geen momma.”

CA: “Als je door de teksten heengaat duikt er vast wel ergens een momma op. Wacht, volgens mij zit er eentje in Gentleman!”

Dan klinkt het alsof…
OM (enthousiast): “Ja! We hebben geen enkele regel gebroken, het is een perfect country-album!”

CA: “Ik verwacht hem nog steeds niet terug te zien in de country-sectie van een platenzaak, maar daar kan ik mee leven.”

Het nieuwe album van The Black Lips is vanaf vandaag uit, deze zomer is de band bevestigd voor Dour Festival en Best Kept Secret.


Deze week verschijnt het debuutalbum Albumsi van Bufiman. Jan Schulte, zoals hij echt heet, maakt al sinds zijn achttiende muziek, maar kan pas sinds kort de titel ‘fulltime muzikant’ achter zijn naam zetten. De Duitse artiest die bekend staat om zijn wacky sounds, niet-alledaagse instrumentkeuzes en genre-overschrijdende samples vertelt over de aanloop naar zijn debuutplaat en wat daar allemaal bij komt kijken.

Voordat we Schulte spreken in Amsterdam, hebben we als onderdeel van onze research contact gelegd met een aantal bekenden van hem. Er is letterlijk niet één persoon die anders dan lovend over hem is. Hij staat bekend als een super vriendelijke gast, die vrolijk en enthousiast wordt als het over muziek gaat. Obscure platen, oude disco en mensen die écht muziek maken: Schulte straalt als het over geluid gaat.

Verschillende identiteiten
We ontmoeten Schulte in platenzaak Rush Hour in Amsterdam, waar hij een uur lang ontzettend vrolijk draait met een zelf samengestelde selectie platen uit de winkel. Als DJ draait hij regelmatig op festivals, in clubs en bij radiozenders of platenzaken, maar zélf muziek maken en produceren is wat hij het liefst en het vaakst doet.

Het is dan ook van belang om Schulte niet alleen als DJ te zien, maar als muzikant: dat is namelijk zijn roeping van jongs af aan, weet hij zeker. Al vraagt dat ook wat doorzettingsvermogen van hem. Tot vorig jaar had Schulte namelijk drie parttime baantjes om zijn leven te bekostigen, want eerlijk is eerlijk: het leven als producer kent soms ook rauwe randjes. Vanaf dit jaar verdient hij zijn geld met het maken van muziek en voelt hij zich comfortabel met het vele reizen, lang wachten in kleedkamers en veel van huis zijn.

Vooruitdenken
“Je weet nooit of je over een jaar nog wel geboekt wordt of dat mensen je platen gaan kopen en je leuk blijven vinden. Mijn vriendin vroeg ook wel eens aan mij hoe we de huur nu weer gingen betalen deze maand. Tot nu toe word ik elke keer gevraagd te spelen en neem ik elke klus aan, maar ver vooruitdenken is nog weleens lastig. Maar het belangrijkste voor mij is het leven van muziek en het vinden van de perfecte melodie. Daar leef ik voor”, vertelt Schulte optimistisch.

Terug naar Rush Hour, waar Schulte spontaan nog wat bekenden tegenkomt uit Düsseldorf, zijn geboorteplek. Van Engels switcht hij even naar Duits, om ze te vragen of ze de volgende dag gratis naar zijn concert willen komen kijken. Blijkt hij inderdaad een aardige gast te zijn. Of hij nu muziek maakt als Bufiman, Wolf Müller of gewoon als Jan Schulte, zijn sound is te herkennen uit duizenden. Onder het genot van een Mexicaans biertje en wat taco’s vragen we hem naar zijn nieuwste werk: Albumsi.

Hoe gaat het met je, Jan?
“Goed! Ik zie er erg naar uit om Albumsi via Dekmantel uit te brengen. Zij hebben mij gesteund vanaf het begin van mijn carrière, waardoor het voor mij niet meer dan logisch is om hier mijn debuutplaat uit te brengen. Het voelt als een soort vriendschap, iets dat ik zo ongelooflijk belangrijk vind in de muziekindustrie. De industrie draait tegenwoordig bijna helemaal om de promotie van artiesten en hoe zij worden neergezet. Social media lijkt alles te zijn, waar ik een beetje moeite mee heb. Bij Dekmantel krijg ik de ruimte om mijn aparte sound te laten horen, in plaats van dat ik als show-off wordt neergezet met mijn drie pseudoniemen.”

Vind je het belangrijk wat mensen van je denken?
“Ja, ik denk soms dat promotors al mijn aliassen op een flyer knallen zodat ze het grote publiek kunnen aanspreken of omdat er dan meer mensen naar mijn show komen kijken. Ik wil zelf juist liever de mensen die mijn muziek kunnen waarderen bereiken. De droom is om met mijn muziek iemand het gevoel te geven dat ze ergens thuishoren.”

“Als kind voelde ik mij erg eenzaam en wist ik niet dat er mensen waren net als ik, die zich helemaal konden verliezen in muziek. Ik wilde als jongetje graag een drumstel hebben, maar ik kom uit een groot gezin en dus kreeg ik een Oostenrijkse mondharp van mijn vader. Dat vroeg om veel creativiteit. Ik ging bijvoorbeeld zoeken naar samples, zodat ik het drumstel dat ik graag wilde hebben alsnog kon gebruiken, zonder het fysiek te hebben.”

“Door die samples kon ik ineens allerlei soorten muziek maken: van krautrock ging ik naar disco en van hardrock ging ik naar pop. Dat deden echter niet veel mensen toen. Het heeft mij heel mijn jeugd gekost voor ik geestverwanten vond, die openstaan voor alle stromingen, genres en meningen.”

Alles is mogelijk
Schulte vertelt gepassioneerd verder over waar hij deze mensen heeft gevonden. Er is een plek in Düsseldorf, Salon des Amateurs, waar hij voor het eerst speelde met de gedachte dat hij wellicht wel eens muzikant zou kunnen worden, als hij later groot zou zijn. Een nachtclub die de spannende Berlijnse sfeer kent, maar vele malen relaxter en minder oordelend is over zijn bezoekers. Zo is er geen dresscode of strenge uitsmijter, maar is iedereen er welkom. Een clubhuis voor underdogs, als het ware. Een rode lijn die door de carrière van Schulte heen lijkt te lopen. Een ander terugkerend thema is zijn onafhankelijkheid.”

“In het begin van mijn carrière was ik nogal eens verlegen en schaamde ik mij voor mijn stijl. Ik dacht dat er ‘echte muzikanten’ waren, en dan was ik er. Dat komt omdat ik zelf geen harmonieën kan spelen of noten geweldig kan laten klinken. Inmiddels ben ik trots op wat ik doe en maakt het mij echt niet meer uit wat als ‘echte muziek’ wordt bestempeld. Daarom ben ik net zo blij met slechts een klein groepje fans die bij mijn optreden staan te genieten en te dansen. Dat gebeurt echt nog wel eens: je verkoopt niet altijd grote zalen uit.

Laatst speelde ik een show in New York voor vijftig man. In plaats van te balen, heb ik er een geweldige avond van gemaakt en hebben deze mensen gedanst tot ze niet meer konden, sommigen met hun ogen dicht. Het belangrijkste voor mij is dat ik mijn ding kan blijven doen en dat is soms een beetje specifiek. Mijn tip om te overleven is dat je niet te veel moet verwachten en vooral moet openstaan voor inspiratie.” 

Waar haal jij nu je inspiratie vandaan?
“Er is een theorie dat elke muzikant eigenlijk maar één liedje wil maken in zijn hele carrière. Elk liedje dat je maakt komt een beetje dichter bij dat ene, perfecte liedje. Ik sta compleet achter deze theorie. Ik wil de perfecte combinatie maken van The Chemical Brothers, oude disco, breakdance-songs en mijn Duitse roots. Als ik dat bereik, dan is Bufiman pas echt af. Ik vertrouw op mijn oren en laat mijn verlegenheid achter.”

Is dat ook hoe Albumsi is ontstaan?
“Ik speel vaak een aantal shows in het weekend, waarbij ik er zoveel mogelijk probeer te doen zonder dat ik er helemaal kapot van ben. Slapen is soms nog wel een lastig ding in het nachtleven. Als ik dan thuiskom van mijn weekend, rust ik even uit en daarna is het weer direct terug naar de studio. In mijn appartement staat mijn hele collectie platen en heb ik een soort cave gebouwd, waar ik eigenlijk alleen maar bezig ben met het ontdekken en maken van muziek. Voor Albumsi heb ik ook veel documentaires over de dierenwereld en de natuur gekeken. Daar zit eigenlijk de beste muziek van de wereld in, vind ik.”

“Mijn muziek klinkt ook zo: organisch, een beetje quirky en heel aards. Maar het blijft lastig om mijn stijl uit te leggen. Ik zou bijvoorbeeld mijn moeder echt niet duidelijk kunnen maken hoe mijn muziek nou klinkt. Luisteren werkt toch het beste”, sluit Schulte vrolijk af.