Het is een druilerige, donkere vrijdagavond. Buiten parkeert een busje vlak voor de achteringang van het Stroomhuis. De passagiers zijn de bandleden van Viagra Boys. Zanger Sebastian Murphy en bassist Benke Höckert beginnen de instrumenten een voor een naar binnen te dragen. Iedere uitademing is zichtbaar door de lichtgrijze wolkjes die het opwekt deze avond. De sneakers van de mannen plenzen in de plassen en door de tot pap geworden bladeren. Het is een van de eerste koude herfstavonden van 2018, maar Murphy en Höckert dragen een dun joggingpak. Murphy blijft nog even buiten staan, bovenaan de trap. Hij trilt, maar steekt met vaste hand een peuk op, waarna er een flinke hoestbui volgt. Vanavond moet hij optreden, maar zijn weerstand kon niet op tegen de kou in de bus. Het leven is shit, maar lachen is de beste optie.

Tekst Midas Maas
Foto’s Tineke Klamer

Die laatste zin is bepalend voor de band. Het bevechten van misère met humor. Het ademt ook door alle nummers van zijn verse plaat: Street Worms. En hoewel de nummers veelal met satire doorladen zijn, gaan ze vaak wel in op persoonlijke onderwerpen uit het leven van David Murphy. Een leven dat zo’n dertig jaar geleden begon in Los Angeles, als zoon van een Amerikaanse vader en een Zweedse moeder. Höckerts verhaal begon heel ergens anders, in de Zweedse stad Motala. Als je naar een nummer als Just Like You luistert, kom je er al snel achter dat Murphy geen eenvoudige jeugd had.

“Ik verwoestte mijn relaties, verwoestte andere dingen die mij dierbaar waren. Ik wil hier niet over verder praten. It’s pretty personal”

Aan het begin van Just Like You wordt er een droombeeld geschetst: je hebt een lieve vrouw, een mooi huis en een kleine hond. Je vervolgt dat beeld van de droom met de zin: ‘I saw life/Without upset family members’. Oftewel: nu heb je familieleden die van streek zijn?
Murphy: “Dat waren ze toen ik tiener was. Ik was een bad kid. Ik deed niet wat ze mij vertelden te doen. Ik nam drugs. Ik ging een tijdje naar school, maar halverwege de middelbare school stopte ik. Mijn ouders wilden graag dat ik naar school ging en ik wilde dat niet. Ik eindigde als tatoeëerder in Stockholm.”

Höckert: “Ik was ook geen makkelijk kind. Ik deed dingen die ik niet zou moeten doen. Ik spoot graffiti, sloopte dingen, stal auto’s, deed drugs, dronk te veel alcohol. Ik ging naar het gymnasium. Een aantal vakken heb ik laten zitten, maar het was genoeg voor een diploma. Ik ging later ook nog naar de universiteit om een economische studie te volgen, maar die heb ik nooit afgemaakt. Toen ben ik min of meer verschillende bandjes ingerold. Ik werk nu als een timmerman.”

In het nummer wordt ook het andere uiteinde van die eerdergenoemde droom geschetst. De nachtmerrie, zou je kunnen zeggen. Je zingt: ‘I’m so glad/I never wandered down the wrong path/And ended up some kind of addict/Or loser or some kind of, some kind of/Some kind of psychopath.’ Hoe ver zat je daar vanaf?
Murphy: “I’ve been there, yeah, sure. Mijn verslavingen? Dat is best persoonlijk en het doet er eigenlijk niet heel veel toe. Amfetamine, benzoïden; noem het maar op en ik heb het waarschijnlijk gebruikt. In the end werkt het gewoon niet. Je verliest alles wat je hebt. It sucks. Je krijgt niks voor elkaar en je kunt je dromen niet waarmaken als je afhankelijk bent van drugs. Ik raakte rock bottom, meerdere malen in mijn leven. Ik realiseerde mij dat ik mijn leven aan het verneuken was. Ik verwoestte mijn relaties, verwoestte andere dingen die mij dierbaar waren. Ik wil hier niet over verder praten. It’s pretty personal.”

“Kijk gewoon naar de wereld man, het is fucked up”

Hoe gaat het nu?
Murphy: “Nu gaat het wel goed. Nu probeer ik mijn leven weer terug op te bouwen. Ik focus mij nu op de band en ik wil andere mensen niet meer tot last zijn. Ik neem verantwoordelijkheid voor mijn eigen acties.”

Hoe ver ben je nu van het droombeeld?
Murphy: “Ver. Ik bezit eigenlijk niks van die drie dingen, maar wie weet wat de toekomst allemaal in petto heeft. Op dit moment speel ik muziek. Dát is mijn leven op het moment.”

Höckert: “Ik heb een eenkamerappartement. En ik heb ‘misschien een vriendin’, haha. Just a ‘maybe’.”

Wie is ‘you’ in dat nummer?
Murphy: “Iedereen waar ik ooit tegenop keek. De rolmodellen in mijn leven. Mensen om mij heen, de mensen die nu luisteren. Het zijn veel mensen. De maatschappij als geheel, I guess.”

En waarom is die samenleving zo fucked up zoals je regelmatig zegt?
Murphy: “Kijk gewoon naar de wereld man, het is fucked up. Het is best simpel, lees de krant maar eens. Trump is president, het klimaat gaat naar de klote, het verschil tussen arm en rijk blijft groeien, alles is fucked up.”

Over Trump gesproken: dit jaar deed een extreemrechtse partij het uitermate goed in jullie thuisland.
Höckert: “Ze wonnen gelukkig niet. In veel districten hebben ze wel gewonnen, maar de sociaaldemocraten hebben alsnog meer stemmen gekregen. Ze kregen negentien procent, de sociaaldemocraten kregen 28 procent, of iets in die richting.”

Wat vinden jullie daarvan?
Höckert: “Fucked up! Fuck that! Voor mij is het: fuck grenzen, fuck nationaliteiten, fuck ras en fuck religie. Het is een groep mensen die racistische klootzakken zijn, weet je wel. It’s fucked up, ik weet niet wat ik er nog meer over moet zeggen.”

Murphy: “Toevallig gaat Worms daar op in: ‘The same worms that eat me, will someday eat you too.’ We zijn gemaakt van hetzelfde vlees en bloed, we gaan allemaal dood en we liggen allemaal op een dag te rotten onder de grond. Die zin heb ik van een kerel die in een interview wat zei over Trump: ‘What the fuck is er mis met die kerel. Hij realiseert zich niet dat we allemaal worden opgevreten door dezelfde wormen.’ Op het moment dat ik het nummer schreef voelde ik mij nogal sterfelijk. Ik dacht dat ik op mijn weg naar de dood was door drugsmisbruik.”

“Ik dacht dat ik op mijn weg naar de dood was door drugsmisbruik.”

En de uitweg uit alle ellende is punk?
Höckert: “Yeah! Toen ik opgroeide, voelde ik mij niet thuis in de normale wereld. De punkscene is er een waarin ik kon ontsnappen.  Het is een outsider-cultuur, een plek waar ik mij één kan voelen met andere fucked up mensen. Het is boze muziek waar ik mij goed in kan vinden. Al onze nummers: It’s all about being an outsider.”

Murphy: “Daarnaast lachen we er graag om, zoals je ook wel kan merken in onze muziek. Ik ben niet een heel serieuze kerel. Ik druk mezelf uit door humor. Ik heb geen lange serieuze discussies over shit. Het is veel makkelijker om te lachen om je problemen. Dat is ook veel beter dan door het leven te gaan met de gedachte: ‘ugh, alles is klote.’ Die humor is onderdeel van een positieve houding. Het is een positieve negativiteit. Comedy is belangrijk in de levens van iedereen. We houden van lachen.”

Boze muziek dus. Angstige muziek ook wel. Jullie tour uit 2015 had de naam Endless Anxiety Tour. Maken negatieve emoties betere muziek?
Murphy (zingt): “‘Tonight we’re gonna party.’ That sucks, die radiomuziek klinkt allemaal hetzelfde. Dat is ons doel, haha, het volgende album gaat gewoon veertien nummers lang vrolijkheid zijn. Even zonder grappen, toen wij de band net begonnen zo’n vier jaar terug had ik iedere dag en nacht last van angst: Endless Anxiety. Ik nam iedere dag drugs, maakte slechte keuzes en ik voelde mij slecht.”

Nu we het over punk hebben, waar begon muziek voor jullie?
Höckert: “Twisted Sister met We’re Not Gonna Take It op een cassette. Vanuit daar dook ik de heavy metal in en via de metal in de punk. De eerste punkband die ik leerde kennen was Asta Kask, een Zweedse punkband. Misfits kwam er vlak na. Vandaag de dag luister ik naar een veel breder scala aan muziek, zoals Container en Amyl and the Sniffers.”

Murphy: “Die vind ik ook gaaf. Maar ook Sleaford Mods en hiphop als Run The Jewels. Toch luister ik voornamelijk naar oude muziek, de muziek waar ik mee opgroeide. Het was de muziek van mijn vader en mijn ooms. Namen als Joy Division, New Order, Hank Williams, The Smiths en Radiohead, heel divers. Mijn ooms hadden dan ook een goede muzieksmaak. Ze gaven mij platen van al die bands. It’s all their fault.

“Ik ben wel vaker dan drie keer opgepakt, hoor. Waarvoor? Het bezit van drugs en smokkelen”

Nog niet zo lang geleden waren er nauwelijks interviews met jullie te vinden online. Er waren wat geruchten te vinden over Murphy. Om ons gesprek af te sluiten wil ik feiten van fictie scheiden. Eén: toen je in de Verenigde Staten woonde, heb je in de cel gezeten.
Murphy: “Nee, ik heb nog nooit in de bak gezeten. Je mag het opschrijven hoor, I don’t care.”

Je bent drie keer opgepakt. Waarvoor?
Murphy: “Dat wel ja, haha. Wel meer dan drie keer, hoor. Waarvoor? Het bezit van drugs en smokkelen. Ik wil niet dat mijn moeder dit leest, haha.”

Benke: “In mijn jeugd reed ik op brommers en motors zonder toestemming, terwijl ik ook nog eens minderjarig was. Stuff like that. En graffiti. Voor het stelen van auto’s ben ik nooit gepakt. Vrienden werden gepakt. Ik bleef op vrije voeten.”

Je bent vervolgens het land uitgezet, ging het verhaal.
Murphy: “Daar koos ik gelukkig zelf voor. Ik vertrok zo’n elf jaar geleden naar Stockholm. Ik wilde wat anders doen en ik had veel familie daar.”

Je bent daar gaan zwerven over de straten.
Murphy: “Ook al niet waar.”

Je bent karikaturen gaan tekenen om rond te komen.
Murphy: “Nope. Dat zou ik misschien wel moeten doen. Ik ben daar wel gaan werken als tattoo-artiest.”

Het is dus een compleet onzinverhaal. Toch kreeg het aandacht van een aantal media, die het voor waar aannamen.
Benke: “Perfect. Zo zou je het willen hebben! Een vriend van ons schreef dat verhaal een tijd terug. Wij vonden het hilarisch.”



Er zijn weinig mensen die een klassiek rockgeluid op zo’n goede manier nieuw leven inblazen als Ron Gallo. Zijn combinatie van een kritische blik en absurdistische humor verrijkt en vernieuwt een genre dat soms vastgeroest lijkt. In Nederland wordt dit maar al te goed beseft, zo speelde de Amerikaan al op London Calling, in Bitterzoet en in het Stroomhuis. Ook de grotere Eindhovense zalen zijn klaar voor Gallo, zo bleek wanneer Redacteur Bram van Duinen hem aan de tand voelde tijdens Fuzz Club in de Effenaar over zijn nieuwe album Stardust Birthday Party dat vandaag uit is gekomen via New West Records.

Foto: Jesse Fox

 

Ron Gallo is iemand die je meteen opvalt. Hij is lang, heeft een afro, een bijzondere kledingstijl en zijn mix van classic rock en punk is nou ook niet bepaald timide. Toch is hij verbazingwekkend rustig als je hem spreekt. Natuurlijk, die humor is er niet van af en samen met zijn band doet hij graag z’n best om je af en toe op het verkeerde been te zetten, maar de Amerikaan praat bedachtzaam, weegt zijn woorden goed en nuanceert veel.

Of ik diezelfde Gallo voor me zou hebben als ik hem anderhalf jaar geleden zou spreken weet ik niet. Rond die tijd kwam zijn debuutalbum Heavy Meta uit, een album dat zich kenmerkt door maatschappijkritiek en de daarbij horende frustratie. Ook de opvolgende EP Really Nice Guys heeft een venijnige ondertoon en staat bol van het cynisme ten opzichte van de muziekindustrie – ja, ook de journalistiek – en alles daar omheen.

Hoe anders is Stardust Birthday Party, waar Gallo zijn analyses tot nu toe altijd op de buitenwereld heeft losgelaten kijkt hij nu al bij de albumopener Who Are You? (Point to it!) naar zichzelf.

Vanwaar ineens die ommekeer?
“Op een gegeven moment besefte ik dat ik het probleem niet bij de buitenwereld moest zoeken maar bij mezelf. Ík was het probleem. Als je je er bewust van bent hoe je bepaalde dingen ziet, kun je ook beter bepalen hoe je er mee om moet gaan en hoe je je erover wilt voelen. Alles is een keuze en op het moment dat je dat beseft, kun je alles makkelijk in perspectief plaatsen. Op dit album neem ik zelf de verantwoordelijkheid voor alles, in plaats van het van me af te schuiven.”

Wat is het proces geweest in de zoektocht naar jezelf?
“De existentiële zoektocht is altijd wel een onderdeel van mij geweest op verschillende manieren. Ik heb altijd al het gevoel gehad dat er meer is in het leven dan je op het eerste gezicht ziet. In de laatste jaren heb ik meer onderzoek gedaan naar dat gevoel. Op dat moment ga je jezelf volledig deconstrueren en kom je erachter wat echt belangrijk is. In mijn geval dus dat ik zelf invloed heb op het effect dat zaken van buitenaf op mij hebben. Het is een heel persoonlijk proces. Sommige mensen stellen zichzelf de vraag ‘wie ben je?’  en nemen als antwoord genoegen met ‘oh, mijn naam is Jeff en ik werk in de marketing.’ Mensen praten over hun naam en hun beroep, maar als ik erover nadenk is er veel meer. Het is veel dieper. Ik denk trouwens niet dat het per definitie een goed ding is, want die zoektocht heeft niet perse iets met geluk te maken. Veel mensen zullen liever gewoon op de oppervlakte blijven en hun leven leiden. But here I am.”

Dus je was ook al bezig met die existentiële gevoelens in de Heavy Meta-periode, ondanks je focus op de buitenwereld destijds?
“Ik heb sowieso altijd de behoefte gehad om alles in twijfel te trekken. In die periode was ik meer bezig met hetgeen om mij heen te bevragen, terwijl ik me nu realiseer dat die focus op jezelf moet liggen. Hierdoor kan ik de sameness in everything zien en mezelf zo bevrijden van veel frustraties. Dat opent de deur voor veel meer liefde, zorg en compassie naar andere mensen, omdat je beseft dat iedereen met hetzelfde bezig is.”

Vond je het eng om zo’n persoonlijke plaat op te nemen en je gedachtes zo te delen met iedereen?
“Niet echt. Het voelde voor mij als het enige natuurlijke om te doen. Ik heb veel angsten in mijn dagelijks leven als persoon, maar bijna geen als muzikant. Dat is de vrijheid die ik vind in het schrijven. In mijn muziek wil ik praten over wat er gaande is, waar ik zelf heen ga en waar ik over nadenk. Zo ben ik altijd al geweest. In mijn muziek reflecteer ik op de gebeurtenissen op het moment dat ik aan het schrijven ben. Ik vond het dus niet moeilijk om het in mijn muziek te verwerken, het brengt me juist comfort. Als je een nummer maakt dan is het strak omlijnd. Het gaat over een bepaald onderwerp en dat is het. Ik vind het soms moeilijker om er persoonlijk over te praten.”

In je vorige projecten speelt humor een grote rol. Wat was de rol van humor in de zoektocht naar jezelf?
“Humor is alles voor mij. Het is goed voor een miljoen verschillende dingen. Het maakt alles verteerbaar. Soms neem je dingen te serieus op, maar uiteindelijk is niets serieus als je je innerlijke kind levend houdt. Voor mij is dat de beste manier om mijn leven te leiden, want niets is het waard om serieus te nemen. Als je iets serieus neemt, kan het je alleen maar kwaad doen. Het leven is een mysterie en je moet er gewoon om lachen, ‘cause why not?”

Dus het is eigenlijk een manier om jezelf te beschermen?
“Op een bepaalde manier wel. De manier waarop wij als band met elkaar omgaan is totale nonsens. . Ik vind dat prachtig, want voor mij voelt het niet gekker dan mensen die alles veel te serieus nemen. Een humoristische houding is gezonder dan een hele serieuze waar je alles probeert te begrijpen, want dat is gewoon niet te doen.”


Bij de EP Really Nice Guys, waar Ron Gallo kritisch is op de muziekindustrie, hoort een absurdistische documentaire waar de humor in de omgang tussen Ron en zijn band goed te zien is.

Het nummer OM voelt als een keerpunt op het album, je gaat van negativiteit op tracks als Always Elsewhere en “You” Are The Problem naar de positieve instelling van It’s All Gonna Be OK. Wat betekent OM voor je?
“OM is een bepaalde kreet die veel in de meditatie gebruikt wordt. Het representeert de stilte die overal achter verscholen ligt en het helpt je om tot je eigen middelpunt te komen. Als je OM zegt creëer je een bepaalde vibratie in je lichaam waardoor je automatisch tot rust komt. In het nummer vormen allerlei fragmentjes uit het dagelijks leven de achtergrondruis. Soms probeer je te mediteren,  maar lukt het niet omdat er zo veel gedachten door je hoofd vliegen. Dit nummer staat voor het gevoel wat we allemaal hebben. Ja, je gedachten zijn overal tegelijk, maar wij zijn hier en nu.”

Foto: CJ Harvey

 

*Bassist Joe Bisirri onderbreekt vanaf de gang het verhaal van Gallo om te roepen dat drummer Dylan Sevey het gezicht is van de nieuwe seksuele bevrijding *

OM is een belangrijk mantra in het Boeddhisme en Hindoeïsme. Ben je geïnteresseerd in die religies?
“Ja. Ik haal dingen uit allerlei verschillende religies, in het bijzonder de oosterse. Ik haal er losse dingen uit, maar hang niet één specifieke religie aan. Ik vind dat er moois te vinden is in alle religies. Het probleem ontstaat wanneer mensen ze verkeerd interpreteren en er rampen ontstaan. Toch zijn alle religies in de kern mooi en kun je er naar mijn mening heel veel van leren.”

Laatste vraag, in de Really Nice Guys-documentaire zei je al dat dat je laatste rockalbum ging worden en je daarna een carrière als groots jazzmuzikant of prof-skateboarder ging nastreven. Dat is er toen niet van gekomen. Wat heeft nu je voorkeur, jazz of skateboarden?
Ron lacht: “Ik denk dat jazz mijn lot is. Skateboarden is onrealistisch, want ik kan het mij niet veroorloven om geblesseerd te raken. Ik ga voor jazz dus.”

Ze ging, zocht en overwon. In 2013 haalde Judy Blank op piepjonge leeftijd de finale van het tv-programma De Beste Singer-Songwriter van Nederland. Een jaar later kwam ze met debuutplaat When The Storm Hits. De storm bleef echter uit. Het bracht haar aan het twijfelen. Het gevoel was niet goed. Was het muzikantenbestaan wel aan haar besteed? Om afleiding te zoeken, pakte ze het vliegtuig naar de VS. Het plan was om vooral niet met muziek bezig te zijn, maar de slotsom was dat Blank zichzelf in het land van hoop en dromen hervond. Sterker nog: ze vond zichzelf opnieuw uit. Het resultaat is de in Nashville opgenomen frisse folkpopplaat Morning Sun.

Tekst Niels Steeghs
Foto’s Nikki van de Poel 

Net als haar muziek klinkt Blank fris en opgewekt. Het glas is halfvol, haar zelfvertrouwen is exponentieel toegenomen en de nog steeds jonge liedjesschrijfster uit Utrecht vond een koers die bij haar past. De telefoon wordt met een enthousiaste begroeting opgenomen. En komende veertig minuten verdwijnt de spontaniteit en het enthousiasme niet meer. “Ja, er komt momenteel wel veel over me heen”, erkent ze. “Maar ik ben nu heel erg relaxed. Ik kan het loslaten nu de plaat eenmaal uit is. En bovendien kan ik nu toch niks meer verzieken, haha.”

De in het Gelderse Aalst opgegroeide Blank ging inmiddels al meermalen moederziel alleen naar Amerika. “Wat er nu allemaal gebeurt, dat heb ik niet echt zien aankomen. Met deze plaat wilde ik gewoon iets maken wat ik zelf te gek vond, zonder verwachtingen van anderen. Daarom vond ik het ook zo relaxed daar in mijn eentje aan te werken in Nashville. Ik heb alles daar zelf geregeld. Zonder een label. Eigenlijk pas toen ik iets had waar ik trots op was, toen kwam er aandacht van andere mensen. En dat is wel heel cool, dat het niet andersom is gegaan. Ik had absoluut een andere plek nodig dan Nederland om deze plaat te maken. Soms helpt het heel erg om op een andere plek te zijn. Het is bij mij het reizen dat iets aanwakkert. Zo ging het ook met die plaat.”
In de VS leerde Blank de kunst van het netwerken door spontane ontmoetingen en via nieuwe vrienden. Want liedjes maken, verbindt. “Ik heb zo ontzettend veel vette muzikanten leren kennen, gewoon in de supermarkt of in de koffiezaak. Daar kwam bijvoorbeeld Rayland Baxter binnenlopen, dat is iemand die ik helemaal te gek vind. Dat inspireert. Omdat die hele stad zo vol zit met goede muzikanten wil je zelf goede muziek maken, niet de kantjes er vanaf lopen. Ik wil het allerbeste. Aan de ene kant is dat heel erg perfectionistisch, aan de andere kant geeft dat een gezonde werkdruk. Het was heerlijk dat te kunnen doen, midden in die scene. In Nederland gaat het meer om wat voor stunts je uithaalt of hoe je in het nieuws komt of dingetjes doet via Instagram. Het gaat minder om de muziek, meer om wat je er omheen doet. Daar draait het echt om het liedje. Dat is waar ik heel erg in geloof en van geniet.”

“In Nederland gaat het meer om wat voor stunts je uithaalt of hoe je in het nieuws komt of dingetjes doet via Instagram”

Volgens een goede Amerikaanse traditie vond Blank zichzelf opnieuw uit. Ten tijde van haar debuut waren haar liedjes puur piano-georiënteerd. Ze ging doelbewust zonder piano overzees. “Ik had het niemand verteld, maar ik had het wel een beetje opgegeven na die vorige plaat. Ik besloot een break te nemen en twee maanden naar Louisiana te gaan. Toch kon ik het niet laten op te treden. Omdat ik geen piano had daar, ben ik maar gitaar gaan spelen. Met een paar akkoorden had ik al snel een paar liedjes geschreven. En toen werd ik uitgenodigd om op de radio te komen spelen en een week later op een showcase. Ik zat aan de andere kant van de wereld en opeens werd ik serieus genomen. Bij de vorige plaat vroegen mensen weleens wat voor liedjes ik maakte. En dan antwoordde ik: ‘Euh, ja, een soort van alternatieve pianofolkpop of zoiets’. Ik kon het niet eens benoemen. Nu is dat zo duidelijk voor mezelf. Gewoon folk of Americana. Het is een niche, maar wel eentje waarin ik me goed en begrepen voel. Als mensen het mooi vinden is dat fijn, als ze het niet mooi vinden is dat ook prima. Ik kan nu veel beter relativeren. Als ze het niks vinden, dan luisteren ze maar iets anders. En ik ben er trots op, dat is voor mij wel mijn grootste winst op persoonlijk vlak. Als iemand een oud liedje van me opzet, dan vraag ik of ze het alsjeblieft af willen zetten.”

Ze leerde veel in de zuidelijke Amerikaanse staten. Over muziekbeleving, over een immense folkcultuur die nog altijd van generatie op generatie wordt doorgegeven en over het werkethos. Ze mocht van dichtbij meemaken hoe dat is, toen ze als stagiaire voor de klas stond in Louisiana. “Er zit een ontzettende geschiedenis die ook volop wordt gebruikt in de lessen daar. Mijn helden van The Wood Brothers bijvoorbeeld, die bleken ook één van die klassieke folksongs gecoverd te hebben. Daar kwam ik later pas achter. En zo ging ik op zoek naar andere oude folksongs. Die kwam ik weer tegen in covers door Simon & Garfunkel, Crosby, Stills, Nash & Young en noem ze allemaal maar op. Wij als Nederlanders kennen dat Amerikaanse muzikale erfgoed helemaal niet zo. Daarom was het zo speciaal voor mij om daar op te nemen. Omdat ik het gevoel heb dat de muziek die ik tof vind daar vandaan komt. Ergens voelde dat dus logisch. Ik zat er middenin. En hoe raar het misschien ook klinkt, ik durfde daar meer.”

“Wij als Nederlanders kennen dat Amerikaanse muzikale erfgoed helemaal niet zo”

“Mensen zijn in Amerika ook veel meer met die teksten bezig. Als ik voor een publiek sta, dan merk ik dat mensen heel erg naar die liedjes luisteren. Ze kunnen wel vinden dat ik mooi kan zingen, maar wat ik nog vetter vind, is dat ik dat heb geschreven. Dat mijn gedachten en gevoelens die eerst nog in mij zitten een uur later op papier staan. Om daar de waardering voor te krijgen, dat betekent heel veel voor mij. Dat die waardering daarvoor hier minder is, dat komt omdat wij geen native speakers zijn.”

Second glass of red wine, water in my eye
You always start to paint right where I draw the line

Before you make me believe I’m colorblind
– Tangled Up In You

 

 

 


Een dikke knipoog naar nog zo’n klassieke held, Bob Dylan. Het zijn regels waar Blank trots op is, vertelt ze. “Hoe ik er op kwam, weet ik niet. Het gaat over een relatie. Over iemand die altijd over die lijn heen gaat, doet alsof ik gek ben. Later schrok ik er van hoe echt dat gevoel was. Soms denk ik echt van: heb ik dat gemaakt? En dan wil je nog een keer zoiets maken. Maar dat valt niet af te dwingen. Ik blijf wachten tot er iets komt. Als ik een film kijk op Netflix en er komt een mooi zinnetje voorbij, dan noteer ik die ook. Of dingen die mensen op een podium zeggen. Jeff Tweedy zei laatst bijvoorbeeld iets over Amerika en Trump, dat er over twee jaar een nieuwe verkiezingsdag is en we het tot die tijd moesten zien te rooien. Toen zei iemand uit het publiek: ‘Now we’re gonna cry!’ En hij reageerde: ‘No! No time for tears!’ Op dat moment zat ik heel erg in die release en was ik druk. Zo druk dat ik er bijna verdrietig van was. Maar ik moest gewoon door. Dingetjes afmaken. Dus dat zinnetje raakte me op dat moment.”

Eerder in het gesprek noemde Blank al haar helden van The Wood Brothers. Er gaat, zo erkent ze zelf, geen interview voorbij waarin ze niet genoemd worden. Die band uit Nashville was één van haar belangrijkste ingangen voor de muziek die ze nu maakt. Een soort rolmodel voor hoe zij het vooral zelf wil doen. “Op plaat spelen The Wood Brothers zoals ze het live ook doen. Gewoon met z’n drieën die liedjes zo mooi mogelijk invullen. Een pure, heldere sound waar de tekst en het liedje centraal staan. Dat vond ik te gek. Zij kunnen een zaal helemaal rocken en helemaal stil krijgen door heel goede liedjes te schrijven. Geen bullshit, geen click track, geen computer, geen beats. Echt prachtig. Dát is compromisloos liedjes maken.”

“Door hen heb ik heel veel Americana-playlists ontdekt. Een aantal van die onbekende artiesten heb ik afgelopen zomer ontmoet, kicken. Er is daar ook niet het stoffige stigma op Americana dat er hier wel bestaat. Hier is het al snel van: ‘waar zijn de baarden?’ De liedjes zijn vanuit een gevoel geschreven, die artiesten maken muziek zonder poespas. Neem de plaat van Michael Kiwanuka, Home Again. Dat is een prachtplaat. Alleen instrumenten, heel erg smaakvol ingekleurd, het blijft organisch. ‘Ik verkies altijd menselijke ritmes boven computerritmes’, zei hij. Dat heeft heel lang in mijn hoofd gezeten. Niet eindeloos zagen tot een liedje eindelijk een keer af is, want dan blijf je bezig.”

Judy Blank kijkt vanonder haar blonde krullenbos inmiddels met een stuk meer bravoure de wereld in. Missie geslaagd. Morning Sun is een volwassen plaat. De frivoliteit, het tekstuele venijn, maar vooral ook de levenslust. Het advies zichzelf te blijven was één van de beste adviezen die ze kreeg in Nashville, vertelt ze. “De tourmanager van Rival Sons was toevallig bij een optreden dat ik deed. Dat was in een kroeg waar veel van die countrydames speelden, die zien er serieus allemaal hetzelfde uit. Wit, te laag uitgesneden topje, lange haren met perfecte krullen er in, make-up, lichtblond haar en een kapotte spijkerbroek met cowboylaarzen. En al die liedjes klinken ook hetzelfde. Wat ik deed, was anders en daardoor had ik maar een deel van die zaal mee. Die tourmanager kwam na afloop naar me toe en die zei tegen me dat ik vooral moest blijven doen wat ik deed, want van die andere meisjes zijn er al zoveel. Hij adviseerde me dat te omarmen. Het gras lijkt misschien soms groener aan de overkant, maar muziek moet gelijk staan aan wie je bent. Mensen horen echt wel of het authentiek is.”

De psychologische reis is ten einde, Judy Blanks soul search is afgerond. Voor nu. Want de onzekerheid en de zoektocht blijft altijd. Maar wat er nu gebeurt, zet voor Blank het verleden wel in een ander perspectief, al is ze de eerste om te erkennen dat het zeker niet allemaal negatief was. “Ik heb wel gewoon die liedjes geschreven toen ik nog superjong was. Ik was 19. Nu ben ik 23 en nog steeds superjong. Het voelt alsof ik eerder door de stroop kroop. Nu kan ik gefocust vooruit. Je leert heel veel als er iets mis gaat. Door dat alles heb ik wel een beetje meer schijt gekregen aan dingen. De dingen staan wat meer in perspectief. Vroeger kon ik er mee zitten dat 3FM mijn liedje niet draaide, terwijl ik zo mijn best had gedaan. Ik heb nu ook geen plaat gemaakt waarmee ik bevestiging zoek. Voorheen mopperde ik over wat ik niet had, nu kan ik genieten van wat ik wel heb. Dat mensen tegen wie ik opkijk graag met me willen samenwerken. De grootste winst die ik heb behaald de afgelopen jaren is dat ik me serieus genomen voel.”

Jungle
Woensdag 21 november

 

This sounds like a therapy session, mate.” Josh Lloyd-Watson gaat languit op de stijlvolle marineblauwe bank van het labelkantoor in Amsterdam liggen. De ingelaste Nederlandse persdag van Jungle loopt tegen z’n einde, de vliegtickets liggen al voor hem op tafel. Hij nestelt zijn hoofd op een kussen en vouwt zijn handen achter zijn hoofd. “Say it again, go on.” Mooi. Kunnen we gaan beginnen.

Alle gekheid op een stokje: een therapiesessie is dit interview moeilijk te noemen. Eigenlijk is de term interview hier al niet op zijn plek. Boezemvrienden Josh Lloyd-Watson en Tom McFarland hebben na een lange dag wel genoeg van interviews en hebben net buiten een paar hijsjes mary jane gerookt. Lekker keten willen ze. Ik doe een moedige poging, maar uiteindelijk verzand ook ik in oeverloos geouwehoer en is van een lijn in het gesprek weinig sprake meer. Leuke gasten zijn het wel, die Engelsen. Hun tweede album For Ever is ook gewoon een erg sterk album, vol met de neo-soul die we al kenden van het ijzersterke debuut uit 2014.

 

For Ever is een break-up album. Deels opgenomen in Los Angeles, deels in Londen. Of hoe zit het nou toch?
Let me break it down for you, mate.” Josh komt met grootse armgebaren overeind van de bank. Hij is gehuld in een classy jaren vijftig outfit. Een lange donkerblauwe stoffen jas, zijn broek is okergoud. Een zonnebril met ronde glazen op. Zijn voorkomen doet iets denken aan hoe Alex Turner zijn laatste Arctic Monkeys-plaat live speelde. “Ik denk dat het inderdaad zo in het persbericht stond, ja.” Overdreven deftig zegt hij: “De locatie waar de evenementen hebben plaatsgevonden, Los Angeles, was altijd een grote inspiratie voor ons sinds dat we GTA speelden. We maakten het eerste album met in ons achterhoofd hoe L.A. zou moeten zijn, nu kwam het zo uit dat ik er ging wonen.”

En zo ging het. Josh vertrok uit zijn slaapkamerstudio in Londen en volgde zijn hart naar Los Angeles, waar hij een meisje had leren kennen. Tom bleef in Londen wonen, juist omdat hij daar een vriendinnetje had. Boezemvrienden en buren sinds hun negende, leden van een succesvolle band sinds 2014. Nu dankzij de liefde bijna negenduizend kilometer uit elkaar. “We hebben allebei hetzelfde gedaan, maar de manier waarop ík het deed was meer exciting”, grinnikt Josh. Even waren ze de ‘happy man’. Succesvolle band en een liefdevolle nieuwe relatie, maar het duurde niet lang of beide jongens donderden van de net beklommen roze wolk. Josh pakte z’n koffertje en woont nu weer met zijn maatje samen in Londen, in dezelfde straat als altijd.

 

Schrijven als het aloude recept voor gebroken illusies
Josh is bijna niet te verstaan. Vlak voor het begin van het gesprek kwamen er bakjes met verschillende nootjes en een fruitschaaltje druiven op tafel. Tijdens het praten propt Josh, honger gekregen, de ene na de andere druif zijn mond in. Zijn maat Tom, qua uiterlijk een klassieke Engelse skinhead, is beter te verstaan.

Tom: “Los Angeles wordt heel erg geromantiseerd. Over de hele wereld hebben artiesten een geromantiseerd beeld van wat het is en wat het kan zijn. Er wordt een soort droom aan vastgeplakt, die is er levend aanwezig, net als The American Dream.” Klinkt wellicht wat zweverig, maar een touw valt er nog wel aan vast te knopen. Het belangrijkste punt is dat het wel degelijk voor inspiratie zorgde, niet zo zeer de locatie maar wel wat er op die locatie gebeurde. Josh: “We zijn allebei door break-ups gegaan. En dan werkt schrijven als een helend proces. Je hebt niet echt meer dingen om over te schrijven als je dolgelukkig bent.”

 

“Het is veel makkelijker om eerlijk te zijn. Misschien wel dankzij het album kunnen we ook makkelijker over onze gevoelens praten”

 

De mannen van Jungle zien For Ever daarom ook als een behoorlijk persoonlijk album. Tom: “Het maakt ons niet uit wat de rest ervan denkt of dat de rest onze teksten kan horen. Het was voor ons belangrijk om te maken, zodat we over onze break-up konden groeien. Als andere mensen het ook leuk vinden, dan is dat mooi meegenomen.” Josh: “Open zijn in mijn teksten gaf mij een enorme vrijheid. Liever dit dan dat ik iets schrijf waar ik totaal niet achter sta. Al nagel je mij nu aan het kruis, dan zal ik nog achter deze lyrics staan.” Tom: “Mensen voelen het ook als het niet echt is. Ze ruiken oneerlijkheid. Als je liegt, moet je dat steeds weer maskeren. Het is veel makkelijker om eerlijk te zijn. Misschien wel dankzij het album kunnen we ook makkelijker over onze gevoelens praten.”

 

‘Kun je voor eeuwig van mij houden?’
Josh ligt er nog steeds bij als in de inleiding beschreven en de vijftig euro die hij als grap wilde geven voor ‘de sessie’, branden nog steeds in zijn zak. En dus neem ik, als de ware relatietherapeut die ik ben de proef op de som: waarom werkten de relaties niet?
Tom: “Omdat de meiden met wie we waren bindingsangst hadden. Wij waren er klaar voor om misschien wel de rest van onze levens te geven. En laat dat nou ook net de albumtitel zijn: For Ever. We moesten allebei de vraag stellen: kun je voor eeuwig van mij houden? Wij konden dat wel, maar zij niet. Dan moet je met klappen leren omgaan en weer doorgaan.”

Het is een vreemd gezicht. Twee stoere, keet schoppende mannen, die het hebben over eeuwig liefhebben van hun meisjes. Het zijn dan wel geen Satudarah-achtige persoonlijkheden, maar toch: het oogt onnatuurlijk. Stoere, hippe jongens met een klein hartje. Ze vonden troost in elkaars vriendschap, die nog sterker werd. Huilend met een fles wijn zaten ze in de auto, aldus het duo. Josh: “Het is heel belangrijk om te huilen.”

 

“We zijn er oprecht trots op dat we deze situatie nog naar iets positiefs hebben kunnen draaien”

 

Tom: “Al helemaal tijdens een zielige film. Heb je de film Lion gezien? Gaat over een klein jongetje uit India die gescheiden wordt van zijn moeder. Hij wordt op de trein gezet en raakt helemaal verdwaald. Wordt geadopteerd en leeft daarna op straat. Het is echt een hele emotionele film. Ik jank tranen met tuiten. De film Up ook, dat begin. Zo emotioneel, come on…”

Even los van alle geintjes die over de tafel vliegen. Natuurlijk moet je sterk in je schoenen staan om voor de liefde helemaal naar de andere kant van de wereld te verhuizen en om vervolgens weer met hangende pootjes terug en een gebroken hart thuis te komen.
Josh: “Iedereen dacht dat ik gek was”, vertelt hij licht gefrustreerd.
Tom: “Dat dacht ik ook! Haha, maar we zijn er oprecht trots op dat we deze situatie nog naar iets positiefs hebben kunnen draaien.”
Josh: “Het gaat mij niet om gelijk bewijzen, ik probeer gewoon zo zen mogelijk te zijn. Binnenkort verhuis ik naar Amsterdam.”

Het album is meer volwassen, maar of dat een goed iets is?
We ouwehoeren nog even verder over de break-ups. ‘Ze moesten gebeuren om plaats te maken voor betere dingen’ aldus de heren. We lullen zelfs over het type meisjes waar ze op vallen: ‘onafhankelijk en ambitieus’. Werd er in die auto nog geluisterd naar break-upsongs?
Josh: “Nee. We maakten ze. Ik heb wel een goede break-upsong voor je”, grinnikt hij. “Fix You van Coldplay”. Tom en Josh komen niet meer bij van het lachen, duidelijk een inside-joke.

Ik wil ingaan op het album en hoe het volwassener het klinkt dan het debuut. Maar direct is daar de counterstrike van Josh. “Is het nu goed of slecht dat je het album volwassener vindt? Ik denk dat het een of het ander kan zijn. Als we een ander minder volwassen album maken, dan had je nu gezegd dat het een jeugdiger en speelser album had gevonden.” Ja, misschien is het ook wel een waardeloze uitdrukking en heeft Josh nog gelijk ook. Ach, het is ook gewoon op. De fruitschaal en het bakje met nootjes zijn allebei leeg. De blikken dwalen steeds meer af in de richting van de vliegtickets, die daar zo naast mijn dichtgeklapte laptop op tafel liggen. Ik rond af, schud handen en terug vliegen ze. Terug naar de slaapkamers in London. De stranden, palmbomen en de naakte vrouwen in Los Angeles nog op het netvlies gebrand. Hadden we het ook nog over muziek moeten hebben of ging het daar nou juist over?


 

Jungle live zien? De band speelt dinsdag 20 november in Doornroosje en woensdag 21 november in TivoliVredenburg.

Jonathan Wilson
Zaterdag 8 september

 

Zo makkelijk als Jonathan Wilson zingt, zo lastig praat hij. Een prachtige tegenstelling. We Facetimen terwijl Wilson in Oslo zit, waar hij op tournee is met Roger Waters, de grootste tournee uit zijn carrière. Daarnaast, maar eigenlijk is dit de hoofdzaak, ligt zijn nieuwe soloplaat Rare Birds in de winkel. Zijn derde in Europa, en de langverwachte opvolger van Fanfare uit 2013. Bovendien is hij een gewilde producer (onder meer voor Father John Misty) en sessiemuzikant met een voorliefde voor georkestreerde popmuziek uit de jaren zestig en zeventig. Weinig artiesten die we hier bespreken hebben zo’n indrukwekkend cv en toch zit er een naar bijsmaakje aan. Zijn show in de Melkweg wordt daarom zijn laatste in Nederland, onthult hij in dit interview.

Op het moment van schrijven is Wilson dus op tournee. Een eindeloze tournee. Maar als hij thuis is, in North-Carolina, werkt hij gestaag door in zijn eigen studio. Wilson is een echte muzikant, die vrijwel continu werkt aan zijn eigen muziek. Ook een met een echte visie, die de mooiste geluiden uit het verleden naar het heden vertaald. “Gisteren kwam er een nummer van mij voorbij op de radio in Oslo. Ik vind het bijzonder om mijn eigen muziek weer te horen. Het voert mij terug naar de tijd dat ik het opnam. De melodieën, de geluiden, de drums. Over elk geluidje is nagedacht en doet mij denken aan het team waarmee ik het heb gemaakt. De love en care die in elk nummer is gelegd. Futuristic, weird.”

Rare Birds werd inderdaad door een heel team opgenomen. Net als bij zijn vorige platen staan er interessante, verrassende namen in de liner-notes. “Het is inderdaad de eerste plaat waar je zowel Laraaji als Lana Del Rey op hoort. Het zijn allemaal vrienden van mij. Ik ben lang met deze plaat bezig geweest, zo’n drie jaar, en telkens dacht ik: wie kan dit nummer nog ietsje mooier maken? Het zijn geen zwaarwichtige samenwerkingen, ze ontstonden spontaan. Zowel Lana als Laraaji voegen iets kleins, maar perfects toe aan mijn liedjes. Weet je, Laraaji zag ik samen met Father John Misty toen we mushrooms deden. De hoes werd gemaakt door mijn vriendin, die me beter kent dan wie dan ook. Ze heeft de perfecte, weirde afbeelding gemaakt die de vibe van de plaat dekt. Wacht, laat mij even roomservice bellen, momentje. Hallo, ik wilde even checken of mijn kruidenthee onderweg is? Ja, perfect. Thanks, man.”

 

“Mijn vriendin kent me beter dan wie dan ook”
Als je Wilson hoort praten of spelen weet je: deze man heeft een groot muzikaal hart. Geen wonder dat oud en nieuw Wilson weten te vinden. Bonnie ‘Prince’ Billy en Conor Orberst zijn vaste gast en als rechterhand van Father John Misty speelt hij een grote rol in diens succes. “Josh zocht mij op. Hij had wat liedjes geschreven en die waren onwijs bijzonder. Zijn teksten zijn fantastisch. Iemand fluisterde hem in dat hij mij moest ontmoeten en we became best friends. Ik bracht mijn vrienden mee, mijn sounds, mijn favoriete keyboards, drums en favoriete strijkers. Eigenlijk alle geluiden die we opnamen in mijn studio. Het orkestrale, dat wilden we beiden wel proberen. Zijn eerste album zette de toon voor de vibe, expansief orkestraal, die perfect past bij de teksten van Father John Misty. Hij is enorm cocksure. Hij weet nu de grote zaal van Paradiso te vullen en zalen van drieduizend tot vijfduizend man, als je eenmaal in dat circus meedraait gaat het goed.”

We vragen hoe het is om op tournee te zijn met Roger Waters. “Hij is een van mijn jeugdhelden! Mensen bellen mij vaak om op andermans materiaal te spelen. Zo raar was de vraag van Waters dus ook weer niet. ik mocht gitaarspelen op het album en later werden we de tourband. Toen werd het opeens een lange termijn-project. Het eerste gesprek met Waters was zakelijk, over een song die hij inbracht. De tweede dag gingen we meteen de studio in. Hij was aardig, maar zat midden in het opnemen van een album en moest even aan het idee wennen van een aantal jongere gasten die plotseling in de studio betrokken werden. Hij speelde eerder met Clapton en Gilmour, dus in het begin had hij wel zoiets van: who is this guy Jonathan, who is this fucking punk? It took a while, maar nu hebben we 130 optredens samen gedaan en voelt het vertrouwd. Het is een onverwachte reeks evenementen. We spelen vaak voor twintig, vijftig of zelfs zeventigduizend mensen. Het rekt je grenzen als artiest op. Publiek waar maar weinig muzikanten uit de indiescene voor mogen spelen, maar ik zing toch liever mijn eigen liedjes voor vierhonderd man dan die van iemand anders voor veertigduizend.”

 

“Who is this guy, Jonathan? Who is this fucking punk?”
Hoewel hij inmiddels alweer dik zeven jaar een gevestigde naam is, brak Wilson relatief laat door, toen hij midden dertig was. In Nederland zagen we hem voor het eerst samen met zijn vrienden van Wilco, over wie Jonathan vol liefde praat. Daarvoor was hij al lange tijd actief in de muziekscene. Hij bouwde gitaren, speelde in een bluegrassband en onderzocht wat hij als muzikant wilde doen. “Toen ik erg jong was, maakte ik veel shitty muziek. Dat was meer een poging om uit te vinden hoe muziek werkt en dat duurde lang. Maar ik wist altijd dat ik de muziek in wilde. Toen ik veertien was kreeg ik mijn eerste platencontract bij Warner Brothers aangeboden. Muziek was voor mij echt de enige optie. Inmiddels ben ik trots op het werk dat ik maak, zoals mijn laatste plaat.”

 

“Natuurlijk is het een geweldige ervaring, maar dat festivaloptreden kostte mij ook zeker 15 grand”

 

We vragen of zijn leven in de muziek geworden is wat hij er vroeger van verwachtte. Daarmee verandert ons gesprek plotseling totaal van richting. Wilson zucht heel diep. “Ik weet niet hoe ik hierop moet antwoorden”, zegt hij. Het wordt stil. Prima; niet iedere vraag hoeft beantwoord te worden. Voor we een volgende vraag kunnen stellen breekt Wilson echter los. “No. No, it wasn’t. Ik had niet verwacht dat de muziekwereld zó met ups-en-downs werkt, mentaal belastend is en financieel verre van vruchtbaar is. Je haalt Lowlands 2014 aan, dat weet ik nog heel goed. Iemand als jij, een vrolijke festivalganger, begrijpt niet wat er werkelijk gaande is in die situatie. Ik kom daarheen met mijn band, doe Lowlands en een tour met Wilco, dat zie je. Maar wat je niet ziet is dat het mij meer kost dan dat het oplevert. Not funny. I’m still paying for that. It’s bittersweet. Natuurlijk is het een geweldige ervaring, maar dat festivaloptreden kostte mij ook zeker 15 grand.”

 

“De indiescene is één grote getto”
“Ach”, vervolgt Wilson zuchtend. “Laten we de muziek een interessant spel noemen. Sommige mensen hebben de muziekwereld nodig om zichzelf goed, beter te voelen. Dat is niet het geval voor mij. Ik doe dit omdat ik kwaliteit wil leveren, mooie muziek wil maken en dat wil delen met mensen. Ik ga op tour en het kost mij iedere keer veel geld. Heel eerlijk: ik zou niemand een muzikantenbestaan aanraden. Echt niet. Tenzij je een mainstream poptalent bent en de prille, gemaakte indie-scene over kunt slaan. Het is een getto. Op dit moment, om als Amerikaans bandje in Nederland te spelen, kost je dat 15.000 dollar. Niemand gaat dat voor je betalen.”

 

“Om deze reden maakt de Melkwegshow van september deel uit van mijn laatste Europese tour ooit”

 

Uit onbegrip begint Wilson te lachen en ergens begrijpen we dat wel. Terwijl The War On Drugs naar de Ziggo Dome groeit, blijft Jonathan Wilson een niche-muzikant. Amerikaanse media als Pitchork prees zijn muzikale maatje Father John Misty de hemel in, maar negeerde doodleuk alle platen van Wilson, zonder wie Father John Misty niet Father John Misty zou zijn geworden. Maf, want zijn laatste plaat moet aanslaan bij liefhebbers van Father John Misty of The War On Drugs. Wilson is zeker zo’n begenadigd gitarist als Granduciel. “Het is gewoon een grote grap, man. Ik speel misschien quitte als ik een solotournee doe, met zaaltjes als de Amstelkerk. Dat is leuk voor een keer, maar niet de echte show. Niet iets waar je je compleet in kan verliezen. Niet wat ik wil doen. Ik ben heel eerlijk tegen je nu, ik speel iedere dag, mijn show is nog nooit zo goed geweest, met projecties en een zeskoppige band, maar ik kom niet verder. Ik wil niet klagen, maar touren is niet vol te houden. Door twee wereldtournees heb ik een schuld opgebouwd van 200.000 dollar. Afgelopen maart stond ik weer 15.000 in het rood, september wordt hetzelfde verhaal. Maar dat wordt in de media verzwegen.”

“Jonathan Wilson als coole rockster is de ene kant van het verhaal, liefhebbers zoals jij denken dat het goed met mij gaat, dat ik binnen ben, maar nee, ik ben mijn eigen financier. Sommige mensen doen dat graag, het voedt hun ego en het maakt hun leven zinvol. Voor mij, als veteraan in de muziekwereld, bekijk ik dit vanuit een ander perspectief. Het gaat niet om mij. Het gaat om de liefde voor muziek en niet mijn fucking ego. Ik ben geen asshole die dit spelletje maar blijft spelen. Ik kom terug voor mijn fans, die graag mijn liedjes en mijn specifieke sound willen horen, maar voor mij is het achteruitgang. Ik ga niet meer half dood hiervoor. Om deze reden maakt de Melkwegshow van september deel uit van mijn laatste Europese tour ooit. Ik hoop dat je ieder fucking woord hiervan opschrijft. Ik wil niet negatief overkomen, maar dit is de realiteit.”


 

WEBSITE MELKWEG | FACEBOOK-EVENT | TICKETS


 

Marlon Williams wordt overal in één adem genoemd met de term ‘singer-songwriter.’  Een zanger is ‘ie zonder twijfel: om de uithalen die hij live zonder een greintje moeite uit zijn strot perst kan niemand heen. Maar het songwriter-aspect ontbrak lang. Het debuut uit 2016 van de 27-jarige Nieuw-Zeelander werd gesierd door covers, nummers die zijn vrienden hebben geschreven en verhalen over (soms verzonnen) karakters. Tot vorig jaar. De break-up met Aldous Harding heeft hem achter de schrijftafel gekregen, met Make Way For Love als resultaat. Een album dat volledig anders is dan alles dat we tot nu toe van hem hebben gehoord.

Voor het eerst krijgen wij een kijkje in het hoofd van Williams, die ons tot nu toe enkel met zijn kenmerkend emotionele stem meenam in andermans verhalen. In een café in Amsterdam-Noord rookt hij nog snel een sigaret voor hij plaatsneemt, gewapend met een glas rode wijn. Voor het eerst leren we de flamboyante muzikant met de oude ziel kennen, zowel aan tafel als via zijn muziek. “Ik ben zelf nog aan het onderzoeken wat er precies allemaal van mijzelf in het album zit. Voor mij was het schrijven en opnemen van de nummers eigenlijk één groot verwerkingsproces van wat er was gebeurd en wat ik nu moet. Over hoe ik alleen moet zijn: een vrijgezel en onafhankelijk persoon. Ik heb een lange geschiedenis waarin ik bijna altijd een vriendin had. Ik ontdek nu waar ik sta als een individu, maar ook wat er precies is gebeurd in mijn relatie. Ik zou willen dat ik een perfecte oneliner had om de relatie met Hannah (Aldous Harding, red.) en mijn ervaringen erna samen te vatten, maar het leven is niet een oneliner samen te vatten.” Dan maar in een heel album.

 

“Ik heb altijd het gevoel gehad dat schrijven een verbastering van de waarheid was”
Marlon Williams heeft nooit onder stoelen of banken geschoven dat hij niet van nummers schrijven houdt. Hij heeft de kunst van coveren goed onder de knie, speelt nummers zoals Dark Child – zijn grote hit van het vorige album – die zijn geschreven door vrienden of vertelt andermans verhalen. “Ik heb altijd het gevoel gehad dat schrijven een verbastering van de waarheid is, waarbij de realiteit constant verkeerd wordt geïnterpreteerd. Het is voor mij vaak proberen gevoelens te articuleren die niet gearticuleerd willen worden. Het voelde altijd goedkoop, op een of andere manier. Maar met dit album, voor de eerste keer, voelde het onvermijdelijk en ontzettend belangrijk voor mezelf en mijn groei als persoon en muzikant. Ik heb een reden gevonden achter de schrijftafel te kruipen.”

 

“Vroeger hadden we bijvoorbeeld een ruzie en dan zag ik haar fanatiek in haar notitieblokje schrijven. Fuck, dacht ik dan, deze ruzie echoot door tot in de eeuwigheid”

 

Die reden was de relatie met Aldous Harding, die na een aantal jaar vorig jaar op de klippen is gelopen. Ze waren uit elkaar gegroeid, waarbij het muzikale succes dat hen ongeveer tegelijk overspoelde, een rol speelde. Zowel Harding als Williams hebben deze break-up vertaald in hun albums. Party van Aldous Harding verscheen vorig jaar mei en bijna een jaar later is hier Make Way For Love, waar zij tevens meezingt op Nobody Gets What They Want Anymore. “Party is mijn favoriete album van 2017. Ik heb er natuurlijk een intense connectie mee, veel van de nummers heb ik tot leven zien komen. Het doet pijn om te luisteren, maar ik ben bovenal trots. We zijn allebei heel respectvol tegenover elkaars creatieve processen. Altijd al zo geweest. We hebben al heel lang terug geaccepteerd dat nummers schrijven een deel van ons bestaan is, al is zij er veel beter in dan ik. We waren muzikale partners en muzikale vrienden lang voordat we samen waren. We wisten allebei dat dit de norm was, het voelt natuurlijk op een rare manier. Vroeger hadden we bijvoorbeeld een ruzie en dan zag ik haar fanatiek in haar notitieblokje schrijven. Fuck, dacht ik dan, deze ruzie echoot door tot in de eeuwigheid. Maar er zit iets in het ego van een artiest dat ons toestaat op die manier te werk te gaan. Ze behandelt mij niet met fluwelen handschoenen en vertelt haar verhaal hard en realistisch, en ik doe hetzelfde.”

 

“Het schrijven van dit album voelde als een daad van passie in plaats van een bewuste keuze”
Williams had al jaren de pen niet opgepakt, maar na deze break-up lagen er binnen een paar dagen vijftien nummers klaar. “Het was heel gepassioneerd, in termen van schrijven. Jarenlang voelde ik de drang om te schrijven niet, maar ik had nu het gevoel dat ik écht een doel had. Iets waar ik diep over na moest denken en moest uitdrukken op een manier die alleen in muziek werkt. Het voelde als een daad van passie in plaats van een bewuste keuze: ik had bloed aan mijn handen en had geen idee hoe dat was gebeurd, dit was mij nooit eerder gebeurd. Ik had altijd een soort geprivilegieerde afstand van mijn eigen muziek. De mentaliteit van: ‘Laat mij jou eens een verhaaltje vertellen’, of: ‘Hier is iets waar ik over heb nagedacht.’ Ik kon me daar met dit album niet meer achter verstoppen. Dit album was een volledig nieuwe ervaring. Ik ben geen verteller meer, er is geen empathie naar buiten in dit album. Ik realiseer me dat verhalen vertellen altijd een sterk punt van mij als muzikant is geweest, maar nu speelt mijn ego de hoofdrol. Dat is compleet nieuw.”

Maanden voordat het album uit was speelde Marlon Williams op London Calling, waar zijn set voor het overgrote deel bestond uit nieuw werk. “Natuurlijk gelooft elke artiest dat het nieuwe werk het beste is, anders beweeg je niet vooruit. Daarbij helpt live spelen met het ontdekken van mijn individualiteit, ook als performer. Voor mij is er een duidelijke scheidingslijn tussen dat en het zijn van een schrijver. Ik heb al die nummers geschreven en dat was het. Nu zijn het onderdelen van een setlist, ik denk nooit meer na over hun persoonlijke natuur. Als een nummer klaar is, wordt het een abstract ding. Ik maak me geen zorgen meer om mijn persoonlijke verhaal, misschien komt dat omdat ik er nog niet aan gewend ben dat dat bestaat in mijn muziek. Ik behandel ze als elk ander nummer. Misschien realiseer ik me op een dag: shit, ik leg hier mijn leven bloot voor een ruimte vol vreemden. Maar dat zie ik dan wel weer.”

 

“Ik had altijd een soort geprivilegieerde afstand van mijn eigen muziek”

 

Nieuwe studiodata staan al in de agenda van Williams genoteerd, maar hoe het volgende album eruit ziet weet hij nog niet. “Ik heb niks meer geschreven sinds die vijftien nummers. Ik weet niet wat er hierna gaat gebeuren. Ik houd niet van schrijven, maar ik houd ervan te hebben geschreven. Er is iets dat het voor mij heel moeilijk maakt om pen op papier te zetten, het voelt als een slecht ding. Ik sluit mezelf af van alle mogelijkheden en zing constant in mijn hoofd, maar niks heeft toestemming om een vaste vorm te krijgen. Ik ben bang om te falen, bang om te schrijven. Ik wil geen slecht nummer maken, ik ben liever stil dan slecht. Schrijven moet ik doen voor mezelf, zoals dat ik dit nodig had om over Hannah heen te komen. Als ik eenmaal een nummer af heb gaat het prima, dan is het klaar. Ik kijk nooit meer terug: de nummers zijn dan wat ze zijn en als een performer speel ik ze vervolgens live. Ze hebben dan een vaste vorm aangenomen en dan zijn alle twijfels weg. Ik kan me nog vaag herinneren hoe ik me voelde toen ik de nummers schreef, maar nu interpreteer ik ze vast net zo als jij. Het is nu iedereens eigendom, een complete verschuiving in hoe ik altijd heb gewerkt.”

Make Way For Love is sinds 16 februari uit via Dead Oceans. 

Metropolis Festival
Zondag 2 juli

 

Met Brutalism heeft de Britse band IDLES een van de beste debuutalbums van 2017 op zak. Zowel qua teksten als thema’s is de toepasselijk getitelde plaat grimmig doch goudeerlijk. Zo gek is dat niet, want Brutalism is het gevolg van de persoonlijke problemen waar IDLES’ fascinerende frontman Joe Talbot zich de afgelopen periode doorheen worstelde. Zijn moeder overleed na een zwaar ziekbed, maar Talbot rustte niet voor hij zijn leven terug op de rails had.

Dat lukt inmiddels best aardig. Terwijl Talbot The Daily Indie toelichting geeft over Brutalism en de bijbehorende ontwikkelingen van zijn band is hij bezig met verhuizen. Een dag eerder heeft hij de aankoop van zijn huis rondgemaakt, een woning die hij binnenkort zal betrekken met zijn vrouw, die zwanger is van een dochtertje. De band speelde een belangrijke rol in de totstandkoming van die toekomst. “Toen mijn moeder overleed, was de band een soort vorm van therapie voor mij”, vertelt Talbot over de telefoon. “Het heeft me geholpen om in het leven gelukkig te blijven zijn.” Het belangrijkste element daarin vat Talbot samen onder het woord ‘catharsis’, een concept dat Aristoteles voor het eerst introduceerde als de reiniging die mensen meemaken als ze toeschouwer zijn van een tragedie. “Ik kan in mijn kunst duidelijk maken wat ik voel en dat daardoor zelf beter begrijpen. Je haalt het probleem als het ware buiten jezelf en kunt het dan makkelijker deconstrueren.”

 

 

Die deconstructie gaf uiteindelijk de aanleiding tot de reconstructie van Talbot en de band, die zich ook in een moeilijke periode bevond. “Het voelde alsof we met het album iets bouwden waarmee we tegelijkertijd onszelf weer oprichtten,” zegt de zanger. Het vormt een deel van de verklaring van de albumtitel. Talbot: “Het brutalisme was de stijl waarin Groot-Brittannië werd herbouwd na de vernietigingen die door de Duitsers waren aangericht in de Tweede Wereldoorlog. Men bouwde snel betonnen gebouwen, zoals scholen en parkeergarages, om de samenleving weer sterk te maken.”

Wie naar het album luistert (en dat is aan te raden), heeft waarschijnlijk wel door wat de andere reden voor de naam van de plaat is. “Toen we het album aan het schrijven waren, kregen we al snel door dat het nogal brutal klonk”, herinnert Talbot zich. “We waren echt muren van geluid aan het metselen. We beschouwden het album als één blok beton.” En een blok beton, dat is Brutalism. Veel meer dan de eerdere EP’s die IDLES in de voorgaande jaren uitbracht. De plaat past in een ongelofelijke ontwikkeling die de band uit Bristol qua sound en stijl doormaakte. Een bewuste beslissing was dat volgens Talbot niet. “Die overgang vond op een heel natuurlijke manier plaats. We kwamen erachter dat het geluid dat we eerder hadden eigenlijk niet echt bij ons paste. In de tussentijd hadden we onszelf en onze instrumenten beter leren kennen. We kregen meer vertrouwen in onszelf en voelden niet meer de behoefte om bewust of onbewust andere bands na te apen.”

 

 

Kortom, het geluid van IDLES werd harder. Talbots teksten volgden. Op Brutalism zijn ze soms zo eerlijk dat het pijn doet ze aan te horen. De zanger is zo open over zijn persoonlijke problemen dat het haast onmogelijk lijkt dat het schrijfproces een ontspannen onderneming was. Vond Talbot het niet moeilijk zich zo bloot te geven? “Nooit. Eerlijkheid is absoluut noodzakelijk”, zegt de Brit vastbesloten. “Ik zou niet weten waarom ik teksten zou schrijven als ze niet eens eerlijk waren. Onze muziek is een uitlaatklep van emoties, dus ik moet wel eerlijk zijn over die emoties. Sommige bands nemen je mee op een reis, hun muziek draait om escapisme. Ik ben een realist.”

“Humor zit vaak in de donkerste hoekjes”
Voor een realist is Talbot zeer geïnspireerd door abstracte kunst. Zijn teksten vallen soms in de categorie ‘iedereen kan het, maar slechts één iemand doet het’, net als veel moderne schilderijen. “Ik vind het leuk om abstracte teksten te schrijven”, zegt hij. “Ik hoef toch zeker niet alles voor de luisteraar uit te spellen?” Talbot hecht er dan ook niet te veel waarde dat zijn boodschap exact begrepen wordt. Dat ontdekte hij toen de teksten van een van de nummers, Stendahl Syndrome, door sommige luisteraars anders werden begrepen dan de zanger zelf bedoeld had. Hij schreef het nummer, dat draait om een syndroom waarbij mensen lichamelijk overweldigd worden door kunst, vanuit het oogpunt van een kunstcriticus in dienst van de Britse tabloid The Sun. “Did you see that selfie what Francis Bacon did? / Don’t look nothing like him, what a fucking div, I tell ya / Did you see that painting what Basquiat done? / Looks like it was drawn by my four-year-old son, I tell ya”, zingt Talbot, hetgeen opgevat werd als kritiek op moderne kunst. “Ik schreef dat nummer zoals ik het dacht”, lacht de Brit. “Ik voel niet zo de behoefte om mensen ervan te overtuigen dat ik in werkelijkheid juist heel veel van kunst houd. Dat ontdekken ze vanzelf als ze een beetje research doen.”

 

 

Hoewel Brutalism een serieuze plaat is, speelt humor een belangrijke rol op het album. Donkere Britse humor welteverstaan. “How many optimists does it take to change a lightbulb?”, vraagt Talbot op White Privilege. Antwoord: “None, their butler changes the lightbulb.” Voor Talbot fungeren dergelijke droge grappen als een soort Trojaans Paard. “Vreugde en humor zijn in deze tijden vormen van verzet. Je moet om jezelf en de wereld kunnen lachen, hoe slecht de situatie soms ook lijkt. Gelukkig zit humor soms – of juist vaak – in de donkerste hoekjes”, vertelt Talbot. Die donkere hoekjes zijn er op dit moment genoeg. In de context van Trump en de Brexit kan Brutalism niet anders dan worden opgevat als een sociaal statement. Dat is volgens Talbot meer een gevolg van de periode waarin we ons bevinden, dan van de plaat zelf. “Ik denk niet dat het belangrijk is om politiek te zijn, maar dat het belangrijk is om eerlijk te zijn”, houdt hij vol. “Daarbij: muziek kan ook best politiek zijn zonder het over politici te hebben. Zelfs het meest optimistische liefdesliedje kan anno nu politiek zijn. Eerlijkheid is politiek. Daarom wil ik niet bekend staan als een politieke band, maar gewoon als een goede band.”

 

“Ik denk niet dat het belangrijk is om politiek te zijn, maar dat het belangrijk is om eerlijk te zijn”

 

Toch is de Brit zich ervan bewust dat juist de omstandigheden in Groot-Brittannië hebben bijgedragen aan de doorbraak van zijn band. “Onze populariteit heeft er ook mee te maken dat we voorheen gewoon niet zo goed waren, maar de situatie in de wereld heeft ons waarschijnlijk wel geholpen”, denkt de zanger. “Dat is best verdrietig om te bedenken, maar ik hoop dat we altijd relevant zullen zijn.” Talbot is zich er dan ook van bewust dat politieke betrokkenheid steeds meer een marketingstrategie wordt, al maakt hij zich er niet bepaald druk om. “De wereld zal je altijd uitbuiten op de een of andere manier, maar je kunt dat je er niet van laten weerhouden te doen wat je wilt doen”, meent hij. “Dat Pepsi of modemerken feminisme gebruiken om reclame te maken voor hun producten, betekent niet dat het niet belangrijk meer is om feminist te zijn. Je moet in zulke zaken geloven omdat je in ze gelooft, niet omdat je denkt dat je er geld mee kunt verdienen.”

 

 

“Politiek is het leven, maar dan op papier”
Talbot heeft dan ook genoeg andere dingen om zich druk over te maken. Zoals gezegd is zijn vrouw hoogzwanger en heeft hij net een huis gekocht. Dat zet zaken als politiek in een nieuw perspectief. Minder belangrijk wordt het er echter niet door. Integendeel, zo zegt de zanger: “Dat ik binnenkort een dochter heb, maakt politiek juist nog belangrijker. Mijn stem heeft invloed op het leven van iemand anders. Op haar educatie, op hoe er voor haar wordt gezorgd als ze ziek is.” Talbot slaat het beleid van de zittende Britse regering dan ook gespannen gade. “Als de conservatieve regering aan de macht blijft, moet ik me druk maken over de manier waarop ik voor haar zorg kan betalen”, verzucht hij. “Politiek is niet zo maar een hobby, het is je leven. Het gaat over je toekomst, je gezondheid, je geld. Politiek moet ervoor zorgen dat je je veilig voelt, dat je gezond bent, en gelukkig. Politiek is het leven, maar dan op papier.”

 

“Dat ik binnenkort een dochter heb, maakt politiek nog belangrijker.”

 

Talbot kan als geen ander weten hoe groot de invloed van een conservatief Westminster op de werkelijkheid is. Zijn leven speelde zich grotendeels af in ziekenhuizen. Op Divide & Conquer zingt hij kort maar krachtig over de bezuinigingen op de NHS, het openbare gezondheidsstelsel van Groot-Brittannië: “A loved one perished at the hand of the barren-hearted right”, zingt hij. “Ik had als kind veel problemen met mijn gezondheid”, vertelt de Brit. “Toen mijn moeder ernstig ziek werd, bracht ik weer veel tijd door in het ziekenhuis. Dat deed mij eraan denken dat we fucked waren geweest als we in Amerika gewoond hadden. Dan hadden we gewoon op straat gestaan. Hoe kun je arme mensen nou straffen omdat ze ziek zijn? Dat is walgelijk. De gezondheidszorg is een zaak waarvoor ik met vreugde zal vechten.” In de nasleep van de verkiezingen in het Verenigd Koninkrijk maakt Talbot zich op voor dat gevecht. “Ik denk dat het alleen nog maar slechter zal worden”, zegt hij zacht – en zoals we na de uitslag van gisteren weten, enigszins ten onrechte. “Labour gaat niet winnen, dat zie ik niet gebeuren.”

 

 

“Ze snappen niet hoe gevaarlijk het overheidsbeleid kan zijn”
Als ergens al voorzichtige hoop schuilt, is het in de schaduwen van het haast vanzelfsprekende pessimisme. “Op een gegeven moment zal alles wel weer veranderen, maar mensen zijn gewoon lui. Ze snappen niet hoe gevaarlijk het overheidsbeleid kan zijn. Straks ben je duizenden ponden kwijt omdat je een gebroken arm hebt. Voor zo’n scenario ben ik stiekem bang.” Toch lijkt uit alle ellende die Talbot beschrijft een onuitputtelijke energie te spreken. Hij zal zich niet zomaar neerleggen. Dat kan niet natuurlijk ook niet met een dochter op komst en een huis om tot een thuis te maken. Gelukkig heeft IDLES een brutalistisch bastion om vanuit te strijden voor verandering. Het beste nieuws dat vanaf daar te melden valt? De opvolger van Brutalism is al bijna af. “We hebben al zo’n zestien nummers geschreven, geloof ik. Later dit jaar gaan we het album afmaken en opnemen, zodat we het volgend jaar uit kunnen brengen.” En zo komt voor Joe Talbot en de zijnen, met muzikale zevenmijlslaarzen, het ideaalbeeld van huisje, boompje, beestje steeds een stapje dichterbij.

 

WEBSITE FESTIVAL| FACEBOOK-EVENT

The Daily Indie Presents
12 mei – Asteriks

Op het nieuwste album Greener Than The Other Side gaat The Black Marble Selection op zoek naar het paradijs. Niet via de rechttoe-rechtaan garagerockroute van het debuut, het vijftal bewandelt na het afscheid van zanger JP Lilipaly (“Het voelde als een verkering die uitging”) vaker de kronkelende bospaadjes van melodieuze psychedelica. Maar wat blijkt? Zoals de titel ‘Greener Than The Other Side’ al doet vermoeden, is het ware paradijs gewoon thuis. In Tilburg.

Oké, de Textielstad ziet er met zijn vele blinde muren en rechthoekige flatgebouwen (door Tilburgers cynisch ‘blokkendozen’ genoemd) op het eerste gezicht niet uit als de ‘Garden Of Delight’ waarover op het nieuwe album wordt gezongen. Dat zien de mannen zelf ook. “Maar je moet je niet doodstaren op die lelijke gebouwen”, vindt bassist Malenzie Mac-Donald. “Tilburg moet je méémaken, je moet er de juiste mensen leren kennen.” Daar is drummer Tom van Berkel het mee eens. “Tilburg heeft veel kunstenaars, muzikanten… Veel absurdisten. Die lachen ook om de ‘lelijkheid’ van de stad, maar ze zitten hier wél. Je hebt hier alle ruimte voor muziek en kunst, maar je moet het wel zelf doen.” Dat is misschien wel juist het mooiste aan de stad, vindt hij. “In Amsterdam weet je dat er ’s avonds 113 expo’s, veertien bandjes en vijf clubavonden zijn. Dan ga je ergens heen, je wordt vermaakt en de mensen zijn knap.” Erik Bus, gitarist en tegenwoordig frontman, valt hem bij. “Als je hier een avond niets te doen hebt, is het ‘Fuck… Wat gaan we doen?’ Dan word je ook gepusht om iets te gaan maken.”

 

Lid van The Daily Indie? Dan maak je goede kans op vrijkaarten voor de show van The Black Marble Selection in Asteriks op 12 mei. Meer informatie vind je hier.

 

De plaatstelijkse sjoelvereniging
Malenzie schiet in de lach. “Vrienden van mij belden laatst of ik kwam sjoelen, want een van die guys had nog een sjoelbak staan. En ja, wat ga je anders doen behalve zuipen in de stad? Dus iedereen nam z’n vrienden mee en ze zijn een avond gaan sjoelen. Een maand later hadden ze een sjoelvereniging opgericht en stonden ze in het Brabants Dagblad en werden ze uitgenodigd in talkshows om erover te vertellen. Dát is Tilburg. De raarste dingen gebeuren hier en het gebeurt snel.”

 

“De burgemeester zou ons eens moeten horen, zo trots als we op Tilburg zijn.”

 

Zo vliegt in het hippe koffietentje (Fritz Kola, ingewikkelde lattes, industrieel interieur; je kent het wel) in het Tilburgse centrum de ene na de andere anekdote voorbij. Hier zit geen band die een heel serieus album te verkopen heeft en wil praten over persoonlijke groei, hier zit een ontspannen vriendengroep in zijn natuurlijk habitat lekker te leuten. Met oprechte liefde voor hún stad. “Het klinkt misschien een beetje beperkt, maar mijn wieg stond hier en ik wil hier nooit meer weg”, zegt Malenzie. “Ik moet alleen m’n vriendin, die komt uit Arnhem, nog overtuigen.” Tom grinnikt: “De burgemeester zou ons eens moeten horen, zo trots als we op Tilburg zijn.”

Deze gasten laten je vanzelf geloven dat in deze stad echt alles mogelijk is. Hun eigen verhaal is ook al zo’n voorbeeld. Als een groep vrienden die elkaar kent van het skateboarden en in de overige vrije tijd een paar akkoordjes had geleerd, vonden ze het op een dag een tof idee om muziek te gaan maken in de stijl van de sixtiesnummers die vaak onder skatevideo’s worden gemonteerd. “We maakten net een maandje muziek en toen hebben we tegen onze vrienden gezegd: ‘dan en dan spelen we in de Hall Of Fame’”, vertelt Malenzie. “Zij zeiden: ‘Meen je dat serieus? Lachen man, dan ga je zwaar af! Dan komen we wel kijken!’ Maar we kregen applaus en toen dachten we ‘hé, hier moeten we mee doorgaan’.”

 

 

Transformatie
Twee albums later neemt The Black Marble Selection zichzelf nog steeds vooral niet te serieus. “We maken pas vijf jaar muziek, dus we zijn daar voorzichtig mee”, vertelt Malenzie. “Wij hebben niets uitgevogeld wat anderen nog niet weten. We doen gewoon ons best en zijn dankbaar”, blijft hij bescheiden. Maar dat de groep zich heeft ontwikkeld, is duidelijk te horen op Greener Than The Other Side. “We hadden deze plaat ook niet anders kunnen maken, net zoals dat voor de vorige gold. Die eerste was wat harder omdat we niet echt anders konden. N zijn we allemaal meer melodische dingen gaan luisteren, maar dit is onze sound, we hebben alleen weer wat bijgeleerd. We zitten continu op de limiet van wat we kunnen. We groeien mee met onze muziek.”

 

“Wij waren die guys die vooral live leuk waren om naar te kijken, waar je bier kon gooien en zo. Maar nu zijn de muziek en de samenstelling anders en willen we dat niet meer zijn.”

 

Die transformatie betekent dat The Black Marble Selection ook live niet helemaal meer is zoals je de band kende, waarschuwt Malenzie. “We moesten onszelf toch even opnieuw uitvinden. Ik had altijd het idee dat we bekend stonden als… Noem het maar voorzichtig ‘feestband’. Wij waren die guys die vooral live leuk waren om naar te kijken, waar je bier kon gooien en zo. Maar nu zijn de muziek en de samenstelling anders en willen we dat niet meer zijn. Dat wil zeker niet zeggen dat we nu als stijve planken op het podium staan, maar we zijn daarin wel veranderd.”

Verkering
Nog even over die veranderde samenstelling. Zanger Jean Paul (JP) Lilipaly verliet de band vorig jaar, een maand voordat de opnames voor album twee zouden beginnen. Een moeilijk, maar ook onvermijdelijk besluit, legt Erik uit. “We hadden al wat liedjes liggen, en als we in de oude samenstelling door hadden kunnen gaan, hadden we dat sowieso gedaan. We waren begonnen als vrienden en dat zijn we nog. Maar wij waren supergemotiveerd en wilden door, en hij kon dat door privédingen niet meer opbrengen. Dat snapten wij, en hij begreep dat we dan niet met hem door konden.”
Tom: “Het voelde een beetje als een verkering waarbij je allebei eigenlijk al weet dat het over is, maar iemand moet dan toch de knoop doorhakken.”

Maar de studio was geboekt, dus moest de draad snel worden opgepakt vertelt Malenzie. “Wij waren er, de studio was er: let’s do this! Het was zuur dat het ‘uit’ was, maar het was nu eenmaal zo en daarmee was het ook meteen afgesloten. Daarin helpt het wel dat je elkaar al zolang kent, dan weet je wat je aan elkaar hebt.” Het is ook daarom dat de band de vacature voor frontman liever intern wilde oplossen, vertelt Erik. “We hebben in principe alle opties open gehouden, hoor. Maar eerst zijn we om beurten achter de microfoon gaan staan om te kijken of dat zou werken. En toen kwam ik er als beste uit. Ik moest er even inkomen, maar ik deed altijd al tweede stem en schrijf de meeste melodieën, dus dat scheelt.”

 

 

Superteam
Dat was niet alleen voor de band een opluchting. Ook producers Marcel Fakkers (The Madd) en Dave von Raven (The Kik), in wiens nieuwe PAF! Studio het album ook werd opgenomen, moeten hem vast even hebben geknepen. Tom: “De studio was al geboekt, maar zij hadden natuurlijk geen idee hoe wij met een andere zanger zouden klinken. Dat was dus wel even spannend.” Malenzie kan het moment nog precies terughalen. “Toen Erik meteen een hele take vol zong, keken wij elkaar aan. ‘Wow, gebeurt dit echt? Is het nu gewoon opgelost?’ Dat hij daar random ging staan en verdomme ook nog de stem had, dat was heel gaaf. En toen Marcel en Dave elkaar aankeken en tegelijkertijd knikten, wisten we helemaal zeker: dit wordt ‘m.”

 

“Dan kan het zijn dat er iets niet helemaal klopt en wij horen die ‘foutjes’ ook nog wel, maar het klinkt daardoor wel meer ‘mens’ en wat minder machine.”

 

‘Marcel en Dave’ speelden volgens Erik een belangrijke rol in de totstandkoming van Greener Than The Other Side. “Ze waren echt een superteam voor ons. We zaten zo op één lijn dat we ze volledige vrijheid hebben gegeven om te doen wat ze wilden met die tracks.” Daar komen dus die theremins, fluiten en toetsenpartijen voor het grootste gedeelte vandaan. “Het is wat meer aangekleed, inderdaad. Wat ‘volwassener’, misschien. Maar verder wilden we het wel zo dicht mogelijk tegen ‘live’ aan houden. Daarom hebben we het meeste tegelijkertijd opgenomen, we hebben het echt als een momentopname benaderd. Dan kan het zijn dat er iets niet helemaal klopt en wij horen die ‘foutjes’ ook nog wel, maar het klinkt daardoor wel meer ‘mens’ en wat minder machine. Dat hebben we altijd al gedaan trouwens.”

Gers Pardoel
Sommige dingen veranderen dus niet. Zo blijft ook het skaten onlosmakelijk verbonden aan The Black Marble Selection, al hebben ze daar steeds minder tijd voor volgens Tom. “Muziek heeft het een beetje overgenomen, maar we proberen het nog steeds één keer per week te doen.”

“Maar door het skaten hebben we wel ons netwerk”, zegt Erik. “Die scene is in Tilburg heel klein en hecht. Iedereen doet iets anders, maar er is wel veel waardering voor elkaar. Daar kennen we dus ook de Tilburgse helft van The Kik van, maar bijvoorbeeld ook Gers Pardoel. Wist je trouwens dat we in zijn clip spelen?” Malenzie veert op. “Ja! Echt waar! In die clip van Met Mij! Gerwin (Gers, red.) had ons als figuranten uitgenodigd, gewoon omdat ‘ie ons toevallig kent. Nou, dat leek ons wel vet. Op het einde van de clip komt hij op een soort afterparty, en ergens achterin, tussen al die zwoele R&B-chicks, staan wij dus als vijf van die klaplopers, haha!”“Maar dat is nog niet het mooiste”, lacht Tom. “Wij hadden nog niet gegeten, en na zo’n lange filmdag krijg je honger, dus Erik had een pizza besteld. Die werd alleen precies tijdens het filmen van dat shot bezorgd. Het laatste dat je in die clip ziet, als je goed oplet, is Erik die een stuk pizza in z’n gezicht duwt.”

Dat dat gewoon kan, dat is dus typisch Tilburg, benadrukken ze nog eens. En daar gebeuren dus echt de raarste dingen als je de juiste mensen kent. Wie met The Black Marble Selection praat, moet ze wel gelijk geven; het gras kan onmogelijk aan de overkant nog groener zijn dan in hun Brabantse betonnen blokkendozenparadijs.

Op vrijdag 12 mei speelt de band een show in Podium Asteriks in Leeuwarden. Als lid van The Daily Indie maak je kans op vrijkaarten! Nog geen lid, voor een tientje per jaar word je lid en maak je gebruik van alle ledenvoordelen.

WEBSITE ASTERIKS | FACEBOOK-EVENT

 

Waarschijnlijk heb je nog niet eerder van de band gehoord en dat hoeft ook niet, want wij leggen graag wat meer over hem uit: Brooch. Wat is het dan?

Allereerst een moeilijk te vinden op band op Google, maar vooral een samenwerking tussen de bassist Ben Stidworthy van een postpunkband (het Canadese Ought) en zanger- en frontman Mikkel Holm Silkjær van een noisepopband (het uit Denemarken afkomstige Yung). Beide geen onbekende gezichten, de eerste interviewden we al eens, de tweede ook en daar hadden we van de week nog een fijne singlepremière van.

 

 

Het resultaat is tot nu slechts één melancholische debuutsingle – waarvan Broken Glass de tweede en laatste uitgebrachte kant is (Blood Spitting is de eerste) – maar wat een fijn geluid hebben ze. Gitaren die hypnotiserend om elkaar heen draaien, de krakende stem erover die nog meer lagen aanbrengt, de rinkelende percussie. Volgens de zanger over relaties die tot een einde komen waaruit iets nieuws kan opbloeien, waaraan wij niets meer toe te voegen hebben. (Behalve dat de band aangeeft dat er meer komt, we zijn benieuwd….)

The Daily Indie Presents
24 april

 

Het zal de meeste TDI-lezers niet ontgaan zijn: Japandroids is terug en op 24 april presenteert The Daily Indie wij de band in de Melkweg. Maar niet voordat we de band uitgebreid hebben geïnterviewd, want ieders favoriete Canadese rockduo bracht eind januari zijn derde album Near To The Wild Heart Of Life uit: de eerste Japandroids-plaat in vijf jaar.

In die tussentijd heeft zanger en gitarist Brian King het Canadese Vancouver verlaten, dat sinds de begindagen de thuisbasis van de band is. Hij woont nu afwisselend in Toronto en Mexico-Stad, waardoor er voor hem en drummer David Prowse flink wat heen-en-weer gereis nodig was om het schrijfproces te voltooien. Tel daarbij op dat de heren ook niet meer de jonge honden zijn die we ten tijde van Post-Nothing (2009) en Celebration Rock (2012) hoorden en je snapt dat Japandroids anno 2017 zo nu en dan als een herboren band klinkt. Wij voelden Prowse aan de tand over de veranderingen die hij en de band hebben doorgemaakt.

 

Lid van The Daily Indie? Dan maak je kans op kaarten. Lid worden doe je hier!

 

Dat hij en King tijdens het maken van Near To The Wild Heart Of Life in feite een lange afstandsrelatie onderhielden, heeft volgens Prowse zeker een impact of hoe de plaat uiteindelijk is geworden. “We hebben een maand lang een huis kunnen huren in New Orleans, waar we iedere dag konden schrijven en aan onze songs konden sleutelen, maar verder vond het schrijfproces plaats in drie verschillende steden. Wat alles wel een stukje ingewikkelder maakte”, vertelt hij. “Al denk ik dat het uiteindelijk tot een beter eindproduct heeft geleid. Ik weet natuurlijk niet wat voor plaat het had opgeleverd als we alles wel in Vancouver hadden geschreven, maar ik denk dat we dan sneller een zelfde richting als onze vorige twee platen waren opgegaan.”

Meer instrumentale ruimte
Hoewel het album nog steeds moeiteloos herkenbaar is als een Japandroids-plaat, klinkt het nieuwe album op cruciale vlakken wel degelijk anders. Het tempo is gemiddeld wat omlaag gegaan, er staan minder anthems op dan op voorgaande platen en er is meer ruimte gekomen voor instrumenten als akoestische gitaren en synthesizers. De koerswijziging is misschien niet radicaal genoeg om van een geheel nieuwe sound te spreken, maar bij momenten komt het in de buurt volgens Prowse. “We deden absoluut een poging om op een andere manier te schrijven dan we gewend waren. Voorheen schreef Brian een gitaarpartij, dan voegde ik daar wat drums aan toe en was het devies: ‘hoe luider, hoe beter’. Die tijd is nu voorbij. Nu wilden we als eerste zorgen dat ieder nummer zijn eigen identiteit had voordat we het gingen opnemen.”

 

“Ik had nooit verwacht dat we dit in onze mars zouden hebben. Dat was een serieus holy shit-moment.”

 

Als gevolg daarvan is het eindresultaat ook gevarieerder dan vorige platen. Zo is het titelnummer een ‘gewone’ Japandroids-knaller, gaat de band op North East South West meer dan ooit richting de Southernrock en klinkt het met distortion overladen I’m Sorry (For Not Finding You Sooner) als een mix tussen My Bloody Valentine en Death Cab For Cutie. Meest in het oog springend is het zeven minuten durende epos Arc Of Bar, wat vrijwel volledig gebouwd is op een dikke laag synths. Zodra het nummer ten sprake komt, wordt Prowse ook direct enthousiast. “Arc Of Bar! Dat is een van de nieuwe nummers waar we het meest trots op zijn, omdat het zo anders is. Toen we het eindproduct hoorden, hadden we allebei zoiets van: ‘Ik had nooit verwacht dat we dit in onze mars zouden hebben.’ Dat was een serieus holy shit-moment.”

 

 

Kant A en B
Het is ook geen toeval dat dat nummer precies het middelpunt van de plaat is. “Vrijwel iedereen luistert tegenwoordig natuurlijk muziek op zijn telefoon, maar wij denken toch altijd nog in een kant A en B. Daarom besteden we altijd vrij veel aandacht aan de volgorde van de tracks, zo ook bij deze plaat. Het titel- en openingsnummer is nog een vrij typische Japandroids-track. Die staat aan het begin zodat mensen denken: ‘Cool, ik heb al vijf jaar geen nieuwe song van de band gehoord, dit is precies waar ik op hoopte.’ Dan stappen we gaandeweg steeds meer van die sound af, wat zijn hoogtepunt bereikt met Arc Of Bar. Vanaf daar gaan we weer wat meer terug naar onze roots, met als afsluiter uiteindelijk het nummer In A Body Like A Grave. Een nummer dat mensen wat meer van ons gewend zijn. Zo is de cirkel rond.”

Met het album op zak, is het toeren inmiddels weer volop losgebarsten voor de band. Op het moment van spreken zit het duo nog middenin hun Amerikaanse tour, op 24 april brengt hun Europese tour de band naar de Melkweg. Hoewel hij het leven on the road “meedogenloos” noemt, is Prowse toch erg blij om weer terug te zijn. “Ik heb dit echt héél erg gemist. Ik ben dol op live spelen, vooral op de directe verbinding die ik voel met het publiek. Mensen zingen ieder woord mee, klimmen op het podium, crowdsurfen. Dat alles zorgt voor een hele bedwelmende omgeving voor een artiest.”

Op de vraag of hij liever op het podium staat dan in de studio moet hij even nadenken. “Vroeger had ik meteen ja gezegd. Van het opnameproces genoot ik in het begin niet heel erg. Ik miste vooral de onmiddellijke pay-off van wat je aan het doen bent. Op het podium juichen mensen je al toe voor je ook maar een noot gespeeld hebt, terwijl we in de studio overal heel lang bij stil moeten staan, wat lang niet altijd leuk is”, vertelt de drummers. De opnames van de nieuwe plaat zorgden echter voor een omslagpunt. “Dit was de eerste keer dat we echt veel tijd hebben besteed aan de opnames, waardoor we ook veel meer mogelijkheden hadden om te experimenteren en lol te hebben. Daardoor voelde de studio voor mij voor het eerst als een inspirerende omgeving.”

 

 

De angst dat het nieuwe materiaal live vanwege de iets rustigere inslag minder goed zou vallen, bestond natuurlijk ook bij de band. Maar die bleek al snel ongegrond. “Voordat de plaat uitkwam, voelde het altijd een beetje ongemakkelijk om de nieuwe nummers te spelen, maar nu zijn dat juist de songs waar een groot deel van het publiek voor komt.” Dat heeft er ook voor gezorgd dat de band zijn optredens iets anders aanpakt. “Voor deze plaat konden we mensen gewoon om het hoofd slaan met snelle, energieke nummers zodat iedereen totaal van de wereld was aan het einde van de show. Nu bouwen we het momentum ongeveer net zo vaak op als af. Dat zorgt natuurlijk wel voor een andere reactie die je oproept. Ik heb nog niemand zien crowdsurfen op bijvoorbeeld I’m Sorry (For Not Finding You Sooner), maar ik ben al lang blij dat de nummers in de smaak lijken te vallen.”

 

 

WEBSITE MELKWEG
FACEBOOK-EVENT

Precies een week voor het uitkomen van Meandering, het debuutalbum van The Mysterons spreekt The Daily Indie met Peter Peskens (basgitaar) en Sonny Groeneveld (drums) in The Q-Factory in Amsterdam. De band is vernoemd naar de jaren zestig-poppenserie Captain Scarlett And The Mysterons, waarmee de band knipoogt naar de tijdsperiode waar alle bandleden een zwak voor hebben. Toch laat de muziek van The Mysterons zich niet gemakkelijk omschrijven. Peskens: “In een eerder interview hebben we gezegd popnoir. Dat vond ik wel nice. Maar ik weet niet of dat nu ook echt nog zo is…”

Groeneveld vult aan. “Ik denk dat ons geluid met het nieuwe album wel minder donker is geworden. Het is meer de pop-kant opgegaan. We proberen nieuwe kanten van onszelf te ontdekken en op die manier een andere insteek te vinden om popmuziek te maken. Maar dat is geen doel op zich. We hebben allemaal wel een soort idee van wat het specifieke geluid moet zijn. Op het moment dat we aan het spelen zijn, weten we wel wat ‘Mysterons is’ en wat ‘niet Mysterons’ is. Er zijn geen duidelijke regels voor, maar het is wel een duidelijk gevoel.”

Nieuwe bandleden
The Mysterons is een band, er is geen frontvrouw of bandleider, ieder heeft zijn aandeel en is gelijkwaardig verantwoordelijk voor het geluid. De vijf bandleden kennen elkaar van het Amsterdamse conservatorium en ieder heeft een ander muzikaal verleden. Doordat alle bandleden hun talenten en muzikale achtergronden inbrengen, ontstaat er een originele mix van invloeden. Na de laatste EP is gitarist Brain Pots uit de band gestapt om zich volledig te concentreren op PAUW, waarvoor Jordy Sanger in zijn plaats kwam. Het is een bewuste keuze geweest om met Pots af te sluiten voordat de band aan het nieuwe album begon. Hierdoor heeft Sanger zijn eigen inbreng gehad en bracht zijn komst een andere sound mee. Dat werd ook wel als verfrissend ervaren. “Brain was heel erg soundgericht, Jordy gaat dieper op de partijen in, hij probeert alles passend te maken”, aldus Peskens. “Door zijn manier van lijntjes bedenken zijn we een stuk ritmischer gaan denken. Het ene is niet beter dan het andere, maar de rol van Jordy is – zoals hij nu is – passend bij The Mysterons op dit moment.”

 

 

Verzameling jams en soundchecks
De totstandkoming van het debuutalbum is vooral te danken aan een verzameling opnames van jams en soundchecks. Als het eigenlijk niet hoeft, komen er ineens de beste ideeën. Sold My Medicine, de recente single, is ook op deze manier ontstaan. “Dat was een soundcheck. Dan spelen we wat en dan zegt iemand: ‘wacht, dit moeten we even opnemen’ en dan zet hij zijn iPhone aan. Als we het dan terugluisteren, is het nog best wel lastig te ontcijferen wat we precies deden”, zegt Peskens lachend. Groeneveld: “De volgende stap is dan om het in te kleuren en er een verhaal van te maken. Als band vinden we het belangrijk dat het geen standaard, saai voor de hand liggend ding wordt. We houden ervan om verschillende dingen binnen een nummer en binnen het album te proberen.”

Zo heeft iedereen zijn eigen inspiratiebronnen: van Wu Tang tot Portishead en Asia Boleh. Peskens: “Meestal zijn we ons niet heel bewust waar de inspiratie vandaan komt en zit het ergens in een onderbewuste laag. De baslijn van de track Meandering is daarentegen wel geïnspireerd op de basloop van Burn The Witch van Radiohead, dat vond ik zo vet dat ik dat idee ook wilde gebruiken. Uiteindelijk is het wel heel anders geworden, maar het zit wel ergens in de genen van het nummer.”

Meandering komt op 10 februari uit via Excelsior. Misschien is de band met hun geluid daar een beetje een vreemde eend in de bijt, voor Peskens voelt het als een persoonlijke overwinning. “Het zijn goede gasten en het label heeft vertrouwen in ons. Het past misschien niet bij de vibe die we tegenwoordig van Excelsior kennen, maar het zijn smaakmakers en ze hebben een duidelijk beeld van wat ze vet vinden. Dus ik ben erg trots dat ons album op dat label uitkomt.”

 

 

Totale wereldoverheersing
De band is momenteel druk met repeteren voor de komende clubtour. Dat werpt een heel ander licht op het album: er gebeurt muzikaal een hoop en er zijn tempowisselingen die op het album goed werken, maar live wat minder praktisch zijn. “Wij willen ook graag dat je live een andere ervaring hebt dan wanneer je de plaat luistert”, geeft Groeneveld aan. “Dat je als publiek ziet dat we samen muziek aan het maken zijn en iets aan het creëren zijn in plaats van dat we de plaat aan het naspelen zijn. Dat er zichtbaar iets ontstaat op het podium en dat je muziek kunt uitbouwen op het moment zelf. Wat op de plaat waarschijnlijk veel te lang zou duren. Het is live sowieso allemaal een stukje rauwer en uitvergroot. Het is de bedoelding dat de energie van het album ook terug te zien en te voelen is in de show. Maar dan wellicht nog net even wat sterker.”

Na de clubtour is het nog even afwachten, in Frankrijk is de band een samenwerking aangegaan met een van de meest toonaangevende agents op het gebied van indiemuziek, voor de Duitstalige landen zijn er gesprekken met een agent en ook vanuit Groot-Brittannië zijn de eerste voorstellen binnen gekomen. De band hoopt voor de toekomst ook op grote festivalshows, uiteraard een wereldtournee en om de grote zaal van Paradiso uit te verkopen. Groeneveld: “Ik verwacht niet dat we ineens een soort van ontploffen als het album uit is. Het is ook juist fijn om er te blijven bouwen en steeds een beetje verder te komen.” Peskens vult aan: “Maar we gaan zo ver als het maar kan. Wereldoverheersing.”

 

 

LIVE-DATA
17-02 – Merleyn, Nijmegen
19-02 – Rotown, Rotterdam
25-02 – Ekko, Utrecht
02-03 – Paradox, Tilburg
03-03 – Hedon, Zwolle
10-03 – Gebr. De Nobel – Leiden
23-03 – Sugarfactory, Amsterdam
04-03 – Metropool, Hengelo
24-03 – Podium Asteriks
07-04 – Fluor, Amersfoort