De afgelopen jaren is Sleaford Mods in de (Britse) muziekpers op allerlei manieren beschreven, maar eigenlijk doet geen enkele beschrijving het project van Jason Williamson en Andrew Fearn recht. Het is ook een bijzondere bedoeling, dat verwoestende vehikel dat alle kanten op lijkt te schieten en tegelijkertijd met volle kracht vooruit blijft gaan.

De vierde plaat van het duo uit Nottingham is namelijk net uitgekomen: na de opeenvolging van Austerity Dogs (2013), Divide and Exit (2014) en Key Markets (2015) namen Williamson en Fearn even pauze, al is ‘rust’ in het geval van Sleaford Mods een erg relatief begrip. Er viel, zeker in Groot-Brittannië, immers genoeg te observeren. Ter voorbereiding op hun The Daily Indie Presents-avond op 4 mei, bespreekt The Daily Indie in Amsterdam met ‘Big Jay’ Williamson het resultaat: English Tapas.

 

Op 4 mei presenteren wij Sleaford Mods in de Melkweg! Onze leden gaan met 2,50 euro korting naar binnen. Nog geen lid? Dat word je hier!


 
“Ik ben eigenlijk best trots dat ik working class ben” 
Williamson neemt een korte pauze na afloop van een ander gesprek, maar schuift dan bij ons aan tafel. De armen van de bijna-vijftiger zitten vol met tatoeages, maar in zijn hand heeft hij een glas water. De Brit ziet – “na wat probleempjes” – af van drank en drugs, voorlopig althans. Williamsons dag duurt lang, maar hij kan er zelf nog om lachen. “We weten allemaal dat er ergere banen bestaan.” Dat weet Williamson inderdaad als geen ander. De banen die hij voor en zelfs tijdens de doorbraak van Sleaford Mods had – van verzekeringsadviseur tot medewerker in een kipfabriek – leverden de inspiratie voor het vroege materiaal van zijn band, waaronder publieksfavoriet Jobseeker.

 


Die geschiedenis zorgt ervoor dat men Sleaford Mods geregeld ‘de stem van de working class’ doopt. Dat kan gevaarlijk zijn, stelt Williamson. “De eindeloze discussie over klassen is een valkuil. De scheidslijn tussen verschillende klassen wordt vager en vager, omdat arme mensen of arbeiders niet meer de enigen zijn die onderdrukt worden. Iedereen wordt onderdrukt.” In relatie tot zichzelf en zijn muziek ziet Williamson de kwestie wat genuanceerder: “Ik heb zelf een achtergrond in de working class en ik denk dat de pers dat in eerste instantie interessant vond omdat er weinig andere muzikanten in Engeland waren die dat hadden. Dat is niet erg, ik ben er eigenlijk best trots op. Het probleem is dat zo’n benadering verdoezelt waar het echt om draait: dat onze muziek eerlijk is.”  

Wie de gangen van zijn gedachten afspeurt naar vergelijkbare Britse bands, moet al snel terug het verleden in. Oasis, dat is toch het schoolvoorbeeld van een arbeidersband? In Williamsons ontkenning van die stelling schuilt een mengeling van woede en wanhoop. “Oasis deed in zekere zin alsof ze working class waren. Toen zij massive werden, verloren ze hun contact met de arbeidersklasse. Dat kan mensen vervreemden. Dat effect had het op mij, in ieder geval.” Is dat niet onvermijdelijk als je plots van arbeider verandert in de grootste rockster ter wereld? “Het gebeurt een beetje vanzelf natuurlijk”, stemt Williamson in. “Maar het viel mij tegen dat Noel deed alsof hij de everyman was, terwijl hij ondertussen alleen bezig was met het geld. Een flink deel van zijn politieke standpunten bleek erg conservatief, dat was nogal in tegenspraak met zijn liedteksten. Hij was heel rijk geworden en werd bijna een soort Tory, terwijl hij nog steeds gezien werd als een lad. 

 

“We vinden onszelf helemaal niet politiek”  
Politiek is een onderwerp waar ieder antwoord van Williamson vroeg of laat op terug lijkt te komen. Toch lijkt Sleaford Mods niet alleen een politieke band, maar ook een antipolitiek duo. Weinig muzikanten tonen zo veel afkeer van de gevestigde orde die in Westminster zetelt. “Dat ben ik met je eens”, knikt Williamson. “We schrijven natuurlijk over emoties die veroorzaakt worden door een bepaald beleid, maar daar is iedereen door beïnvloed en dat maakt ons niet per se politiek. Onze muziek is geen manifest en we plaatsen ons niet op één lijn met een partij.” Dat is een verandering ten opzichte van het verleden, waarin Williamson meerdere malen zijn steun uitsprak voor de Britse Labourpartij. “Daar ben ik helemaal klaar mee. Ik ben uit de partij gezet (vanwege een beledigende tweet aan het adres van Labours parlementariër Dan Jarvis, red.), daar ben ik heel cynisch van geworden.” Zijn schorsing hield in dat Williamson vorig jaar niet mocht stemmen in de lijsttrekkersverkiezing, die tóch gewonnen werden door zijn favoriet: Jeremy Corbyn. “Hij heeft het over zaken die niemand anders op zo’n verstandige manier bespreekt: publieke dienstverlening, werkeloosheid en de demonisering van gehandicapten en etnische minderheden.” Toch overheerst uiteindelijk de hopeloosheid, volgens Williamson. “Ik ben het nog met veel van zijn uitspraken eens, maar hij maakt geen schijn van kans.”

 

“We vinden onszelf helemaal niet politiek. We maken gewoon muziek over wat er speelt.”

 
Toch ligt Sleaford Mods een stuk dichter bij de politiek dan het merendeel van Williamsons vorige bands. Jarenlang probeerde hij tevergeefs door te breken, hij verhuisde er zelfs voor naar Los Angeles. Merkt hij nu hoe we – alles dat geen liefdesliedje is – direct als ‘politiek’ bestempelen? “Zeker, dat is zo! Voor mij zijn deze nummers net zo goed een observatie van wat ik om mij heen zie en een poging dat op een aantrekkelijke manier over te brengen, maar veel mensen noemen dat nog steeds politiek. We vinden onszelf helemaal niet politiek. We maken gewoon muziek over wat er speelt. Natuurlijk is dat interessanter dan nummers over je partner of een of andere quasi-diepe filosofische notie over jezelf. Allemaal bullshit. Nu is hét moment om te spreken over de straat, over de persoon naast je. Waarom? Omdat de wereld niet bepaald een fijne plek aan het worden is, of wel?” 
 
Daar moeten we Williamson helaas gelijk in geven. Ook in Groot-Brittannië reiken de gevolgen van ontevredenheid onder het volk ver: het land scheidt zich af van de Europese Unie en partijen als UKIP (UK Indepence Party) zijn binnen enkele jaren uitgegroeid tot belangrijke spelers binnen het politieke bestel. Vreemd genoeg is het bepaald niet ondenkbaar dat een deel van Sleaford Mods’ aanhang zich met die partij identificeert, geeft Williamson toe. Sterker nog, hij weet het wel zeker. “Veel mensen die me volgen op Twitter hebben een St. George’s Flag (de vlag van Engeland, duidend op een sterke onafhankelijkheidsdrang, red.) als profielfoto. Daar vel ik geen oordeel over. Ik negeer hen meestal en probeer niet in ruzies verzeild te raken. Mensen interpreteren onze muziek misschien anders dan het bedoeld is. Dat gebeurt nu eenmaal, daar kun je niets aan doen.”  
 
In principe maakt het Williamson niets uit wie aanhaakt bij Sleaford Mods, benadrukt hij enkele keren. Rijk of arm, jong of oud: Sleaford Mods is al lang blij dat er íemand luistert. De uitzondering die de regel bevestigt steekt even later de kop op als we Williamson herinneren aan de manier waarop The Smiths’ Johnny Marr vorige premier David Cameron verbood zijn muziek leuk te vinden. De doorgaans schorre ‘Big Jay’ schatert als we hem vragen wat hij ervan zou vinden als Theresa May, de huidige premier en leider van de conservatieve partij, fan zou blijken van Sleaford Mods. “Daar zou ik niet blij mee zijn, nee. Ik zou er snel een stokje voor steken.” 

 

 

“Als je je op straat gedraagt zoals ik op het podium, word je opgepakt”  
Hoe je het ook went of keert, onder May is Groot-Brittannië gedraaid in de richting van het volk dat zijn land terug wil winnen. Het gekste aan die claim? Dat het land nooit van hen geweest is. “Dat is precies het punt”, zegt Williamson als we die stelling in verband brengen met het nieuwe album van Sleaford Mods. English Tapas, daar spreekt een Britse claim van iets dat nooit en te nimmer Brits wás. Williamson legt uit: “Andrew zag de titel in een pub, die English Tapas serveerde. Dat bestond uit een bakje friet, een scotch ei, een augurk en soepstengels. Dat zegt alles over de staat van Engeland: ignorant, trying to make do, and just shit, just crap.

 

“Op een taalkundig gebied zijn scheldwoorden een mooie manier om zinsdelen te verbinden. Het ritme van woorden zoals fucking of bastards is heel fijn.” 

 

In toenemende mate wordt in ons gesprek duidelijk dat Williamson er een haat-liefdeverhouding met zijn vaderland op nahoudt. Buiten Groot-Brittannië is de reactie op Sleaford Mods dan ook anders. “Bij Europese shows heb je vaak een publiek dat niet helemaal snapt waar onze nummers inhoudelijk over gaan. Mensen genieten ervan omdat het zo eerlijk is en zo brutally British, maar niet op een patriottische manier.” Gelukkig bevat English Tapas genoeg materiaal dat iedereen kan begrijpen; de universele taal van het schelden bijvoorbeeld, ontbreekt opnieuw niet. “Op die manier kan ik niet alleen praten op de manier zoals alle ‘normale’ mensen praten, maar ook op een absurde manier bepaalde dingen duidelijk maken. Op een taalkundig gebied zijn scheldwoorden een mooie manier om zinsdelen te verbinden. Het ritme van woorden zoals fucking of bastards is heel fijn.”  
 
De beruchte liveshows van Sleaford Mods – Williamson tierend en zichzelf op het hoofd tikkend, Fearn headbangend achter een laptop – volgen dezelfde logica, legt Jason uit. “Het energieniveau maakt natuurlijk het grootste verschil. Als je je op straat zo gedraagt, word je opgepakt, haha. Ik probeer niet te veel afstand van mezelf te nemen, maar natuurlijk is het een soort show. Dat moet en dat vind ik ook interessant. Ik houd van die fysieke uiting van emotie.” Wie die fysieke expressie weleens van dichtbij mee heeft gemaakt, zou Sleaford Mods wellicht niet vergelijken met Kafka. Williamson zelf wel. “Het is exhibitionistisch en absurd, een beetje als Kafka’s Metamorphosis. Hij schrijft ook over de beperkingen van het dagelijks leven, maar hij doet het op een eigenzinnige manier. Net als wij.”  

“Er is genoeg frustratie te vinden in de muziekindustrie” 
Dergelijke bespiegelingen representeren een nieuwe diepgang in het werk van Sleaford Mods, volgens Williamson grotendeels veroorzaakt door de professionalisering van het duo. Eerst was de band een bijbaan, nu zijn Fearn en hij fulltime muzikant. “Er vindt wat meer zelfreflectie plaats dit keer. We zijn wat serieuzer geworden en werken meestal richting een deadline, al betekent dat niet dat onze ideeën in het gedrang komen. Alle gebruikelijke ingrediënten zijn nog aanwezig.” Lachend voegt hij eraan toe. “Daarbij is er genoeg frustratie te vinden in de muziekindustrie.” Dat die wereld minder dan gedacht verschilt van de kipfabriek, blijkt ook uit een serie tweets op het account van Sleaford Mods, dat door Williamson zelf gerund wordt. Daarop duiken om de haverklap foto’s op van zijn zoon die op een podium klimt of met drumstokken in zijn knuistjes rondloopt. De afbeeldingen zijn door vaderlief voorzien van het onderschrift: Don’t do it mate, it’s a shit business!” Ook in Amsterdam kan de Brit om zichzelf lachen. “Ik zei: wat doe je?!”
 
De grap wordt geleverd met een knipoog, want eigenlijk houdt Sleaford Mods zich uitstekend staande binnen de muziekwereld. English Tapas komt uit op het gerespecteerde Rough Trade, waarbij Sleaford Mods tekende op de voorwaarde dat er geen invloed op het eindproduct zou worden uitgeoefend. Later dit jaar verschijnt zelfs een documentaire over het duo, Bunch of Kunst. “Hij is gemaakt door Christine Franz, een filmmaker uit Berlijn. Ze heeft ons twee jaar lang gevolgd in Groot-Brittannië en Europa. Het is nogal een kille film geworden, maar hij is wel erg goed, al zeg ik het zelf. Het is nou niet bepaald je usual rock documentary.” Zo verrassend is dat eigenlijk niet. Immers, Sleaford Mods is nou niet bepaald a usual band.

 

 

 

 

Meer van dit soort verhalen blijven lezen en met korting naar de show van Sleaford Mods? Word dan lid van The Daily Indie door op onderstaande button te klikken!
Nu voor maar 10 euro per jaar



 

Hiphop is heet. Niet alleen in Nederland en de Verenigde Staten, maar ook in Groot-Brittannië, waar rappers als Stormzy en Skepta grossieren op een nieuwe golf grime. Tussen al het geweld valt de jonge Londenaar Loyle Carner op door zijn reflectieve raps over zijn familie. The Daily Indie spreekt Benjamin Coyle-Larner – zijn artiestennaam is een gevolg van zijn eigen dyslexie – de middag voor zijn soloshow in Paradiso Noord over zijn moeder, het overlijden van zijn stiefvader en de inspiratiebronnen voor zijn debuutalbum Yesterday’s Gone, dat eerder dit jaar verscheen.

“Mensen moeten niet vergeten waarde roots van grime liggen”
Ons gesprek vindt plaats in de week waarin blijkt dat Stormzy’s debuut Gang Signs & Prayer het tot de hoogste positie van de Britse hitlijsten geschopt heeft. Benjamin komt uit dezelfde generatie Britse muzikanten als Stormzy en groeide op ten tijde van de eerste grime-golf. “Dat droeg toen helemaal die naam nog niet,” vertelt Coyle-Larner in zijn kleedkamer. “Toen was het nog gewoon rap, met daaronder allerlei verschillende stijlen Britse hiphop, trap, garage en grime.” Toch was de stroming op dat moment, midden in de jaren negentig, nog minder een Britse aangelegenheid. “Al die artiesten wilden juist samenwerken met P. Diddy. Kano werd op een bepaald moment getekend door Jay-Z.” De rollen zijn nu omgedraaid. Vorig jaar nog tekende Drake op Boy Better Know, het grimelabel van de befaamde broertjes Jamie en Joseph Adenuga, beter bekend als JME en Skepta. “Ik ga er niet vanuit dat Drake ooit bij mij aan zal kloppen, maar voor Britse muziek in het algemeen is dat heel positief”, weet Loyle Carner. “Het moet alleen niet te commercieel worden. Mensen moeten niet vergeten waar de roots van grime liggen.”

 

“Ik voel me simpelweg beïnvloed door geluid.”

 

 

Van wederzijds respect is volgens Benjamin wel sprake, maar toch heerst een gapend gat tussen de jonge rapper en de iconen die het internet domineren. “Ik heb geen contact met die andere rappers. Ik heb een beat van Kano gekregen voor een radiosessie, maar verder spreek ik ze nooit. Zij zijn beroemd, ik niet.” Samenwerken deed Coyle-Larner wél met een van Engelands meest gerespecteerde moderne punkpoëten, Kate Tempest. Hij weet nog goed wanneer hij de schrijvende spoken word-ster voor het eerst ontmoette. “Ik was toen net van de universiteit getrapt”, vertelt hij. “Op mijn weg terug naar het treinstation zag ik haar ineens en ben ik een praatje met haar gaan maken. Dat lukte niet zo goed, want ik was nogal onder de indruk.” Niet veel later ontmoet het tweetal elkaar opnieuw op een showcase van label Speedy Wunderground in Londen. Producer Dan Carey stelt een samenwerking voor en in december 2015 verschijnt Guts op een compilatiemixtape van de maatschappij. Een droom die werkelijkheid werd, volgens Benjamin: “We schreven dat nummer in twee of drie uur tijd en namen het meteen op. Daardoor was er geen tijd om alles te overdenken. Aan het eind van de dag heb je iets tastbaars, dat is geweldig.”

 

 

Britse muziek was niet het enige dat de aandacht van de jonge Benjamin trok. “Ik hield van échte Britse hiphop, van artiesten als Roots Manuva, maar eigenlijk luisterde ik het meest naar Amerikaanse rap. Daar was men meer gericht op liedjes dan in Groot-Brittannië. Als ik freestyle wilde zien zocht ik op gewoon filmpjes van Britse rappers op YouTube op, maar als ik een tune wilde horen ging ik naar OutKast of Common.” Coyle-Larner zoekt zijn inspiratiebronnen daarnaast nadrukkelijk buiten zijn eigen genre. Voornamelijk aan de muzikale kant van zijn producties. Het gebruik van saxofoons (Ain’t Nothing Changed) en gitaren (NO CD) roept op Yesterday’s Gone bijvoorbeeld vergelijkingen op met het door jazz doordrenkte To Pimp A Butterfly (2015) van Kendrick Lamar. Coyle-Larner: “Ik voel me simpelweg beïnvloed door geluid. Het maakt niet uit waar dat vandaan komt.” Een van de meest opvallende voorbeelden voor Loyle Carner vinden we terug in de videoclip voor vroege hit Tierney Terrace. Daar hangt in de kelder van Benjamins huis een poster van niemand minder dan Bob Dylan. “Ik luister daar regelmatig naar. Zulke gasten maken real stuff. Ik raak soms gedesillusioneerd door hiphop. Rappers gaan maar door en door over dezelfde onderwerpen. Dan moet je soms op zoek naar andere plaatsen om inspiratie te vinden voor teksten. Zo kom je vanzelf uit in andere genres.”

 

 

“Ik vind mijn moeder de coolste persoon op aarde”
Met die uitleg komt Loyle Carner zelf uit bij een andere reden waarom hij de afgelopen jaren in toenemende mate opviel. De onderwerpen die hij bespreekt zijn puur persoonlijk. Over meisjes, geld of politiek gaat het niet of nauwelijks in zijn raps. De hoes van zijn debuut Yesterday’s Gone zegt eigenlijk genoeg. “Het is een soort familiefoto”, legt Coyle-Larner uit. “Iedereen die ervoor heeft gezorgd dat ik kon komen tot het punt waar ik nu ben staat erop.” Benjamin vertelt dat hij nog gewoon thuis woont bij zijn moeder en zijn jongere broertje, over wie hij spreekt als zijn beste vriend. “Het is fijn om mijn familie te zien als ik lang op tour ben geweest. Beter dan thuiskomen in een leeg huis.”

Dat de twintiger een moederskindje is, komt niet bepaald als een schok. Overal waar Loyle Carner is, is zijn moeder Jean namelijk ook. Ze is te zien op zijn albumhoes, in zijn videoclips, op zijn gigposters en ga zo maar door. “Ik zou niet weten waarom niet”, antwoordt de jongeling als we hem vragen waarom. “Ze wil er graag deel van uitmaken. Wie ben ik dan om te zeggen dat dat niet mag?” Van schaamte is dan ook geen enkele sprake. “Ik vind mijn moeder de coolste persoon op aarde, ik ben heel blij dat ik haar overal bij kan betrekken.” Toch heeft de roem ook in dit geval zijn keerzijde, al is die relatief onschuldig. Coyle-Larner lachend: “Ze is er een beetje verslaafd aan geraakt. Er staan volgens mij meer foto’s van haar dan van mij op mijn social media. Als ze boodschappen gaat doen, wordt ze soms herkend. Laatst was ze in het Tate Modern en bleven mensen haar maar om foto’s vragen.”

 

 

Natuurlijk is Loyle Carner niet het eerste moederskindje in de stoere mannenwereld die hiphop heet. Onder meer 2Pac (Dear Mama) en Kanye West (Hey Mama, dat West kort na de dood van zijn moeder in 2007 zong op de Grammy’s) brachten eerder nummers over hun moeders uit. “Ik ben altijd groot fan geweest van Kanye West”, zegt Coyle-Larner, die in 2015 Wests Heard ‘Em Say nog coverde op BBC Radio 1. “Ik hoorde van zijn bijzondere band met zijn moeder, dat was kort nadat ik zelf muziek begon te maken. Daarna ontdekte ik dat zijn moeder overleden was. Ik weet dat hij het daar nog steeds moeilijk mee heeft en ik vind het ongelooflijk dat hij zich enigszins bij elkaar heeft weten te rapen. Als ik mijn moeder zou kwijtraken, zou het over zijn voor me. Klaar. Ik leef enorm met hem mee.”

“Mijn vader had een heel album gemaakt en dat aan niemand verteld”
Een van de redenen waarom Benjamin zo gehecht is aan zijn moeder, is dat hij weet hoe het is om een ouder te verliezen. Zo’n vijf jaar geleden verloor de jonge Brit zijn stiefvader. Het had niet alleen grote invloed op een persoonlijk, maar ook op een praktisch niveau. “Ik moest ineens de kostwinnaar van de familie worden”, legt hij uit. “Ik maakte al wel muziek voor mezelf, omdat ik over die gebeurtenissen wilde schrijven. Toen ontdekte ik langzaam maar zeker dat ik geld kon verdienen met hetgeen dat me door die periode heen hielp. Dat was heel vreemd, omdat het tegelijkertijd verschrikkelijk en geweldig was.” De beschrijvingen van de moeilijkste periode uit zijn leven zijn inderdaad een wezenlijk onderdeel uit gaan maken van Loyle Carners muzikale identiteit. BFG van Coyle-Larners vroege EP A Little Late is een single die schrijnend is in al zijn eerlijkheid. “Everybody says I’m fucking sad. Of course I’m fucking sad, I miss my fucking dad,” rapt de Brit herhaaldelijk aan het einde van dat nummer. “Het ergste dat me voor de dood van mijn vader was overkomen, was een gebroken heart”, lacht hij. “Dat is nu natuurlijk bullshit.”

 

 

Wie Yesterday’s Gone tot het eind luistert, stuit op een bijzondere lofzang. De naamgever en afsluiter van het album is een nummer van Benjamins stiefvader zelf. “Hij had een heel album opgenomen en daar niemand over vertelt”, legt de Brit uit. “Mijn moeder vond het nadat mijn vader overleden was. Ik wist dat ik er iets mee wilde doen, dus ik begon het te samplen, maar dat nummer wilde ik er helemaal op.” Een ander hoogtepunt op Yesterday’s Gone is, tussen de hiphop door, het nummer Sun of Jean, volgens de tracklist featuring Mum and Dad. “Dat is de meest duidelijke verwijzing”, vertelt hij. “Die hele track bestaat uit een sample van mijn vader en een twee losse samples van mijn moeder, die een gedicht voordraagt.”

Zelfs op het podium draagt de jonge rapper zijn vader altijd bij zich. Coyle-Larner zelf is een fervent fan van voetbalclub Liverpool, zijn vader was supporter van aartsrivaal Manchester United. Op het podium draagt Loyle Carner geregeld zijn eigen Liverpoolshirt, met een shirt van United-icoon Eric Cantona om zijn schouders. “Dat was de ultieme opoffering”, zegt Benjamin. “Ik had een nummer geschreven voor mijn vader. Dat noemde ik Cantona omdat het niets met mijzelf te maken had. Het was voor hem. Ik dacht: ‘Kijk, ik noem dit nummer Cantona, zelfs al haat ik Manchester United, omdat ik van je hou.’ Voetbalfans werden daar nogal boos om, omdat ze denken dat ik het spelletje haat. Stelletje gekken.”

 

 

Zowel uit zijn album als uit ons gesprek wordt duidelijk dat Coyle-Larner niet of nauwelijks moeite heeft over zijn persoonlijke problemen te praten. “Alles dat ik nu uit heb gebracht, schreef ik twee of drie jaar geleden al”, legt hij uit. “Het is logisch dat het me nog steeds wat doet, maar ik heb tijd gehad om het een plaats te geven. Natuurlijk kun je niet alles verwerken, maar ik heb in ieder geval de kans gehad.” De Brit bezit nog een tweede drijfveer om zijn leven zo nauwgezet mogelijk te documenteren. “Het is een manier voor me om de herinneringen te laten leven. Zelfs als ik mijn verstand kwijtraak, kan ik me alles nog herinneren omdat ik mijn leven als het ware opgeschreven heb. Het gaat me niet om de grote shows, maar om het bijhouden van mijn eigen leven en hoe kut dat wel niet is.”

“Mijn ADHD en dyslexie zijn een superkracht”
De plotselinge verandering binnen zijn familieleven was niet de enige factor die Benjamins jeugd bemoeilijkte. De Brit heeft ADHD en dyslexie en moest daarmee om leren gaan. “Ik heb het al eerder een superkracht genoemd en dat is het ook echt. In iedere superheldenfilm heeft de superheld eerst geen controle over zijn krachten. Hij brandt gaten in muren enzo. Dan heeft hij ineens vanuit het niets door hoe hij zijn krachten kan kanaliseren. Zo was het voor mij ook. Nu zie ik het als een enorm voordeel.” Op school werd hem afgeraden te schrijven, maar juist in die bezigheid vond Coyle-Larner uiteindelijk een van zijn uitlaatkleppen. “Ik vind het nog steeds niet leuk om essays te schrijven hoor, maar rijmen vond ik geweldig.”

Het geeft de Brit – die ook vandaag in Amsterdam een drukke indruk maakt – de kans om na te denken over wat hij wil zeggen. “Ik kom altijd in de problemen omdat ik de verkeerde dingen zeg”, vertelt Coyle-Larner. “Benny Mails, die het voorprogramma doet, vertelde bijvoorbeeld dat zijn vrienden naar de show van vanavond komen. Ik zei: ‘Ah, ze hadden tickets moeten kopen, joh.’ Ik maakte een grapje, maar dat had hij niet door, dus hij is écht vijf tickets gaan kopen. Toen moest ik hem zelf het geld teruggeven omdat ik me er zo slecht over voelde. Mijn slechte humor en mijn impulsiviteit zijn inmiddels een dure grap geworden. Als ik dingen opschrijf, kan ik over ze nadenken en kom ik niet in de problemen.”

Benjamins liefde voor rijmpjes groeide op latere leeftijd uit tot een passie voor poëzie. “Ik ben fan van Benjamin Zephaniah. Hij maakte woorden toegankelijk voor me”, vertelt de Brit. “Hij heeft een boek geschreven dat Gangsta Rap heet. Het gaat over vier jongens die ervan dromen rapper te worden en uiteindelijk ook echt beroemde rappers worden. Ik moet dat boek weer terug zien te vinden, want volgens mij heb ik het nooit uitgelezen toen ik jong was.” Later breidde de liefde voor cultuur zich nog verder uit. Coyle-Larner ging studeren aan een toneelacademie. Dat heeft geholpen: Loyle Carner regisseert al zijn videoclips zelf en weet hoe hij een show moet neerzetten. “Ik ben verzot op acteren”, vertelt hij. “Ik denk dat dat weer zoiets is waar mijn ADHD me bij helpt. Acteren, muziek maken, voetballen, koken (onder de naam Chili Con Carner leert Benjamin kinderen met ADHD koken, red.) en irritant zijn, that’s just what I do.”

Wat hij ook doet, hij doet iets goed. Want Loyle Carner is – zoveel kunnen we wel stellen – definitief doorgebroken, ook aan onze kant van de Noordzee. “Ik probeer daar niet te veel over na te denken”, zegt de Brit bescheiden. “Ik weet helemaal niet of ik the next big thing ben. Ik ben gewoon een thing en dat is prima.” Benjamin Coyle-Larner lijkt inderdaad tevreden. “Slechte dingen gebeuren altijd, dat is nou eenmaal een van de spelregels van het leven. Het gaat erom hoe je daarmee omgaat.” Yesterday’s Gone, indeed, daar valt niets meer aan te veranderen. Aan morgen des te meer, volgens Loyle Carner: “Ik blijf altijd optimistisch.”

Yesterday’s Gone is nu uit via AMF.

 

Het was een mooi jaar voor Klangstof. Met het uitbrengen van debuutalbum Close Eyes To Exit, het winnen van een Edison en een boeking voor Coachella heeft de band een flinke start gemaakt. Koen van de Wardt, muzikaal brein en vader van de band, begon Klangstof ooit als een zijproject om creatieve stoom af te blazen. Maar ondertussen is de band begonnen aan zijn weg naar de top, en daar is Koen meer dan klaar voor. Eerstvolgende en voorlopig laatste show in Nederland: Motel Mozaique.

Afgelopen november maakten we kennis met Close Eyes To Exit: een plaat die je al een jaar lang klaar had liggen. Hoe voelt het om eindelijk de album release te hebben gehad?
Het is heel gek. Voor mij klinkt Close Eyes To Exit al haast als een classic album omdat ik die al zo enorm lang af had. Dus dan is het wel heel gek om te zien dat mensen nu voor het eerst mijn nummers horen. Maar het is wel ontzettend spannend en cool. Want nu ik mijn werk out there heb, kan ik eindelijk festivals gaan spelen, iets wat je niet kan als je slechts een single uitgebracht hebt. Nu kunnen we eindelijk gaan knallen.”

 

Klangstof live zien? De band speelt vrijdag 7 april op Motel Mozaique!

 

Om maar even met de deur in huis te vallen: je komt uit Nederland, bent naar Noorwegen verhuisd, hebt daar muziek gemaakt, bent terug naar Nederland gegaan om te auditeren voor een band, hebt daar vervolgens een eigen band van gemaakt om daar dan weer een Noorse band van te maken. Hele mondvol dus, hoe klinkt die samenvatting in jouw oren?
“Haha, dat klinkt als heel veel dingen in een heel korte tijd. Maar in mijn hoofd was het helemaal niet zo druk geweest. Dat ging allemaal vrij natuurlijk. Ik studeerde in Noorwegen en dacht opeens ‘fuck, ik haat studeren. Weet je wat? Ik ga muziek maken.’ Vanuit daar ben ik auditie gaan doen bij Moss. Dat was al een kleine droom die uitkwam, maar ik realiseerde mij na een tijdje ook dat ik liever zelf muziek wilde maken. Zo ben ik op een laag pitje voor mezelf begonnen. Ik begon super ambitieloos, maar naarmate er wat liedjes ontstonden dacht ik: ‘wow, niet verkeerd’. Toen ik ineens een email kreeg waarin stond dat mijn label Mind Of A Genius een wereldwijde deal met Warner Bros. voor mij had geregeld, nam ik de stap om mij volledig op Klangstof te focussen.”

 

 

Het gaat nu allemaal best hard. Voelde je ook een extra druk tijdens het maken van het eerste album?
“Het grappige is: ik heb die eerste plaat vrij pretentieloos gemaakt. Ik moest niets en niemand zat mij op de hielen. Dat maakte het wel makkelijk, want ik was ‘m gewoon voor mezelf aan het maken. Dus ik heb heerlijk kunnen schrijven. Maar nu merk ik ineens dat, bijvoorbeeld bij live-shows, een team van driehonderd man komt aanzetten die allemaal hun plasjes eroverheen willen doen, en dan moet je ineens rekening houden met wat de baas in Bangladesh er allemaal van vindt. Dat vind ik soms best kut. Omdat ik echt zelf wel dingen vind en ook wil.”

Denk je dat het door de spotlights nu moeilijker wordt om een tweede album te maken?
“Het wordt wel anders, ik heb altijd gedacht dat ik muziek maak voor mezelf. Maar je merkt nu dat zodra je fans krijgt en bij een label zit, iedereen iets van je verwacht en wil. Dan wordt het ineens heel moeilijk om eigenwijs je eigen ding te doen, terwijl dat wel weer typisch is wie ik ben. Maar je kunt het niet loskoppelen, want onbewust ben je altijd bezig met wat andere mensen ervan vinden. Dus het wordt wel anders, maar of dat goed of slecht uitpakt weet ik niet. Ik heb nog nooit met die druk een plaat gemaakt.”

 

 

Over druk gesproken: dat jullie veel met Radiohead worden vergeleken is een feit. Hoe sta jij daar zelf in?
Het is een groot compliment, dus aan de ene kant vind ik het niet erg, maar ik hoop dat ik er na de derde plaat wel vanaf ben en gewoon Klangstof ben. Het is nogal nietszeggend omdat Radiohead muzikaal overal is geweest. Als je vergeleken wordt met The Beatles dan denk je: ‘oh die band gaat zo klinken’, maar als je een band vergelijkt met Radiohead kan het nog steeds van alles zijn. Maar je weet als nieuwe band dat je in een hokje wordt gestopt, want je moet vergeleken worden met iets. Dus dan liever met Radiohead dan met elke andere band.”

Klangstof is eigenlijk een beetje Koen. De plaat heb je in je eentje geschreven en de band heb je ook zelf samengesteld. Vind je het dan ook moeilijk je muziek over te laten aan de bandleden?
“Eerlijk gezegd vind ik het nu wel fijn. Ik heb de Klangstof-plaat deels geschreven met Finn, Michiel en Wubbo. Dat was voor mij al best wel vertrouwd terrein, aangezien ik samen met hen in Mossheb gespeeld en ook heel even in Klarälven. Toen we uit elkaar gingen, heb ik ongeveer vier à vijf maanden naar een nieuwe band gezocht. Het voelde echt alsof ik een beetje aan het muzikanten-tinderen was. Gewoon omdat ik vind dat een band een verlengstuk moet zijn van je eigen hoofd, maar dan beter. De drummer kan bijvoorbeeld beter drummen dan ik en de toetsenist kan beter synth spelen dan ik, maar ik wil wel dat zij hetzelfde denken als ik. En om die mensen te vinden ben je best lang bezig. Je moet ze tenslotte goed leren kennen en weten wat ze willen om samen een goede band te vormen.”

 

“Het voelde echt alsof ik een beetje aan het muzikanten-tinderen was.”

 

Je bent flink gaan schuiven met bandleden, maar jij bleef het blijvende punt waar alles steeds omheen bewoog. Is Klangstof nog steeds jouw product of is het een band?
“Ik probeer het wel echt te zien als een band. Ook tegenover de band zelf, omdat ik ook wel zie dat zij weten wat we moeten doen en wat ik voel en wil. Voor mij voelt het dus wel als een band, ook al heb ik de eerste plaat nagenoeg alleen gemaakt. Op het podium is dat anders. Wanneer de drummer bijvoorbeeld vindt dat we op een bepaald moment een ander nummer moeten spelen, doen we dat gewoon. Ook kijken ze niet naar me op of spelen ze de plaat exact na zoals ik die heb gemaakt. En dat vind ik tof, wanneer je de vrijheid deelt om zo te spelen. Dan zijn we wel echt een band.”

Je hebt er ook voor gekozen twee Noorse muzikanten in de band te betrekken. Noorwegen blijft dus wel bij je plakken, hoe komt dat zo?
“Daar zit best een grappig verhaal achter. Ik heb namelijk met die jongens in mijn allereerste bandje gezeten, genaamd Stereo Bullet. We probeerden echt heel erg een foute indieband te zijn en we hebben zelfs nog in de lokale Grease-musical gespeeld, haha. We waren vijftien en het klonk helemaal nergens naar, maar voor ons was het heel cool. En stiekem hadden we altijd aan elkaar beloofd dat als het er ooit van zou komen, dat we weer samen zouden spelen. Dus eigenlijk heb ik hen gekozen omdat ik mijn allereerste liedjes heb met deze jongens heb geschreven. Maar daardoor voelen zij ook precies aan wat ik voel, omdat we samen dit proces ooit zijn aangegaan. En dat gevoel is nu weer precies hetzelfde. Als ik met hen in de studio zit, is het nog steeds alsof we vijftien zijn en geen idee hebben wat we aan het doen zijn, maar dan nu on the next level. Dat is heel speciaal.”

 

 

Helpt het feit dat ze Noors zijn bij de sfeer van de muziek die je wilt scheppen?
“Ik denk het wel. Toen ik hen naar Nederland wilde halen realiseerde ik mij wel dat het wel een dingetje zou zijn, gezien ik die jongens zou moeten onderhouden omdat ze hier geen baan konden krijgen. Maar ik had gewoon heel sterk het gevoel dat ik dit soort talent niet in Nederland kon vinden. En het zit ‘m inderdaad ook in dat Noorse sfeertje, wat mensen toch wel tof vinden. Ik weet niet of dat alleen in de muziek naar voren komt of dat het iets is wat je hebt als je Noors bent. Maar ik denk wel dat, als ik vroeger niet naar Noorwegen was verhuisd, dat ik ook niet dit soort muziek had kunnen maken. In Noorwegen is het ook helemaal niet zo speciaal wat we doen, terwijl wij hier in Nederland en Amerika toch anders klinken. Er zit daar iets in het water waardoor je vage shit gaat maken.”

 

“Wij zijn de eerste Nederlandse band ooit om daar te mogen spelen, dus dat is best wel een dingetje.”

 

De tracks zijn ontzettend sfeervol en filmisch. Wanneer ik aan het luisteren ben, krijg ik een beeld in mijn hoofd van een prachtig landschap. Heb je dat ook als je aan het schrijven bent?
“Ja, op een bepaalde manier wel. Maar als ik aan het schrijven ben, ben ik sowieso de vaagste persoon ter wereld. Je kan dan niet met me praten, ik kan niet eens in de studio zitten! En op de een of andere manier komt er altijd wat anders uit dan couplet-refrein-couplet-refrein. Er vormt zich altijd wel een dynamische opbouw van zes minuten lang. Simpelweg omdat ik puur in de muziek aan het bouwen ben, in plaats van dat ik bewust hier of daar een couplet schrijf. Daar ben ik helemaal niet mee bezig. Dus van dat landschap: ja, ik denk dat daar wel wat in zit.”

 

 

Deze zomer hebben jullie onder meer een plekje bemachtigd op Amerikaans mega-festival Coachella. Dat is wel wat anders dan Paradiso Tolhuistuin?
“Ja, ik kan echt niet wachten. Wij zijn de eerste Nederlandse band ooit om daar te mogen spelen, dus dat is best wel een dingetje. Het is ook iets waar we het veel met ons label over gehad hebben, maar waar ik nooit echt van dacht dat ze het zou lukken. Dus dat het gelukt is, is wel echt tof.”

Jullie zijn aan het touren met Jagwar Ma, spelen binnenkort op Motel Mozaique en de festivalzomer ziet er veelbelovend uit nu zelfs Nederland al te klein voor jullie lijkt te worden. Gaat Klangstof de muziekscene veroveren?
“Ja. Ik hoop van wel.”

 

 

 

WEBSITE MOTEL MOZAIQUE: http://motelmozaique.nl/festival/
FACEBOOK-EVENT: https://www.facebook.com/motelmozaiquefestival/

 

 

Alsof het nog niet lang genoeg geleden was dat Port Of Morrow uitgekomen was, werd de release van het nieuwe album van The Shins vorig jaar uitgesteld. De reden was een poging van label Columbia om de band op een mooie plek op Coachella te krijgen, zo bevestigde meesterbrein James Mercer. Toen de naam van de formatie uit Albuquerque, New Mexico (nu gevestigd in Portland, Oregon) begin dit naar niet op het affiche prijkte, brak de paniek uit. Kwam die plaat er nog wel? Ja, Heartworms komt er. Op 10 maart om precies te zijn. Het is The Shins’ beste tot nu toe. Althans, als we James Mercer himself moeten geloven. 
 
“Ik heb het altijd fijn gevonden als een kluizenaar te werken” 
“Soms is het moeilijk om na zo’n lange tijd weer terug te vallen in de instincten die je ontwikkeld hebt,” vertelt de veertiger vanuit New York. “Ik heb me deze keer echt gedwongen nieuwe richtingen te verkennen. Dat was niet altijd makkelijk, omdat sommige mensen om me heen het niet met die richtingen eens waren, maar ik denk dat ik uiteindelijk heb bereikt wat ik wilde bereiken.” De eerste stap in die richting zette Mercer met single Dead Alive, dat vorig jaar met Halloween verscheen. In de video voor dat nummer herrijst de band letterlijk uit zijn graf. Het gevoel dat het nieuwe album Mercer opleverde is vergelijkbaar, zegt hij: “Ik identificeer me niet per se met het woord ‘herrijzenis’, maar het voelt wel als een soort wedergeboorte. Het hele proces is een soort inwaartse reis waarin ik mezelf kan bevrijden en helemaal kan opgaan in mijn eigen creativiteit.”  

Die scheppingsdrang was de afgelopen jaren zo groot dat Mercer zich niet beperkte tot muziek. “Ik ben veel bezig geweest met schilderijen en collages de afgelopen jaren.” Voor die laatste hobby, ook terug te zien op de hoes van nieuwe plaat Heartworms, ontwikkelde de Hawaiiaan zelfs een eigen app. “Klopt, hij heet Pasted! Ik was ooit in een bar waar een prachtige collage met oude foto’s van mensen hing. Ik vroeg me af waarom we zoiets eigenlijk nog niet met onze telefoons konden maken door middel van gezichtsherkenning. Alle apps die ik kon vinden zetten de foto’s gewoon in een soort rooster. Daarom besloot ik samen met een oude vriend die programmeur is de app die ik wilde zelf te maken.” 
 
Mercer liet muziek niet  helemaal links liggen, overigens. Vanaf 2009 vormt hij samen met producer Brian Burton, beter bekend als Danger Mouse, het duo Broken Bells. “Vooral in de ritmesectie heeft dat de nodige invloed op het nieuwe album gehad, denk ik. Ik heb me meer dan ooit geconcentreerd op de drumsound. De reden daarvoor is de prominente rol die dat element vervult in Brians werk. Toen ik nieuwe nummers voor The Shins begon te schrijven, miste ik dat.” Wennen dus, om weer alleen te werken? “Dat valt mee. Ik heb het altijd fijn gevonden als een soort kluizenaar te werken. Om de een of andere reden ben ik creatiever als ik alleen ben en alle tijd heb om alles te overdenken. Waarschijnlijk is dat waarom er steeds zo lang tussen de albums zit, haha.” 


 
“Ik werd heel ongerust toen ik vader werd” 
Een andere reden voor het gat tussen Port Of Morrow en Heartworms is Mercers privéleven. Daarin – zoals tegenwoordig meer uitzondering dan regel lijkt – geen hartzeer of andersoortige ellende, maar gezinsgeluk. Mercer is al ruim tien jaar getrouwd en heeft drie dochters. Dat drietal vormt een belangrijke inspiratiebron voor The Shins’ recente werk. “Ik denk dat mijn kinderen op Port Of Morrow al een belangrijk onderwerp waren, maar op een heel donkere manier. Het is best een schok als je kinderen krijgt. De wereld waarin je leeft verandert ineens in een soort hel. Alles lijkt gevaarlijk. Ik werd heel ongerust over de toekomst toen ik vader werd.” Hoewel dat anno 2017 niet vreemd lijkt, is Mercer er op Heartworms juist optimistischer op geworden. “Ik ben nu wat luchthartiger, denk ik. Mijn drie dochters zijn de reden waarom Name For You een soort feministische hymne geworden is.”  
 
Die dochters zijn ook de reden voor een aantal praktische veranderingen binnen het sterrenstelsel van The Shins. Mercer schreef het grootste deel van Heartworms ’s ochtends aan de ontbijttafel onder het genot van een eerste kop koffie. “Ik was veel creatiever in die vroege uurtjes. Onze jongste dochter is nu twee, maar ze was pas zes maanden toen ik dit album begon te schrijven, dus ze werd vaak vroeg wakker.” Ook de andere Mercer-dochters, die een stuk ouder zijn, hadden de nodige aandacht nodig. “Ik kleedde hen aan, smeerde hun boterhammen en bracht ze naar school. Daarna had ik eindelijk tijd voor mezelf. Ik schreef thuis, nam mijn ideeën op en bracht die uiteindelijk mee naar de studio.” Niet alleen binnen de studio, maar ook daarbuiten heeft Mercers gezinsleven zijn muzikale bestaan beïnvloed. “Het is tegenwoordig moeilijker voor me om uitgebreid te touren. Ik mis mijn familie en mijn familie mist mij. Het is best veel werk om drie dochters op te voeden en ik kan daar minder aan bijdragen dan ik zou willen als ik op reis ben. Mijn uren zijn niet die van een doorsnee vader, maar we gaan proberen de meiden wat vaker mee op tour te nemen dit keer.”

 

“Het is best veel werk om drie dochters op te voeden en ik kan daar minder aan bijdragen dan ik zou willen als ik op reis ben.”

 
Het moge duidelijk zijn dat The Shins al een tijdje meedraait. “Ik begon onder die naam liedjes te schrijven in mijn slaapkamer in 1996. Gek dat het al zo lang geleden is.” De inmiddels 46-jarige Mercer, die daarvoor al in de band Flake Music speelde, heeft dan ook de nodige veranderingen binnen de muziekindustrie meegemaakt. “Toentertijd had je nog megasterren die albums maakten waarvan in de eerste week 10 miljoen exemplaren verkocht werden. Ik was niet echt deel van dat wereldje, maar we wisten wel dat het bestond.” Ongeveer vijf jaar nadat Mercer de basis legde voor The Shins, begon hij dat soort succes wél te benaderen. Van zijn debuut Oh, Inverted World (2001) gingen meer dan een miljoen stuks over de toonbank. 
 
“Ik had in eerste instantie helemaal geen toegang tot zulke labels,” herinnert Mercer zich. “Dat veranderde toen we in het voorprogramma van Modest Mouse speelden.” Frontman Isaac Brock raadde The Shins aan bij Jonathan Poneman, de baas van Sub Pop, een label dat een decennium eerder opzien had gebaard met de grungerock van Nirvana, Soundgarden en Mudhoney. “Zeke Howard, de vriend met wie ik nu die app gemaakt heb, slaagde er uiteindelijk in Jonathan een cd’tje dat ik thuis gebrand had te geven.” Poneman bezocht in 2000 The Shins’ show met Modest Mouse in San Francisco en vroeg de band bij te dragen aan de Single of the Month Club van het label. New Slang (waarover later meer) was de inzending van de band, die van Poneman groen licht kreeg voor een volledig album. Niet alleen de ‘ouderwetse’ industrie speelde een rol in de doorbraak van The Shins, stelt Mercer: “Napster was heel belangrijk voor ons. Omdat die cd in omloop gekomen was, dook onze muziek daar op en groeide onze achterban op een heel organische manier. Binnen een paar maanden luisterden ineens dertigduizend mensen naar onze muziek. Je zag toen de eerste symptomen van streamingdiensten zoals ze nu bestaan.”  

 
“We wilden niets moderns maken” 
Er is in ruim twintig jaar meer veranderd. De bezetting van de band waarmee Mercer zich omringt, bijvoorbeeld. Vijftien verschillende muzikanten werkten mee aan The Shins, de oprichter zelf is de enige die er sinds 1996 bij is. Drummer Jesse Sandoval en toetsenist Martin Crandall (die ook lid waren van Flake Music) waren lang stamgast, maar in 2008 besloot Mercer na de release van Wincing The Night Away het roer om te gooien. Sandoval, Crandall en gitarist Dave Hernandez, die als frontman van punkband Scared of Chake veel met Flake Music had gespeeld, vertrokken (lees: werden ontslagen), toetsenist Eric Johnson volgde twee jaar later. “De belangrijkste reden daarvoor was dat we simpelweg uit elkaar waren gegroeid. Als je in je twintigerjaren bent, ga je met mensen om omdat ze dezelfde interesses hebben en naar dezelfde muziek luisteren. Als je ouder wordt, neem je andere paden en gaan de zaken waar je waarde aan hecht van elkaar verschillen. Dat maakt het moeilijk om een vruchtbare relatie te onderhouden.” Op dit moment verkeren alleen gitarist Jessica Dobson en bassist Yuuki Matthews al langer dan een jaar in Mercer’s gezelschap. “Vooral Yuuki heeft veel invloed gehad op Heartworms. Ik begon kort na de tour voor Port Of Morrow met hem samen te werken en hij is heel belangrijk geweest voor het geluid van de plaat. Hij speelt er ook heel veel op. Het voelt sowieso alsof ik weer een échte band om me heen heb.” Matthews is op nog een ander vlak belangrijk geweest voor het eindresultaat. “Ik heb dit keer enorm genoten van het technische aspect van het opnameproces,” vertelt Mercer. “Ik heb me daarin verdiept en heb geïnvesteerd in steeds beter materiaal. Ik ben zelf geen natuurtalent op dat gebied, dus ik heb veel hulp gehad van Yuuki en Richard Swift (oud-lid van The Shins en bassist bij The Black Keys, red.).” 
 
Een zeldzame constante in het muzikale bestaan van Mercer en zijn Shins is de Amerikaanse acteur en regisseur Zach Braff, bij het Nederlandse publiek vooral bekend vanwege zijn rol als John Dorian in de ziekenhuis-sitcom Srubs. In 2004 brak Braff als regisseur door met Garden State, een film waarin hij zelf een rol speelde die gebaseerd was op zijn jeugd in New Jersey. De film won de Grammy voor de best samengestelde soundtrack, mede met dank aan New Slang, dat op zijn beurt met dank aan Garden State uit zou groeien tot The Shins’ grote hit. In 2014 schreef Mercer opnieuw een nummer voor Braff, ditmaal voor diens Wish I Was Here. “Toen Zach me benaderde om met hem aan die film te werken, twijfelde ik geen seconde. Het voelt alsof ik hem iets verschuldigd ben. Het is zo goed voor ons geweest dat New Slang op de soundtrack van Garden State stond.”  

 

 


 
Ook op praktisch vlak bood de hernieuwde samenwerking weinig obstakels. “Toen ik toegezegd had, stuurde Zach me een ruwe versie van de film. Die ging over het gezinsleven en de manier waarop het leven verandert als je probeert het bij te houden. Dat waren thema’s die ontzettend overeenkwamen met mijn eigen leven. Dat raakte me enorm.” Niet veel later vond Mercer tussen zijn opnames een perfect passend nummer: So Now What, dat nu als voorlaatste track op Heartworms staat. “Ik speelde al een tijdje met dat nummer, dus ik herschreef de tekst zodat hij bij de personages uit de film zou passen. We hadden op dat moment wat shows in Groot-Brittannië gepland die uiteindelijk niet door konden gaan omdat het album nog niet af was. Toen we aan het repeteren waren speelde ik het nummer, maar niemand herkende het, terwijl ik zelf vond dat het een van de beste nummers was die ik ooit geschreven had. Toen realiseerde ik me dat ik het op de plaat moest zetten.”  
 
Die plaat is volgens Mercer een voortzetting van de bestaande Shins-discografie: “Ik denk dat er een bepaalde progressie te zien is. Ik ben nu een betere songwriter dan ik ooit geweest ben.” Dat was twintig jaar geleden wel anders, reflecteert de Hawaiiaan zelfkritisch. “Toen ik Oh Inverted World schreef begon ik pas net door te krijgen hoe je liedjes moet schrijven, vooral op tekstueel gebied. Ik denk dat ik daar langzaam maar zeker beter in geworden ben. Het voelt alsof ik nu zelfs beter ben dan ik op Port Of Morrow was, en dat was het beste dat ik ooit gemaakt had.” Het nieuwe Heartworms is dan ook alles dat die vorige plaat niet was. “We besloten al in een vroeg stadium dat we een album wilden maken dat natuurlijk en handgemaakt klonk. We wilden het album bijna mono mixen, op een manier die alle elementen samen laat vloeien.” Als een soort collage dus? “Precies! We wilden niets glads, commercieels of moderns doen, terwijl dat precies was wat we op Port of Morrow wél wilden.”  

Mercer steekt zijn enthousiasme over Heartworms niet onder stoelen of banken; het is overduidelijk dat de Amerikaan blij is om terug te zijn. Op zijn Instagram prijkt een foto waaruit blijkt dat de veertiger, vader van drie, zichzelf niet kon beheersen: Mercer heeft zijn eigen plaat besteld. “Dat is een beetje suf hè? Ik ben er gewoon zo opgewonden over. Ik kan echt niet wachten tot het album uit is. Ik denk dat ik gewoon mee wil maken wat de andere mensen die de plaat hebben besteld mee gaan maken.”  
 
Op 30 maart speelt The Shins in een uitverkocht Paradiso.