Er is bier in overvloed, maar echt gezellig is het niet in de donkere kleedkamer in de Amsterdamse Cinetol. Hoeft ook niet, want het Britse punkviertal LIFE is op bezoek. De band uit het pittoreske Hull is door vertraging met de veerboot wat te laat, maar maakt desondanks graag tijd voor een goed gesprek. Bassist Loz Etheridge en drummer Stew Baxter beginnen vast met de voorbereidingen voor de show, maar gitarist Mick Sanders en zijn broer/frontman Mez Green geven dolgraag toelichting op debuutplaat Popular Music, hun DIY or die-mantra en de Britse politiek. Spoiler: dat ziet er net als het normale Britse klimaat vrij grauw en grimmig uit.

Naar het album, dat vandaag uitkomt, was het niet alleen even toeleven, maar ook even zoeken. LIFE en Popular Music zijn nou niet bepaald de meest vindbare termen op het internet. Wie de bandnaam intikt op Google vindt van alles (bijvoorbeeld een film met Jake Gyllenhaal en Ryan Reynolds), maar komt binnen de eerste paar pagina’s precies nul punkformaties tegen. Toevoeging van de albumtitel brengt daar verdomd weinig verandering in. Pas als je wat andere kenmerken van de band rondom Green toevoegt aan je zoekopdracht, beland je bij de Britten. Bijvoorbeeld hun plaats van herkomst, Hull, die eigenlijk altijd in één adem met de bandnaam wordt genoemd. “Hull heeft onze hele filosofie gevormd”, meent Mez. “Het album had niet bestaan zoals het nu bestaat zonder die stad.”

 

“Als we in Londen spelen, staan mensen gewoon stil. Ze vinden zichzelf te cool.”

 

Hoe dat komt ligt volgens de zanger niet zozeer aan de stad zelf, maar vooral aan de manier waarop door buitenstanders naar de stad wordt gekeken. “Hull wordt altijd bespot, belachelijk gemaakt en beschouwd als een underdog”, vertelt hij. “Het idee dat dat zo is, zorgt ervoor dat je nog harder werkt om te bereiken wat je wil”, voegt Sanders toe. “Zeker in ons genre, waarin muziek aanvallend en agressief moet zijn, helpt dat.” De realiteit ligt anders, zo blijkt uit de beschrijvingen van de bandleden. “In werkelijkheid is Hull een heel creatieve plek waar een groot gemeenschapsgevoel heerst. Dat heeft niet alleen het album beïnvloed op allerlei manieren, maar ons ook als mensen.” De stad staat daarmee in contrast tot Londen, de plek waar de meerderheid van de Britse bands vandaan komt. “Londen lijkt een stad waarin alles heel snel gaat, maar in werkelijkheid is het soms erg stilstaand en saai”, doet Green een bescheiden boekje open. “Als we in Londen spelen, staan mensen gewoon stil. Ze vinden zichzelf te cool.”

De afkomst van de band heeft ervoor gezorgd dat LIFE er het mantra DIY or die op nahoudt. “We staan nog steeds niet onder contract bij een platenmaatschappij, maar hebben zelf wel van alles voor elkaar gekregen. In denk dat we het anders doen dan veel bandjes uit Londen en dat Hull daarin een belangrijke reden is geweest.” Het mantra reikt ver. De band zorgde er niet alleen zelf voor dat zijn muziek werd gedraaid door de verschillende afdelingen van de BBC, vooral dj Steve Lamacq geldt als een van de eerste supporters van het viertal, maar verzorgde tot voor kort ook eigenhandig de boekingen. “Pas sinds november hebben we iemand die dat voor ons regelt, dankzij de tour die we konden doen met Slaves.” Rouwig is de band er niet om, hoor. De heren houden het heft maar wat graag in eigen handen. “We willen controle over onze kunst”, spreekt Green stellig. “Ik denk dat bands die de fast lane nemen vaak niet lang aan de top blijven omdat hen wordt verteld wat ze moeten doen. Ze worden een soort speelpop van de industrie.” Hij kijkt opzij, zoals gedurende het hele gesprek het teken dat Mick Sanders een toevoeging mag doen. Die twijfelt geen moment: “Je verdient je carrière terwijl je eraan werkt, denk ik. Onze bloed, zweet en tranen zitten in deze plaat, dus het voelt echt als ons eigendom, hoewel we natuurlijk hulp gehad hebben waar we enorm dankbaar voor zijn. Ik voel vaak mee met jonge bands die snel doorbreken. Wellicht hadden wij dat ook wel gedaan als we jaren geleden de kans hadden gehad, maar ik ben blij dat die zich toen niet aandiende. Dit album is het product van de jaren waarin we hard hebben moeten werken.”

 

 

“We hebben het album echt geleefd”
Dat album lijkt voor veel mensen misschien uit de lucht te vallen, maar stiekem lag het al een tijdje op de plank van het punkviertal. “De nummers hadden we al, maar we moesten onze financiën op orde krijgen. Gelukkig konden we putten uit een fonds dat in Groot-Brittannië bestaat, PRSF. Als je aan hen kunt bewijzen dat het geld essentieel is voor de ontwikkeling voor je carrière, kunnen zij je helpen. We hebben een aanvraag geschreven en kregen dertienduizend pond om dit album te maken. Dat geld hadden we zelf nooit bij elkaar kunnen brengen.” Het geld gaf LIFE de kans hun album recht te doen. De band hoefde de plaat niet in delen op te nemen, maar kon twee weken de studio in duiken met producer Ian Dowling, die niet alleen werkte met Adele en One Direction, maar ook achter de knoppen zat bij Half Moon Run, Everything Everything, The Orwells en vele andere. “We hebben het album echt geleefd”, denkt Green terug aan die periode. “Daarom klinkt het nu als één groot geheel; de nummers zijn in elkaar overgelopen.”

 

“We are a part of Europe, so why the fuck should we leave?”

 

Dat hielp ook de energie die LIFE, dat stiekem al jaren de Britse podia sloopt (eerder al als The Neat), live heeft over te brengen op de plaat. “Het was een kwestie van plug ’n play eigenlijk. We stonden gewoon tegenover elkaar en hebben alles live opgenomen, alsof we een gig aan het spelen waren.” LIFE heeft dan ook niet slechts de reputatie van een snoeihard spelende band, maar ook de reputatie van een supersnel opnemende band. Naar verluidt speelde het viertal als allersnelste band ooit zijn BBC-sessie in, op de heilige grond van de Maida Vale-studio. “We hebben geloof ik alles in één take gedaan, met uitzondering van één nummer”, beaamt Mez. “Je krijgt daar drie uur, maar binnen een uur waren we al klaar.” Het blijkt van groot belang voor de sound en de stijl die LIFE er op Popular Music op nahoudt. “Als we onze nummers keer op keer spelen, maken we waarschijnlijk meer fouten”, meent de frontman van dienst. “Stel dat we [single, red.] Popular Music tien keer achter elkaar spelen. Dan is de tiende keer echt niet zo goed als de eerste of tweede. We wilden dicht bij onszelf blijven en er daarom voor zorgen dat het album klinkt zoals we daadwerkelijk klinken.”

 

 

Hoe dat album klinkt? Hard. Zo hard dat zowel van trommelvliezen als de Tory-partij geen spaan wordt heel gelaten. Uitzondering die de regel bevestigt is de negende track op Popular Music, de prachtige punkballad Beautifully Skint, een verbeterde versie van een oud nummer. “Het voelde alsof dat nummer het verdiende om op het album te staan”, glundert Green. “Mick en ik hebben het nummer met z’n tweeën opgenomen, de enige keer dat we zittend hebben gespeeld, haha. Het voelt voor mij alsof het ons Love Will Tear Us Apart-moment is, al zeg ik niet dat het in de buurt komt van dat nummer, hoor.” Waarom het nummer zo belangrijk is in de context van het album, weet Mick Sanders: “Het was in eerste instantie het idee om het album af te sluiten met Beautifully Skint, maar ik ben blij dat we dat niet gedaan hebben. Nu krijg je eerst een boel boze nummers en dan plotseling dit rustmoment. Het volgende nummer, Ba Ba Ba, is waarschijnlijk het snelste nummer op de hele plaat, die komt a million miles an hour op je af. Die overgang is heel desoriënterend en verrast mij nog steeds als ik het album luister.”

“Use your voice, use your vote, it’s in your hands”
Een ander element dat doorgaans geassocieerd wordt met punk – het woord dat naast ‘Hull’ steevast wordt gebruikt om LIFE te beschrijven – is een afkeer tegen de mainstream. Die albumtitel, Popular Music, is echter niet bedoeld als belediging aan het adres van Harry Styles of andere sterren aan de pophemel. Waar het wel om draait? Escapisme. Het blijkt de belangrijkste waarde die Mez Green in zijn muziek zoekt: “Mensen werken hard en muziek wordt voor veel van hen een manier om dat te even te vergeten, als ze naar een club of pub gaan.” Ook voor Mick blijkt het een persoonlijke kwestie: “Ik werk in een callcenter. Het zorgt voor brood op de plank, maar aan het eind van de dag verlang je naar muziek. Elke soort muziek heeft op zo’n moment even veel waarde: het maakt niet uit of je in de club Jägerbombs drinkt en danst op Beyoncé, naar een rave gaat om techno te horen of naar een rockshow gaat om een bandje zoals ons te zien. Het album is best serieus en best een beetje doom and gloom, maar de titel draagt een optimistische boodschap met zich mee.”

 

“We schrijven simpelweg over politiek omdat we over onszelf willen schrijven. Je moet dat niet doen omdat het trendy is.”

 

Sanders slijt zijn dagen dus aan de telefoon, maar twee andere bandleden hebben banen die de koers van LIFE wel degelijk beïnvloed hebben. Mez Green en drummer Stew Baxter werken in een jongerencentrum in Hull, The Warren. Iedereen van 16 tot 25 kan daar terecht om gebruik te maken van allerlei diensten, van persoonlijke begeleiding tot een voedselbank. Het centrum wordt vooral veel bezocht door jongeren die op een bepaalde manier in een benarde situatie zitten, bijvoorbeeld omdat ze arm zijn, geen contact meer hebben met hun familie, dakloos zijn, lid zijn van de LGBT-gemeenschap of een rondreizend bestaan leiden. In The Warren worden zij betrokken bij projecten op het gebied van kunst, muziek en levensvaardigheden.

“Dat is enorm belangrijk geweest voor de band”, vertelt Green. “Veel bands zeggen dat ze politiek zijn, maar hebben geen idee waar ze over praten. Ze zitten gewoon in hun slaapkamertje songs met politieke teksten te schrijven. Wij werken met mensen die daadwerkelijk geraakt worden door het belachelijke beleid dat de Britse regering voert. Dat vind ik belangrijk, anders exploiteer je een situatie die al exploitant is. We schrijven simpelweg over politiek omdat we over onszelf willen schrijven. Je moet dat niet doen omdat het trendy is.” Volgens Sanders was het onontkoombaar dat politiek in de afgelopen twee jaar een centraal thema is geworden voor veel Britse bands. “We waren nooit van plan een politieke band te worden, maar we moesten wel. Dat is het enige pluspunt van deze periode: de beperkingen die het beleid oplegt leggen de basis voor muzikale rebellie. Precies zoals bij de eerste punkgolf.” Op dit moment is een van de inspiratiebronnen voor LIFE de Brexit, die vorig jaar tot stand kwam na een referendum. “Dat is rampzalig”, verzucht Green. “Vandaag konden we in een rechte lijn door Frankrijk en België naar Amsterdam rijden, maar voortaan zullen we een visum moeten aanvragen voor elk land waar we doorheen reizen. We are a part of Europe, so why the fuck should we leave?” Sanders voegt toe: “Ik denk dat we de effecten nog lang niet kunnen bevatten, maar het voelt historisch gezien als een enorme stap terug. Iedereen trekt zich terug in zichzelf en zaait angst, terwijl je juist met een open vizier de wereld tegemoet moet treden om problemen op te lossen.”

 

 

De kans is groot dat we kunnen rekenen op nog veel meer van die rebellie. Erg optimistisch over de naderende verkiezingen is LIFE namelijk niet. “We hopen dat de Tories niet terug in de regering komen, want dat zijn een stel tirannen”, meent Mez. “Ik kan mij alleen niet voorstellen dat Labour een echte bedreiging voor hen kan vormen. We might be doomed.” De bandleden hebben zich de afgelopen tijd dan ook ingespannen om dat te voorkomen. Green en Baxter gaan regelmatig langs lokale gigs om het jonge publiek daar ervan te overtuigen hun stem te gebruiken. “Veel jongeren stemmen niet, omdat ze denken dat het niets zal veranderen, terwijl het juist het enige is dat wél iets kan veranderen”, meent Mick. Mez voegt toe: “Use your voice, use your vote, it’s in your hands.” Het lijkt geen toeval dat het laatste deel van dat mantra de eerste zin is op het debuut van zijn band. “Jonge mensen hebben de toekomst in hun handen”, besluit hij. “Maar mocht het allemaal toch fout gaan, dan hebben wij in ieder geval iets om een Volume 2 over te schrijven.”

 

London Calling Festival
26 & 27 mei

 

17.00 in Amsterdam, 11.00 in Cambridge, Massachusetts. Ron Gallo, een kersverse enfant terrible in de garagerockscene, is net wakker, de avond na zijn eerste show met Hurray For The Riff Raff. Monter praat de voormalige Toy Soldier over zijn idealen en de motieven achter Heavy Meta, een plaat met een gitzwart wereldbeeld.

Lekker geslapen, Ron?
“Ja, ik heb niet eens wakker gelegen vannacht, which was nice. Met al dat touren ga je vanzelf dag voor dag leven, en ik merk dat ik beter slaap als ik niet denk aan alles wat er momenteel gebeurt in de wereld.”

“The world is completely fucked” is je levensmotto.
“Het zijn interessante tijden. Statistisch gezien is de wereld misschien vrediger dan het ooit geweest is, maar dankzij het internet is er een soort massahysterie ontstaan en lijkt de wereld voortdurend in te storten. Ik ben persoonlijk iets hoopvoller dan dat.”

De plaat, Heavy Meta, lijkt gemaakt te zijn voor deze roerige tijden, maar je schreef ‘m al veel langer geleden.
“Zo’n drie jaar geleden inderdaad. Toen ik de plaat schreef was ik behoorlijk outwardly angry op de mensheid en de staat van de wereld. Nu realiseer ik me dat je daar ook niet veel mee opschiet en dat verandering veel makkelijker tot stand komt als je een beetje mededogen hebt voor je medemens, als je begrijpt waar men vandaan komt en als je beseft dat niemand tot op het bot kwaadaardig is.”

 

“We stoppen zo veel energie in het benoemen van problemen dat we vergeten dat we zélf een persoonlijke verantwoordelijkheid dragen en zélf iets kunnen bijdragen.”

 

Is het dan niet gek deze songs nog steeds live te spelen?
“Nee. Op het podium keer ik, vreemd genoeg, terug naar wie ik drie jaar geleden was. En daarbij: men heeft nog steeds een beetje rattling up nodig. Dit is wat mensen nu moeten horen, dus ik denk dat het nog steeds relevant is om deze songs te spelen.”

Komen fans wel eens naar je toe na shows, voor discussies?
“Yeah, dat gebeurt wel eens, maar vaker nog krijg ik mailtjes: ‘hey, this really got me thinking. What do you think about this? What do you mean by this?’ Dat soort dingen. Ik vind het geweldig om zo’n dialoog te kunnen voeren, dat totale vreemden zich zo kunnen openbaren. Ik geloof ook niet in een muur tussen artiest en publiek. We’re all in this together, we zijn allemaal mensen en ik heb simpelweg het geluk dat ik dit voor anderen mag spelen.”

Je zingt op All The Punks Are Domesticated dat muzikanten tegenwoordig niets meer te zeggen hebben. Is dat nog steeds zo?
“Het gebeurt wel meer nu. Met dit politieke klimaat worden mensen langzaamaan wakker, maar waar waren ze eerst? Mensen, en ook artiesten, zijn zo zelfingenomen. Ze zingen enkel over zichzelf. Ik vind dat problematisch, want er is altijd kwaad in de wereld en er is altijd ruimte voor verbetering. Gebruik je platform, gebruik je stem voor verandering. Don’t wait until it’s too late!

 

 

Zijn we te veel met hypes bezig?
“Ja, we geven vaak één ding heel veel aandacht en komen dan niet tot de bron van het probleem. Hoezeer Trump ook een bedreiging is voor de wereld, het zijn de mensen die hem gekozen hebben. Het zijn de mensen die het échte probleem zijn. We stoppen zo veel energie in het benoemen van problemen dat we vergeten dat we zélf een persoonlijke verantwoordelijkheid dragen en zélf iets kunnen bijdragen. In plaats daarvan is het voornamelijk een hoop ruis op Facebook: ‘oh, I hate Trump, Trump’s the worst, evil, evil, evil, evil’’ – dat soort dingen. Dat creëert juist meer en meer tegenstellingen in een tijd waarin we vooral samen moeten werken.”

Zijn er muzikanten die hun stem wel goed gebruiken, en die je daarom bewondert?
“De band waar we mee op tour waren, Hurray For The Riff Raff. Alynda Segarra (zangeres, red.) heeft zo’n ongelofelijke stem en een boodschap – power to the people! – waarin ik mij alleen maar bij kan aansluiten. Het commentaar dat Father John Misty nu op de wereld levert vind ik ook geweldig. Hoewel hij soms wat hardnekkig te werk gaat, denk ik dat hij en ik allebei in hetzelfde gevecht verwikkeld zijn. We houden onze generatie een spiegel voor.”

WEBSITE LONDON CALLING | FACEBOOK-EVENT

Een zeven minuten durende indiehit, een viertal Nederlandse (festival)shows, gitaarpartijen gespeeld met een drumstok en een bandlid dat achtereenvolgens elektronische samples en saxofoonsolo’s speelt – een kleine indruk van het resumé en de podiumpresentaties van Pumarosa, een band die even slecht in hokjes te vatten is als de vrucht die dezelfde naam draagt.

Balancerend op het grensgebied tussen enigmatisch en spontaan, ligt Pumarosa al een tijdje onder onze radar als een van de interessantere indiebands van de afgelopen jaren. Vooral nu de Britten – onder leiding van zangeres/gitariste Isabel Munoz-Newsome en drummer Nicholas Owen – op het punt staan een debuutalbum uit te brengen, willen we meer weten van dit eclectische collectief. The Daily Indie skypete met bandstichter en drummer Nicholas over het ontstaan, de exotische bandnaam, Koyaanisqatsi-achtige videoclips en de vrouwelijke energie in de band.

Ontkieming
Vanuit zijn appartement in Oost-Londen, met zijn drumkit op de achtergrond, gidst Nicholas (“eigenlijk noemt iedereen me Nick”) ons door de geschiedenis van zijn muzikale project heen. Pumarosa is een volledig Londense band: de bandleden komen uit alle contreien van de Britse metropool en er wordt gerepeteerd aan de oostkant, in een industrieel pand dat werd omgetoverd tot repetitiehok. De geboorte van Pumarosa vond plaats in de kelder van een oude pub annex creatief honk in Noord-Londen. Nick: “Eind 2014 ontmoette ik Isabel in die kelder. Ze ondersteunde regisseurs in de theaterwereld en was bezig met de afronding van haar studie theaterontwerp, maar was vastberaden om met wat songs op zak een band met me te beginnen.”  Aanvankelijk beginnen de twee als duo en experimenteren ze met verschillende muzikale stijlen, om een eigen geluid te vinden. Nick: “Onze chemie is prettig. Isabel brengt vaak een idee in ruwe vorm in; wat akkoorden, de ruggengraat van een songtekst, losse flodders van een melodie. Ik probeer het vanaf dat punt vaak helemaal om te gooien of zelfs te verknoeien. Vaak zoek ik de grenzen van genres op. Isabel schrijft vanuit haar instinct: heldere ideeën of gevoelens komen aan bod. Ik kom met een meer schizofrene invalshoek: ik prop er extra regels tussen en verander het metrum.”

Het tweetal schrijft samen de blauwdrukken van een paar songs die later cruciaal blijken, maar een compleet geluid blijft nog uit. Een logisch gevolg: Isabel en Nick willen gaan spelen met een grotere, diverse liveband. De twee zoeken naar verbreding van hun sound, en vinden – in chronologische volgorde – versterking in funky grooves bij bassist Henry Brown, extra dimensie op de achtergrond in Tomoya Suzuki (electronica en saxofoon) en meer bewegingsvrijheid voor de frontvrouw in gitarist Neville James. De nieuwe samenstelling zorgt ervoor dat de songs niet louter uit ideeën van Isabel of Nick ontstaan, maar ook – en eigenlijk vooral – uit jamsessies. Naast organisch tot stand gebrachte songs zorgt de groepsdynamiek ook voor het tegengaan van de writer’s block die wel eens om de hoek komt kijken bij het schrijven als duo.

 

“Misschien waren we opzettelijk wel wat minimaal, maar eigenlijk snapten we nog maar weinig van het hele releaseproces.”

 

Net als de samenstelling van de band, verandert ook de naam van het project. “We speelden aanvankelijk onder de naam Lion’s Den, maar die woorden bevielen ons totaal niet. Het is verbazingwekkend hoe een bandnaam maar blijft opduiken als je ‘m niet goed trekt, zelfs als je maar één optreden onder die naam speelt of één nummer op Soundcloud zet. Een nieuwe naam zoeken was belangrijk, en wat er in die zoektocht toe deed was dat we een naam vonden die nog niet in gebruik was. We zochten naar twee simpele woorden die je niet snel naast elkaar zet, maar die wel mooi klinken. We dachten in Spaanse termen, door Isabels Chileense roots. Via de naam van een oud bandje waar zij in speelde – Minipuma – kwamen we op Pumarosa. Na een Google-sessie bleek deze keuze én nog niet bezet, én de naam te zijn van een tropische vrucht die in Zuid-Amerika groeit. Een vaalrood glanzend avocado-achtig ding.” Maar wie vrije vertaalkunsten loslaat op het woord Pumarosa, kan ook al gauw op die ene roze getekende panter uitkomen. “Wij kwamen daar vrij snel achter nadat we onze naamsverandering doorgezet hadden. We dachten: ‘shit, hebben we onszelf levenslang verbonden met een stripfiguurtje?’ Maar hé, wat is er eigenlijk mis met The Pink Panther? We dachten er misschien te veel over na.” Exit Lion’s Den, Pumarosa is een blijvertje.

Mystiek en spontaniteit
Als de band eenmaal z’n draai vindt met de nieuwe setting, neemt Pumarosa een voorzichtige houding aan wat betreft releases. Iets wat vooral voor mystieke ideeën zorgt aan de kant van de luisteraar. Pumarosa’s spaarzaamheid wat betreft releases en het vage, doch prachtige artwork – allemaal van de hand van frontvrouw Isabel – laat de geïnteresseerde gissen. Ten tijde van de eerste shows op Nederlandse bodem – een select gezelschap aanwezigen is bij de shows op Eurosonic, Where The Wild Things Are en London Calling – is er nog maar één single uitgebracht, geen enkel groot interview gegeven en weinig fotomateriaal beschikbaar. Veel Britse media spreken dan al over Priestess als doorbraakhit of zelfs als indie viral. Het tweede teken van leven, single Cecile uit maart 2016, beeldt een enigmatisch vrouwelijk karakter op de hoes af. Het mysterie doet de honger naar een liveshow van Pumarosa ontstaan; het lijkt wel een geslaagde marketingcampagne. Zo bewust waren de intenties van de band echter niet: “Misschien waren we opzettelijk wel wat minimaal, maar eigenlijk snapten we nog maar weinig van het hele releaseproces. Persingen, artwork, mastering; allemaal vragen die op ons afkwamen waarop we geen duidelijk antwoorden hadden. Laten we dus stellen dat we in alle chaos maar iets deden bij onze eerste singles, maar dat onze onwetendheid en voorzichtigheid het ook een bepaalde mystiek meegaf.  Muziek komt altijd binnen bij mij door hoe het klinkt, niet door de poespas eromheen. Sommige bands bouwen online al een bepaalde reputatie op. Op de een of andere manier hangt er dan een bepaalde hype omheen. Het woord ‘hype’ klinkt dan voor mij als iets negatiefs – dan sta je niet bekend om je muziek. Die focus op hoe het klinkt en hoe je het live beleeft staat altijd centraal voor ons. Wij namen zonder een groot plan van aanpak de optredens aan die ons werden aangeboden. We speelden veel – toevallig ook in Nederland – omdat we hongerig waren naar live spelen en onszelf verbeteren. Die aanpak heeft ons veel geleerd en klaargestoomd voor het maken van een album en het aangaan van een headlinetour. Zoveel mogelijk spelen is een aanpak die ik iedere beginnende band zou willen aanraden.”

Nieuw werk komt langzaam maar zeker uit als de band gegroeid is in het spelen van liveshows. Op muzikaal gebied blijkt Pumarosa nog steeds, net als de vrucht die dezelfde naam draagt, een lastig te omkaderen mengelmoes van karaktereigenschappen. Songs als Sinking Heart – een nummer dat tot op heden enkel als demoversie is uitgebracht – bevatten net boven het oppervlak zwevende indieriffs à la Gengahr en Palace. Leg je een andere single van Pumarosa onder de naald, dan kan je het idee hebben dat je naar een hele andere band luistert. Eerste wapenfeiten Priestess en Cecile bevatten de broeierigheid en experimenteerdrang van Primal Scream, vooral wanneer er plots saxofoonsolo’s in een bridge opspringen en loop-pedalen en synthesizers het geheel naar een climax helpen. De doorslaggevende details schuilen in de mystieke, nevelige productie en het helder bezwerende doch serene stemgeluid van Isabel. Het doet snel denken aan collega’s Kate Bush en Shura, van wie de laatstgenoemde – niet geheel ontoevallig – onder de indruk was van eerste single Priestess, om deze vervolgens in een tropische dansversie te gieten.

Wie de tot nu toe verschenen singles van Pumarosa los van elkaar beluistert, kan er misschien muzikaal weinig eenheid in zien, maar in het geheel zit altijd wel een mystieke, haast zuiverende kwaliteit. Je zou het al een vrij duidelijk uitgewerkte bandsound kunnen noemen, die de leden zelf quasi-plagend omschrijven als ‘industrial spiritual. Een sneer naar het eindeloos labelen van muziek door media of juist een bijdrage aan die mystiek die ook op plaat te horen is? Nick: “Dit is gewoon onze manier om te zeggen dat we bluesrock maken, haha! Nee, industrial spiritual is een suggestieve term waarmee we willen overbrengen dat onze muziek elementen uit allerlei genres bevat. We maken geen typische industrial en ook geen gospel die de Heer prijst, maar naar onze mening hebben we de meeste nummers een bepaalde verheffende kracht meegegeven. Er zijn enkele muzikale invloeden die we allemaal delen in de band: Radiohead, PJ Harvey, Nick Cave, Massive Attack. Maar het zijn onze individuele invloeden die het verschil maken voor de details in de songs: Tomoya (keyboard/sax) houdt bijvoorbeeld van jazz. Klassiekers als John Coltrane en Miles Davis staan prominent in zijn kast. Dat terwijl ikzelf de laatste tijd veel naar Throbbing Gristle en Psychic TV luister, het experimentele werk. Maar ik zou nu niet durven te beweren dat je dat meteen terughoort in Pumarosa. Tohc: als je veel naar bepaalde muziek luistert tijdens het creatieve proces, sijpelt er onbewust altijd wel iets door in de details van je eigen werk. Die industrial spiritual was natuurlijk niet tot stand gekomen als we niet van het bestaan van onze invloeden afwisten.”

Maatschappijkritiek en feminisme
Gaandeweg laat Pumarosa steeds meer van zichzelf zien en horen: een Instagram-account dat een intieme blik geeft in de repetitieruimte, twee EP’s met nieuwe tracks en live-opnames, en twee nieuwe singles. Een van de onlangs uitgebrachte tracks die het album heeft gehaald is Honey: instrumentaal net zo’n epos als de twee eerste singles, met een transcendentale climax; tekstueel van compleet andere aard dan danseressenode Priestess of ‘seksueel landschap’ Cecile. Honey gaat over de vreemde relatie die mens en aarde met elkaar hebben. Ook de bijbehorende videoclip onderstreept dat idee. In de clip worden hyperlapses afgewisseld met drone shots van landschappen. Noem het een moderne update van Koyaanisqatsi, die niet alleen toont wat er allemaal gebeurt, maar ook tekstueel commentaar levert en probeert te empathiseren met deze planeet en de mensen daarop. Nick: “Ik spreek even namens Isabel, zij schreef de tekst voor dit nummer. We hadden allemaal Bitter Lake (een documentaire van Adam Curtis over de verhoudingen tussen Saudi-Arabië en de VS, red.) gezien. Het nummer is geïnspireerd op de gevoelens die Isabel kreeg na het zien van deze documentaire. Het gevoel van chaos, de machteloosheid tegenover grote politieke beslissingen en wat mensen op deze planeet doen en kunnen aanrichten staat centraal in Honey. Het idee voor de video was niet om een duidelijke boodschap over te brengen over klimaatverandering, maar over hoe de aarde wordt gevormd door de explosieve populatie die ‘m bewoont.”

Die kritische doch empathische insteek is een sleutelelement van debuut The Witch, waarover Nick alvast vertelt: “We hebben het album net als onze eerste singles opgenomen met producer/schrijver/mixer Dan Carey, die eerder ook werkte met Kylie Minogue en Bat For Lashes. Zijn werkwijze was een openbaring voor ons. We hadden allemaal nog nooit een album gemaakt. Het hele proces bleek ook veel meer werk dan we van tevoren verwachtten; toen we drie of vier tracks klaar hadden, waren we al doodop. Dan heeft ons er heel goed doorheen gegidst: hij plaatste onze interactie als band boven alles. Bovendien kreeg iedereen ook individueel de ruimte voor eigen ideeën en was er fantastisch materiaal in de studio aanwezig om die te verwezenlijken.”

Dat Pumarosa bij een producer terecht komt die vaker heeft gewerkt met uitgesproken feministische artiesten, is geen toeval. Neem alleen albumtitel  The Witch al: een mythisch, roemrucht vrouwelijk figuur staat centraal op Pumarosa’s eerste. Nick: “Aanvankelijk wilden we het album titelloos laten, maar Isabel werkte aan artwork van een iconisch, sterk, vrij geïnterpreteerd gezicht. Dit gezicht of figuur – de heks – staat centraal op het album. Ook de sleuteltrack draagt de naam The Witch. De muzikale belichaming van een heks vat de kernelementen van onze sound goed samen: zowel het mystieke, transcendentale element op muzikaal vlak en het maatschappelijke element op tekstgebied. Isabel is behoorlijk belezen over de positie en de definitie van een heks in de Westerse maatschappij. Het bracht haar zo veel inspiratie dat het steeds naar boven kwam in haar teksten. Ze probeert ook aan het licht te brengen hoe een heks wordt gezien binnen het patriarchaat. Een heks is niet per se een vrouw die andere mensen bezweert met gekke drankjes. Nee, het kan ook een vrouw zijn die sterk en onafhankelijk is en een centrale rol bekleedt in de samenleving. Die vrouw wordt vaak gedemoniseerd binnen de maatschappij. Van steniging tot seksisme. We verkennen die posities en verschijnselen op onze plaat. Isabel wíl daar echt over zingen, dat is wat we kwijt willen en met de wereld willen delen. Ze wil niet verloren raken in die klassieke vrouwenrol.”

 

“Soms zie ik vier of vijf kerels in een band en dan denk ik: jullie arme zielen.”

 

“The Witch is niet allereerst een feministisch album, maar er zitten zeker sterke elementen van female empowerment in. Feminisme heeft de lyrics en de ideeën gevormd: die ontstaan door hoe Isabel zich voelt als een frontvrouw in een band en als vrouw in de muziekindustrie. Ik ben heel blij dat we deze vrouwelijke energie en dynamiek in onze band hebben. Soms zie ik vier of vijf kerels in een band en dan denk ik: jullie arme zielen. Jullie halveren je mogelijke pallet aan visies en ideeën al meteen als jullie enkel met mannen een band vormen. Ik denk dat het heel goed is dat onze band vrouwen bevat (inmiddels telt het band een tweede vrouwelijk lid, dat Pumarosa zal versterken tijdens de huidige headlinetour, red.) Ik ga het ook gewoon zo stellen: iedere band zou vrouwen moeten bevatten.”

Dat Isabel een krachtige energie en de grootste toegevoegde waarde binnen de band met zich meebrengt, is wel duidelijk tijdens de liveshows van Pumarosa: ze is de bezwerende eyecatcher van de band – door haar teksten, haar opvallende stemgeluid en haar hypnotiserende bewegingen. Een gezamenlijke kracht van Pumarosa ligt daarnaast in de vaardigheid om songs met geïmproviseerde bruggen naar een exploderende climax te tillen. Van jam naar ballad – de uurvullende show laat zich niet omkaderen door albumversies of eenzijdigheid. Dat is al meermaals bewezen, en dit gezelschap heeft de grote stappen die het maakt al meermaals getoond in ons land. Met zoveel idealisme, kracht én een eigen geluid liggen de toekomstmogelijkheden ongetwijfeld open voor Pumarosa.

Vestrock
2 – 3 – 4 juni

Jaren geleden leek Bill Ryder-Jones hard op weg om een rockster te worden. In 1996, richt de dan vijftienjarige Ryder-Jones samen met wat schoolgenootjes The Coral op. Als de band vijf jaar later zijn eerste single Shadows Fall uitbrengt, wordt het collectief uit Liverpool wordt als vaandeldrager van de Britse rockrevival.

Het loopt anders: Ryder-Jones is geen rockster en wil dat ook niet zijn. Gepijnigd door paniekaanvallen en andere problemen met zijn gezondheid, ontslaat hij zichzelf uit The Coral en ontvlucht hij de muziekwereld. Hoe het komt dat de Brit nu tóch toewerkt naar de release van zijn vierde soloplaat en ondertussen filmsoundtracks heeft geschreven én uitgebreid heeft gewerkt met het Arctic Monkeys-kamp, vertelt hij The Daily Indie gedurende een opvallend openhartig gesprek.

“Ik ben veel blijer nu ik niet meer in een band zit”
Om die vraag te beantwoorden moeten we echter eerst – of Bill dat nu leuk vindt of niet – terug naar het verleden. Naar 2005 bijvoorbeeld, als Ryder-Jones voor het eerst een pauze neemt van zijn betrokkenheid bij de band die hij heeft opgericht. Hij stopt met touren en zijn bandgenoten schrijven voor het eind van het jaar een nieuw album, The Curse of Love. Voor de plaat wordt uitgebracht, overtuigen ze Bill terug te keren en begint het geheel samen te schrijven voor een volgend album. In augustus brengt de band dat album, Roots & Echoes, uit, nadat het vijftal een zomer lang heeft gespeeld met Arctic Monkeys. Die tour treft Ryder-Jones: hij heeft paniekaanvallen voor de liveshows en besluit in januari 2008 definitief uit de band te stappen.

“Het is een van de weinige beslissingen in mijn leven waar ik geen spijt van heb”, vertelt hij anno 2017. “Ik heb veel dingen fout gedaan, maar dat was de juiste keuze. Ik ben veel blijer nu ik niet meer in een band zit.” Hij benadrukt vervolgens vlug dat dat niet bedoeld is als belediging van zijn oude bandgenoten. Zij hebben inmiddels nog drie albums uitgebracht, waarvan het vorig jaar verschenen Distance Inbetween de meest recente is. “Dat is helemaal prima”, meent Ryder-Jones. “Ik had niet anders verwacht dan dat de band door zou gaan. Het voelde destijds alsof ik de band vertraagde. De jongens zijn nog steeds goede vrienden van mij en ik spreek ze regelmatig. Ik kwam Nick (Power, multi-instrumentalist, red.) toevallig gisteren nog tegen.”

 

 

No hard feelings daar dus, maar Ryder-Jones had het wel moeilijk met zichzelf. “Ik ging niet bepaald uit de band om een solocarrière na te streven”, bekent Bill. “Ik wilde niets meer te maken hebben met de muziekwereld.” Wat wel zijn plannen waren? “Ik was van plan te gaan studeren aan de universiteit, maar ik kwam er al snel achter dat de stress mij niet veel goeds zou doen.” Anderhalf jaar nadat hij The Coral verlaten heeft, verlaat Bill Ryder-Jones de universiteit en gaat hij op zoek naar een baan om brood op de plank te kunnen brengen. Die baan dient zich sneller aan dan verwacht. “Ik kreeg een telefoontje van Laurence Bell, de baas van Domino Records”, herinnert de Brit zich. “Hij had wat demo’s gehoord op mijn MySpace en wilde mij spreken.” Een simpele, vrijblijvende vraag, maar voor Ryder-Jones was het op dat moment nogal wat. “Ik had al een hele tijd geen gitaar meer gespeeld en had eigenlijk totaal geen zin me weer in de bekende kringen te begeven”, vertelt hij. “Maar ik had geen geld en geen diploma’s, dus eigenlijk moest ik wel.”

“Ik wilde niet beoordeeld worden”
Inmiddels is Bill Ryder-Jones maar wat blij om terug van weggeweest te zijn. “Ik had niet om meer dan dit kunnen vragen. Ik werk aan mijn vierde album, heb hondstrouwe fans en een platenmaatschappij die vierkant achter mij staat. Het was een uitdaging om weer mijn plek te vinden in de popindustrie, maar nu ben ik er blij mee dat het me gelukt is. Dat had ik nooit verwacht.” Die plek vindt Ryder-Jones in eerste instantie vooral door zich te focussen op filmsoundtracks. Domino heeft net een soundtrackcompilatie uitgebracht als Ryder-Jones tekent, en dat inspireert. “Ik wilde geen commerciële carrière, ik wilde niet zingen, liever niet live spelen en was altijd al geïnteresseerd geweest in film.” Het lijkt Laurence Bell dan ook een goed idee om Bills talent om strijkersarrangementen te schrijven tentoon te spreiden. Het enige probleem: er is nog geen film die de diensten van de Brit vereist.

Het duurt niet lang voor Bill en Bell daar een oplossing voor bedenken: Ryder-Jones begint een soundtrack te schrijven voor een boek. If On A Winter’s Night A Traveler van de Italiaanse schrijver Italo Calvino, om precies te zijn. Een postmodern verhaal uit 1979, dat vertelt over een lezer die het bewuste boek probeert te lezen. “Ik vond het een interessant boek”, zegt de Brit. “Het gaat over de manier waarop we alles interpreteren. Het boek heeft daardoor geen vaste betekenis, maar bevat als het ware heel veel geheimen, die iedere lezer individueel kan ontdekken. Zo wilde ik ook weleens muziek maken, want dat kon nooit toen ik nog teksten schreef.” In november 2011 brengt Bill Ryder-Jones If…, dat muzikaal gebaseerd is op onder meer Nick Cave en Syd Barrett, uiteindelijk uit en begint hij zijn solocarrière.

De Brit is nog altijd gevestigd in West Kirby, het dorpje waar hij getogen is. In figuurlijke zin bracht die solocarrière Bill Ryder-Jones echter naar plaatsen waarvan hij dacht die nooit meer te bezoeken. “Ik weet niet zeker hoe ik weer begonnen ben met zingen”, bekent hij. “Ik voelde mij destijds erg slecht, en mijn herinnering aan die periode is niet zo goed.” Opnieuw blijkt Laurence Bell het sleutelfiguur. Ryder-Jones heeft hem wat demo’s laten horen uit de periode voor hij The Coral verliet, en die bevallen Bell wel. “Dat waren best goede liedjes, hoor. Maar het was nooit mijn bedoeling om die het levenslicht te laten zien.” Uiteindelijk ziet de Brit zich gedwongen dat wel te doen. Zijn soundtracks leveren hem nog niet genoeg werk op en een conceptalbum met composities over de grootste rivieren ter wereld loopt ook niet lekker. Ryder-Jones pakt de gitaar definitief weer op, begint weer met zingen en schrijft met Hanging Song en A Bad Wind Blows in My Heart de eerste nummers voor zijn tweede album, dat de naam van die tweede als titel gaat dragen. “Ik wist dat ik het album uit moest brengen, maar ik heb alle plannen een keer of drie geschrapt”, herinnert de zanger zich. “Ik wilde niet live spelen, ik wilde niet beoordeeld worden.” Het is – hoe kan het ook anders – Laurence Bell die hem opnieuw over de streep trekt. “Laurence is een van mijn favoriete mensen op de wereld. Ik heb alles aan hem te danken”, toont Ryder-Jones zich daar bewust van.

 


Alles, dat is nogal wat, want Ryder-Jones krijgt de smaak vanaf 2013 te pakken. Nadat hij in dat jaar het op Bill Calahan gebaseerde A Bad Wind Blows in My Heart uitbrengt, begint Bill andermans albums te produceren. Hij werkt onder meer met The Wytches, Milburn en Hooton Tennis Club. “Ik produceer mijn eigen muziek ook, dus een grote omslag is dat niet voor mij”, vertelt de Brit. “Voor mij is het vaak de sound die een nummer maakt. Het is soms alsof ik achterstevoren werk: ik heb de productie vaak al af voor ik het nummer klaar heb.” Die aanpak benut Bill daarentegen niet als hij met anderen werkt. Dan is hij juist kieskeurig wat betreft de bands met wie  hij de studio in duikt. “Ik vind het belangrijk dat de artiesten zelf al een soort sound hebben”, legt hij uit. “Ik vind het niets als zij alleen een beetje met een akoestische gitaar gaan zitten pielen en verwachten dat ik de rest doe. Dat wil niet zeggen dat ik het niet leuk vind om bands te helpen bij het vinden van dat geluid. Produceren heeft van mij ook een betere muzikant gemaakt.”

Ryder-Jones is inmiddels inderdaad een gewaardeerde muzikant. Al in zijn tijd bij The Coral werd hij met enige regelmaat bedolven onder lof van Oasis’ Noel Gallagher, nu is de Brit vooral een graag geziene gast in het kamp van Arctic Monkeys. Hij speelt gitaar op The Last Shadow Puppets’ Gas Dance, Alex Turners Submarine EP en op Fireside van AM, het meest recente studioalbum van de band uit Sheffield. “Ik ken die jongens al sinds ik een jaar of twintig was”, vertelt Ryder-Jones, die met Monkeys-gitarist Jamie Cook zelfs zijn geboorteplaats deelt. “Alex is wat mij betreft een van de beste songwriters die Groot-Brittannië ooit heeft voortgebracht. Hij is iemand in wiens gezelschap je altijd zou willen zijn.” Dat hij daarmee op moet passen, realiseert Ryder-Jones zich al hij na de release van AM met Arctic Monkeys op tour gaat. “Die band is zo groot dat hij alles om zich heen opslokt”, vertelt hij. “Ik wilde koste wat koste voorkomen dat het leek alsof ik daar alleen maar was omdat ik hen kende. Ik merkte dat mensen die mij begonnen te volgen dat alleen deden omdat ze doorhadden dat ik Alex kende. Dat wilde ik niet.”

“Het is zeldzaam dat ik trots ben op mezelf”
Na zijn avonturen met Arctic Monkeys trekt Bill Ryder-Jones zich weer terug in zijn kluizenaarsrol. In het huis waarin hij opgroeit, schrijft hij zijn derde soloplaat West Kirby Primary County, dat vorig jaar verscheen. Ryder-Jones zelf ziet niet veel verschillen tussen zijn tweede en derde, maar beschouwt West Kirby als een zwaardere variant van A Bad Wind. “Mensen zeggen altijd dat die albums veel van elkaar verschillen. Dat maakt mij nieuwsgierig wat ze van mijn volgende zullen vinden, haha.” Die volgende, die is grotendeels klaar. Net als zijn eerste soloplaten heeft Ryder-Jones niet alleen een inspiratiebron in zichzelf, maar ook in andere artiesten. Onder de naam Pepe Bobo heeft hij een playlist aangelegd met muzikale voorbeelden: van Wilco tot Angel Olsen en van Slowdive tot Cigarettes After Sex.

 

 

“Het voelt niet alsof alle puzzelstukjes al op hun plaats gevallen zijn, maar ik zou zeggen dat ongeveer tachtig procent van het schrijfproces achter de rug is”, vertelt Ryder-Jones enigszins opgelucht. “Op dit moment ben ik een beetje gefrustreerd. Ik zit in mijn studio, maar het wil gewoon niet lukken vandaag. Het wordt bijvoorbeeld steeds lastiger voor mij om interessante onderwerpen te bedenken. Ik heb al geschreven over alles dat ik heb meegemaakt. Vroeger ging ik elk weekend op stap en kon ik nummers schrijven over de dingen die ik mij herinnerde. Nu doe ik dat niet langer en neem ik geen drugs meer, want ik heb een fantastische partner en twee kinderen. Ik ben best saai geworden eigenlijk.”

Geestelijke toestand
Daar klaagt hij nu wellicht over, maar die saaiheid – of rust, beter gezegd – is iets waar de Brit lang naar heeft moeten zoeken. Als hij eerder dit jaar in zijn eentje naar New York vliegt, schrijft hij een lange Facebookpost over de verbetering van zijn geestelijke toestand en de manier waarop zijn muziek hem daarbij geholpen heeft.

 

 

 

“Ik worstel al ongeveer dertien jaar met mentale problemen”, vertelt de Brit. “Dat heeft mijn leven lange tijd stilgezet, maar nu lukte het mij voor het eerst om in mijn eentje te vliegen. Ik ben normaal gesproken niet iemand die dat op Facebook zou zetten, maar het is zeldzaam dat ik trots op mezelf ben.” Ryder-Jones wil door middel van zulke verhalen ook dienen als een soort inspiratiebron, al is hij zelf te nederig om dergelijke woorden in de mond te nemen. “Het ergste aan de worsteling met mentale problemen is dat je overal op zoek gaat naar hoop, naar verhalen van mensen die beter zijn geworden, maar die nergens lijkt te kunnen vinden. Als iemand mijn verhaal vindt, is dat het de schaamte die ik voel als ik het schrijf meer dan waard.”

Steeds opnieuw blijkt hoe belangrijk muziek is voor de mentale gesteldheid van Bill Ryder-Jones. Logischerwijs heeft de Brit zelf veel nagedacht over welke elementen van dat medium nou precies zo’n helende werking op hem lijken te hebben. “Aan de ene kant is dat iets heel wetenschappelijks, denk ik. Geluid is eigenlijk helemaal niet belangrijk. Het is maar een bijproduct van een bepaalde frequentie die we horen. Van sommige frequenties worden mensen automatisch blijer.” Toch is de Brit ook niet te beroerd om een wat diepere betekenis aan de werking van zijn werkzaamheden toe te schrijven. “Aan de andere kant is expressie heel belangrijk”, denkt Ryder-Jones. “Veel mensen, waaronder ikzelf, hebben moeite zichzelf op een gebruikelijke manier uit te drukken en expressie is noodzakelijk om te voorkomen dat je gek wordt. Ik ben blij dat mijn muziek een soort manier is om mij aan mezelf uit te leggen.”

Enge situaties
Dat Bill Ryder-Jones zijn muziek zo hard nodig heeft, zorgt ook voor enge situaties. Wat als het schrijven niet lukt? Stort hij dan met zijn wereld in? Enigszins, zo luidt het verontrustende antwoord. Vlak voor hij begon aan West Kirby Primary County zou Ryder-Jones eigenlijk een ander derde album uitbrengen. Op het laatste nippertje besloot de Brit echter die plaat in de prullenbak te werpen. “Dat was een verschrikkelijk jaar. Ik voelde druk om dat album uit te brengen, maar durfde het uiteindelijk weg te gooien. Daarna schreef ik West Kirby in drie weken.” Op dit moment zit het daarentegen weer tegen. “Dit hele jaar gebeuren dingen niet op een manier die mij gelukkig maken”, bekent Bill. “Het lukt me soms heel lang niet om te schrijven, dat is ontzettend frustrerend. Het is belangrijk je op dat soort momenten te realiseren dat het niet om jou draait, maar om de context. Er zijn zoveel dingen die invloed kunnen hebben op hoe goed je muziek kunt maken. Die omstandigheden kun je niet forceren.”

 

Hoe snel het soms kan gaan als je dat niet doet, bewijst het Twitteraccount van Ryder-Jones. Daarop tweet hij op 28 februari om kwart over drie “can’t write songs anymore” (dat tweette hij in 2014 ook al eens), om een uurtje later alweer te tweeten “hang on… it’s fine”. “Haha, dat weet ik nog. Ik werd die dag helemaal gek, en wat doe je dan? Juist, je gaat op Twitter. Toen ik mijn telefoon had weggelegd schreef ik een nummer. Het was matig, maar in ieder geval een nummer. Je weet gewoon nooit wat er gaat gebeuren. Zo schreef ik Put It Down Before You Break It, een van mijn favoriete nummers, in ongeveer twintig minuten. Als dat gebeurt, is dat het beste dat je kan overkomen. Je bent op zo’n moment alleen maar een doorgeefluik van iets dat door je heen komt en dat jij de wereld in mag duwen. Dat is absolute blijdschap. Ik geniet van die momenten en koester ze met trots.”

Maar goed, zoals gezegd is vandaag niet zo’n dag. “Ik was van plan vandaag veel te doen, dus ik ben vroeg naar de studio gegaan, maar ik denk dat ik zo maar naar huis ga. Ik voel gewoon dat er vandaag iets mis is. Wie weet pak ik thuis mijn gitaar en schrijf ik daar mijn volgende briljante nummer – niet dat mijn nummer bijzonder briljant zijn, hoor.” En anders? “Anders is er morgen weer een dag. Tijd genoeg, want ik ga ervan uit dat ik mijn hele leven met muziek bezig zal moeten blijven. Niet dat ik dat erg vind hoor, want naast voetbal is het mijn favoriete ding ooit. Soms zorgt het voor frustraties, maar het zorgt er ook voor dat ik met mezelf kan leven.”

Bill-Ryder Jones speelt op 3 juni op Vestrock, lees hier verder onze tips.

 

Mike Hadreas, a.k.a Perfume Genius, is gelukkig en verdrietig en alles door elkaar. Een beetje boos op de wereld, maar eigenlijk ook gewoon blij met hoe het leven loopt, op Twitter grapjes over kots en honden en op zijn plaat een serieuze toon over zijn persoonlijke ervaring als homoseksuele outsider. Niet het een of het ander, maar een combinatie van alles en een beetje. Dat is typerend voor zijn nieuwe album met de toepasselijke naam No Shape.  

Na drie jaar is de 35-jarige artiest uit Tacoma, Washington, terug met alweer zijn vierde album No Shape. “Opnieuw helemaal anders”, zegt Hadreas zelf. Een paar zinnen in het gesprek begint hij al enthousiast te vertellen over zijn gevoel bij het nieuwe album. “Het album gaat over mijn zoektocht naar rust en geluk, maar het niet helemaal kunnen vinden. Soms zijn er momenten dat je het wel hebt, maar dat de wereld om je heen het niet toestaat. Dan heb je het gevoel dat het fout is om je gelukkig te voelen, omdat alles om je heen zo vreselijk is. Dat je je deels zelfverzekerd en oké voelt, maar deels ook niet. Het klopt nooit volledig.”

 

“Mijn vorige album was vooral een fuck you naar bepaalde mensen. Ik wijs nu niet meer met het vingertje.”

 

De invloed ligt hem in de manier waarop je naar alles kijkt, is de gedachte. Dat is niet alleen te horen, maar ook te zien. “Mijn albumcover is een beeld van mijzelf uitkijkend over een prachtig utopisch landschap, maar het is surrogaat. Het is heel duidelijk te zien, maar ondanks dat je weet dat het een illusie is, blijft het heel mooi”, vertelt Hadreas. Daarnaast kwam 21 maart al de eerste single Slip Away uit met, zoals we van Perfume Genius gewend zijn, een extravagante videoclip: een soort hallucinerend, ongepolijst sprookje met als een belangrijk personage een dikke man met een wel heel bekend blond kapsel. “Het is een soort grote duivelse Trump-baby. Het is niet per se hemzelf, hij moet de oppressie voorstellen. De oude witte mensen, haha”, zegt hij half-serieus. Daar voegt hij wel direct aan toe dat hij niemand aanvalt. “Mijn vorige album was vooral een fuck you naar bepaalde mensen. Ik wijs nu niet meer met het vingertje. Dit album is meer vóór de mensen.”

 

 

Liefdevol provoceren
Dat betekent niet dat Hadreas is gestopt met provoceren. De zin ‘no family is safe when I sashay’ uit het indiehitje Queen vat goed samen wat de toon was van het vorige album Too Bright uit 2014. “Ik doe dat nog steeds, maar juist op een tegenovergestelde manier. Het was altijd positief bedoeld, maar eerder was ik wat meer duister en disturbing. Nu, met No Shape, wil ik juist extreem gepassioneerd en vol liefde zijn. Ook dat vinden mensen eng, haha.”

Hadreas pakt het aan met liefde, maar nog steeds staat het sentiment van de outsider centraal. Als we het hebben over de inspiraties voor zijn album, legt hij uit dat hij graag gebruik maakt van de muziek waar hij nooit bij hoorde. Het nummer Choirs doet bijvoorbeeld erg religieus aan. “Ik heb altijd van hymnes en kerkkoren gehouden, maar het voelde altijd alsof het niet voor mij bestemd was. Het voelde alsof ik er buiten stond. Nu kan ik dat gebruiken en nummers schrijven die niet alleen mijzelf, maar iedereen meetellen. Zelfs de mensen die mij buitensloten mogen er naar luisteren, ik zal ze niet wegsturen.” Hij schiet hardop in de lach. “Of nee, misschien toch wel”.

 

 

“Doe wat de fuck je maar wilt”
De invloed van grootse kerkmuziek is maar één van de redenen waarom Hadreas het album niet meer alleen achter zijn piano opneemt. Samen met producer Blake Mills en muzikanten, waaronder zijn eigen vriend, dook hij de studio in. “Ik wilde dat het wild zou worden, dus ik moest geen enkele muzikant limiteren in zijn of haar ideeën. Ik had de akkoorden, de melodie, de tekst, maar ik wilde dat iedereen bijdroeg op hun manier.” Een hele nieuwe insteek voor Hadreas, zegt hij eerlijk. “Eerder was ik hier heel paranoïde over. Ik zou steeds heel voorzichtig iets toevoegen, niet meer dan twee zachte tonen op een kleine fluit, haha. Nu wilde ik juist dat iedereen helemaal zou uitpakken.”

Een interessante samenwerking op het album is die met artiest Weyes Blood, a.k.a. Natalie Mering, in het nummer Sides. “Ik raak altijd geobsedeerd door bepaalde albums. Met Natalie’s album had ik dat heel erg, dus ik heb haar gewoon gevraagd of ze op mijn album wilde zingen — omdat ik een fan was. Het maken van het nummer ging eigenlijk heel raar. Ik schreef mijn deel, toen schreef Blake dat funky slap-bass ding aan het einde en schreef Natalie haar eigen melodie en lyrics. Het werd een soort gesprek. Eerst was het nummer heel persoonlijk, maar het werd meer dit fictieve, algemeen geldende ding. En daar komt bij dat haar stem lager is dan de mijne. Totaal geen traditioneel man-vrouw-duetje met mijn hoge stem dus. Ik was bang dat mensen het maar raar zouden vinden, haha.”

 

 

De Amerikaanse zanger legt uit dat het loslaten tijdens het opnameproces enorm leerzaam is geweest. “Ik dacht altijd dat ik alleen goed was in dat folky ding dat ik deed, maar nu voel ik dat het allemaal wat meer open staat. Je kunt echt overal je inspiratie vandaan halen. Doe wat de fuck je maar wilt.”

Die vrijheid klinkt ook in de tekst. Als ik hem vraag naar de titel van het album en het woord ‘shape’ dat door heel het album terugkomt, zegt hij eerlijk dat hij het ook niet zo goed weet. “Ik heb obsessies met bepaalde woorden. Ik vind het zo fijn dat het zoveel verschillende dingen tegelijkertijd kan betekenen. Dat het alles kan zijn is eigenlijk ook waar het vooral voor staat. Er is geen ‘regel’, er is geen shape waar je in hoort te passen.”

 

 

Alle emoties op een hoop
We hebben het over de sfeer van zijn album en terwijl ik tevergeefs probeer te verwoorden waar de muziek me aan doet denken, legt Hadreas uit dat hij het juist niet te duidelijk wil laten zijn. “Ik vind het zo mooi als muziek je terugbrengt naar een eerder gevoel, een eerder moment. Ik wil muziek maken met zo’n sterke mood dat je direct terugkomt in dat moment. De soundtrack van Angelo Badalamenti voor de serie Twin Peaks doet dat perfect. Elke keer als je dat hoort, keer je terug in een dat ene gevoel.”

 

 

Inspiratie uit art-house is voor de artiest ook doorslaggevend in de wirwar van emoties in het albums. “Sommige Franse films zijn een inspiratie voor de sfeer van No Shape. In veel Amerikaanse films is het zoals het is. Het zijn pakketjes: deze film gaat over liefde, deze film gaat over geluk. Maar in Franse films is het niet het een of het ander. Het is een conflict van geluk en verdriet, liefde en haat. Die films blijven mij het meest bij. Het blijft vaag, alle emoties op een hoop. Soms háát ik dat, dat je aan het eind van de film alleen maar meer vragen hebt, maar het is wel heel herkenbaar. Ik denk dat er niemand is die het leven helemaal begrijpt, ik in ieder geval niet. Juist die emotionele chaos, dat is voor mij zo bevrijdend.”

 

Duik diep in ons archief met dit interview dat we ten tijde van Too Bright deden met Perfume Genius. 

 

The Daily Indie voelt de Britse shoegazehelden aan de tand over hun comeback en meer. “Slowdive is altijd beetje dat undergroundbandje geweest, achteraf gezien hebben we daar geluk mee gehad.”

Tijdens de voorbereiding op dit interview, in een plaatselijke Coffee Company, hoorde ondergetekende toevallig Machine Gun van Slowdive voorbijkomen. De jongeman die de playlist beheerde was waarschijnlijk begin twintig, al dan niet jonger. Hoe hij precies Slowdive, een band die nog vóór het internettijdperk zijn hoogtij beleefde, ontdekte? Het antwoord: op de soundtrack van Lost In Translation zit het nummer Sometimes van My Bloody Valentine. Dat zuigende ‘shoegaze’-geluid beviel hem wel. En wie een beetje nieuwsgierig doorklikt op ‘shoegaze’ komt dan al snel uit bij Slowdive.

“We willen heel graag bij jongere generaties resoneren”
Shoegaze. Toen Slowdive met het nu inmiddels volprezen Souvlaki aan kwam zetten bij Creation Records, was dat nog helemaal geen handig trefwoord voor gitaarbands die dikke effectenbakken als mengpalet toepassen. Mooie muziek, maar wel typische muzikantenmuziek: dat is voor veel mensen saai om naar te kijken. Shoegaze had ten tijde van Souvlaki een negatieve connotatie gekregen. Het betekende in de ogen van de muziekpers dat je met muzikaal navelstaren tevergeefs compenseert voor gebrek aan charisma. Bandleden keken liever omlaag naar hun gear, en in zijn algemeenheid werd Slowdive bestempeld als zo’n outsiderband voor introverte mensen die zich het liefst verstoppen voor de menigte.

 

 

Souvlaki werd in 1994 overspoeld door negatieve recensies, omdat het meer macho Britpop tegen die tijd lucratiever en populairder was. Toen had de muziekjournalist nog genoeg macht om een band te maken of breken. En Alan McGee van Creation Records, die Slowdive begin jaren negentig tekende, was de hoofdarchitect achter het succesverhaal van Oasis. Slechts een week na het uitbrengen experimentele, minimalistische Pygmalion kreeg de band de schop. In Slowdive had je geen Damon Albarn of Liam Gallagher-archetype, zo’n typische ‘lad’ frontman die een sterke reactie uitlokt. En Pygmalion werd niet een pakkende popplaat, maar het tegenovergestelde: een abstract kunstwerk van pure luistermuziek, ergens in het verlengde van het latere Talk Talk-werk.

 

“We worden daarom niet zo snel geassocieerd met een bepaalde tijdgeest. De muziek blijft dan rijp om herontdekt te worden.”

 

Zanger/gitarist Neil Halstead is tot op heden de nuchterheid zelve gebleven, en belangrijker: totaal niet verbitterd door wat zich in de jaren negentig afspeelde. Je moet nog wel goed vooruit leunen om hem een beetje te verstaan. “De tijdgeest en Slowdive zijn nooit echt goede vrienden geweest”, mompelt hij. “Slowdive is altijd beetje dat undergroundbandje geweest, en ik denk, achteraf gezien, dat we daar geluk mee hebben gehad. We worden daarom niet zo snel geassocieerd met een bepaalde tijdgeest. De muziek blijft dan rijp om herontdekt te worden. We zitten niet vast aan de jaren negentig. Maar nog wel heel erg aan de term shoegaze.”

We zijn inmiddels twee decennia verder: de generaties van respectievelijk ondergetekende en van die jongen bij de Coffee Company. Toen Slowdive in 2014 aankondigde na twintig jaar stilte weer op tournee te gaan, kun je een schatting maken dat het publiek van de band intussen is verdrievoudigd. “We willen heel graag bij jongere generaties resoneren”, aldus drummer Simon Scott, die naast Halstead plaatsneemt.

 

 

Het grappige is dat de bands die door Slowdive waren beïnvloed, op hun beurt weer Slowdive beïnvloeden. Halstead: “Ik weet dat Mogwai als jonge gastjes naar onze concerten gingen toen we net begonnen. Zij zijn altijd enorm groot fan van Slowdive geweest. Wat wij nu doen, daar heeft Mogwai waarschijnlijk ook een hand in gehad, want wij zijn ook fan van hen. Het is wel bijzonder hoe bands elkaar op die manier steeds aanvullen en verrijken. Aan de andere kant ken ik weinig hedendaagse bands die shoegaze-achtige muziek maken. Ik bedoel, ik heb tien jaar lang folkliedjes gespeeld op een akoestische gitaar, dus mijn referentiekader is net even wat anders. Simon heeft waarschijnlijk meer inzicht over de elektronische muziek die sindsdien is uitgebracht.”

Scott: “Ik heb zeker wat van Slowdive meegenomen in mijn eigen muziek, dat meer de experimentele/ambient kant op gaat. Inmiddels heb ik veel muzikanten ontmoet die ik respecteer en bewonder. The Sight Below uit Seattle bijvoorbeeld, combineert de experimentelere kant van Slowdive met meer elektronische elementen. Er is een New Yorks label genaamd 12k, dat is opgericht door Taylor Dupree in 1997. Veel van die artiesten hebben iets met Slowdive. FourColor, een Japanse artiest, is een enorme fan van shoegazebands. Hij maakt verschrikkelijk fraaie ambientplaten, echt fantastisch! FourColor heeft een klein zaadje geplukt uit shoegaze, en daar oogt hij iets compleet nieuws mee. Hij heeft mij weer sterk beïnvloed. En inderdaad, het went nooit wanneer een geweldige muzikant tegen mij zegt dat Slowdive het eerste concert was waardoor zij zelf een band zijn begonnen.”

Halstead: “Ik ontmoette ooit Ethan (Kath) van Crystal Castles, en ik vond die muziek altijd al gaaf. Ik besefte mij alleen nooit dat zij vroeger naar onze concerten gingen. Dat soort dingen hebben mijn kijk op muziek maken veranderd.”

 

“Bands moeten tegenwoordig véél harder werken dan wij toentertijd. Niets komt vanzelf: je moet je eigen PR-bureau zijn, je eigen labels oprichten, je social media vaak zelf allemaal bijhouden.”

 

Best opmerkelijk om te zien hoe mellow Halstead is gebleven, gezien alles wat hem is overkomen. De platen die hij uitbracht tussen Pygmalion en de terugkeer van Slowdive zijn net zo interessant te noemen. Een paar jaar na de breuk met Slowdive pakte Halstead in een hostel in Israël voor het eerst weer een gitaar op. Een akoestische gitaar, zonder al die effectenpedalen erbij. Wat hij toen besefte: eigenlijk kan hij niet zo heel goed zingen en gitaarspelen. Halstead hield toen wel al van artiesten als Nick Drake, wiens muziek hij via Scott ontdekte. Met de insteek om breekbare liedjes te spelen startte hij met o.a. Slowdive-leden Rachel Goswell en Ian McCutcheon een nieuwe band: Mojave 3, waarmee hij inmiddels meer platen heeft uitgebracht dan met Slowdive.

Halstead: “Mojave 3 bestond heel organisch, omdat ik gewoon een nieuwe uitdaging zocht. Dat is eigenlijk altijd hetzelfde geweest, zowel bij Mojave 3, Slowdive als mijn soloplaten.” Opmerkelijk vooral ook dat Halstead met zijn eigen folkplaten een heel ander soort publiek heeft gevonden, mensen die waarschijnlijk nog nooit Slowdive hebben gehoord. Het fraaie Palindrome Hunches werd bijvoorbeeld uitgebracht op Brushfire, het label van Jack Johnson. Niet bepaald een hippe naam in de alternatieve kringen.

“Surfen”, is het korte antwoord van Halstead, op de vraag hoe hij met Johnson in aanraking is gekomen. “We zijn allebei surfgek. Ik vind Jacks muziek overigens heel fijn. Het is alleen totaal anders dan de platen waarmee ik ben opgegroeid. Ik luisterde naar The Jesus And Mary Chain, Cocteau Twins en Sonic Youth. Maar uiteindelijk is het allemaal gewoon muziek. Ik ben trots op mijn jaren met Brushfire.” Het siert Halstead, maar ook Scott, om zonder dat hokjesdenken nieuwe vaardigheden en invloeden eigen te maken. Halstead deed dit met rootsmuziek, terwijl Scott dieper dook in de ambient en elektronica (grappig genoeg schonk Halstead Scott in de jaren negentig een cd van Aphex Twin, terwijl Scott Halstead een album van Nick Drake cadeau gaf). Die ontwikkeling kunnen ze beiden eindelijk toepassen bij Slowdive.

“Je moet je sowieso nooit iets aantrekken van alle heisa om je heen”, vindt Halstead. “Maak altijd muziek onder jouw eigen voorwaarden. Dat gezegd hebbende, het klimaat is de afgelopen twintig jaar natuurlijk ontzettend veranderd. Het speelveld is groter geworden, dus je moet zelf meer de kar trekken om iets te bereiken. Tegelijkertijd is het makkelijker geworden. De functie van een platenlabel is nu bijvoorbeeld anders. Het internet is een uitlaatklep geworden voor zoveel mogelijkheden. Het is ook moeilijk, want je kunt al snel verdwalen in die oneindige massa’s muziek.”

 

“Je kon destijds makkelijker een smak geld tegen een band gooien, zonder al te veel risico’s. Dat is nu denk ik wel anders.”

 

Scott: “Je moet mensen om je heen verzamelen die dezelfde visie delen, die jouw referentiekaders snappen. Als wij met zijn vijven een nummer schrijven, moeten we er allemaal honderd procent achter staan. Daarom heeft Slowdive door de jaren veel muziek weggegooid. Zodra je als band eenmaal creatief op dreef bent, moet je de bullshit leren negeren en je eigen gevoel najagen. Het blijft moeilijk, want er valt als jonge muzikant geen goed geld meer te verdienen voor het grootste deel van de muziekindustrie. Je moet hard blijven werken en veel live spelen.”

Slowdive heeft zelf ook nooit naar de pijpen van de commercie hoeven dansen. Plukt de band daar nu wél de vruchten van, omdat ze voor jongere generaties gezien worden als zo’n ‘mythische pre-internetband’? “Ja, ik vraag me vaak af hoe hedendaagse bands precies naar dat tijdperk kijken. Bands moeten tegenwoordig véél harder werken dan wij toentertijd. Niets komt vanzelf: je moet je eigen PR-bureau zijn, je eigen labels oprichten, je social media vaak zelf allemaal bijhouden. Bij Creation hadden we in ieder geval de luxe om bijna uitsluitend op onze muziek te richten.”

 

“Als je een soundwave van de gemiddelde Oasis-song bekijkt, lijkt het net op een dikke walvis.”

 

Maar er was wel degelijk druk vanuit Creation: Souvlaki (1993) moest wel een progressie worden ten opzichte van het basaal in elkaar geflanste debuut uit 1991, Just For A Day. Slowdive pakte het productioneel gezien groter en ambitieuzer aan: zelfs Brian Eno werd erbij gehaald om een sessie te doen met Halstead. “Ja, we hadden toen zelfs een hele plaat geschrapt. Nu denk ik dat dat aspect van de muziek prettiger is geworden. Er zijn minder conventies wat productie betreft: je kunt nu veel meer verschillende invalshoeken toepassen en uitproberen. Je album hoeft niet meer op een bepaalde uniforme manier te klinken.”

 

 

Scott: “Op die Britpop-platen wordt zoveel compressie gebruikt. Als je een soundwave van de gemiddelde Oasis-song bekijkt, lijkt het net op een dikke walvis.” Halstead: “Op de eerste Oasis-plaat vond ik dat overigens best briljant. Maar toen deed iedereen het op een gegeven moment, en daardoor werd het saai.” Ondanks het feit dat de Britpop-explosie zorgde dat shoegaze uit de mode raakte, blijven Scott en Halstead fan van veel van die platen. Scott: “Suede is echt een geniale band bijvoorbeeld. Zij werden toen een beetje als die gevaarlijke outsider van de Britpop naar voren geschoven. Bijna alle grote labels zochten op een gegeven moment naar de nieuwe Oasis.”

Halstead: “Je kon destijds makkelijker een smak geld tegen een band gooien, zonder al te veel risico’s. Dat is nu denk ik wel anders.”

 

Photo Ingrid Pop

 

Scott: “We hadden voor het eerst geen label bij het maken van de nieuwe plaat. Het geld dat we verdienden aan de reünieshows werd direct in de opnamen van de plaat gestopt. Slowdive heeft altijd zijn eigen gang kunnen gaan, en dat is nu gelukkig nog steeds het geval. Er is niemand die tegen ons roept dat wij maar eens een radiovriendelijke popplaat moesten produceren.”

Elkaar aankijken
De nieuwe Slowdive-plaat verzoent het shoegazegeluid waar de band om bekend staat met de experimenteerdrift van Pygmalion. Of dat een uitdaging was? “Het was voornamelijk van belang dat het geen plaat moest worden die wij ook in de jaren negentig hadden kunnen maken”, meent Halstead. “Dit album heeft inderdaad veel herkenbare elementen, ergens tussen Souvlaki en Pygmalion in. Maar Slowdive staat nu ook met één been in de moderne wereld. We willen daarom graag nieuwe richtingen verkennen. Deze plaat voelt voor mij ook als opstapje naar iets nieuws.”

 

“Het was voornamelijk van belang dat het geen plaat moest worden die wij ook in de jaren negentig hadden kunnen maken”

 

Scott”: “We vangen inderdaad het totale bandgeluid, zoals wij vijven nu klinken. Maar we omarmen ook onze experimentele kant, zoals op Falling Ashes. De abstracte kant van Slowdive, de invloeden van ambientmuziek en Brian Eno. Op die golflengte zijn er nog veel mogelijkheden voor Slowdive. Het is een grondige evolutie ten opzichte van de vorige drie platen. We willen nu onze hengels uitgooien en kijken wat we in de toekomst zullen vangen. Creatief gezien geeft Slowdive weer wat momentum opgebouwd. Misschien wordt onze volgende plaat juist heel poppy, dat kan natuurlijk ook.”

Halstead vind de gelijknamige nieuwe Slowdive geen nostalgische plaat, maar eentje die mediteert op het heden. “De teksten van Slowdive hebben altijd iets impressionistisch gehad. Ze zijn net zo sterk door de muziek beïnvloed als andersom. Iemand vroeg me laatst over het nummer No Longer Making Time, of dat nummer gaat over het karakter in Alison, maar dan op middelbare leeftijd. Ik vond dat interessant, want ik heb daar nooit zo bewust bij stilgestaan. Het zou namelijk best kunnen, want No Longer Making Time slaat op hoe de tijd voorbij vliegt… op hoe de dood nadert. Terwijl Alison juist over de bloei van het leven gaat. Mijn teksten komen dit keer zeker vanuit een andere plek.”

 

“Als nostalgie of geld onze enige motivatie was geweest om bij elkaar te komen, dan zou er denk ik geen interesse meer voor ons zijn.”

 

No Longer Making Time kan op heel veel dingen slaan: maar volgens Halstead vooral het realiteitsbesef dat tijd niet eeuwig op voorraad is. “De tijd om creativiteit onbenut te laten is voor ons inmiddels voorbij. Nadat we uit elkaar gingen moesten onszelf die tijd wel gunnen. Maar als nostalgie of geld onze enige motivatie was geweest om bij elkaar te komen, dan zou er denk ik geen interesse meer voor ons zijn.” Radiohead, Talk Talk en Swans hadden bijvoorbeeld hun derde jeugd achter de rug, en bleven relevante muziek uitbrengen in een later stadium. De deur is nu ook open voor Slowdive om geheel nieuwe grenzen te verleggen, buiten dat shoegaze-hokje om.

Het was voor de nieuwe plaat wel van belang om vertrouwde omstandigheden te scheppen, om de chemie tussen de vijf bandleden te hervinden. Ze namen een groot deel van de nieuwe nummers op in de The Courtyard Studio in Oxfordshire, waar ook Souvlaki werd verwekt. Chris Hufford, de man die Radiohead tot op heden op sleeptouw neemt, zit daar nog steeds. “Hij rookt altijd van die korte peukjes die je al van mijlenver kon ruiken”, lacht Halstead. “The Courtyard is onze spirituele thuis. Dezelfde bank staat er overigens nog: hij zit nu iets oncomfortabeler.”

 

“Na onze reünietour in 2014 klikte het muzikaal weer tussen ons. Door die energie de vrijkwam, en het enthousiasme onderling, klinkt de muziek wat vreugdevoller en helderder.”

 

Wat wel comfortabel is geworden voor Halstead is het zingen. Als folkartiest heeft hij zijn stem gevonden en die zelfverzekerdheid sijpelt nu door op het nieuwe Slowdive-materiaal. “Bij Slowdive moest ik altijd in een stemming schrijven die paste bij de stem van Rachel. Maar toen ik mijn eigen platen schreef, had ik meer vrijheid om mijn stem te verkennen. Het heeft lang geduurd voordat ik goed in mijn vel zat als zanger. Het is belangrijk nu om alles live in te zingen. Toen ik jong was, moest ik steeds binnen korte takes inzingen. Als je steeds moet knippen, dan gaat er altijd iets verloren.”

“Het grootste verschil met toen is dat het liedje nu voor alles gaat”, vult Scott aan. “Vroeger wilde ik op drums vooral keihard mijn weg door de songs maaien, maar nu kan ik mij meer met het grote plaatje bemoeien. Ik heb wat gitaarpartijen ingespeeld, wat loops verwerkt, wat veldopnamen verzameld. Het is niet meer zo belangrijk wie wat precies inspeelt, zolang het resultaat iets is wat mij zelf mooi vinden. We hadden tijdens dit maakproces enorm veel lol, omdat we als vrienden opnieuw samen waren. Na onze reünietour in 2014 klikte het muzikaal weer tussen ons. Door die energie de vrijkwam, en het enthousiasme onderling, klinkt de muziek wat vreugdevoller en helderder.”

Halstead: “Drie jaar geleden maakten we opnieuw kennis met ons publiek, na twintig jaar. Zelfs tijdens de meer melancholische momenten was er veel vreugde. Bij onze versie van Syd Barrett’s Golden Hair kwam er een vreemd soort ontlading vrij.” Tijdens het optreden op Best Kept Secret 2014, een van de eerste reünieshows, registreert 3voor12 een immens fraaie live-versie. Een meisje uit het publiek is zichtbaar geëmotioneerd. Tijdens de geduchte climax wordt er een ‘momentje’ tussen Halstead en Scott op beeld vastgelegd. Halstead wendt eventjes zijn blik van de pedalen en keert zich tot zijn vriend en bandgenoot Scott. De emoties die vrijkomen slaan in en overspoelen band en publiek als een tsunami.

 

 

Scott: “Dit was echt zo’n moment waarop iets gewoon vanzelf ontstaat, zonder planning. Dat moet je koesteren. Want dát zijn de momenten waarop je je nooit voor kunt bereiden.”

Halstead: “Het vreemde is, dat we altijd veel lol hadden in de zes jaar dat we fanatiek platen maakten. Natuurlijk kregen we de wind van voren bij de muziekpers, en dat leverde veel ergernis en frustratie op. Maar zodra wij op het eind van de dag samen muziek maakten, die momenten…”

Scott: “Die overschaduwden alle bullshit voor ons. Zodra we live speelden, werd alle heisa opzij geschoven.”

Halstead: “En na twintig jaar andere projecten te hebben nagestreefd, beseffen we allemaal pas goed hoe waardevol het is om in deze band te spelen. In die periodes dat je als jonge muzikant obsessief die creatieve uitputtingsslag ondergaat, waardeer je denk ik minder wat je daadwerkelijk samen deelt. Nu zijn we er allemaal acuut van bewust dat Slowdive iets bijzonders is. En dat voelde ik opnieuw toen we laatst weer voor het eerst repeteerden. Ik was het gewoon vergeten. Het is een mooie bevestiging dat onze platen de tand des tijds hebben doorstaan.”

Slowdive tuurt alleen niet meer omlaag naar de schoenen: de band kijkt elkaar direct en diep in de ogen.

De gelijknamige vierde plaat van Slowdive verschijnt op 5 mei bij Konkurrent/Dead Oceans.