Een muzikale voorgeschiedenis van Daniel Romano schetsen, dat kunnen we als loyale liefhebbers inmiddels wel. Maar het zou zinloos zijn om je te vertellen dat de Canadees, na zijn door country beïnvloedde cowboyperiode, zijn krullenbol in de wind liet waaien om een Dylaneske periode aan te snijden. Het punt is dat je nooit twee keer dezelfde Daniel Romano ziet, hoort of meemaakt. Dat is zo ongeveer het enige waarin zijn zesde plaat Modern Pressure géén verandering in brengt.

Dat wil niet zeggen dat Romano de weg kwijt is, maar dat hij – zoals de kleurrijke hoes van eigen makelij al enigszins doet vermoeden – ditmaal het psychedelische pad volgt. Met name in het midden van Modern Pressure, daar waar Impossible Green en Jennifer Castle worden ingeluid door een reprise van opener Ugly Human Heart, omringt Romano zijn luisteraar met swingende sitarzwermen en olijke orgellijntjes.

Feit blijft overigens dat The Beatles en Bob Dylan te allen tijde in de bosjes op de loer liggen. Als we niet hadden geweten dat Romano Modern Pressure in z’n eentje in een bos buiten de Zweedse stad Karlstad had opgenomen, zouden we zweren dat Zimmerman zelve wat zangpartijen had ingezongen. Met name in de wat luchtigere van sixties doordrenkte songs op Modern Pressure. Het toptrio in die categorie bestaat uit titelnummer Modern Pressure, de lekkere leadsingle Roya en hoogtepunt The Pride of Queens, dat wordt afgesloten met een riff die verdacht veel doet denken aan Ramones, een band die Romano met enige regelmaat covert.

 

 

Dat Daniel Romano The Beatles, Bob Dylan en Blitzkrieg Pop weet te verenigen op één plaat is niet de zwakte, maar de kracht van Modern Pressure. Het album slingert soms van links naar rechts, juist omdat de Canadees het stuur zo sterk in handen houdt, niet omdat hij de controle over zijn vehikel verloren is. Dat is meteen de verklaring voor het ‘moderne’ waar Romano in zijn albumtitel naar verwijst: zijn generatie hoeft niet meer in hokjes te denken, maar benut de mogelijkheden van de muziekgeschiedenis ten volste. Sterker nog, je moet wel om ertoe te blijven doen. Zo zijn alle tijdloze inspiratiebronnen van Daniel Romano op Modern Pressure – veel sterker dan op zijn voorgangers – toegepast op de tegenwoordige tijd.

Daarbij: je voorbeelden verbergen, is dat niet de grootste leugen die je jezelf, vriend en vijand kunt vertellen? “If I was wearing anything at all, I probably wore it on my sleeve”, zingt Romano zelf in de eerste zinsneden van zijn plaat. De veelzijdige veelvraat bestudeert de perkamenten van de popgeschiedenis en vult vol eerbied op de open plekken zijn eigen verhaal in. En die open plek rechtsonder, die was getekend, Daniel Romano.

 

Soms zegt een albumtitel meer dan duizend woorden. Bijvoorbeeld, Wavves-meesterbrein Nathan Williams die het zesde album van die band de naam You’re Welcome meegeeft. De boodschap is, mede door de minimalistische coverart, duidelijk: hier zijn twaalf nieuwe songs, zonder pretenties, maar bomvol hooks. You’re welcome. Wat overigens zeker niet wil zeggen dat we hier met een gemakzuchtige plaat te maken hebben. In tegendeel, de twaalf nummers die het album rijk is behoren tot het meest frisse en energieke werk dat Williams ooit uitbracht. Al is dat niet altijd een pluspunt.

Er gaat vrijwel geen moment voorbij zonder Williams iets memorabels afvuurt op de luisteraar. Van het hyperactieve refrein van de titeltrack tot het orgel in het hysterische circusriedeltje Come To The Valley of de “la la la luh la la’s” in Stupid In Love, You’re Welcome is een plaat vol oorwurmen. Zo veel oorwurmen, dat de vele hooks en blije gitaarlijnen af en toe een beetje overweldigend zijn. Zo lijkt You’re Welcome tijdens eerste luisterbeurten een typisch geval van overdaad schaadt. De songs barsten stuk voor stuk uit hun voegen van het speelplezier, maar beginnen juist daardoor weleens een beetje irritant te worden.

De korte speelduur van de meeste songs, acht van de twaalf tracks halen de drie minuten niet, draagt daar aan bij. Zo is het ene feestje nog niet voorbij, of het volgende begint alweer. Geef You’re Welcome echter wat tijd en je ontdekt al snel dat onder al die gekte toch weer een partij ijzersterke nummers verstopt zitten. De puntige single No Shade is bijvoorbeeld een liveklassieker in wording en Dreams of Grandeur had niet misstaan op het legendarische Blue Album van Weezer. De drukte die het album uitstraalt, zorgt er tevens voor dat er na iedere luisterbeurt wel weer nieuwe details te ontdekken zijn. Zo heeft Williams toch weer een uitermate verslavende Wavves-plaat afgeleverd en na de vrij moeizame en duistere vorige plaat V (2015) is dat zeker iets om dankbaar voor te zijn.

 

Gekkigheid genoeg in het leven van Alexander Giannascoli: de muzikant die vier jaar geleden nog in zijn slaapkamer musiceerde verscheen afgelopen zomer opeens op zowel Blonde als Endless van Frank fucking Ocean. Of dan het persbericht dat Giannascoli’s label Domino eerder dit jaar publiceerde: of men er rekening mee wilde houden dat zijn artiestennaam voortaan (Sandy) Alex G luidde in plaats van het inmiddels gevestigde Alex G, waarschijnlijk om verwarring met een popzangeres uit Denver, waar we verder niet veel woorden aan vuil willen maken, te voorkomen. Dat uitleggen, dat waren Giannascoli & co. daarentegen niet van plan, en zoals te verwachten viel roept zijn nieuwste plaat Rocket enkel meer vragen op. 

De jongeman uit Havertown, Pennsylvania maakte furore op Bandcamp en met zijn labeldebuut bij Domino: Beach Music (2015). Singer-songwriter-esque popliedjes van eigen makelij werden door Giannascoli zorgvuldig omgezaagd of toegetakeld. In lieflijke melodieën zaten etterende wonden en tussen het groene gras scholen brandnetels. Rocket, het meest verfijnde en ambitieuze album tot nog toe, breekt niet met die trend, maar stopt hem wel in een geheel andere verpakking.

Rocket kent een valse start, het moet gezegd: opener Poison Root is een stoffige zolderkamerdemo zoals Beach Music er talloze had. Als dan abrupt Proud wordt ingestart is het alsof er plots een andere plaat op de speler ligt. Het is americana wat de klok slaat en de meervoudige zang van Giannascoli klinkt kwieker dan ooit. Refrein volgt op couplet volgt op refrein volgt op couplet en dat allemaal over diezelfde countrykadans. Het ontroerend mooie Bobby doet beelden opdoemen van een verroeste, rode pick-up die langzaam Music City, U.S.A. in pruttelt. Het is dusdanig écht en geraffineerd, dat íéts niet lijkt te kloppen.

En ja hoor, het gaat kraken. Witch is zo desoriënterend en verontrustend als de 33rpm-versie van Jolene en vanaf Horse breekt de pleures uit. Snaren knappen, orgels klinken alsof ze door de duivel zelf bespeeld worden en uit de krochten van de hel doemt dan een ijzingwekkende, industriële beat op. Het enige organische aan Sportstar is de piano, de rest doet vermoeden dat Nashville zojuist door een apocalyps of aliëninvasie getroffen is.

De sereniteit van de eerste act keert in het laatste kwartier weder. Weemoedige folk klinkt, met een countrysausje zoals we dat van (Sandy) Alex G niet eerder zo fijngevoelig hoorde. De onrust in het lijf van Giannascoli drijft nog enkele malen boven, maar de anarchie die halverwege Rocket heerst, lijkt al snel niet meer dan een vage herinnering, een vervlogen depressie die de resterende schoonheid enkel meer betekenis geeft. Ten opzichte van zijn voorgangers lijkt de emo-virtuoos de onrust en het verdriet op Rocket doelbewust te hebben geconcentreerd, maar dit keer is het vrede en blijdschap die beklijft.

Doug Tuttle, een spuuglelijke hoes en een plaat met de naam (och arme) Peace Potato. De kneuterigheid is volledig. Al drie platen timmert Tuttle aan de weg. Het begon allemaal met een gelijknamig debuut in 2014, gevolgd door het met verdriet geteisterde It Calls on Me en dan nu zonnegroet Peace Potato. Met het haar op half zeven en falsetto tussen de sterren slingert Tuttle zijn huis-tuin-en-keukenmuziekjes de luisteraar in het gezicht – hand in hand met Woods, Morgan Delt, de Skygreen Leopards en het inmiddels oneindige gevolg, recht het weeïge lentegloren van de jaren zestig in.

In Tuttle’s universum gaan er vijftien liedjes in een half. Punt gemaakt? Lint uit de recorder, op naar het volgende. En zo struikelt liedjesmaker als een volleerd Robert Pollard van idee naar idee, laat hier en daar wat onvolmaakte splinters van een minuut of wat vallen, komt met een halfgaar geluidsprobeersel (Life Boat) en pakt de draad weer op met een boodschap uit zijn hart. Gedachten gaan uit naar Edward Cullen Hart, het brein achter de veelkleurige deconstructies van The Olivia Tremor Control. Zo onnavolgbaar bont als E. Cullen maakt Doug Tuttle het bij lange na niet, maar bij vlagen raakt Peace Potato toch even in de schaduw. Een alledaagse aardappel die ver uit zijn modder opstijgt.

Wat Tuttle dan verder met zijn grondvrucht beoogt is een tweede, misschien volslagen irrelevante vraag. Een half uur lentegloren en een volbloed vredesaardappel. Vooruit, de agrariër heeft niet misselijk geoogst.

Live zien? Op vrijdag 8 september speelt hij met CFM in het Eindhovense Stroomhuis.

Australië is een broeinest van spannende, interessante muziek. Dat is het altijd geweest, maar met de recente opkomst van indiesuccessen als King Gizzard & The Lizard Wizard lijkt er een extra vergrootglas op de Aussies te liggen. De immer productieve bende mafkezen verovert in stormtempo de harten van allerhande muziekliefhebbers, of ze nou into psychedelische stonerjams zijn of gewoon van een rauwe portie garagerock houden.

Maar even verderop, in Melbourne, is iets minstens zo interessants aan de hand. Dit is namelijk de uitvalsbasis van The Citradels, een band die de spotlights nog niet gevonden heeft, maar al wel een aantal jaar werkt aan een bijzonder oeuvre vol experimentele en druggy popmuziek. Het jonge (en continu van line-up veranderende) vijftal, onder aanvoering van een kerel die zich Sunny Down Snuff noemt, is een zelfverklaarde ‘anti-psych industrial wimp rock band‘. Nou, dan weet je al een beetje wat voor vlees je in de kuip hebt.

Al een jaar of vijf brengt de band aan de lopende band platen uit, die voor een ‘name your price’-tarief te downloaden zijn via hun Bandcamp, maar ook uitgebracht worden op vinyl in fraai vormgegeven hoezen. Haalden de bandleden hun inspiratie op de eerste paar albums duidelijk uit iconische acts als The Velvet Underground en The Brian Jonestown Massacre, op hun meer recente werk is er ook een duidelijke sixties-popsound te horen, in de traditie van The Beach Boys en The Zombies.

 

 

Het nieuwe album Where’s One, heeft een sterk barokke pop-feeling, en klinkt zoals The Beach Boys geklonken zouden kunnen hebben als ze destijds hun intrek hadden genomen in een gigantische, doorgeroeste loods en volledig naar de getver waren gegaan onder invloed van (nóg meer!) stimulerende middelen.

In de kern is het popmuziek, maar er wordt zo’n lome, doorgewassen draai aan gegeven, dat er een soort muzikaal valium overblijft waarop het heerlijk meegolven (en af en toe flink opveren) is. Het is minder explosief dan de krankzinnige maalstroom waarin King Gizzard je meevoert, maar op een bepaalde manier toch heel psychedelisch en desoriënterend.  Where’s One doet een stapje terug wat betreft de feedback en drone, maar heeft niets ingeboet aan de traditionele Citradels-sound waarmee aldaar de underground onveilig gemaakt wordt. We horen strijkers, zonnige, harmonieuze samenzang en er is toch weer die galm, die zo kenmerkend is voor de sound van de mannen uit Melbourne.

De plaat klokt in op veertig minuten en is daarmee geenszins een kolos van het formaat Droned And Rethroned Of Our Lord’s Secret Service, eerdere platen van de band, maar wie zich wil onderdompelen in de naar vaseline en crack geurende muzikale wereld van The Citradels, heeft met Where’s One een prima vertrekpunt in handen. Als je gaat watertanden van namen als The Brian Jonestown Massacre, Spacemen 3, Jacco Gardner en The Black Angels, dan mag je deze band eigenlijk niet missen.

 

Of luister via Bandcamp.

Hij zal het zelf waarschijnlijk niet snel toegeven, maar Mac DeMarco moet wel degelijk serieus genomen worden. De Sultan der Stoners is stiekem een van de beste liedjesschrijvers van het afgelopen decennium. Normaal gesproken heeft de Canadese clown de lachers aan zijn kont en er een drumstok in, maar op This Old Dog laat hij zijn lolbroek naar zijn enkels vallen.

Het grotendeels akoestische en elektronische album is namelijk nog een stap serieuzer dan DeMarco’s vorige albums, hitverzameling Salad Days (2014) en de lome liefdesplaat Another One (2015). De slacker met tandspleet zingt niet langer slechts over eenzaamheid en onzekerheid, maar ook over familie. Centraal staat de relatie – of het gebrek daaraan – tussen het indie-icoon en zijn verloren vader, die het gezin verliet toen DeMarco een paar jaar oud was. Mac spreekt hem nog een paar keer kort, bijvoorbeeld als hij zijn vader vlak voor een optreden ontmoet. ‘Dat was nou my old man‘, verklaart een voor zijn doen vrij ongemakkelijke DeMarco momenten later.

 

 

Over die man zingt Mac meerdere keren op This Old Dog, bijvoorbeeld op openingsnummer My Old Man, waarin de zanger in de spiegel kijkt en tot zijn schrik meer van zijn vader in zichzelf ziet dan hij had verwacht. Tekenender is On The Level, een sexy synthesizerballad die fungeert als vervolg op Salad Days’ publieksfavoriet Chamber of Reflection. Goede woorden heeft DeMarco nog steeds niet voor zijn vader over, maar hij bekent wel dat hij hem stiekem tóch trots wil maken.

Die persoonlijke achtergrond van de plaat gaat enigszins ten koste van het pure plezier. Het is meer jantje lacht dan jantje huilt en dat is – geven we direct toe – even wennen. Al betekent het natuurlijk niet dat Mac DeMarco nu nog net Nick Cave niet is. Iedere ballad wordt luchtig gehouden met een briesje. Het lijkt het gevolg van DeMarco’s beslissing om de plaat niet op te nemen in New York, waar hij de demo’s schreef, maar in zijn huidige habitat: het zonnige Los Angeles. Aan de Stille Oceaan overdenkt Mac DeMarco zijn leven, hetgeen resulteert in een plaat die vriend of vijand wellicht nooit van hem verwacht had.

 

 

Afsluitend duo Moonlight on the River (zeven minuten lang!) en Watching Him Fade Away vormen een vrijwel adembenemende apotheose. Waarom is het zo moeilijk mijn vader uit het oog te verliezen, hoewel hij nooit echt in mijn hart zat? Die nuance is nieuw in de wondere wereld van DeMarco, die zich manifesteert als twintiger die zich langzaam maar zeker over geeft aan de toekomst zonder daarbij ten onder te gaan. En die toekomst, die ziet er met This Old Dog op zak voor Mac DeMarco best mooi uit.

Mac DeMarco speelt 29 november in TivoliVredenburg en 30 november in Paradiso.
En lees hier nog eens ons interview met de Canadees uit 2012 en hier uit 2014.

 

De langspeler van Pond is, na maanden smullen van dikke singles, eindelijk uitgebracht. Op de productie is niemand minder dan Kevin Parker (frontman van Tame Impala) te vinden en die heeft zijn stempel op dit album gedrukt. Er waren altijd paralellen te vinden tussen het geluid van de beide bands, en dat is bij dit album niet anders. Waar Tame Impala de wereld al veroverd had, heeft Pond met dit album het potentieel om dit dubbel en dwars over te doen.

Pond stond voorheen bekend om vlammende psychrock met nummers als Giant Tortoise en Elvis Flaming Star, maar gooit het nu over een hele andere boeg. Qua geluid klinkt de band een beetje zoals Tame Impala deed op Currents, maar het is nog een streepje extra experimenteel. De logische- en vrij eigen effectjes zoals de echo’s op de zang, de funky bassloopjes, de fuzz op de gitaren en de synthesizers zijn in overvloed te vinden op The Weather. Ook is er een klein beetje David Bowie te horen in het geluid van het album, met name in de opbouw en de gelaagdheid van nummers.
 

 
De plaat begint ontzettend sterk en bombastisch met 300000 Megatons, een nummer dat direct de lijn van de plaat neerlegt: chaotische psychpop met enorme bombast. Daarna knalt de band verder met Sweep me off my feet, Paint Me Silver en de ontzettende knaller in de vorm van Colder Than Ice. Daarna val je in een bed van rustige psychpop om vervolgens af te sluiten met de sterke titelsong.
Het album leunt dus deels op hun eigen verleden, maar maakt met de plaat eigenlijk dezelfde ontwikkelingsslag als Tame Impala in 2015 deed. Van spacy 60’s/70’s  psychrock naar het gebruiken van deze elementen om een compleet eigentijds album in elkaar te zetten met flink wat invloeden uit de 80’s. De ontwikkelingsslag is vooral te vinden in de productie, wat logisch is gezien Kevin Parker de albums van Pond al sinds het begin produceert.

Kortom: The Weather van Pond is een plaat die gewoonweg erg lekker is. Ze leggen de basis voor een glansrijke toekomst en een heel mooie festivalzomer. Veel nummers zijn potentiële party-anthems en zouden het nog wel eens erg goed kunnen doen op het komende festivalseizoen. Wij voorspellen blauwe lucht en zonneschijn met deze plaat!

En stiekem, heel stiekem, is het album toch een klein aandenken aan Bowie.
 

We spraken uitgebreid met Slowdive over de nieuwe plaat en wat vooraf ging. 

Aan het muzikale genre shoegaze kleefde lange tijd een imago van afstandelijkheid en lethargie. Maar zie: sinds ruim een half decennium hoef je je niet meer te schamen voor aan shoegaze schatplichtige hedendaagse bands als A Place to Bury Strangers, M83 of Beach House. Shoegaze maakte als muzikale invloed een comeback, en het wachten was op het hergroeperen van bands die begin jaren negentig school maakten met feedback en distortion, monotone fluisterzang en dagdromen. In 2014 gaf het dromerig, verlangende Slowdive een schitterend optreden op festival Best Kept Secret. Drie jaar later is daar de reünieplaat Slowdive, en die is lang niet verkeerd. 

De verdienste van Slowdive en andere groepen zoals My Bloody Valentine en Lush was dat ze ruim vijfentwintig jaar geleden de gitaar als synthesizer gebruikten en andersom. En natuurlijk hoor je dit nog steeds terug op de titelloze comebackplaat, hoe kan het ook anders. Toch trapt de band niet in de eigen val van volledig blijven hangen in het verleden, hoewel Slowdive het avontuur en minimalisme van laatste plaat Pygmalion uit 1995 achterwege laat. Dat is wellicht ook wat te veel gevraagd, zo lang na dato.

Wat wel overduidelijk aan de oppervlakte komt, is een band die niet meer zo nodig wil overdonderen met uitbarstingen van gitaargeluid, maar ontspannen en zonder topzware romantiek muziek maakt. Het levert soms schetsmatige songs op die net zo goed door bijvoorbeeld M83 gemaakt kunnen zijn, en ook een albumhoogtepunt als het fijn zweverige Don’t Know Why, om tegen het eind van de plaat weer plaats te maken voor een ander hoogtepunt: het zomers melancholieke Go Get It. Hier horen we een band die niet meer zo nodig de wereld hoeft te veroveren, en juist daarom met zulke fraaie nummers op de proppen kan komen.

Toegegeven: de gitaarlijnen lopen niet over van originaliteit en klinken bij tijd en wijle zelfs voorspelbaar. Toch wint de variatie en vitaliteit van de acht songs op punten van platgetreden muzikale paden, zoals in de magnifieke pianogeleide afsluiter Falling Ashes, waarin Slowdive op de valreep het muzikale avontuur nog even aantikt. Het acht minuten durende nummer is fraai opgebouwd, maar komt nergens tot een ontlading. Het is illustratief voor Slowdive anno 2017. En dat is ook wat waard, want het levert veel fraais op.

Een goed gestructureerd album met een heuse ouverture en finale, vijfenvijftig minuten lang, geproduceerd door John Lennon’s zoon Sean en met gastvocalen van Yoko Ono – The Black Lips pakt het serieus aan op zijn achtste studioalbum en zo’n serieus album Satan’s Graffiti or God’s Art? noemen maakt alles nog een beetje interessanter. De hamvraag: blijft de roemruchte garage-weirdness van de band tussen al die ambitie overeind?

We beginnen met de tracklist: daar staan titels tussen als Rebel Intuition, Squatting in Heaven, oftewel de hemel koloniseren, en Interlude: Elektrik Spiderwebz. En hoewel dat maar titels zijn, zijn het toch goede voortekenen. Bij beluistering blijkt namelijk dat het album, al leunt het minder op de classic garagerock van voorheen, vol staat met raar vervormde vocalen, de bekende schreeuwerige zang – nu bijna een parodie op zichzelf -, fuzz en ‘laten we deze er voor de lol in doen’-geluidseffecten.

Wat dat betreft is er dus niet veel veranderd en daar mogen langdurige fans zeker tevreden over zijn. The Black Lips zou immers The Black Lips niet zijn zonder de anarchistische trekjes (lees: provocerende en onvoorspelbare optredens, een fuck you-mentaliteit in het algemeen) en de willekeurigheid van hun albums. Toch hebben de Amerikanen wel degelijk andere stappen gezet. Dat komt in eerste instantie door de terugkeer van oud-gitarist Jack Hines op Satan’s Graffiti, maar ook door de toevoeging van een saxofonist en een drummerwissel. Voeg daar de galmende maar frisse productie aan toe, het popgehalte dat hoger is dan ooit  – ze coveren notabene It Won’t Be Long van The Beatles, op hun eigen manier natuurlijk  – én de semi-conceptuele indruk die het album maakt en je hebt een totaal andere Black Lips.

Oftewel: ook voor de fans die het oude geluid een beetje zat waren redenen om tevreden te zijn en voor aspirant -luisteraars een goed moment om op deze trein te stappen en eens te zien of er vanuit Satan’s Graffiti or God’s Art een weg naar de lofi-platen van de Lips te vinden is. De band bewijst in ieder geval van de honderden (semi-)psychedelische garagerockbands op de planeet, momenteel een van de interessantste en spannendste te zijn.

 

Wij kiezen voor God’s Art.

Op 8 november 2016 won de Amerikaanse president Donald Trump onverwachts de verkiezingen in de Verenigde Staten. Er ontstond veel ophef en vele artiesten vielen over elkaar heen om hun ongenoegen te uiten. Zo ook de psychedelische folkband Woods uit Brooklyn, NY. De band maakte een mini-album als tegenreactie op de verkiezingen van Donald Trump, genaamd Love Is Love.

Love Is Love van Woods is optimistischer, luchtiger en frisser dan voorganger City Sun Eater In The River Of Light. De ene helft van het album bestaat uit wat meer positieve (pop)liedjes als Love Is Love, Bleeding Blue (met kekke blazers) en Lost in the Crowd. Juist aan het einde van de plaat komt de psychedelica naar voren in de tien minuten durende song Spring Is In The Air of het sterk experimentele Hit That Drum, waar we een compleet nieuwe kant de band horen.

 

 

Deze (korte) tiende plaat van Woods past prima in het rijtje van de vorige albums. Love Is Love bevat simpelweg zes hele mooie liedjes. De heer D. Trump zou hier ook eens naar moeten luisteren, misschien zou hij dan wat positievere beslissingen maken. Woods tourt van mei tot en met juli in de Verenigde Staten. Nu nog wachten tot de band opnieuw naar Europa komt.

 

Vier jaar na de release van Splashh’ heerlijke debuutalbum Comfort is daar dan eindelijk de opvolger. De lange pauze is te verklaren door het vertrek van drummer Jacob Moore en het annuleren van het album Honey + Salt. Het geduld van de mannen van Splassh raakte blijkbaar op. Het nieuwe album is dan ook toepasselijk Waiting A Lifetime getiteld

Direct bij het opzetten van openingstrack Rings valt de kenmerkende stem van frontman Sasha Carlson op: een hoog stemgeluid, dat in scherp contrast staat met de laag gestemde, gedisciplineerde gitaren. Meteen wordt duidelijk dat Splashh bij dit album weer voor het vertrouwde poppy garagerockgeluid van Control is gegaan. Op Honey + Salt flirtte de band met synthdance, maar met het annuleren van dat album zijn die ambities schijnbaar verdwenen.

Toch is er zeker wel een rol weggelegd voor de synthesizer op Waiting A Lifetime. Deze wordt vaak niet al te subtiel ingezet, wat zorgt voor een onderbreking in de feel van het betreffende nummer. Het belangrijkste voorbeeld daarvan is Come Back: tot halverwege een van de betere songs van deze plaat, totdat de synthesizer op botte wijze de relaxte vibe van het nummer om zeep helpt en resulteert in een creepy soundtrack van een cliché horrorfilm.

Waiting A Lifetime is wel vaker wat grillig: zo begint Honey And Salt – in plaats van een albumnaam nu dus de titel van één nummer –  met drums die niet zou misstaan op een obscure trapplaat, om vervolgens te veranderen in een conventionelere indiesong.

Zo is Splashh behoorlijk in zijn comfortzone gebleven. Op de debuutplaat ontbrak de samenhang tussen de verschillende tracks regelmatig en ook qua sound ligt Waiting A Lifetime op één lijn met zijn voorganger. Enerzijds misschien een gemiste kans voor meer ontwikkeling, anderzijds zorgt dit natuurlijk wel voor ervaring en zekerheid, en dat hoor je terug bij Splashh.

Want wanneer je de gedachte dat een album een geheel moet zijn opzij zet, valt er absoluut veel moois te ontdekken op deze plaat. Zo is het met een computergesproken monoloog beginnende Look Down To Turn Away prachtig. De synths hebben de juiste rol aangemeten gekregen en dragen bij aan een lange en duistere opbouw, waarbij je flink geduld moet hebben tot het hoogtepunt wordt bereikt. Dat wachten wordt absoluut beloond door een ietwat rommelige, maar heerlijk trippy climax. Ook de titeltrack, Gentle April en No. 1 Song In Hell behoren absoluut tot de betere indiepopnummers van dit jaar.

Al met al zet Splashh met Waiting A Lifetime een plaat neer die, wanneer je stopt hem te beschouwen als een geheel, zeer sterke momenten kent waarop de band tot de betere in zijn soort behoort. Hoewel het niveau op het album te wisselvallig is om als geheel grote indruk te maken, is dankzij de kracht van de indivuele songs deze plaat absoluut de moeite waard.