Het kan knap lastig zijn om na je debuutplaat gelijk een labeltje opgeplakt te krijgen. Dé nieuwe gitaarband, psychedelische indiedarlings: het Engelse Childhood had met Lacuna uit 2014 (onze review destijds) precies die benamingen te pakken. Dat terwijl de band rondom Ben Romans-Hopcraft zijn kleurenpalet het liefst wilde uitbreiden.

Want naast de liefde voor gitaren – en al hun effecten – is er vooral liefde voor soul, funk, pop en alles met een fijne groove (lees hier ons interview uit 2013). Op tweede plaat Universal High besluit Childhood zich dan ook niet te gedragen naar verwachtingen, maar een zijweggetje te nemen.

“It feels like nothing has changed”, klinkt het op opener A.M.D. Muzikaal gezien heeft het vijftal wel degelijk een verandering doorgemaakt, maar ook thematisch wordt verandering meermaals onderstreept. De band groeide op in het Zuid-Londense Brixton, een multiculturele en creatieve wijk met een bloeiende muziek- en kunstgemeenschap, die nogal onderhevig is aan gentrificatie. Romans-Hopcraft vertrok naar Nottingham om te studeren en vormde daar in 2010 samen met gitarist Leo Dobson Childhood. ‘Soulless’, vinden ze Nottingham. Universal High vangt de gevoelens en nostalgie die ze tegenkwamen bij de terugkeer naar Brixton. “On the streets where I grew up is a stranger I’ve become”, zingt Romans-Hopcraft op Monitor. De straten waarin ze opgroeiden zijn niet meer zoals toen.

 

 

Wel is er nog die soundtrack van hun jeugd. De muziek van hun ouders, van de pubs in Brixton, van thuis. Daar waar soul de klok sloeg. Dat uit zich in tien tracks doordrenkt met seventies funk toetsen, zang die flirt met gospel en een grote rol voor de saxofoon; neem het uplifting Don’t Have Me Back. De groovy baslijntjes worden ingevuld door nieuwe bassist Thomas Fiquet, die Dan Salamons moeiteloos vervangt. Ruimte voor poppy uitstapjes is er ook, zoals op single Californian Light. Catchy en zomers, met Romans-Hopcraft zijn stem die in de hoogte Curtis Mayfield-esque klinkt. Door een breder arsenaal aan instrumenten en stijlen heeft Childhood op deze langspeler hun geluid verrijkt en dieper gemaakt, wat behoorlijk goed werkt.

Zijn de psychedelische gitaarinvloeden dan resoluut door de band bij het grofvuil gezet? Absoluut niet. Vooral op het sensuele Nothing Ever Seems Right en afsluiter Monitor zijn ze nog hartstikke aanwezig. Speels gemixt met funk en soul laat Childhood zien dat de koerswijziging niet radicaal is. Door op deze langspeler invloeden te gebruiken die hun interesse en liefde voor muziek ooit heeft opgewekt, klinkt het geheel kleurrijk, sterk en glorieus. Een beter moment voor Universal High dan de zomer is er niet.

 

Ernest Greene (AKA. Washed Out) is het schoolvoorbeeld van een muurbloempje met een extreem grote fantasie. Op zijn 27ste bracht hij de eerste EP uit onder de naam Washed Out, maar daarvoor toverde hij in slaapkamer ook al de meest bizarre muziek uit de synths. Niet gek dat zijn eerste project Bedroom heette en dat hij wordt gezien als de grondlegger van chillwave: een genre met glossy synthesizers, een zuinig aantal hooks en een amateuristische bedroom-vibe.

Mister Mellow is een ‘visual album’, waarin Greene een nostalgische, spacende, alternatieve dimensie creëert. Hier vertelt elk nummer zijn eigen verhaal in een nieuwe stijl. Alles dat Greene de afgelopen jaren heeft gedaan komt samen in een climax op Mister Mellow. Een ijskoud biertje, met je tenen ingegraven in het zand en je billen op een loungebank van een strandtent: dat is waarschijnlijk de meest perfecte setting om dit album te luisteren. Maar ook een regenachtige, donkere herfstdag kan Washed Out nog omtoveren tot een zwoele nazomermiddag.

 

Met een album van deze lengte kunnen we alleen maar constateren dat Greene relaxen uiterst serieus neemt. Mister Mellow voelt alsof een nummer van dertig minuten in twaalf stukjes is gebroken. Een voortkabbelend album met nummers die perfect overstromen in de volgende. De vocals zijn compleet ondergedompeld in de hifi-beats, maar duiken sporadisch naar de oppervlakte.

Zijn artiestennaam en albumtitel komen door zijn sound compleet tot hun recht. Want man, wat is het mellow. En man, wat worden we omver gespoeld door deze chillwave van jewelste. Zelfs bestempelt hij het als ‘cruise house’, nog zo’n nieuw genre dat direct tot de verbeelding spreekt. Ondanks dat het album verrukkelijk is tot de laatste druppel, blijft het niet helemaal hangen. Een handje vol nummers redt het tot ons lange langetermijngeheugen: wazige zomerhit Get Lost, het naar disco neigende Hard To Say Goodbye en het veelzijdige Zonked. Deze ontmoeten elkaar op dezelfde rode draad, die door het hele album meandert en van Mister Mellow een sterk album maakt dat haar potentie net niet aantikt.

 

Steeds meer nieuwkomers in de muziekwereld komen uit Nieuw-Zeeland, zo lijkt het. Misschien wel de meest opvallende Kiwi van dit jaar is Kane Strang, een jongeman die zich nog amper hoeft te scheren maar zich stiekem heeft ontwikkeld tot een van de meest veelbelovende songwriters van het moment. Met zijn inmiddels langverwachte tweede plaat Two Hearts And No Brain stelt Strang zich voor aan wie het genoegen nog niet had gehad.

Vorig jaar debuteerde de zanger uit Dunedin namelijk al met het verdienstelijke Blue Cheese, dat hem een deal bij label Dead Oceans opleverde. En terecht, want op Two Hearts And No Brain blijkt eens te meer dat Kane Strang veel in zijn mars heeft. Het album baseert zich op het beste van zestig jaar gitaarmuziek (van The Kinks tot The Strokes en van Elliott Smith tot Interpol), maar biedt de Nieuw-Zeelander ook ruimte om zijn eigen zegje te doen.

Dat doet Strang doorgaans in introspectieve, (auto)biografische teksten die vaak veel intelligenter zijn dan ze op in eerste instantie lijken: ‘Kill me now, I want to die / There’s a chance at an afterlife / I might not get in, but at least I won’t be living’, zingt hij op de al vooruitgesnelde single My Smile Is Extinct. De kracht van Kane Strang is dat hij dergelijke depressieve buien combineert met een aantal van de zonnigste rockriffs die we dit jaar hoorden. Kane Strang barst hoorbaar van ambitie, maar probeert nooit te veel te doen en hangt geen moment de gekwetste muzikant uit.

Sentiment en cynisme gaan hier als het ware hand in hand, net als emotie en energie. Two Hearts and No Brain is een genuanceerd document van een artiest die zich door zijn adolescentie heen laveert en daarbij danst alsof zijn leven er vanaf hangt. Te genuanceerd misschien wel, want wat na meerdere malen luisteren beklijft zijn niet alleen de meeste liedjes, maar ook het gevoel dat Strang nog veel spannender kan dan dit. Eigenlijk is zo’n belofte het beste dat een album in zich mee kan dragen, en misschien is het toekomstbeeld dat de enorm talentvolle Kane Strang voor zichzelf uittekent op Two Hearts And No Brain wel meer waard dan de tegenwoordige tijd.

Wat worden ze snel groot hè? Van een bizar bandje met een belachelijke naam is King Gizzard & The Lizard Wizard uitgegroeid tot een van de populairste psychbands in de popwereld. Het duurde overigens wel zes jaar (hetgeen in het geval van de Australiërs gelijk staat aan acht albums) voor dat gebeurde, en dus is het niet meer dan logisch dat het zevental nu het ijzer smeedt terwijl het heet is. Murder Of The Universe is het tweede van vijf albums die de formatie dit jaar uit wil brengen.

Met nog zes maanden te gaan lijkt dat ondoenlijk. Voor een normale band welteverstaan, want voor King Gizzard & The Lizard Wizard is tot nu toe nog niets onmogelijk gebleken. De band brak vorig jaar definitief door met Nonagon Infinity, en verplaatste zich met Flying Microtonal Banana van clubs naar populaire talkshows als Conan. Nu is er dus Murder Of The Universe: niet slechts een normaal album dat snel volgt op zijn voorganger, maar een heuse driedubbeldekker die nog het meest doet denken aan de rockopera’s van bands als The Who. Verhalen over een altered beast, een Balrog en een cyborg worden in drie delen verteld door muzikante Leah Senior, frontman Stu MacKenzie en stemapp NaturalReader (versie “UK, Charles”).

Zoals die beschrijving doet vermoeden, had het septet die concepten wellicht beter kunnen verspreiden over de overige drie albums die dit jaar nog moeten verschijnen. We houden wel van ambitie, maar op Murder Of The Universe overschreeuwt King Gizzard & The Lizard Wizard zichzelf zodanig dat het muzikale materiaal ondergesneeuwd raakt. Op zijn beurt is de muziek, die min of meer klinkt als een vervolg op Nonagon Infinity, slechts bij vlagen sterk genoeg om de aandacht van de luisteraar bij het lopende verhaal te houden.

Het album is ontegenzeggelijk een nieuwe stap voor een van de meest interessante en intrigerende bands van het moment. King Gizzard klinkt door de doldwaze concepten die nergens heen lijken te leiden echter als een karikatuur van zichzelf, die gek doet om gek te doen, niet om zijn luisteraar te verassen of zijn eigen horizon te verbreden. Wie weet blijkt deze plaat aan het eind van het jaar perfect te passen in het totaalplaatje dat de Australiërs in elkaar aan het puzzelen zijn, maar op dit moment lijkt Murder Of The Universe meer een misstap dan een stap vooruit.
 

Nog niet bijster lang geleden stelden we je voor aan XEX, de nieuwste single van de Haagse herriemakers van The Hazzah. Amper twee minuutjes duurde ‘ie, en dat is natuurlijk nóóit genoeg voor een band die zulke smakelijke garagerock produceert. Gelukkig is de moshpit in je huiskamer zojuist zes keer zo lang geworden met de komst van de XEX EP. 

Vernieuwing, of de pretentie ervan, is een vlieger die niet opgaat voor The Hazzah. Moge dat voor zich spreken. In de dertien minuten die de XEX EP duurt horen we alleen al (Thee) Oh Sees, The Parrots, Meatbodies, Wand, Iguana Death Cult, King Khan, Tijuana Panthers en together PANGEA in de verte voorbij komen. Het is dus allemaal al eerder gedaan, máár de ambachtelijke herschikking van al die ingrediënten is precies waarin deze band excelleert. Cold Sand, drijvend op kille drums en losgeslagen reverbpedalen, het broeierige fuzz-surfspektakel Not Getting Older, de vuiststoot die XEX heet en de dronkemansballade Wanna die het allemaal afsluit. Van begin tot eind klopt het wat The Hazzah doet, en het lijkt ze nauwelijks moeite te kosten.

 

New York is één groot, bruisend, broeierig, gekrioel van creatieve zielen met als kloppend hart de muziekscene, die wij dankzij social media op de voet kunnen volgen. Hierdoor zien we Mac DeMarco van daken duiken op de Instagram van Beach Fossils, of Frankie Cosmos in een winkelkarretje door een straat sjezen op die van Porches. Als ultiem resultaat van deze New Yorkse chemie is er nu het album #1 Hit Single van Cende, een band met leden van Porches en LVL UP. En spoiler alert: aan hitjes ontbreekt het niet.

#1 Hit Single is geen album voor moeilijkdoenerij, maar recht voor z’n raap, in zowel de muziek als de vocalen. “Ik wilde mijn tekst heel letterlijk hebben,” vertelde Cameron Wisch aan The Fader, “alles wat ik voel wil ik vertellen zoals het is.” Allebei deze kwaliteiten springen eruit bij de eerste single van het album: Bed. Waar veel break-up songs walmen van de chaos en het gemis, daar ligt bij Bed de nadruk op een realistische oplossing. Deze boodschap brengt hij met de meest gecontroleerde nonchalance. Zijn vocalen lijken touwtje te springen met de kopstem en falsetstem. Hij kiepert zich vanaf de hese hoogte naar beneden met het grootste gemak.

Op What I Want pakt Cende uit. Want waar elk nummer pakweg een minuut of drie minuten duurt, tikt deze bijna de vijf minuten aan. Het dravende tempo is hier drastisch teruggebracht tot een meer relaxte vibe met zelfs een zooitje synthesizers. Hier voegt Frankie Cosmos’ Greta Kline zich halverwege bij, om het tempo nog wat lager te leggen en wat zoet bij Wisch’ zuur te voegen. Het nummer eindigt in een laatste minuut dat de uitschieter op het album samenbindt tot een track die wij vervolgens nog tien keer opnieuw willen draaien.

De sound van Cende is sinds hun EP uit 2016 getransformeerd van rauwe poppunk naar een iets meer gestileerd geluid, waar de band niet bang is zich soms te waden in een bad van synthesizers en een meer jingly jangly insteek. Cende is onschuldig maar volwassen met een simpele sound die ontzettend strak in elkaar steekt. #1 Hit Single maakt je hooked vanaf de eerste seconde, met haar razendsnelle liedjes die ook voor genoeg adempauzes zorgen. Een constant, dravend tempo dat je binnen de kortste keren van de eerste naar laatste noot van het album slingert. En voor je het weet slingert hij door naar onze eindlijstjes; want dit is een album dat daar niet kan en mag ontbreken.

 
 

De stad in iedere song, zo luidde de doelstelling van Kevin Robert Morby toen hij begon met City Music, een album dat parallel ontstaan is aan voorganger Singing Saw en zodoende een jaar op de plank heeft gelegen voor zijn release. Nu is hij daar: de soundtrack voor menig zomernamiddag alsmede voor vele donkere avonden, een kleurrijke mixtape, City Music genaamd. 

Een mixtape, ja. Meer dan het samenhangende werk van Morby’s bekroonde vorige plaat is dit een palet aan stijlen, invloeden en emoties – allemaal rondom het thema ‘stad’. Op een melodramatische openingstrack volgen een slowrocker (Crybaby) en een uptempo ode aan de Ramones (1234), stadsmuziek op z’n best. Er wordt gemosht, er wordt getwist en geschuifeld. In zijn solocarrière klonk Morby nooit zo opgetogen als op Aboard My Train, nooit zo mistroostig als op Night Time en nimmer zo gewiekst als op de titeltrack, doordrenkt van whisky en van sigarenrook doordrongen. Morby houdt niet aan één narrative vast, meandert en toont alles wat zich in zijn mars bevindt.

 

 

De enige constante is de setting, zoals genoemd. Uit een openstaand raam dringen de geluiden van een vervlogen Manhattan een rokerig appartement binnen. Daar op een fauteuil heeft een jongeman zich gepositioneerd met een elektrische gitaar. Het zijn de jaren zeventig, maar dan alleen hoe iemand die de jaren zeventig nooit heeft meegemaakt (Morby komt uit 1988) het zich zou inbeelden. Geen kleine criminaliteit in iedere gure, vieze steeg, maar grootse schoonheid, zij het met een bitterzoete bijsmaak. Tracks als Dry Your Eyes en Tin Can tonen de verteller vol genot, ondergedompeld in het stadse leven. Maar hoe oorverdovend mooi de muziek soms ook moge zijn, in dat stadse leven schuilt eenzaamheid. Night Time, de evenknie van Morby’s eerdere chef-de-oeuvre Parade, is doorspekt van verwijzingen naar Nina Simone en Bob Dylan en somt de gedachten op van een gedesillusioneerd man, aan de eenzaamheid bezwijkend. Zo triest…

…en zó mooi, want nergens laat Morby het écht donker worden. The bright light in the big city schuilt in de liefde en de virtuositeit van de frontman en zijn liveband, die voor City Music vrij spel kreeg. Met name de betoverende cover van L.A.’s smerigste punkband Germs, Caught In My Eye, toont de gave die Morby bezit. Een track waarvan de romantische lyrics in 1980 bevuild werden door emmers gitaargruis en het verbolgen stemgeluid van Darby Crash, mag hier gerust beschouwd worden als het meest stijlvolle gebaar van de plaat.

Als een ware antithese doet City Music geen seconde aan zijn voorganger denken. Verser in het geheugen lijkt tweede plaat Still Life, wiens soulvolle rock-‘n-roll hier regelmatig herleeft. Het is de conceptuele benadering en de smetteloze executie ervan die City Music naar een nóg hoger niveau tilt. Dit is een plaat die ondanks (of dankzij) zijn uitersten uiterst compact voelt. Enige gewenning is wellicht nodig na de pastorale harmonie van Singing Saw, maar volledige verslaving aan de stadse dynamiek, romantiek en melancholiek die op City Music zo vakkundig wordt geëtaleerd, lijkt onvermijdelijk.

 

Meer weten? Lees hier ons interview met Kevin Morby terug!

We zijn al weer bijna vergeten hoe teleurgesteld we waren toen onze favoriete zuiderburen Balthazar bekend maakten even op hiatus te gaan. Sindsdien zijn we namelijk enorm verwend met allemaal fijne zijprojecten. Frontman Maarten Devoldere ging de barokke kant op met Warhaus, bassist Simon Casier de lo-fi gitaarkant met Zimmerman en nu is daar dan J. Bernardt, het soloproject van de andere frontman, Jinte Deprez.  

Welke kant hij daar precies mee opging bleef lang onduidelijk, de vooruitgeschoven singles wezen afwisselend op triphop, white soul en R&B. Al deze stijlen (en meer!) zitten inderdaad in zijn debuutalbum Running Days verwerkt, maar het voelt geen moment als een samengeraapt zooitje. Een van de eerste tekenen dat we hier met een heel bijzondere plaat te maken hebben.

Running Days schiet dan wel alle kanten op, maar door de koele productie en Deprez zijn kenmerkende stem voelt het toch aan als een uiterst smaakvol geheel. Zo zou de naar dancehall (!) neigende instrumentatie van The Question in de handen van een mindere artiest makkelijk wanstaltig kunnen uitpakken, maar J. Bernardt maakt er een heerlijk zwoel en meeslepend popnummer van. ‘Zwoel en meeslepend’ is in feite een accurate beschrijving van de hele plaat, reken er bijvoorbeeld maar op dat On Fire de soundtrack van heel wat warme zomernachten gaat vormen.

 

 

Op papier is J. Bernardt zonder twijfel het album wat het meest van de formule van Balthazar afwijkt, het bevat in ieder geval stukken minder gitaar, maar in praktijk blijkt vaak toch wel waar Deprez ook al weer zijn sporen heeft verdiend. Sterker nog, het met onweerstaanbare blazers aangeklede The Other Man, het onbetwiste hoogtepunt van deze plaat, had niet misstaan op Balthazar’s debuut Applause (2010). Dat kan je een zwaktebod vinden, maar wat ons betreft is deze mix van verkend en onverkend terrein juist precies wat Running Days zo spannend maakt.

Zo worden de elektronische en R&B elementen moeiteloos afgewisseld met poprefreintjes waar je u tegen zegt, zoals bijvoorbeeld in het heerlijke The Direction. Grootste kritiekpunt is de speelduur, met slechts tien nummers smaakt Running Days uiteindelijk vooral naar meer. Idealiter horen we van alle drie de soloprojecten meer in de toekomst, maar als er maar een van de drie een vervolg moet krijgen, weten wij na deze plaat wel wie we zouden kiezen.

 

Met enige regelmaat schiet er uit de underground weleens een bandje omhoog dat je even helemaal de lucht in doet zweven. Niet op de manier van: “jeetje, dit is wel een lekker nummer hé”, maar op de manier: “ik ren naar de platenzaak, koop dat album en sluit mijzelf de komende dagen op in mijn huis”. Band in kwestie: Ulrika Spacek.

De band heb je mogelijk weleens voorbij zien komen op de site van The Daily Indie. Over het debuutalbum schreven we: “Tien tracks is The Album Paranoia rijk en daarvan springt er geen eentje uit. Daarentegen excelleert de band in het neerzetten van een voortdurend fascinerend schouwspel. Een schouwspel dat zelden kabbelt en zowel in mineur als in extase uitstekend te beluisteren is.”

De laatste paar singles voordat Modern English Decoration gingen er goed in, met name Mimi Pretend en Full Of Men: “Wegdromen kan nog prima hoor, maar dan dring je nooit écht door tot de kern van dit bezwerende zoekplaatje. Full Of Men, een nummer over de overvloed aan mannen die onze wereld soms lijkt te herbergen, is namelijk een postpunkpuzzel waarop de stukjes precies in elkaar passen”, schreven we over die laatste single.

 

 

Herhalende hypnose
Nog veel van dat spul vind je terug op de nieuwe plaat Modern English Decoration, die op 2 juni verscheen via Tough Love Records. Een plaat die opnieuw tot stand kwam in de oude kunstgallerie KEN waar de band gezamenlijk woont. Ergens in de buitenste ringen van London knutselt het vijftal ingenieuze nummers in elkaar. Liedjes die lijken te ademen zoals die van Deerhunter, grommen als die van Sonic Youth en tot extreme vormen worden gerekt zoals TOY dat zo mooi kan. Een album dat zich niet snel laat vangen en gebouwd is op repetitieve riffs die steeds verder, verder en verder op worden geblazen, net zolang tot dat ze bijna knappen en er weer een scherpe bocht wordt genomen om in een ander nummer te glijden. Vol overtuiging schakelt de band terug, stuurt in en schakelt weer door naar de hoogste versnelling.

 

 

Dreamkrautrock
De beste luisterervaring krijg je bij Ulrika Spacek nog steeds door naar het hele album te luisteren. Zelf zegt zanger en gitarist Rhys Edwards daar ook over: “We enjoy listening to music through the album format and want our records to reflect that.” Edwards en zijn crew krijgen dat voor elkaar en weten het van voor tot eind spannend te houden met een plaat die ergens hangt tussen een langgerekte jam en retestrakke popliedjes. De kracht zit in de onverwachte afwisseling tussen deze twee uitersten en de diffuse mistgordijnen die er tussenin hangen. Modern English Decoration verrast, bij de eerste luisterbeurt heb je echt geen idee wat er gaat gebeuren. Ulrika Spacek is spannend, Ulrika Spacek is inventief en Ulrika Spacek is extreem gefocust. Deze band heeft een duidelijk doel voor ogen met zijn muziek en weet precies die stip op de horizon te bereiken. Resultaat: dromerige en tegelijkertijd vlijmscherpe kraut in optima forma.

 

 

Heb jij deze zomer een citytrip naar Parijs gepland en zoek je nog een goeie plaat voor een zwoele ochtend met gesloten gordijnen samen met je partner? Zoek dan niet verder, het zelfgetitelde debuutalbum van Cigarettes After Sex is the way to go.

Hoewel de Amerikaanse band tot nu nog nooit een full-length uitbracht, is het toch al een van de grootste namen binnen de ambientpop: de tracks Nothing’s Gonna Hurt You Baby en Affection hebben op YouTube al respectievelijk 55 en 28 miljoen kliks. Op 9 juni is dan eindelijk het zelfgetitelde album uitgebracht als opvolger van EP I. en de 7” Affection.

Op openingstrack K. hoor je “Kirsten, come right back / I’ve been waiting for you to slip back in bed / When you light the candle.”  Deze lyrics zijn vrij exemplarisch voor het album: één groot mierzoet liefdesanthem. Hier geen activistische politieke boodschappen of grote persoonlijke problemen, het draait alleen maar om de romantiek. Cigarettes After Sex is een album om de boze buitenwereld even te vergeten en alle aandacht te vestigen op je lover.

 

 

Fans van The xx die teleurgesteld waren met de nieuwe, meer dansbare directie van I See You, kunnen hun heil vinden bij Cigarettes After Sex, een album met een geluid dat aan het eerdere werk van de Engelse formatie doet denken. Dit geluid laat zich kenmerken door dromerige synths, voorzichtige gitaren en de enigzins vrouwelijk klinkende vocals van frontman Greg Gonzalez.

Helaas blijft ‘s werelds zwoelste band hetzelfde trucje wel erg vaak herhalen op dit album. Wanneer je als luisteraar denkt ingedommeld te zijn en hetzelfde nummer voor de derde keer te horen, blijkt het dat je toch nog steeds in je eerste speelsessie zit. Dit maakt de LP er niet eentje om meerdere malen met volle aandacht te analyseren. Maar, zoals de titel suggereert, is ‘ie daar dan ook niet voor geschreven.

 

 

Soms is het lastig om een artiest te zien veranderen. De wereld verandert immers al snel genoeg en in veel gevallen niet ten goede. Toch is verandering noodzakelijk, juist om die blauwe bol bij te kunnen blijven benen. Op zijn naamloze debuut uit 2014 maakte de Amerikaan Benjamin Booker nog rauwe rock-‘n-roll zonder revolutionaire doeleinden. Drie jaar later is dat wel anders: Booker is veel meer geworden dan een Witness.

Daarmee bereikt de twintiger uit Virginia Beach precies wat hij op die tweede plaat bedoelde te bewerkstelligen. Vorig jaar begon Booker, die een paar jaar geleden nog geen bluesman maar gewoon barista was, zich sterk betrokken te voelen bij de Black Lives Matter-beweging in de Verenigde Staten. Hij had alleen nog niet de liedjes om die loyaliteit in zijn muziek uit te kunnen drukken. De zanger vertrok in verwarring naar Mexico om van buitenaf naar het probleem te kijken, maar ook om in relatieve rust naar binnen te kunnen kijken.

Het levert op Witness een tiental tracks op die duidelijk gaan over Benjamin Roderick Evans (zoals Booker geboren werd), maar daarmee ook het verhaal vertellen van veel andere afro-Amerikaanse jongeren die nog altijd slachtoffer zijn van systematisch racisme. Om die reden doet Witness bij vlagen denken aan Kendrick Lamars To Pimp A Butterfly (2015), dat op eenzelfde manier opgezet was: het persoonlijke is hier onontkoombaar politiek.

De thematiek helpt ook de stilistische veranderingen die Booker doormaakt te verklaren. De punkinvloeden van zijn debuut zijn in geen velden of wegen te bekken. De blues is er natuurlijk nog wel, maar verder zijn het vooral soulelementen die de klok slaan. Hoogtepunt in die categorie – en eigenlijk van het hele album – is titeltrack Witness, een ijzersterke samenwerking met gospellegende Mavis Staples, die dit jaar ook al de handen ineen sloeg met Gorillaz en Arcade Fire.

Op dat nummer rapt Booker bijna, met bijzonder rauwe stem: “See we thought that we saw that he a gun / Thought that it looked like he started to run”, een quote die duidelijk doelt op Trayvon Martin, een 17-jarige inwoner van Miami die in 2012 werd gedood door handhavers. Mavis Staples onderbreekt Booker soms met moederlijke stem: “Am I gonna be a witness?” Die vraag vat niet alleen de vrees die veel Afro-Amerikanen dag na dag hebben om zelf betrokken te raken bij een dergelijke gebeurtenis, maar is ook bedoeld als confrontatie. Kijk je toe als een getuige of ga je de strijd aan? Benjamin Booker blijkt op Witness het antwoord op die vraag te weten.