Drukke straatgeluiden, auto’s en gemompel van mensen. Dan een mannenkoor, vuilnismannen, die met goesting oude gospel zingen. In de eerste dertig seconden trekt Alynda Segarra van Hurray For the Riff Raff doeltreffend het decor overeind. De stad, de traditie en de spanning daartussenin. Op Living in the City verwoordt ze het als volgt: “Livin’ in the city / Well it’s hard, it’s hard, it’s hard”.

Weinig om kapot van te raken.

Toch tekent Segarra met The Navigator alweer voor haar vijfde plaat. Vanaf haar zeventiende reiste ze rusteloos van hot naar her. Op vrachttreinen, from sea to shining sea. Vrijheid, rebellie, avontuur. Blues, samba, folk en bluegrass: overal waaien de invloeden de muziek van Hurray for the Riff Raff binnen. Tragisch genoeg klinkt dat allemaal duizendmaal avontuurlijker dan het geserveerde resultaat op The Navigator.

In de gestyleerde pijn, het paarsblauwe neon en de blinkend opgepoetste nummers van The Navigator zijn de thema’s allemaal daar, zoals ze daar sinds mensenheugenis al zijn: het onderweg zijn, een kapot kompas en de beklemming van de zoveelste anonieme stad. Zo nu en dan wordt Segarras’ Puerto Ricaanse komaf hoorbaar in de vorm van blikken trommels en straatpercussie, hier en daar een Spaanse kreet of wat zweterige achtergrondvocalen.

De pijn en blues mag afkomstig zijn uit het echte leven en uit een echte straat met echte autogeluiden, op The Navigator klinkt het allemaal bevreemdend bestudeert en geschoold. Ook als de geluiden van Arcade Fire’s The Suburbs op Hungry Ghost wel heel hard worden geëmuleert en het zoveelste blik handpercussie wordt opengetrokken. Meer theater dan het echte leven, en nog niet eens heel overtuigend theater ook. Het decor blijkt van bordkarton, net als de karakters. Dat is jammer, want met de bagage die Segarra bij elkaar gereisd heeft zou er veel meer in moeten zitten. Zou je zeggen. Maar het leven op The Navigator ontbreekt. Het waait zomaar weg, Joost mag weten waarheen.

Het is lente en de zon schijnt. Toch regent het platen. Ga er eens goed voor zitten, pak je Spotify erbij en geniet van al het moois dat deze vrijdag 24 maart 2017 muzikaal te bieden heeft. Wij hebben alles alvast voor je op een rijtje. 

Voor je langetermijnplanning: op onze speciale Album Releases-pagina vind je alle platen die de komende tijd ongetwijfeld de moeite gaan zijn!

The Moonlandingz – Interplanetary Class Classics

The Jesus and Mary Chain – Damage And Joy (hier lees je onze review)

Mount Eerie – A Crow Looked At Me

The Guru Guru – PCHEW

PINS – Bad Thing

Mind Rays – Nerve Endings

SKATERS – Rock and Roll Bye Bye

Formation – Look at the Powerful People

Is het ooit een goed idee om samen met je broer of zus in een band te zitten? Oké, Win en Will Butler van Arcade Fire lijken het prima met elkaar uit te kunnen houden, maar vaak eindigt het in knallende ruzies. De gebroeders Gallagher zijn natuurlijk het bekendste voorbeeld, maar ook de Schotse broers Jim en William Reid van The Jesus and Mary Chain konden er wat van. Onderhuidse spanningen liepen bij hen zo hoog op dat William in september 1999 na nog geen kwartier speeltijd een optreden staakte, waarmee hij definitief het lot van de band bezegelde. Vanaf 2007 kwamen de broers zo nu en dan alweer bij elkaar voor wat optredens, maar een comebackalbum liet lang op zich wachten – tot nu. Gelukkig stelt Damage And Joy bepaald niet teleur.  

Voor iedereen die niet bekend is met The Jesus and Mary Chain, hier een korte opsomming van wat je kunt verwachten: zeurderige zang van een van de twee broers op een mix van met noise overgoten rockers en prettig voortkabbelende ballads. De broers, die inmiddels weer versterkt worden door een hele band, wijken op hun eerste plaat sinds 1998 namelijk niet veel af van de formule van het gros van hun vorige platen. Wat ons betreft is dat geen enkel probleem, want die staat nog altijd als een huis. Op bepaalde aspecten is de formule zelfs verbeterd, want waar op platen als Stoned and Dethroned (1994) en Munki (1998) de rockers nog wel eens wat flets afstaken tegen de ballads, staan ze hier eigenlijk allebei op gelijke voet.

Zo zijn nummers als Amputation en Things Must Pass opwindender dan het gros van de rockbands die hun debuutalbum dertig jaar later dan de Reids uitbrachten. Aan de andere kant van het muzikale spectrum behoort Los Feliz (Blues And Greens) door zijn subtiele blazers en cynische tekst (“god bless America, in the land of the free”) tot de mooiste nummers die de band ooit op plaat zette. Ook afsluiter Can’t Stop The Rock weet mede door een vocale bijdrage van Linda, het jongere Reid-zusje, moeiteloos de gevoelige snaar te raken.

De muzikale fundering van The Jesus and Mary Chain staat dus klaarblijkelijk nog ferm overeind, een enkel niemendalletje als Presedici Et Chapaquiditch of Black And Blues daargelaten. Damage And Joy zal ongetwijfeld niet zo’n impact hebben op het muzieklandschap als het legendarische debuut Psychocandy (1985) en is óók niet zo mooi als Darklands (1987), maar dat hoeft ook helemaal niet. De gebroeders Reid hebben wél een van de meest opwindende en gedreven rockplaten die wij dit jaar gehoord hebben afgeleverd en dat is al veel meer dan we van de meeste terugkerende rockbands op leeftijd verwachten. Wie had dat in 1999 durven dromen?

 

Laura Marling is terug met alweer haar zesde studioalbum Semper Femina – wat vertaalt als ‘altijd vrouw’, afgeleid van een Latijnse uitdrukking uit de poëzie: ‘de vrouw is altijd een wispelturig en veranderlijk ding’. Die zin werd van oorsprong spottend gebruikt, maar Laura Marling eigent hem zich toe als een geuzennaam. De Britse onderzoekt op dit album vrouwelijkheid, onder meer met de uit filmwetenschappen geleende ‘male gaze’ – de ‘mannelijke blik’ – en door te kijken naar de manier waarop vrouwen zich in deze man’s world bewegen.  

De video’s voor singles Soothing, Next Time en The Valley regisseerde ze zelf. Sensueel verplaatsen vrouwen zich hierin over het scherm, op een bed, in glimmend latex, op een heuvel, in een blauwe doek gehuld, in een wit gewaad, grenzen trekkend met zand in een oude, afgebladderde woning.

 

 

Verwacht van Marling geen ondubbelzinnige who run the world-empowermentcitaten, maar eerder poëtische interpretaties van wat vrouwelijkheid of mannelijkheid is, of zou kunnen zijn. Neem bijvoorbeeld het nummer Wild Fire: ‘She’s gonna write a book someday / Of course the only part that I want to read / Is about her time spent with me’. Dit lijkt geschreven vanuit een mannelijk personage, dat – afwijkend van de traditionele muze/meester- en vrouw/man-verhouding – zich afvraagt hoe de vrouwelijke schrijver hém ziet. Het doet denken aan Marlings zijproject Reversal of the Muse, een podcast waarbij ze vrouwen – traditioneel gezien ‘de muze’ – als makers aan het woord laat.

Muzikaal laat Marling een mix van folk en eigenzinnigheid horen, zoals we van haar gewend zijn. Strijkers geven de nummers een filmisch sausje. Het begin is mysterieus en sensueel: Soothing heeft een sluipend, kloppend, ritme, en een griezelige tekst over een indringer die niet langer welkom is. Daarop volgt het onverwacht dromerige The Valley, wat weer afwijkend afsteekt tegen het nuchtere Wild Fire.

Don’t Pass Me By had zo een Alex Turner-song kunnen zijn, maar het gecroon wordt hier door Marling ingevuld. Marlings stem kan nonchalant en subtiel zijn, zoals hier, maar is net zo gemakkelijk melancholisch of cynisch. Nothing, Not Nearly is van dit laatste een mooi voorbeeld. Het laat zien hoe afwisselend Semper Femina is, en veel minder een geheel dan Short Movie. De nummers staan echt op zichzelf, wat allerminst een schande is.

En dan hebben we het nog niet eens over het mooiste nummer van het album gehad: op Next Time bezingt Marling de belofte dat ze, als ze bang wegvlucht, weer terug zal komen om het beter te doen. De strijkers schommelen mee met de gitaar. Kan dat dan, het beter doen dan dit? Tot nu toe is het haar altijd gelukt.

Er zijn tijden dat het helemaal niet vervelend is om van gitaarmuziek te houden, zoals halverwege de jaren tachtig wanneer de Nieuw-Zeelandse bands van het label Flying Nun school maken met even melodieuze als ingenieuze klanken. Of redelijk recent, wanneer bands als Beach Fossils indruk maken met tegen lo-fi aanschurkende surfwave. Het Brabantse Nouveau Vélo ging op de voortreffelijke debuutplaat uit 2014 aan de haal met onder andere de erfenis van Flying Nun, met opvolger Reflections trekt de band die lijn uitstekend door.

In drie jaar veranderde het een en ander: er kwam een nieuwe drummer en Nouveau Vélo verkaste van undergroundlabel Subroutine naar het grotere Excelsior. Met producer Jan Schenk achter de knoppen, verdween de galm om plaats te maken voor een directer geluid, zodat de muziek een nieuw en wellicht groter publiek aan kan spreken. En hoewel Reflections als geheel sterker staat, verlang je op momenten soms naar een in nevelen gehuld nummer als New Guinea, dat de titelloze debuutplaat naar een grote hoogte tilde.

 

 

Tekstueel blijft de zon af en toe achter de wolken, maar met de fraai verweven gitaarlijnen van topgitarist Niek Leenders breekt het voorjaar door op Reflections. Het meest fraaie voorbeeld is You, waarin jubelende en meezingbare lijnen van Rolf Hupkes hand in hand gaan met prachtig golvende gitaarlijnen die de vroege Stone Roses oproepen. Toch kiest de formatie meermaals voor compositorisch minder makkelijke paden, zoals in het prachtig opgebouwde Together Again, waar ook psychedelische invloeden niet ver weg zijn. Kortom: Nouveau Vélo heeft een schitterende, ingenieus twinkelende en gevarieerde gitaarplaat gemaakt.

Meer lezen over de nieuwe plaat, lees dan ook ons interview met de band!

 

 

 

Halverwege Moh Lhean klinkt het ‘hear me now, weary in my tong‘. Hoor mij nu, verweerd in mijn tong. Een aanroep uit de klaagzangen van Jesaja, in dit geval uit de mond van Yoni Wolf. Broos en vermoeid slepen de lettergrepen zich voorwaarts, het hele Moh Lhean lang.  

Dan de titel. Yoni Wolf verwaardigt zich niet tot een verklaring. Wel is het de gelijknamige naam van de plek waar de plaat bij elkaar is gebricoleerd: thuis. Yoni Wolf als een Spinvis, als een Phil Elv(e)rum die licht obsessief de fragmenten aan elkaar puzzelt. Over alle nummers ligt een stoffige laag huisvlijt, alles is onderhevig aan erosie. Alsof Yoni zijn tapes net iets te lang in de regen heeft laten staan.

Op de laatste track, het bijna hoopvolle The Barely Blur, is dat precies wat er gebeurt. In tekst zingt Wolf over blooming cool decay. Dan zet zachtjes de regen in, het laatste gehuil ebt weg tot er op het einde slechts een dreinende, donderende toon resteert. En ook die verdwijnt, samen met alle referenties aan lente, prille loten en voornemens om het beter te doen.

 

Ondertussen sijpelt er wel degelijk hier en daar licht door, met name op het muzikale vlak. Harpen, een fiere tred en een bijna hemelse outro op This Ole King, vrolijk gefluit en zowaar een catchy hook op George Washington.

Moh Lhean laat zich beluisteren als een drieëndertig minuten slentertocht met het hoofd diep in een sjaal. Na een aantal mistroostige gedachtes aan dood, ziekte en depressie verschijnt aan het eind dan toch de bittere drang om te blijven gaan. Of, zoals Jamie Stewart het onlangs in een interview met TinyMixTapes omschrijft, het stomweg doorleven als een daad van verzet. Op Moh Lhean overheerst dan ook, ontroerend genoeg, uiteindelijk het licht – al is het dun als papier.

 

 

Voor een act die alle wrangheid in deze wereld zo scherp weerspiegelt, is het verdomd moeilijk naar Sleaford Mods te luisteren zonder hard in de lach te schieten. TCR (Total Control Racing) is weer zo’n heerlijke waarheidsbom. Jason Williamson en Andrew Fearn zitten in de clip op de bank te spelen met zo’n vintage speelgoedracebaan. Het enige wat je doet is de knop indrukken en de elektriciteit doet al het werk: de valse illusie van controle wordt hier op hilarische manier geïllustreerd. Je denkt dat je achter het stuur zit, maar de systemen en de instituties regeren. “It’s all about technique!”, blaft Williamson op een gegeven moment, bloedserieus, met uitpuilende ogen richting de camera; en ondergetekende spuugt zijn koffie uit. 

TCR is symbolisch voor het karakteristieke geluid van Sleaford Mods: Williamsons bezeten tirades schieten rakelings over Fearns verrotte post-punkloops. In een maatschappij waarin onze aandachtsspanne steeds sneller fluctueert zou je denken dat dit tapvaatje intussen leeg en uitgedroogd is. Maar vraag jezelf dit eens af: waarom zou je als band je muzikale progressie veinzen als de buitenwereld zich blijft herhalen in dezelfde fouten?

Sleaford Mods is het geluid van de collectieve moeheid en het onwaarschijnlijke succes van het duo uit Nottingham lijkt nog immer te groeien. Hoewel Williamson en Fearn de vergelijkingen met de oude punkbeweging terecht verwerpen, is het voor de romanticus ongetwijfeld mooi om te zien dat muziek anno 2017 vanuit de onderbuik kan floreren… niet slechts door middel van commercie. Hoe simpel de formule van Sleaford Mods ogenschijnlijk is: wie doet dit ze momenteel na?

English Tapas is net als Austerity Dogs, Divide And Exit en Key Markets een plaat die de vinger stevig op de pols drukt. De titel vangt die no nonsens Sleaford Mods-humor ook prachtig. Fearn liep op een dag een eettent binnen. De kneuterige, smakeloze Engelse variant op een oorspronkelijk Spaanse traditie klonk als volgt:  “Half a scotch egg, cup of chips, pickle and a mini pork pie.” Zoals alles wat Sleaford Mods uitbrengt komt de materie vanuit specifieke alledaagse observaties. What you see is what you get. 

Life happens suddenly/You ain’t that fuckin’ cuddly”

 

 

Vlijmscherpe karakterschetsen alom op deze plaat. We herkennen allemaal dat zielige hoopje mens in de supermarkt dat louter halveliterblikjes afrekent. “Trip to Spar is like a trip to Mars”, fulmineert Williamson, terwijl Fearn treffend klikgeluiden van de kassamonitor in zijn beat verwerkt. Op dergelijke manieren blijft Sleaford Mods telkens het maximale te halen uit hun minimale insteek. Time Sands klinkt dankzij een uitgemergelde hiphopbeat als de spirituele opvolger van Donkey, en Cuddly meet een frisse dancehall-achtige cadans aan. “Life happens suddenly/You ain’t that fuckin’ cuddly”, sneert Williamson, om vervolgens zichzelf te verwonderen over het fenomeen succes: “No meet, no greet/A full ninety minutes screaming shit all the time/Shit players/Hair transplants/Leo Sayers/What does a million quid a week bring/When you your brain can’t tell your legs to kick the fucking thing!”

Die namedrop van Leo Sayer wekt aanvankelijk in op de lachspieren, maar is stiekem een behoorlijk rake tik aan de keerzijde van succes. De Britse popzanger (bekend van o.a. de hit Orchard Road) werd op de piek van zijn succes door zijn manager Adam Faith voor miljoenen opgelicht. Uiteindelijk moest Sayer noodgedwongen weer toeren om juridische kosten terug te verdienen. Sayer kreeg later ook nog eens darmkanker en herstelde voorspoedig. Wat dit met Sleaford Mods te maken heeft? Het speelt met de gedachte dat voorspoed nooit op een zilveren dienblad wordt aangediend.

Je moet bereid zijn hard te knokken en te incasseren, en zelfs dan wordt het gras niet automatisch groen. Fearn en Williamson hebben die levenslessen door en door ondervonden, en dat blijkt een vruchtbare creatieve bodem voor ze te zijn. Ze ontwijken nu de hedonistische valkuilen van het succes en proberen zo gezond mogelijk te leven. Toen ik Sleaford Mods een paar jaar terug interviewde voor Kicking The Habit, vroeg ik Williamson of er überhaupt veel is verandert. Hij antwoordde toen heel pragmatisch: “Mijn vrouw vertelt onze dochter iedere ochtend dat papa naar zijn werk gaat.”

De pure woede waarmee Williamson zijn dictie kanaliseert kun je daarom niet afschrijven als geraaskal. Eigenlijk is het super didactisch wat hij doet, als een dokter die de symptomen van de kwaal aanwijst. Hij beweert alleen niet de remedie in handen te hebben, hij maskert slechts de ontreddering met cynische humor. Sleaford Mods brengt daarmee enigszins overzicht binnen onze gevoelens van onmacht in onzekere tijden.

In een wereld waarin we als kuddedieren aan het infuus van onverschilligheid vastgekluisterd zitten, behoudt Sleaford Mods met English Tapas nog altijd absolute controle over hun creatieve output. Niet slecht voor een bunch of cunts aan de verkeerde kant van de veertig. Belangrijkste band in Engeland? Zonder twijfel. Een ereronde kun je van dit onverzettelijke tweetal echter niet verwachten. Het karige menu van English Tapas blijft nagenoeg hetzelfde.

De overgang van het ene jaargetijde naar het andere is vaak een dankbare inspiratiebron geweest voor de afdeling psychedelische bands. Het Californische Moon Duo gooit er meteen maar een tweeluik uit: een meer donkergetinte plaat die in de winter is opgenomen, die later dit jaar gevolgd zal worden door een lichtere variant. Hoe dan ook: met Occult Architecture Vol. 1 heeft Moon Duo weer een fijne tripplaat gemaakt. 

Uiteraard krijg je wat je mag verwachten van een psychedelische band: zweverige gitaarsolo’s, vage zang en repetitieve synthlijnen. En met name in die laatste zit hem de kleine stap voorwaarts ten opzichte van de vorige platen van Moon Duo: er sluipen langzaam wat synthwave-invloeden binnen in de klanken van het duo Ripley en Yamada. En het komt de muziek ten goede, zoals in Cross-Town Fade, dat hierdoor een extra gejaagde dimensie meekrijgt. Een ander exemplarisch voorbeeld is het meer lichtvoetige Will of the Devil, dat door de jaren tachtig-synths nog ruimtelijker klinkt.

 

 

Alles komt glansrijk samen in afsluiter White Rose: dwingende drones in de lijn van Suicide of Spacemen 3, simpele maar o zo effectieve toetstonen en onderkoelde zang maken het een onontkoombaar nummer. Moon Duo zet met Occult Architecture Vol. 1 de lijn van de prima voorgaande platen door, met kleine muzikale verschuivingen. Om de plaat op zijn echte waarde te schatten dien je deze hard op te zetten of live te ondergaan, eventueel met wat geestverruimende middelen achter de kiezen. We zijn benieuwd wat de zomer brengt.

LIVE-DATA
3 april –
Vera, Groningen
4 april – Paradiso Noord, Amsterdam
5 april –
 Eindhoven Psych Lab Presents, Effenaar

 

Na het (inter)nationale succes van de single Act of Leaving (híér te horen in een TDI-videosessie), een succesvolle Popronde-tour en voorprogramma’s van De Staat is debuutplaat Come, Future eindelijk verschenen. Het gaat hier om de band Jo Goes Hunting, of eigenlijk Jimmi Hueting. Begin dit jaar werd hij nog toegevoegd aan het programma van Noorderslag en dat is meer dan terecht.  
 
Jimmi (broertje van Rocco van De Staat) is een jonge, excentrieke (jazz)drummer, die ook nog eens heel goed kan zingen. Debuutplaat Come, Future heeft een divers geluid met aan de ene kant poppy uptempo liedjes als Winner, Confusion en Money, maar aan de andere kant ook wat lompe, donkere songs als Hell of Mine, I Don’t Mind en Lion. Het geluid van de groep doet soms denken aan bands zoals Balthazar en Flaming Lips: Hueting combineert onnavolgbare ritmes en slome zangpartijen waar hij vervolgens geniale (pop)liedjes van maakt. Dat maakt deze jonge indieband ook zo bijzonder. Deze plaat gaat niet zo snel vervelen. De puntige baslijntjes, de rare tempowisselingen en de meerstemmige zangpartijen, er valt veel te ontdekken tijdens een luisterbeurt van Come, Future.  

 


 
Met het album Come, Future laat Jo Goes Hunting al iets heel moois zien. We misten in Nederland nog zo’n band als deze, met een jong jochie op drums die live bizarre beats maakt, waar elke trommelaar van begint te kwijlen. Zo ook op zijn eerste album. Dit zou zomaar eens de beste Nederlandse indieplaat van dit jaar kunnen worden.

De band speelt op 16 maart in Merleyn (Nijmegen), 17 maart in V11 (Rotterdam) en 18 maart in Paradiso (Amsterdam).  

 

Jij dacht dat we in Nederland veel water hadden? Denk opnieuw! Australië is ermee omringd en er zit iets in het water, met name aan de westkant van het eiland. Perth ontpopt zich dit decennium tot pop-metropool. Tame Impala loopt als vaandeldrager voorop, maar in de voetsporen van Kevin Parker & co. volgt sinds 2014 Methyl Ethel. Negen maanden na debuut Oh Inhuman Spectacle baart de formative rond Jake Webb zijn tweede telg.

Op Everything Is Forgotten maakt het trio de ambities waar die het op zijn debuut al had. Poptimisme is in eerste instantie een serieuze waardering van fenomenen als Beyoncé en Bieber, maar Methyl Ethel past het concept hier in de praktijk toe. Track na track bewijst Everything Is Forgotten telkens dat pop in de puurste zin van dat woord niet saai noch schreeuwerig hoeft te zijn: het kan ook subtieler.

Dat neemt niet weg dat Webb en de zijnen enorm gefocust klinken, mede met dank aan producer James Ford (Arctic Monkeys, Foals, Klaxons). Openers Drink Wine en leadsingle Ubu (een van de beste liedjes in recente historie over waarom een meisje haar haar heeft geknipt) zijn met hun broeierige baslijnen zo dansbaar als ze direct zijn. Ook op andere albumtracks (hoogtepunten zijn No 28, L’Heure des Sorci en Groundswell) klinkt Methyl Ethel met zijn glanzende gitaarpartijen zowel aanstekelijk, artistiek en een beetje autistisch.

 

 

Echt aankijken doet Webb je namelijk nooit; hij is als de mysterieuze jongen achter in de klas die altijd zijn jas aanhoudt en slechts in raadsels lijkt te kunnen spreken. Het ene moment lijkt Webb een superster, het andere moment een supersul. In combinatie met zijn scherpe pen maakt die persoonlijkheid hem tot een muzikant wiens talent door elke track lekt.

Everything Is Forgotten? Nee, maar gelukkig is ook niet alles kraakhelder. Daardoor blijft er altijd wat te raden over en is de pop van Methyl Ethel precies raar genoeg om als soundtrack voor roerige tijden te fungeren.

 

De Brusselse garageband Mountain Bike is inmiddels een goede bekende van The Daily Indie. Zo interviewden we de band in 2014 en filmden een performance van Torture in een leeg zwembad. We kunnen we ons geluk dan ook niet op met het nieuwe album: Too Sorry For Any Sorrow.

De plaat begint gevoelig met Future Son, waarin zanger Etienne Kinkel zijn toekomstige zoon waarschuwt voor de gevaren in de grote boze wereld. Het positieve toekomstbeeld uit Future Son verdwijnt al vrij snel met titels als Mean With You en Escape Plan. ‘Can you look for an escape plan / When you built your own cage?’ klinkt er in het laatstgenoemde nummer, alsof er plotselinge bindingsangst opspeelt.

Een bluesgeluid wordt op dit album niet gevreesd: op Absolutely en Pretty Jerk Like You neigen de gitaarriffs een beetje naar die uit de beginjaren van The Black Keys. Deze tracks vormen op instrumentaal vlak een welkome afwisseling met de andere songs, die soms wat op elkaar lijken qua opbouw. Zo eindigen Future Son en Copycat in een climax met bijna identieke gitaarsolo. Daar gaan we echter niet te azijnzeikerig over doen, Want Too Sorry For Any Sorrow luistert namelijk heerlijk weg.

Hoogtepunt op het album is het zes minuten durende Good For Nothing, dat rustig begint en opbouwt tot een absolute instrumentale climax, met heerlijk scheurende gitaren. Mountain Bike heeft hiermee echt het best voor het laatst bewaard.

Al met al zetten de mannen uit Brussel een lekkere plaat neer, die bij vrijwel iedereen wel in de smaak zal vallen. Er gebeuren niet te veel gekke dingen waar men het hoofd aan kan stoten. Noem het garagepop voor het hele gezin. Gevolg is wel dat dit album wat veiliger klinkt dan hzijn voorganger en het niet heel vernieuwend is. Dit mag de pret niet drukken, want bijna iedereen zal hier een hoop energie van krijgen.