De afgelopen jaren is Sleaford Mods in de (Britse) muziekpers op allerlei manieren beschreven, maar eigenlijk doet geen enkele beschrijving het project van Jason Williamson en Andrew Fearn recht. Het is ook een bijzondere bedoeling, dat verwoestende vehikel dat alle kanten op lijkt te schieten en tegelijkertijd met volle kracht vooruit blijft gaan.

De vierde plaat van het duo uit Nottingham is namelijk net uitgekomen: na de opeenvolging van Austerity Dogs (2013), Divide and Exit (2014) en Key Markets (2015) namen Williamson en Fearn even pauze, al is ‘rust’ in het geval van Sleaford Mods een erg relatief begrip. Er viel, zeker in Groot-Brittannië, immers genoeg te observeren. Ter voorbereiding op hun The Daily Indie Presents-avond op 4 mei, bespreekt The Daily Indie in Amsterdam met ‘Big Jay’ Williamson het resultaat: English Tapas.

 

Op 4 mei presenteren wij Sleaford Mods in de Melkweg! Onze leden gaan met 2,50 euro korting naar binnen. Nog geen lid? Dat word je hier!


 
“Ik ben eigenlijk best trots dat ik working class ben” 
Williamson neemt een korte pauze na afloop van een ander gesprek, maar schuift dan bij ons aan tafel. De armen van de bijna-vijftiger zitten vol met tatoeages, maar in zijn hand heeft hij een glas water. De Brit ziet – “na wat probleempjes” – af van drank en drugs, voorlopig althans. Williamsons dag duurt lang, maar hij kan er zelf nog om lachen. “We weten allemaal dat er ergere banen bestaan.” Dat weet Williamson inderdaad als geen ander. De banen die hij voor en zelfs tijdens de doorbraak van Sleaford Mods had – van verzekeringsadviseur tot medewerker in een kipfabriek – leverden de inspiratie voor het vroege materiaal van zijn band, waaronder publieksfavoriet Jobseeker.

 


Die geschiedenis zorgt ervoor dat men Sleaford Mods geregeld ‘de stem van de working class’ doopt. Dat kan gevaarlijk zijn, stelt Williamson. “De eindeloze discussie over klassen is een valkuil. De scheidslijn tussen verschillende klassen wordt vager en vager, omdat arme mensen of arbeiders niet meer de enigen zijn die onderdrukt worden. Iedereen wordt onderdrukt.” In relatie tot zichzelf en zijn muziek ziet Williamson de kwestie wat genuanceerder: “Ik heb zelf een achtergrond in de working class en ik denk dat de pers dat in eerste instantie interessant vond omdat er weinig andere muzikanten in Engeland waren die dat hadden. Dat is niet erg, ik ben er eigenlijk best trots op. Het probleem is dat zo’n benadering verdoezelt waar het echt om draait: dat onze muziek eerlijk is.”  

Wie de gangen van zijn gedachten afspeurt naar vergelijkbare Britse bands, moet al snel terug het verleden in. Oasis, dat is toch het schoolvoorbeeld van een arbeidersband? In Williamsons ontkenning van die stelling schuilt een mengeling van woede en wanhoop. “Oasis deed in zekere zin alsof ze working class waren. Toen zij massive werden, verloren ze hun contact met de arbeidersklasse. Dat kan mensen vervreemden. Dat effect had het op mij, in ieder geval.” Is dat niet onvermijdelijk als je plots van arbeider verandert in de grootste rockster ter wereld? “Het gebeurt een beetje vanzelf natuurlijk”, stemt Williamson in. “Maar het viel mij tegen dat Noel deed alsof hij de everyman was, terwijl hij ondertussen alleen bezig was met het geld. Een flink deel van zijn politieke standpunten bleek erg conservatief, dat was nogal in tegenspraak met zijn liedteksten. Hij was heel rijk geworden en werd bijna een soort Tory, terwijl hij nog steeds gezien werd als een lad. 

 

“We vinden onszelf helemaal niet politiek”  
Politiek is een onderwerp waar ieder antwoord van Williamson vroeg of laat op terug lijkt te komen. Toch lijkt Sleaford Mods niet alleen een politieke band, maar ook een antipolitiek duo. Weinig muzikanten tonen zo veel afkeer van de gevestigde orde die in Westminster zetelt. “Dat ben ik met je eens”, knikt Williamson. “We schrijven natuurlijk over emoties die veroorzaakt worden door een bepaald beleid, maar daar is iedereen door beïnvloed en dat maakt ons niet per se politiek. Onze muziek is geen manifest en we plaatsen ons niet op één lijn met een partij.” Dat is een verandering ten opzichte van het verleden, waarin Williamson meerdere malen zijn steun uitsprak voor de Britse Labourpartij. “Daar ben ik helemaal klaar mee. Ik ben uit de partij gezet (vanwege een beledigende tweet aan het adres van Labours parlementariër Dan Jarvis, red.), daar ben ik heel cynisch van geworden.” Zijn schorsing hield in dat Williamson vorig jaar niet mocht stemmen in de lijsttrekkersverkiezing, die tóch gewonnen werden door zijn favoriet: Jeremy Corbyn. “Hij heeft het over zaken die niemand anders op zo’n verstandige manier bespreekt: publieke dienstverlening, werkeloosheid en de demonisering van gehandicapten en etnische minderheden.” Toch overheerst uiteindelijk de hopeloosheid, volgens Williamson. “Ik ben het nog met veel van zijn uitspraken eens, maar hij maakt geen schijn van kans.”

 

“We vinden onszelf helemaal niet politiek. We maken gewoon muziek over wat er speelt.”

 
Toch ligt Sleaford Mods een stuk dichter bij de politiek dan het merendeel van Williamsons vorige bands. Jarenlang probeerde hij tevergeefs door te breken, hij verhuisde er zelfs voor naar Los Angeles. Merkt hij nu hoe we – alles dat geen liefdesliedje is – direct als ‘politiek’ bestempelen? “Zeker, dat is zo! Voor mij zijn deze nummers net zo goed een observatie van wat ik om mij heen zie en een poging dat op een aantrekkelijke manier over te brengen, maar veel mensen noemen dat nog steeds politiek. We vinden onszelf helemaal niet politiek. We maken gewoon muziek over wat er speelt. Natuurlijk is dat interessanter dan nummers over je partner of een of andere quasi-diepe filosofische notie over jezelf. Allemaal bullshit. Nu is hét moment om te spreken over de straat, over de persoon naast je. Waarom? Omdat de wereld niet bepaald een fijne plek aan het worden is, of wel?” 
 
Daar moeten we Williamson helaas gelijk in geven. Ook in Groot-Brittannië reiken de gevolgen van ontevredenheid onder het volk ver: het land scheidt zich af van de Europese Unie en partijen als UKIP (UK Indepence Party) zijn binnen enkele jaren uitgegroeid tot belangrijke spelers binnen het politieke bestel. Vreemd genoeg is het bepaald niet ondenkbaar dat een deel van Sleaford Mods’ aanhang zich met die partij identificeert, geeft Williamson toe. Sterker nog, hij weet het wel zeker. “Veel mensen die me volgen op Twitter hebben een St. George’s Flag (de vlag van Engeland, duidend op een sterke onafhankelijkheidsdrang, red.) als profielfoto. Daar vel ik geen oordeel over. Ik negeer hen meestal en probeer niet in ruzies verzeild te raken. Mensen interpreteren onze muziek misschien anders dan het bedoeld is. Dat gebeurt nu eenmaal, daar kun je niets aan doen.”  
 
In principe maakt het Williamson niets uit wie aanhaakt bij Sleaford Mods, benadrukt hij enkele keren. Rijk of arm, jong of oud: Sleaford Mods is al lang blij dat er íemand luistert. De uitzondering die de regel bevestigt steekt even later de kop op als we Williamson herinneren aan de manier waarop The Smiths’ Johnny Marr vorige premier David Cameron verbood zijn muziek leuk te vinden. De doorgaans schorre ‘Big Jay’ schatert als we hem vragen wat hij ervan zou vinden als Theresa May, de huidige premier en leider van de conservatieve partij, fan zou blijken van Sleaford Mods. “Daar zou ik niet blij mee zijn, nee. Ik zou er snel een stokje voor steken.” 

 

 

“Als je je op straat gedraagt zoals ik op het podium, word je opgepakt”  
Hoe je het ook went of keert, onder May is Groot-Brittannië gedraaid in de richting van het volk dat zijn land terug wil winnen. Het gekste aan die claim? Dat het land nooit van hen geweest is. “Dat is precies het punt”, zegt Williamson als we die stelling in verband brengen met het nieuwe album van Sleaford Mods. English Tapas, daar spreekt een Britse claim van iets dat nooit en te nimmer Brits wás. Williamson legt uit: “Andrew zag de titel in een pub, die English Tapas serveerde. Dat bestond uit een bakje friet, een scotch ei, een augurk en soepstengels. Dat zegt alles over de staat van Engeland: ignorant, trying to make do, and just shit, just crap.

 

“Op een taalkundig gebied zijn scheldwoorden een mooie manier om zinsdelen te verbinden. Het ritme van woorden zoals fucking of bastards is heel fijn.” 

 

In toenemende mate wordt in ons gesprek duidelijk dat Williamson er een haat-liefdeverhouding met zijn vaderland op nahoudt. Buiten Groot-Brittannië is de reactie op Sleaford Mods dan ook anders. “Bij Europese shows heb je vaak een publiek dat niet helemaal snapt waar onze nummers inhoudelijk over gaan. Mensen genieten ervan omdat het zo eerlijk is en zo brutally British, maar niet op een patriottische manier.” Gelukkig bevat English Tapas genoeg materiaal dat iedereen kan begrijpen; de universele taal van het schelden bijvoorbeeld, ontbreekt opnieuw niet. “Op die manier kan ik niet alleen praten op de manier zoals alle ‘normale’ mensen praten, maar ook op een absurde manier bepaalde dingen duidelijk maken. Op een taalkundig gebied zijn scheldwoorden een mooie manier om zinsdelen te verbinden. Het ritme van woorden zoals fucking of bastards is heel fijn.”  
 
De beruchte liveshows van Sleaford Mods – Williamson tierend en zichzelf op het hoofd tikkend, Fearn headbangend achter een laptop – volgen dezelfde logica, legt Jason uit. “Het energieniveau maakt natuurlijk het grootste verschil. Als je je op straat zo gedraagt, word je opgepakt, haha. Ik probeer niet te veel afstand van mezelf te nemen, maar natuurlijk is het een soort show. Dat moet en dat vind ik ook interessant. Ik houd van die fysieke uiting van emotie.” Wie die fysieke expressie weleens van dichtbij mee heeft gemaakt, zou Sleaford Mods wellicht niet vergelijken met Kafka. Williamson zelf wel. “Het is exhibitionistisch en absurd, een beetje als Kafka’s Metamorphosis. Hij schrijft ook over de beperkingen van het dagelijks leven, maar hij doet het op een eigenzinnige manier. Net als wij.”  

“Er is genoeg frustratie te vinden in de muziekindustrie” 
Dergelijke bespiegelingen representeren een nieuwe diepgang in het werk van Sleaford Mods, volgens Williamson grotendeels veroorzaakt door de professionalisering van het duo. Eerst was de band een bijbaan, nu zijn Fearn en hij fulltime muzikant. “Er vindt wat meer zelfreflectie plaats dit keer. We zijn wat serieuzer geworden en werken meestal richting een deadline, al betekent dat niet dat onze ideeën in het gedrang komen. Alle gebruikelijke ingrediënten zijn nog aanwezig.” Lachend voegt hij eraan toe. “Daarbij is er genoeg frustratie te vinden in de muziekindustrie.” Dat die wereld minder dan gedacht verschilt van de kipfabriek, blijkt ook uit een serie tweets op het account van Sleaford Mods, dat door Williamson zelf gerund wordt. Daarop duiken om de haverklap foto’s op van zijn zoon die op een podium klimt of met drumstokken in zijn knuistjes rondloopt. De afbeeldingen zijn door vaderlief voorzien van het onderschrift: Don’t do it mate, it’s a shit business!” Ook in Amsterdam kan de Brit om zichzelf lachen. “Ik zei: wat doe je?!”
 
De grap wordt geleverd met een knipoog, want eigenlijk houdt Sleaford Mods zich uitstekend staande binnen de muziekwereld. English Tapas komt uit op het gerespecteerde Rough Trade, waarbij Sleaford Mods tekende op de voorwaarde dat er geen invloed op het eindproduct zou worden uitgeoefend. Later dit jaar verschijnt zelfs een documentaire over het duo, Bunch of Kunst. “Hij is gemaakt door Christine Franz, een filmmaker uit Berlijn. Ze heeft ons twee jaar lang gevolgd in Groot-Brittannië en Europa. Het is nogal een kille film geworden, maar hij is wel erg goed, al zeg ik het zelf. Het is nou niet bepaald je usual rock documentary.” Zo verrassend is dat eigenlijk niet. Immers, Sleaford Mods is nou niet bepaald a usual band.

 

 

 

 

Meer van dit soort verhalen blijven lezen en met korting naar de show van Sleaford Mods? Word dan lid van The Daily Indie door op onderstaande button te klikken!
Nu voor maar 10 euro per jaar



 

Hiphop is heet. Niet alleen in Nederland en de Verenigde Staten, maar ook in Groot-Brittannië, waar rappers als Stormzy en Skepta grossieren op een nieuwe golf grime. Tussen al het geweld valt de jonge Londenaar Loyle Carner op door zijn reflectieve raps over zijn familie. The Daily Indie spreekt Benjamin Coyle-Larner – zijn artiestennaam is een gevolg van zijn eigen dyslexie – de middag voor zijn soloshow in Paradiso Noord over zijn moeder, het overlijden van zijn stiefvader en de inspiratiebronnen voor zijn debuutalbum Yesterday’s Gone, dat eerder dit jaar verscheen.

“Mensen moeten niet vergeten waarde roots van grime liggen”
Ons gesprek vindt plaats in de week waarin blijkt dat Stormzy’s debuut Gang Signs & Prayer het tot de hoogste positie van de Britse hitlijsten geschopt heeft. Benjamin komt uit dezelfde generatie Britse muzikanten als Stormzy en groeide op ten tijde van de eerste grime-golf. “Dat droeg toen helemaal die naam nog niet,” vertelt Coyle-Larner in zijn kleedkamer. “Toen was het nog gewoon rap, met daaronder allerlei verschillende stijlen Britse hiphop, trap, garage en grime.” Toch was de stroming op dat moment, midden in de jaren negentig, nog minder een Britse aangelegenheid. “Al die artiesten wilden juist samenwerken met P. Diddy. Kano werd op een bepaald moment getekend door Jay-Z.” De rollen zijn nu omgedraaid. Vorig jaar nog tekende Drake op Boy Better Know, het grimelabel van de befaamde broertjes Jamie en Joseph Adenuga, beter bekend als JME en Skepta. “Ik ga er niet vanuit dat Drake ooit bij mij aan zal kloppen, maar voor Britse muziek in het algemeen is dat heel positief”, weet Loyle Carner. “Het moet alleen niet te commercieel worden. Mensen moeten niet vergeten waar de roots van grime liggen.”

 

“Ik voel me simpelweg beïnvloed door geluid.”

 

 

Van wederzijds respect is volgens Benjamin wel sprake, maar toch heerst een gapend gat tussen de jonge rapper en de iconen die het internet domineren. “Ik heb geen contact met die andere rappers. Ik heb een beat van Kano gekregen voor een radiosessie, maar verder spreek ik ze nooit. Zij zijn beroemd, ik niet.” Samenwerken deed Coyle-Larner wél met een van Engelands meest gerespecteerde moderne punkpoëten, Kate Tempest. Hij weet nog goed wanneer hij de schrijvende spoken word-ster voor het eerst ontmoette. “Ik was toen net van de universiteit getrapt”, vertelt hij. “Op mijn weg terug naar het treinstation zag ik haar ineens en ben ik een praatje met haar gaan maken. Dat lukte niet zo goed, want ik was nogal onder de indruk.” Niet veel later ontmoet het tweetal elkaar opnieuw op een showcase van label Speedy Wunderground in Londen. Producer Dan Carey stelt een samenwerking voor en in december 2015 verschijnt Guts op een compilatiemixtape van de maatschappij. Een droom die werkelijkheid werd, volgens Benjamin: “We schreven dat nummer in twee of drie uur tijd en namen het meteen op. Daardoor was er geen tijd om alles te overdenken. Aan het eind van de dag heb je iets tastbaars, dat is geweldig.”

 

 

Britse muziek was niet het enige dat de aandacht van de jonge Benjamin trok. “Ik hield van échte Britse hiphop, van artiesten als Roots Manuva, maar eigenlijk luisterde ik het meest naar Amerikaanse rap. Daar was men meer gericht op liedjes dan in Groot-Brittannië. Als ik freestyle wilde zien zocht ik op gewoon filmpjes van Britse rappers op YouTube op, maar als ik een tune wilde horen ging ik naar OutKast of Common.” Coyle-Larner zoekt zijn inspiratiebronnen daarnaast nadrukkelijk buiten zijn eigen genre. Voornamelijk aan de muzikale kant van zijn producties. Het gebruik van saxofoons (Ain’t Nothing Changed) en gitaren (NO CD) roept op Yesterday’s Gone bijvoorbeeld vergelijkingen op met het door jazz doordrenkte To Pimp A Butterfly (2015) van Kendrick Lamar. Coyle-Larner: “Ik voel me simpelweg beïnvloed door geluid. Het maakt niet uit waar dat vandaan komt.” Een van de meest opvallende voorbeelden voor Loyle Carner vinden we terug in de videoclip voor vroege hit Tierney Terrace. Daar hangt in de kelder van Benjamins huis een poster van niemand minder dan Bob Dylan. “Ik luister daar regelmatig naar. Zulke gasten maken real stuff. Ik raak soms gedesillusioneerd door hiphop. Rappers gaan maar door en door over dezelfde onderwerpen. Dan moet je soms op zoek naar andere plaatsen om inspiratie te vinden voor teksten. Zo kom je vanzelf uit in andere genres.”

 

 

“Ik vind mijn moeder de coolste persoon op aarde”
Met die uitleg komt Loyle Carner zelf uit bij een andere reden waarom hij de afgelopen jaren in toenemende mate opviel. De onderwerpen die hij bespreekt zijn puur persoonlijk. Over meisjes, geld of politiek gaat het niet of nauwelijks in zijn raps. De hoes van zijn debuut Yesterday’s Gone zegt eigenlijk genoeg. “Het is een soort familiefoto”, legt Coyle-Larner uit. “Iedereen die ervoor heeft gezorgd dat ik kon komen tot het punt waar ik nu ben staat erop.” Benjamin vertelt dat hij nog gewoon thuis woont bij zijn moeder en zijn jongere broertje, over wie hij spreekt als zijn beste vriend. “Het is fijn om mijn familie te zien als ik lang op tour ben geweest. Beter dan thuiskomen in een leeg huis.”

Dat de twintiger een moederskindje is, komt niet bepaald als een schok. Overal waar Loyle Carner is, is zijn moeder Jean namelijk ook. Ze is te zien op zijn albumhoes, in zijn videoclips, op zijn gigposters en ga zo maar door. “Ik zou niet weten waarom niet”, antwoordt de jongeling als we hem vragen waarom. “Ze wil er graag deel van uitmaken. Wie ben ik dan om te zeggen dat dat niet mag?” Van schaamte is dan ook geen enkele sprake. “Ik vind mijn moeder de coolste persoon op aarde, ik ben heel blij dat ik haar overal bij kan betrekken.” Toch heeft de roem ook in dit geval zijn keerzijde, al is die relatief onschuldig. Coyle-Larner lachend: “Ze is er een beetje verslaafd aan geraakt. Er staan volgens mij meer foto’s van haar dan van mij op mijn social media. Als ze boodschappen gaat doen, wordt ze soms herkend. Laatst was ze in het Tate Modern en bleven mensen haar maar om foto’s vragen.”

 

 

Natuurlijk is Loyle Carner niet het eerste moederskindje in de stoere mannenwereld die hiphop heet. Onder meer 2Pac (Dear Mama) en Kanye West (Hey Mama, dat West kort na de dood van zijn moeder in 2007 zong op de Grammy’s) brachten eerder nummers over hun moeders uit. “Ik ben altijd groot fan geweest van Kanye West”, zegt Coyle-Larner, die in 2015 Wests Heard ‘Em Say nog coverde op BBC Radio 1. “Ik hoorde van zijn bijzondere band met zijn moeder, dat was kort nadat ik zelf muziek begon te maken. Daarna ontdekte ik dat zijn moeder overleden was. Ik weet dat hij het daar nog steeds moeilijk mee heeft en ik vind het ongelooflijk dat hij zich enigszins bij elkaar heeft weten te rapen. Als ik mijn moeder zou kwijtraken, zou het over zijn voor me. Klaar. Ik leef enorm met hem mee.”

“Mijn vader had een heel album gemaakt en dat aan niemand verteld”
Een van de redenen waarom Benjamin zo gehecht is aan zijn moeder, is dat hij weet hoe het is om een ouder te verliezen. Zo’n vijf jaar geleden verloor de jonge Brit zijn stiefvader. Het had niet alleen grote invloed op een persoonlijk, maar ook op een praktisch niveau. “Ik moest ineens de kostwinnaar van de familie worden”, legt hij uit. “Ik maakte al wel muziek voor mezelf, omdat ik over die gebeurtenissen wilde schrijven. Toen ontdekte ik langzaam maar zeker dat ik geld kon verdienen met hetgeen dat me door die periode heen hielp. Dat was heel vreemd, omdat het tegelijkertijd verschrikkelijk en geweldig was.” De beschrijvingen van de moeilijkste periode uit zijn leven zijn inderdaad een wezenlijk onderdeel uit gaan maken van Loyle Carners muzikale identiteit. BFG van Coyle-Larners vroege EP A Little Late is een single die schrijnend is in al zijn eerlijkheid. “Everybody says I’m fucking sad. Of course I’m fucking sad, I miss my fucking dad,” rapt de Brit herhaaldelijk aan het einde van dat nummer. “Het ergste dat me voor de dood van mijn vader was overkomen, was een gebroken heart”, lacht hij. “Dat is nu natuurlijk bullshit.”

 

 

Wie Yesterday’s Gone tot het eind luistert, stuit op een bijzondere lofzang. De naamgever en afsluiter van het album is een nummer van Benjamins stiefvader zelf. “Hij had een heel album opgenomen en daar niemand over vertelt”, legt de Brit uit. “Mijn moeder vond het nadat mijn vader overleden was. Ik wist dat ik er iets mee wilde doen, dus ik begon het te samplen, maar dat nummer wilde ik er helemaal op.” Een ander hoogtepunt op Yesterday’s Gone is, tussen de hiphop door, het nummer Sun of Jean, volgens de tracklist featuring Mum and Dad. “Dat is de meest duidelijke verwijzing”, vertelt hij. “Die hele track bestaat uit een sample van mijn vader en een twee losse samples van mijn moeder, die een gedicht voordraagt.”

Zelfs op het podium draagt de jonge rapper zijn vader altijd bij zich. Coyle-Larner zelf is een fervent fan van voetbalclub Liverpool, zijn vader was supporter van aartsrivaal Manchester United. Op het podium draagt Loyle Carner geregeld zijn eigen Liverpoolshirt, met een shirt van United-icoon Eric Cantona om zijn schouders. “Dat was de ultieme opoffering”, zegt Benjamin. “Ik had een nummer geschreven voor mijn vader. Dat noemde ik Cantona omdat het niets met mijzelf te maken had. Het was voor hem. Ik dacht: ‘Kijk, ik noem dit nummer Cantona, zelfs al haat ik Manchester United, omdat ik van je hou.’ Voetbalfans werden daar nogal boos om, omdat ze denken dat ik het spelletje haat. Stelletje gekken.”

 

 

Zowel uit zijn album als uit ons gesprek wordt duidelijk dat Coyle-Larner niet of nauwelijks moeite heeft over zijn persoonlijke problemen te praten. “Alles dat ik nu uit heb gebracht, schreef ik twee of drie jaar geleden al”, legt hij uit. “Het is logisch dat het me nog steeds wat doet, maar ik heb tijd gehad om het een plaats te geven. Natuurlijk kun je niet alles verwerken, maar ik heb in ieder geval de kans gehad.” De Brit bezit nog een tweede drijfveer om zijn leven zo nauwgezet mogelijk te documenteren. “Het is een manier voor me om de herinneringen te laten leven. Zelfs als ik mijn verstand kwijtraak, kan ik me alles nog herinneren omdat ik mijn leven als het ware opgeschreven heb. Het gaat me niet om de grote shows, maar om het bijhouden van mijn eigen leven en hoe kut dat wel niet is.”

“Mijn ADHD en dyslexie zijn een superkracht”
De plotselinge verandering binnen zijn familieleven was niet de enige factor die Benjamins jeugd bemoeilijkte. De Brit heeft ADHD en dyslexie en moest daarmee om leren gaan. “Ik heb het al eerder een superkracht genoemd en dat is het ook echt. In iedere superheldenfilm heeft de superheld eerst geen controle over zijn krachten. Hij brandt gaten in muren enzo. Dan heeft hij ineens vanuit het niets door hoe hij zijn krachten kan kanaliseren. Zo was het voor mij ook. Nu zie ik het als een enorm voordeel.” Op school werd hem afgeraden te schrijven, maar juist in die bezigheid vond Coyle-Larner uiteindelijk een van zijn uitlaatkleppen. “Ik vind het nog steeds niet leuk om essays te schrijven hoor, maar rijmen vond ik geweldig.”

Het geeft de Brit – die ook vandaag in Amsterdam een drukke indruk maakt – de kans om na te denken over wat hij wil zeggen. “Ik kom altijd in de problemen omdat ik de verkeerde dingen zeg”, vertelt Coyle-Larner. “Benny Mails, die het voorprogramma doet, vertelde bijvoorbeeld dat zijn vrienden naar de show van vanavond komen. Ik zei: ‘Ah, ze hadden tickets moeten kopen, joh.’ Ik maakte een grapje, maar dat had hij niet door, dus hij is écht vijf tickets gaan kopen. Toen moest ik hem zelf het geld teruggeven omdat ik me er zo slecht over voelde. Mijn slechte humor en mijn impulsiviteit zijn inmiddels een dure grap geworden. Als ik dingen opschrijf, kan ik over ze nadenken en kom ik niet in de problemen.”

Benjamins liefde voor rijmpjes groeide op latere leeftijd uit tot een passie voor poëzie. “Ik ben fan van Benjamin Zephaniah. Hij maakte woorden toegankelijk voor me”, vertelt de Brit. “Hij heeft een boek geschreven dat Gangsta Rap heet. Het gaat over vier jongens die ervan dromen rapper te worden en uiteindelijk ook echt beroemde rappers worden. Ik moet dat boek weer terug zien te vinden, want volgens mij heb ik het nooit uitgelezen toen ik jong was.” Later breidde de liefde voor cultuur zich nog verder uit. Coyle-Larner ging studeren aan een toneelacademie. Dat heeft geholpen: Loyle Carner regisseert al zijn videoclips zelf en weet hoe hij een show moet neerzetten. “Ik ben verzot op acteren”, vertelt hij. “Ik denk dat dat weer zoiets is waar mijn ADHD me bij helpt. Acteren, muziek maken, voetballen, koken (onder de naam Chili Con Carner leert Benjamin kinderen met ADHD koken, red.) en irritant zijn, that’s just what I do.”

Wat hij ook doet, hij doet iets goed. Want Loyle Carner is – zoveel kunnen we wel stellen – definitief doorgebroken, ook aan onze kant van de Noordzee. “Ik probeer daar niet te veel over na te denken”, zegt de Brit bescheiden. “Ik weet helemaal niet of ik the next big thing ben. Ik ben gewoon een thing en dat is prima.” Benjamin Coyle-Larner lijkt inderdaad tevreden. “Slechte dingen gebeuren altijd, dat is nou eenmaal een van de spelregels van het leven. Het gaat erom hoe je daarmee omgaat.” Yesterday’s Gone, indeed, daar valt niets meer aan te veranderen. Aan morgen des te meer, volgens Loyle Carner: “Ik blijf altijd optimistisch.”

Yesterday’s Gone is nu uit via AMF.

 

Het was een mooi jaar voor Klangstof. Met het uitbrengen van debuutalbum Close Eyes To Exit, het winnen van een Edison en een boeking voor Coachella heeft de band een flinke start gemaakt. Koen van de Wardt, muzikaal brein en vader van de band, begon Klangstof ooit als een zijproject om creatieve stoom af te blazen. Maar ondertussen is de band begonnen aan zijn weg naar de top, en daar is Koen meer dan klaar voor. Eerstvolgende en voorlopig laatste show in Nederland: Motel Mozaique.

Afgelopen november maakten we kennis met Close Eyes To Exit: een plaat die je al een jaar lang klaar had liggen. Hoe voelt het om eindelijk de album release te hebben gehad?
Het is heel gek. Voor mij klinkt Close Eyes To Exit al haast als een classic album omdat ik die al zo enorm lang af had. Dus dan is het wel heel gek om te zien dat mensen nu voor het eerst mijn nummers horen. Maar het is wel ontzettend spannend en cool. Want nu ik mijn werk out there heb, kan ik eindelijk festivals gaan spelen, iets wat je niet kan als je slechts een single uitgebracht hebt. Nu kunnen we eindelijk gaan knallen.”

 

Klangstof live zien? De band speelt vrijdag 7 april op Motel Mozaique!

 

Om maar even met de deur in huis te vallen: je komt uit Nederland, bent naar Noorwegen verhuisd, hebt daar muziek gemaakt, bent terug naar Nederland gegaan om te auditeren voor een band, hebt daar vervolgens een eigen band van gemaakt om daar dan weer een Noorse band van te maken. Hele mondvol dus, hoe klinkt die samenvatting in jouw oren?
“Haha, dat klinkt als heel veel dingen in een heel korte tijd. Maar in mijn hoofd was het helemaal niet zo druk geweest. Dat ging allemaal vrij natuurlijk. Ik studeerde in Noorwegen en dacht opeens ‘fuck, ik haat studeren. Weet je wat? Ik ga muziek maken.’ Vanuit daar ben ik auditie gaan doen bij Moss. Dat was al een kleine droom die uitkwam, maar ik realiseerde mij na een tijdje ook dat ik liever zelf muziek wilde maken. Zo ben ik op een laag pitje voor mezelf begonnen. Ik begon super ambitieloos, maar naarmate er wat liedjes ontstonden dacht ik: ‘wow, niet verkeerd’. Toen ik ineens een email kreeg waarin stond dat mijn label Mind Of A Genius een wereldwijde deal met Warner Bros. voor mij had geregeld, nam ik de stap om mij volledig op Klangstof te focussen.”

 

 

Het gaat nu allemaal best hard. Voelde je ook een extra druk tijdens het maken van het eerste album?
“Het grappige is: ik heb die eerste plaat vrij pretentieloos gemaakt. Ik moest niets en niemand zat mij op de hielen. Dat maakte het wel makkelijk, want ik was ‘m gewoon voor mezelf aan het maken. Dus ik heb heerlijk kunnen schrijven. Maar nu merk ik ineens dat, bijvoorbeeld bij live-shows, een team van driehonderd man komt aanzetten die allemaal hun plasjes eroverheen willen doen, en dan moet je ineens rekening houden met wat de baas in Bangladesh er allemaal van vindt. Dat vind ik soms best kut. Omdat ik echt zelf wel dingen vind en ook wil.”

Denk je dat het door de spotlights nu moeilijker wordt om een tweede album te maken?
“Het wordt wel anders, ik heb altijd gedacht dat ik muziek maak voor mezelf. Maar je merkt nu dat zodra je fans krijgt en bij een label zit, iedereen iets van je verwacht en wil. Dan wordt het ineens heel moeilijk om eigenwijs je eigen ding te doen, terwijl dat wel weer typisch is wie ik ben. Maar je kunt het niet loskoppelen, want onbewust ben je altijd bezig met wat andere mensen ervan vinden. Dus het wordt wel anders, maar of dat goed of slecht uitpakt weet ik niet. Ik heb nog nooit met die druk een plaat gemaakt.”

 

 

Over druk gesproken: dat jullie veel met Radiohead worden vergeleken is een feit. Hoe sta jij daar zelf in?
Het is een groot compliment, dus aan de ene kant vind ik het niet erg, maar ik hoop dat ik er na de derde plaat wel vanaf ben en gewoon Klangstof ben. Het is nogal nietszeggend omdat Radiohead muzikaal overal is geweest. Als je vergeleken wordt met The Beatles dan denk je: ‘oh die band gaat zo klinken’, maar als je een band vergelijkt met Radiohead kan het nog steeds van alles zijn. Maar je weet als nieuwe band dat je in een hokje wordt gestopt, want je moet vergeleken worden met iets. Dus dan liever met Radiohead dan met elke andere band.”

Klangstof is eigenlijk een beetje Koen. De plaat heb je in je eentje geschreven en de band heb je ook zelf samengesteld. Vind je het dan ook moeilijk je muziek over te laten aan de bandleden?
“Eerlijk gezegd vind ik het nu wel fijn. Ik heb de Klangstof-plaat deels geschreven met Finn, Michiel en Wubbo. Dat was voor mij al best wel vertrouwd terrein, aangezien ik samen met hen in Mossheb gespeeld en ook heel even in Klarälven. Toen we uit elkaar gingen, heb ik ongeveer vier à vijf maanden naar een nieuwe band gezocht. Het voelde echt alsof ik een beetje aan het muzikanten-tinderen was. Gewoon omdat ik vind dat een band een verlengstuk moet zijn van je eigen hoofd, maar dan beter. De drummer kan bijvoorbeeld beter drummen dan ik en de toetsenist kan beter synth spelen dan ik, maar ik wil wel dat zij hetzelfde denken als ik. En om die mensen te vinden ben je best lang bezig. Je moet ze tenslotte goed leren kennen en weten wat ze willen om samen een goede band te vormen.”

 

“Het voelde echt alsof ik een beetje aan het muzikanten-tinderen was.”

 

Je bent flink gaan schuiven met bandleden, maar jij bleef het blijvende punt waar alles steeds omheen bewoog. Is Klangstof nog steeds jouw product of is het een band?
“Ik probeer het wel echt te zien als een band. Ook tegenover de band zelf, omdat ik ook wel zie dat zij weten wat we moeten doen en wat ik voel en wil. Voor mij voelt het dus wel als een band, ook al heb ik de eerste plaat nagenoeg alleen gemaakt. Op het podium is dat anders. Wanneer de drummer bijvoorbeeld vindt dat we op een bepaald moment een ander nummer moeten spelen, doen we dat gewoon. Ook kijken ze niet naar me op of spelen ze de plaat exact na zoals ik die heb gemaakt. En dat vind ik tof, wanneer je de vrijheid deelt om zo te spelen. Dan zijn we wel echt een band.”

Je hebt er ook voor gekozen twee Noorse muzikanten in de band te betrekken. Noorwegen blijft dus wel bij je plakken, hoe komt dat zo?
“Daar zit best een grappig verhaal achter. Ik heb namelijk met die jongens in mijn allereerste bandje gezeten, genaamd Stereo Bullet. We probeerden echt heel erg een foute indieband te zijn en we hebben zelfs nog in de lokale Grease-musical gespeeld, haha. We waren vijftien en het klonk helemaal nergens naar, maar voor ons was het heel cool. En stiekem hadden we altijd aan elkaar beloofd dat als het er ooit van zou komen, dat we weer samen zouden spelen. Dus eigenlijk heb ik hen gekozen omdat ik mijn allereerste liedjes heb met deze jongens heb geschreven. Maar daardoor voelen zij ook precies aan wat ik voel, omdat we samen dit proces ooit zijn aangegaan. En dat gevoel is nu weer precies hetzelfde. Als ik met hen in de studio zit, is het nog steeds alsof we vijftien zijn en geen idee hebben wat we aan het doen zijn, maar dan nu on the next level. Dat is heel speciaal.”

 

 

Helpt het feit dat ze Noors zijn bij de sfeer van de muziek die je wilt scheppen?
“Ik denk het wel. Toen ik hen naar Nederland wilde halen realiseerde ik mij wel dat het wel een dingetje zou zijn, gezien ik die jongens zou moeten onderhouden omdat ze hier geen baan konden krijgen. Maar ik had gewoon heel sterk het gevoel dat ik dit soort talent niet in Nederland kon vinden. En het zit ‘m inderdaad ook in dat Noorse sfeertje, wat mensen toch wel tof vinden. Ik weet niet of dat alleen in de muziek naar voren komt of dat het iets is wat je hebt als je Noors bent. Maar ik denk wel dat, als ik vroeger niet naar Noorwegen was verhuisd, dat ik ook niet dit soort muziek had kunnen maken. In Noorwegen is het ook helemaal niet zo speciaal wat we doen, terwijl wij hier in Nederland en Amerika toch anders klinken. Er zit daar iets in het water waardoor je vage shit gaat maken.”

 

“Wij zijn de eerste Nederlandse band ooit om daar te mogen spelen, dus dat is best wel een dingetje.”

 

De tracks zijn ontzettend sfeervol en filmisch. Wanneer ik aan het luisteren ben, krijg ik een beeld in mijn hoofd van een prachtig landschap. Heb je dat ook als je aan het schrijven bent?
“Ja, op een bepaalde manier wel. Maar als ik aan het schrijven ben, ben ik sowieso de vaagste persoon ter wereld. Je kan dan niet met me praten, ik kan niet eens in de studio zitten! En op de een of andere manier komt er altijd wat anders uit dan couplet-refrein-couplet-refrein. Er vormt zich altijd wel een dynamische opbouw van zes minuten lang. Simpelweg omdat ik puur in de muziek aan het bouwen ben, in plaats van dat ik bewust hier of daar een couplet schrijf. Daar ben ik helemaal niet mee bezig. Dus van dat landschap: ja, ik denk dat daar wel wat in zit.”

 

 

Deze zomer hebben jullie onder meer een plekje bemachtigd op Amerikaans mega-festival Coachella. Dat is wel wat anders dan Paradiso Tolhuistuin?
“Ja, ik kan echt niet wachten. Wij zijn de eerste Nederlandse band ooit om daar te mogen spelen, dus dat is best wel een dingetje. Het is ook iets waar we het veel met ons label over gehad hebben, maar waar ik nooit echt van dacht dat ze het zou lukken. Dus dat het gelukt is, is wel echt tof.”

Jullie zijn aan het touren met Jagwar Ma, spelen binnenkort op Motel Mozaique en de festivalzomer ziet er veelbelovend uit nu zelfs Nederland al te klein voor jullie lijkt te worden. Gaat Klangstof de muziekscene veroveren?
“Ja. Ik hoop van wel.”

 

 

 

WEBSITE MOTEL MOZAIQUE: http://motelmozaique.nl/festival/
FACEBOOK-EVENT: https://www.facebook.com/motelmozaiquefestival/

 

 

RISE FROM THE DEAD! De oproep scheert met banale galm door de ether op single Get Up. Een emmer ijswater in het gezicht van Jamie Stewart. De instinctieve stuip die volgt heet Forget en is Xiu Xiu’s veertiende plaat. Een album dat met bijna conventionele swing het afgefakkelde Angel Guts: Red Classroom en Plays Twin Peaks achter zich laat.

 Een mens zou haast vergeten dat Jamie Stewart ook maar gewoon een 39-jarig wezen van vlees en bloed is. Bovendien en volgens eigen zeggen ‘the most boring dresser of all time’. Huidig signalement: een zwart Americal Apparel-shirt, zwarte Uniqlo-broek, vrolijke Happy Socks en zwarte Vans. Stewart: “Zelfs mijn onderbroek is saai. Donkergrijs of zwart.”

Een omschrijving van een dag in het leven van de muzikant klinkt ongeveer zo. “Gisteren [22 februari, red.] werd ik om zes uur ’s ochtends wakker in Belfast. Ik nam een douche en kamde mijn haar. In de taxi naar het vliegveld om het vliegtuig naar Berlijn te pakken. Toen in de taxi naar vrienden van mij, Susanne en Marc. Geluncht met z’n drieën en gesproken over een serie concerten die we in de herfst willen gaan doen met Jonathan Berger, Xiu Xiu en Phil Collins. Vervolgens een berg email weggewerkt. Daarna ben ik naar de winkel gegaan, Susanne kocht groenten en maakte het avondeten. Toen hebben we het opgegeten, dronken een beetje whiskey, spraken nog wat en daarna viel ik in slaap. Een leuke dag, wel.”

En nu dan? “Op het moment bevind ik mij op de achterbank van de promotor uit Leipzig, Toby. Lawrence English zit voorin. We rijden van Berlijn naar Leipzig voor een HEXA-show, de band van Lawrence en mij. Als ik uit het raam kijk, zie ik de autobahn.”

 

 

Nu, die bruine drumcomputer
Stewart: “Forget is uit de handen van een muze gekomen. De muze van het muzikale universum. Ze was niet zo specifiek als ‘USE THE BROWN DRUM MACHINE NOW’, maar gaf ons meer aanwijzingen: niet te moeilijk doen, minder nadenken, meer luisteren. Eerdere platen zijn ontstaan vanuit het werken met restricties maar deze viel achterwaarts in the void en kwam er weer uit met antwoorden. Ik weet dat het belachelijk klinkt.”

“Het album Angel Guts: Red Classroom was extreem geïnspireerd door de omgeving waar ik mij op dat moment in bevond: Los Angeles. Door de achterbuurten, de stress. Forget is grotendeels een interne reis. Nieuw voor mij, want tot zover was alles van Xiu Xiu meer een reactie op heel specifieke gebeurtenissen dan op datgene wat zich achter mijn oogleden afspeelt.” Maar een behoorlijk rechtstreeks, zelfs ronduit swingend nummer als Wondering, is dus niet zo eenvoudig uit te leggen. “Nee. Geen idee. De emoties zijn absoluut geworteld in een definitieve, aardse werkelijkheid, maar het narratief van het nummer is iets waar ik eigenlijk niet bij kan. Misschien met een gebed en een kaarsje.”

Greg Saunier, John Congleton
Zodra er gevraagd wordt naar de samenwerkingen op Forget, laait het enthousiasme op bij Stewart. “Greg (Deerhoof, red.) en John (producer van o.a. SUUNS, The Walkmen, War on Drugs, red.) hebben een onmisbare rol gespeelt op Forget. Opmerkelijke muzikanten, allebei. Ik denk dat Greg ongeveer acht van de vocale melodieën heeft geschreven voor dit album. Waarbij hij luisterde naar de nummers die ik al had gemaakt, vrijwel direct neuriet Greg daar dan vervolgens een melodie bij. John veegde de nummers schoon, zette de arrangementen op hun plek en zorgde ervoor dat de sonische, emotionele kern van het nummer tevoorschijn kwam.”

Vergetenis
In het persbericht wordt Jamie Stewart gequote: “Aan de ene kant maakt het ruimte voor wedergeboorte. Iets nieuws, maar tegelijkertijd beperkt het om vast te houden aan wat dierbaar is.” Er is pathos, zonder meer. Op de vraag hoe persoonlijk deze observatie is, komt een een bondige aanvulling. “De afgelopen twee jaar zijn mijn hart en hoofd drastisch veranderd – zowel positief als negatief. Ik bevind mij in een tijd waarin ik probeer bepaald gedrag af te leren en in plaats daarvan iets anders te zoeken. Daar heb ik ook hulp bij gehad.”

“Of ik nog weleens teruggrijp op het Xiu Xiu-verleden? Niet echt. Mijn oude Xiu Xiu-platen zijn documenten van de tijd waarin ze zijn gemaakt. Ik luister ze eigenlijk nooit terug, behalve als ik nummers leer voor een tour. Soms, als ik superdronken ben, dan luister ik naar wat dingen op het internet en dan voel ik mij stom en ga ik maar slapen.”

 

 

LIVE-DATA
24 meiBitterzoet, Amsterdam

 

Alsof het nog niet lang genoeg geleden was dat Port Of Morrow uitgekomen was, werd de release van het nieuwe album van The Shins vorig jaar uitgesteld. De reden was een poging van label Columbia om de band op een mooie plek op Coachella te krijgen, zo bevestigde meesterbrein James Mercer. Toen de naam van de formatie uit Albuquerque, New Mexico (nu gevestigd in Portland, Oregon) begin dit naar niet op het affiche prijkte, brak de paniek uit. Kwam die plaat er nog wel? Ja, Heartworms komt er. Op 10 maart om precies te zijn. Het is The Shins’ beste tot nu toe. Althans, als we James Mercer himself moeten geloven. 
 
“Ik heb het altijd fijn gevonden als een kluizenaar te werken” 
“Soms is het moeilijk om na zo’n lange tijd weer terug te vallen in de instincten die je ontwikkeld hebt,” vertelt de veertiger vanuit New York. “Ik heb me deze keer echt gedwongen nieuwe richtingen te verkennen. Dat was niet altijd makkelijk, omdat sommige mensen om me heen het niet met die richtingen eens waren, maar ik denk dat ik uiteindelijk heb bereikt wat ik wilde bereiken.” De eerste stap in die richting zette Mercer met single Dead Alive, dat vorig jaar met Halloween verscheen. In de video voor dat nummer herrijst de band letterlijk uit zijn graf. Het gevoel dat het nieuwe album Mercer opleverde is vergelijkbaar, zegt hij: “Ik identificeer me niet per se met het woord ‘herrijzenis’, maar het voelt wel als een soort wedergeboorte. Het hele proces is een soort inwaartse reis waarin ik mezelf kan bevrijden en helemaal kan opgaan in mijn eigen creativiteit.”  

Die scheppingsdrang was de afgelopen jaren zo groot dat Mercer zich niet beperkte tot muziek. “Ik ben veel bezig geweest met schilderijen en collages de afgelopen jaren.” Voor die laatste hobby, ook terug te zien op de hoes van nieuwe plaat Heartworms, ontwikkelde de Hawaiiaan zelfs een eigen app. “Klopt, hij heet Pasted! Ik was ooit in een bar waar een prachtige collage met oude foto’s van mensen hing. Ik vroeg me af waarom we zoiets eigenlijk nog niet met onze telefoons konden maken door middel van gezichtsherkenning. Alle apps die ik kon vinden zetten de foto’s gewoon in een soort rooster. Daarom besloot ik samen met een oude vriend die programmeur is de app die ik wilde zelf te maken.” 
 
Mercer liet muziek niet  helemaal links liggen, overigens. Vanaf 2009 vormt hij samen met producer Brian Burton, beter bekend als Danger Mouse, het duo Broken Bells. “Vooral in de ritmesectie heeft dat de nodige invloed op het nieuwe album gehad, denk ik. Ik heb me meer dan ooit geconcentreerd op de drumsound. De reden daarvoor is de prominente rol die dat element vervult in Brians werk. Toen ik nieuwe nummers voor The Shins begon te schrijven, miste ik dat.” Wennen dus, om weer alleen te werken? “Dat valt mee. Ik heb het altijd fijn gevonden als een soort kluizenaar te werken. Om de een of andere reden ben ik creatiever als ik alleen ben en alle tijd heb om alles te overdenken. Waarschijnlijk is dat waarom er steeds zo lang tussen de albums zit, haha.” 


 
“Ik werd heel ongerust toen ik vader werd” 
Een andere reden voor het gat tussen Port Of Morrow en Heartworms is Mercers privéleven. Daarin – zoals tegenwoordig meer uitzondering dan regel lijkt – geen hartzeer of andersoortige ellende, maar gezinsgeluk. Mercer is al ruim tien jaar getrouwd en heeft drie dochters. Dat drietal vormt een belangrijke inspiratiebron voor The Shins’ recente werk. “Ik denk dat mijn kinderen op Port Of Morrow al een belangrijk onderwerp waren, maar op een heel donkere manier. Het is best een schok als je kinderen krijgt. De wereld waarin je leeft verandert ineens in een soort hel. Alles lijkt gevaarlijk. Ik werd heel ongerust over de toekomst toen ik vader werd.” Hoewel dat anno 2017 niet vreemd lijkt, is Mercer er op Heartworms juist optimistischer op geworden. “Ik ben nu wat luchthartiger, denk ik. Mijn drie dochters zijn de reden waarom Name For You een soort feministische hymne geworden is.”  
 
Die dochters zijn ook de reden voor een aantal praktische veranderingen binnen het sterrenstelsel van The Shins. Mercer schreef het grootste deel van Heartworms ’s ochtends aan de ontbijttafel onder het genot van een eerste kop koffie. “Ik was veel creatiever in die vroege uurtjes. Onze jongste dochter is nu twee, maar ze was pas zes maanden toen ik dit album begon te schrijven, dus ze werd vaak vroeg wakker.” Ook de andere Mercer-dochters, die een stuk ouder zijn, hadden de nodige aandacht nodig. “Ik kleedde hen aan, smeerde hun boterhammen en bracht ze naar school. Daarna had ik eindelijk tijd voor mezelf. Ik schreef thuis, nam mijn ideeën op en bracht die uiteindelijk mee naar de studio.” Niet alleen binnen de studio, maar ook daarbuiten heeft Mercers gezinsleven zijn muzikale bestaan beïnvloed. “Het is tegenwoordig moeilijker voor me om uitgebreid te touren. Ik mis mijn familie en mijn familie mist mij. Het is best veel werk om drie dochters op te voeden en ik kan daar minder aan bijdragen dan ik zou willen als ik op reis ben. Mijn uren zijn niet die van een doorsnee vader, maar we gaan proberen de meiden wat vaker mee op tour te nemen dit keer.”

 

“Het is best veel werk om drie dochters op te voeden en ik kan daar minder aan bijdragen dan ik zou willen als ik op reis ben.”

 
Het moge duidelijk zijn dat The Shins al een tijdje meedraait. “Ik begon onder die naam liedjes te schrijven in mijn slaapkamer in 1996. Gek dat het al zo lang geleden is.” De inmiddels 46-jarige Mercer, die daarvoor al in de band Flake Music speelde, heeft dan ook de nodige veranderingen binnen de muziekindustrie meegemaakt. “Toentertijd had je nog megasterren die albums maakten waarvan in de eerste week 10 miljoen exemplaren verkocht werden. Ik was niet echt deel van dat wereldje, maar we wisten wel dat het bestond.” Ongeveer vijf jaar nadat Mercer de basis legde voor The Shins, begon hij dat soort succes wél te benaderen. Van zijn debuut Oh, Inverted World (2001) gingen meer dan een miljoen stuks over de toonbank. 
 
“Ik had in eerste instantie helemaal geen toegang tot zulke labels,” herinnert Mercer zich. “Dat veranderde toen we in het voorprogramma van Modest Mouse speelden.” Frontman Isaac Brock raadde The Shins aan bij Jonathan Poneman, de baas van Sub Pop, een label dat een decennium eerder opzien had gebaard met de grungerock van Nirvana, Soundgarden en Mudhoney. “Zeke Howard, de vriend met wie ik nu die app gemaakt heb, slaagde er uiteindelijk in Jonathan een cd’tje dat ik thuis gebrand had te geven.” Poneman bezocht in 2000 The Shins’ show met Modest Mouse in San Francisco en vroeg de band bij te dragen aan de Single of the Month Club van het label. New Slang (waarover later meer) was de inzending van de band, die van Poneman groen licht kreeg voor een volledig album. Niet alleen de ‘ouderwetse’ industrie speelde een rol in de doorbraak van The Shins, stelt Mercer: “Napster was heel belangrijk voor ons. Omdat die cd in omloop gekomen was, dook onze muziek daar op en groeide onze achterban op een heel organische manier. Binnen een paar maanden luisterden ineens dertigduizend mensen naar onze muziek. Je zag toen de eerste symptomen van streamingdiensten zoals ze nu bestaan.”  

 
“We wilden niets moderns maken” 
Er is in ruim twintig jaar meer veranderd. De bezetting van de band waarmee Mercer zich omringt, bijvoorbeeld. Vijftien verschillende muzikanten werkten mee aan The Shins, de oprichter zelf is de enige die er sinds 1996 bij is. Drummer Jesse Sandoval en toetsenist Martin Crandall (die ook lid waren van Flake Music) waren lang stamgast, maar in 2008 besloot Mercer na de release van Wincing The Night Away het roer om te gooien. Sandoval, Crandall en gitarist Dave Hernandez, die als frontman van punkband Scared of Chake veel met Flake Music had gespeeld, vertrokken (lees: werden ontslagen), toetsenist Eric Johnson volgde twee jaar later. “De belangrijkste reden daarvoor was dat we simpelweg uit elkaar waren gegroeid. Als je in je twintigerjaren bent, ga je met mensen om omdat ze dezelfde interesses hebben en naar dezelfde muziek luisteren. Als je ouder wordt, neem je andere paden en gaan de zaken waar je waarde aan hecht van elkaar verschillen. Dat maakt het moeilijk om een vruchtbare relatie te onderhouden.” Op dit moment verkeren alleen gitarist Jessica Dobson en bassist Yuuki Matthews al langer dan een jaar in Mercer’s gezelschap. “Vooral Yuuki heeft veel invloed gehad op Heartworms. Ik begon kort na de tour voor Port Of Morrow met hem samen te werken en hij is heel belangrijk geweest voor het geluid van de plaat. Hij speelt er ook heel veel op. Het voelt sowieso alsof ik weer een échte band om me heen heb.” Matthews is op nog een ander vlak belangrijk geweest voor het eindresultaat. “Ik heb dit keer enorm genoten van het technische aspect van het opnameproces,” vertelt Mercer. “Ik heb me daarin verdiept en heb geïnvesteerd in steeds beter materiaal. Ik ben zelf geen natuurtalent op dat gebied, dus ik heb veel hulp gehad van Yuuki en Richard Swift (oud-lid van The Shins en bassist bij The Black Keys, red.).” 
 
Een zeldzame constante in het muzikale bestaan van Mercer en zijn Shins is de Amerikaanse acteur en regisseur Zach Braff, bij het Nederlandse publiek vooral bekend vanwege zijn rol als John Dorian in de ziekenhuis-sitcom Srubs. In 2004 brak Braff als regisseur door met Garden State, een film waarin hij zelf een rol speelde die gebaseerd was op zijn jeugd in New Jersey. De film won de Grammy voor de best samengestelde soundtrack, mede met dank aan New Slang, dat op zijn beurt met dank aan Garden State uit zou groeien tot The Shins’ grote hit. In 2014 schreef Mercer opnieuw een nummer voor Braff, ditmaal voor diens Wish I Was Here. “Toen Zach me benaderde om met hem aan die film te werken, twijfelde ik geen seconde. Het voelt alsof ik hem iets verschuldigd ben. Het is zo goed voor ons geweest dat New Slang op de soundtrack van Garden State stond.”  

 

 


 
Ook op praktisch vlak bood de hernieuwde samenwerking weinig obstakels. “Toen ik toegezegd had, stuurde Zach me een ruwe versie van de film. Die ging over het gezinsleven en de manier waarop het leven verandert als je probeert het bij te houden. Dat waren thema’s die ontzettend overeenkwamen met mijn eigen leven. Dat raakte me enorm.” Niet veel later vond Mercer tussen zijn opnames een perfect passend nummer: So Now What, dat nu als voorlaatste track op Heartworms staat. “Ik speelde al een tijdje met dat nummer, dus ik herschreef de tekst zodat hij bij de personages uit de film zou passen. We hadden op dat moment wat shows in Groot-Brittannië gepland die uiteindelijk niet door konden gaan omdat het album nog niet af was. Toen we aan het repeteren waren speelde ik het nummer, maar niemand herkende het, terwijl ik zelf vond dat het een van de beste nummers was die ik ooit geschreven had. Toen realiseerde ik me dat ik het op de plaat moest zetten.”  
 
Die plaat is volgens Mercer een voortzetting van de bestaande Shins-discografie: “Ik denk dat er een bepaalde progressie te zien is. Ik ben nu een betere songwriter dan ik ooit geweest ben.” Dat was twintig jaar geleden wel anders, reflecteert de Hawaiiaan zelfkritisch. “Toen ik Oh Inverted World schreef begon ik pas net door te krijgen hoe je liedjes moet schrijven, vooral op tekstueel gebied. Ik denk dat ik daar langzaam maar zeker beter in geworden ben. Het voelt alsof ik nu zelfs beter ben dan ik op Port Of Morrow was, en dat was het beste dat ik ooit gemaakt had.” Het nieuwe Heartworms is dan ook alles dat die vorige plaat niet was. “We besloten al in een vroeg stadium dat we een album wilden maken dat natuurlijk en handgemaakt klonk. We wilden het album bijna mono mixen, op een manier die alle elementen samen laat vloeien.” Als een soort collage dus? “Precies! We wilden niets glads, commercieels of moderns doen, terwijl dat precies was wat we op Port of Morrow wél wilden.”  

Mercer steekt zijn enthousiasme over Heartworms niet onder stoelen of banken; het is overduidelijk dat de Amerikaan blij is om terug te zijn. Op zijn Instagram prijkt een foto waaruit blijkt dat de veertiger, vader van drie, zichzelf niet kon beheersen: Mercer heeft zijn eigen plaat besteld. “Dat is een beetje suf hè? Ik ben er gewoon zo opgewonden over. Ik kan echt niet wachten tot het album uit is. Ik denk dat ik gewoon mee wil maken wat de andere mensen die de plaat hebben besteld mee gaan maken.”  
 
Op 30 maart speelt The Shins in een uitverkocht Paradiso.

Haarlem is een bakfietsmoeder-stad. Gezinnen die niet willen dat hun kinderen in de drukte van Amsterdam opgroeien, maar wel dicht bij de hoofdstad willen wonen. De stad wordt getypeerd door Dille en Kamilleachtige zaakjes en is het toppunt van schattig en pittoresk. Artiesten als Chef’ Special en Roel van Velzen noemen het hun thuisstad. Daar is natuurlijk niets mis mee, maar waar moeten de kids heen die alles tussen ambient-drone en vunzige garagerock willen ontdekken? 

Tekst: Jente Lammerts & Jasper Boogaard

Er is één sleutelorganisatie die van Haarlem een te gekke plek maakt: het platenlabel (en van alles daaromheen) genaamd Geertruida. Wij gingen langs bij de drie labeleigenaren Bert, Yannick en Marijn op de plek waar het allemaal gebeurt: het huis waar het label haar naam aan te danken heeft.

Geertruida is een label begonnen in het huis waar het ook naar vernoemd is. Zo’n zes jaar geleden begonnen drie vrienden met het organiseren van shows, wat later een beetje ‘uit de hand liep’. Haarlem was saai en daar moest wat aan gebeuren. In zekere zin is Geertruida een soort micro-organisme waarin van alles gebeurt: het idyllische rijtjeshuis functioneert als kantoor van het label, een oefenruimte, een podium, een plek waar gesleuteld wordt aan pedalen, een zeefdruk-atelier en als gitaarwinkel (The Sound Lab). Als dat nog niet genoeg is, kun je als band er ook nog slapen in het met Bert en Ernie-lakens opgemaakte bed.

 

The Daily Indie Video: Yung live @ Geertruida

Toonaangevend in Nederland
Met releases van acts als Torii, Floris Bates, Creepy Karpis Those Foreign Kids en Iguana Death Cult is Geertruida er als de kippen bij wanneer het gaat om toonaangevende nieuwe bands in de Nederlandse indiescene. Ook weet Geertruida zich goed te onderscheiden van andere Nederlandse labels door goed te kijken naar interessante acts buiten onze grenzen. Het label is dan ook absoluut niet bang om buitenlandse releases op hun naam te zetten: bands als Häxxan en Spoilers (waarvan we een tijdje terug nog een cassette in het Londense Rough Trades Records vonden) hebben al meerdere releases op het label. Niet alleen bands die iets hebben uitgebracht op Geertruida weten ze te vinden: het gerucht gaat dat niemand minder dan Future Islands en Jaakko Eino Kalevi er hebben overnacht…

 

Concessies doen als label en de hekel aan ‘DIY’ en ‘underground
Iets wat in ons gesprek duidelijk naar voren komt, is dat concessies af en toe gedaan moeten worden. Als klein label met een specifieke smaak – wat vaak inhoudt dat je zonder intenties alleen bands leuk vindt die onder de radar opereren – is het lastig om jezelf staande te houden. Ga je iets uitbrengen omdat je wil dat het gehoord wordt, of omdat het geld oplevert? Veelvoorkomende termen zoals DIY en underground zou je makkelijk op Geertruida kunnen plakken, maar dat komt niet door bewuste keuzes van de drie oprichters.

Support your local scene
Maar waar haalt het trio toch de tijd vandaan? Naast alle in-huis-activiteiten organiseert Geertruida regelmatig concerten in bijvoorbeeld het Patronaat of de vintage curiosawinkel The Irrational Library. Als er een toffe band in het Patronaat speelt, staat er vaak “Geertruida presents” bij en dat is een goede zaak. Voor de muzikale ontwikkeling van jongeren moeten er in elke stad plekken of organisaties zijn die de jongere, alternatieve generatie in een zekere zin opvoedt en een duwtje in de juiste richting geeft. Als het niet aan Geertruida (en ook aan Joshua Baumgarten, de New Yorkse oprichter van The Irrational Library) lag, zou er een stuk minder gebeuren op muzikaal gebied in de stad. Support your local scene, dat is eigenlijk wat de mannen duidelijk willen maken. Misschien gebeurt er op muzikaal gebied weinig in je woonplaats: jammer! Klagen is makkelijk. De boodschap van ons aan jullie dan ook: doe er dan lekker zelf wat aan!

Geertruida volgens hun artiesten
Een label is natuurlijk belangrijk, maar nog belangrijker zijn de artiesten op dat label. We vroegen aan twee van onze favoriete Geertruida-signings wat het label voor hen betekent:

Marnix Visscher (Creepy Karpis)
“Ik denk dat wij als Creepy Karpis rond de tijd van de cassette-release een redelijk losse band waren en een label zochten die dezelfde relaxte sfeer overdroeg en dat Geertruida daarom zo goed bij ons paste. Het zijn gewoon toffe gasten met een duidelijke visie en veel passie, maar zonder het formele. Je hebt niet het gevoel dat je iets uit handen geeft, maar dat je het echt samen doet. Dat sprak ons heel erg aan.”

Domenico Mangione (Torii)
“Het voelt weliswaar lichtelijk cliché als ik het zeg, maar Geertruida voelt voor mij echt als een thuis. Niet alleen doordat Geertruida allereerst ook echt een huis is, maar omdat het label ook fungeert als een stel jolige vaders die net een biertje te veel hebben gedronken en daardoor veel te gezellig zijn. Iedereen is altijd welkom en blijft dan ook, tot Yannicks lichte ergernis, nét iets te lang hangen.”

“Dat Geertruida ook een hostel voor bands is, waar langzamerhand vrijwel alle buitenlandse bands in ons kleine wereldje hebben geslapen, is natuurlijk bijzonder. Het is een sterke demonstratie van hun passie voor muziek en de mensen die het creëren. Geertruida is een onmisbare pilaar van de underground geworden.”

“Ja, het is een klein label waardoor ze niet dezelfde aandacht kunnen vragen als een major label, maar ze staan wel voor artistieke integriteit. Ze zouden ons, Torii, bijvoorbeeld nooit pushen om iets te doen waar we niet voor staan. Geertruida helpt slechts onze artistieke visie uit te voeren en daar kan ik alleen maar ontzettend dankbaar voor zijn.”

 

 

 

Meer van dit soort verhalen blijven lezen? Steun dan het werk van The Daily Indie door lid te worden!
Nu voor maar 10 euro per jaar



 

Na een debuutalbum in 2014 verdwijnt Nouveau Vélo langzaam maar zeker een beetje van onze radar. En precies op het moment dat we ons beginnen af te vragen of de band nog terug zal komen, plopt er een mailtje in onze mailbox van Excelsior: ‘Hey, hebben jullie zin in een primeurtje? Nouveau Vélo komt met een nieuw album en dat willen we bekend gaan maken met een eerste track’. Laat die vraagtekens maar weg, want daar zijn wij altijd voor te porren!

Nouveau Vélo is namelijk niet de eerste de beste band in TDI-geschiedenis: zo interviewden we de band al eerder in 2012 en 2014 en maken we er vandaag dus een regelrechte hattrick van. Graag zelfs, want de Noord-Brabantse band brengt 17 maart hun nieuwe plaat Reflections uit via Excelsior Recordings en die plaat klinkt beter dan ooit, als je het ons vraagt. Om dat te vieren, speelt Nouveau Vélo zaterdag 18 maart zijn releaseshow in het Eindhovense Stroomhuis. We spreken Rolf Hupkes (zanger/gitarist van de band en muziekleraar in het dagelijks leven) om alvast in de stemming te komen voor de plaatrelease. Het is carnaval op het moment van het interview en Hupkes heeft het feest moeten onderbreken voor zijn werk in Amsterdam. Dan maar een biertje in een Mokums cafeetje.

 

 

In 2012 zeiden jullie het volgende: “We zijn een beetje burgerlullen 2.0. Het gaat nu prima en we willen gewoon mooie dingen doen. Dat is het eigenlijk.” Daar is weinig aan veranderd, of wel?
“Nou, we zijn nog wel meer burgerlullen geworden geloof ik”, lacht Hupkes. “Niek (Leenders, gitarist, red.) heeft net een kindje, we hebben vaste contracten en ik heb in de tussentijd een huis gekocht. Dus dat is nog meer burgerlul.”

Al die verantwoordelijkheden hebben jullie in ieder geval niet afgehouden van het maken van een nieuwe plaat?
“We zijn al die tijd op de woensdagen blijven oefenen en we zijn nieuwe nummers blijven schrijven. We hadden verder ook geen haast.”

De nieuwe plaat hebben jullie opgenomen in de Schenk Studio van Jan Schenk in Amsterdam, wat heeft hij toegevoegd aan Reflections?
“Jan is heel erg belangrijk geweest voor deze plaat. We kenden hem al wat langer en hadden hem ook al een tijdje op het oog. Zeker nadat hij voor een show van ons het geluid had gedaan en we de sound in de zaal heel uitdagend vonden klinken. Voor Reflections hebben we toen besloten om voor hem te gaan en te kijken of we samen met Jan een nieuwe stap konden zetten.”

 

“Aan de sound op de nieuwe plaat moet ik nog steeds wel wennen, maar ik kan er nu al een stuk objectiever naar luisteren en het valt steeds beter.”

 

Dat is volgens mij wel gelukt. De plaat klinkt veel cleaner en de rookgordijnen vol reverb, waar jullie nog weleens in verdwenen, zijn opgelost als sneeuw voor de zon.
“Absoluut. In het begin ga je met elkaar zitten en bespreek je wat je wilt gaan doen en daar heeft hij ons ook aan gehouden. Wij hadden nog weleens de neiging om er tijdens het opnemen toch meer reverb over te gooien, maar Jan heeft ons daar toch van weerhouden, waardoor we een goede balans hebben gevonden. Bovendien vond ik het echt ontzettend fijn om het hem samen te werken, in de drie weekenden dat we opgenomen hebben. Niet alleen vanwege hemzelf, maar ook door het keukentje waar je lekker kunt koken en de locatie van de studio, waar je zo naar buiten loopt en allemaal kroegjes hebt. Ook dat is belangrijk.”

Uit dat hele proces is wel echt een andere sound gekomen, waar wij in ieder geval wel echt even aan moesten wennen.
“Dan ben je niet de enige, dat hoor ik van veel mensen en dat hebben wij zelf ook nog steeds! Het was een uitdaging om onszelf daaraan over te geven. Dit geluid was niet precies wat we in ons hoofd hadden voordat we op gingen nemen, maar het is op een of andere manier wel wat we uiteindelijk wilden. Nog steeds hebben we weleens iets van: ‘moeten we nog even terug naar Jan voor wat meer galm op de zang of dit of dat?’ Maar dat is vooral een confrontatie met onszelf. De songs en de nieuwe plaat voelen wel als een sprong in het diepe voor mij. Maar ik neem de sprong wel met vertrouwen.”

 

 

Denken jullie met deze sound een nieuw publiek aan te kunnen boren?
“Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die ons al jaren volgen en die er aan kunnen wennen, of niet. Maar er is waarschijnlijk ook een publiek dat ons juist leert kennen door deze plaat en daar ben ik ook wel benieuwd naar.”

Door het tekenen bij Excelsior zullen jullie ongetwijfeld een nieuw publiek bereiken. Hoe ontstond die deal?
“We hebben met Ferry (Roseboom, een van de oprichters van het label – red.) al contact sinds Daze, maar toen was de tijd daar misschien nog niet rijp voor. Nu hadden we hem weer eens uitgenodigd in de studio, want we willen deze muziek graag aanbieden aan een nieuw en groter publiek. Toen is hij ook een aantal keren langsgekomen om te luisteren en vanuit daar ontstond die samenwerking. Daar zijn we nu ook best wel trots op, al heeft het wel even geduurd om dat durven uit te spreken. Al zijn we minstens zo trots op onze tijd met Subroutine. Die jongens hebben ons wel opgepikt in Eindhoven, zij hebben ons echt verder geholpen en de kans gegevens om te groeien in Nederland. Dat vergeten we zeker niet.”

Waar ben je het meest trots op als je aan de nieuwe plaat denkt?
“Dat is een moeilijke vraag. Ik denk het geheel. De plaat heet Reflections en dat komt naar mijn idee terug in de liedjes, de teksten, het geluid, maar ook in de bandfoto en het artwork.”

Wat hoop je dat het album gaat doen?
“Ik hoop vooral dat we er veel door kunnen gaan spelen!”

Oh?! Ik weet nog wel dat jullie daar eerder redelijk terughoudend in waren.
“Het hoefde eerder inderdaad niet heel erg van ons. Inmiddels hebben we al een tijdje niet gespeeld en hebben we zoiets van: ‘laat maar komen!’ Als het album goed gaat lopen, dan zouden we daar alle drie meer voor openstaan. Ook dat heeft tijd nodig gehad om uit te spreken, voorheen zouden we zo’n ambitie niet zo snel uitspreken.”

Openen die nieuwe nummers en zo’n Excelsior-stempel op je voorhoofd ook nieuwe deuren?
“Dat denk ik wel, ja. We gaan ook met een aantal bands van het label mee op tour binnenkort, dat soort shows komen dan waarschijnlijk toch eerder op je pad. Daardoor gaan we wel een beetje een andere kant op dan voorheen en daar zijn we misschien nog wel wat sceptisch over, maar we zijn ook wel nieuwsgierig naar de reactie van een nieuw publiek op onze muziek.”

 


Na wat uitstapjes naar steden boven de rivieren, wonen de bandleden inmiddels allemaal weer op Noord-Brabantse grond. Vooral voor Hupkes zorgt dit voor ontzettend veel rust en overzicht in zijn leven. De bandleden zijn inmiddels ook de dertig gepasseerd sinds de laatste keer dat we ze gesproken hebben.

Is het leven in Noord-Brabant goed voor jullie gemoedsrust?
“Absoluut. We wilden wat meer levensruimte hebben en we vinden het wel fijn om de drukte zelf op te zoeken. Toen ik in Amsterdam woonde, had ik het voor mijn gevoel altijd druk en daar kwamen de band en alle optredens dan nog bij. Nu ervaar ik veel meer rust als ik thuis ben. Mijn familie woont in de buurt en in het dorp gebeurt verder ook niet zo veel. En vanuit dat punt ga ik dan op zoek naar uitdagingen en dat werkt heel verfrissend. We willen ook weer niet verdrinken in degelijkheid.”

Laten we dan nog maar even een biertje doen.
“Laten we dat doen. Ik zit toch nog in de carnavalssferen, we zijn zaterdag helemaal door het lint gegaan met de band. Op zondag heb ik wel even een paar versnellingen teruggeschakeld, want ik moet vandaag gewoon werken.”

 


Zanger Rolf Hupkes en gitarist Niek Leenders in hun natuurlijk habitat

 

Om in Noord-Brabant te blijven, jullie releasen zaterdag 18 maart je plaat in het Eindhovense Stroomhuis. Ik verwacht geen vuurspuwer of iets dergelijks, maar hebben jullie leuke plannetjes klaarliggen voor die show?
“We hadden aanvankelijk wel een grappig idee, vonden wij. Om ons eigen voorprogramma te zijn met onze oorspronkelijke drummer Twan (Welten, red.) en daarna onze nieuwe plaat te spelen met Hajo (de Reijger, nieuwe drummer, red.).  Maar dat wordt misschien een beetje te gimmicky. Nu spelen Lewsberg én Korfbal met ons de achttiende, wat waarschijnlijk een beter idee is. Los van dat idee hebben we de laatste maanden met name veel gerepeteerd om een goede set in elkaar te steken en de plaat live zo goed mogelijk neer te zetten.”

Jullie hebben inmiddels best wel een flink oeuvre bij elkaar geschreven. Spelen jullie ook nog wat nummers van vorige platen?
“Klopt, we hadden laatst eens al onze nummers op een A4’tje uitgeschreven en dat waren er best veel. We hebben wel gemerkt dat de nieuwe liedjes het beste tot zijn recht komen als we die mixen met de oude liedjes.”

Past alles nog een beetje goed bij elkaar?
“Zeker wel. Live klinken we ook wel wat rauwer dan op de nieuwe plaat, ik vind onze livesound ook wel echt overtuigend. Aan de sound op de nieuwe plaat moet ik nog steeds wel wennen, maar ik kan er nu al een stuk objectiever naar luisteren en het valt steeds beter. Ik kan er wel meer van genieten als ik er naar luister.”

Ik heb het idee dat het proppen wordt in Eindhoven?
“Het is niet zo groot inderdaad. Onze vorige release hebben we daar ook gedaan en dat was uitverkocht. Ik vind het nu alleen wel een stuk spannender allemaal. Dat ligt er misschien aan dat het twee jaar geleden allemaal een beetje om mij heen gebeurde. Deze keer ben ik zelf meer betrokken bij wat er allemaal gebeurt. We zijn het meer aan het opzoeken en daardoor ontstaat er tegelijkertijd meer twijfel. Maar dat is helemaal niet erg, want dat betekent volgens mij alleen maar dat je er veel om geeft en serieus mee bezig bent.”

Nouveau Vélo zijn nieuwe plaat Reflections verschijnt op 17 maart via Excelsior Recordings, op zaterdag 18 maart speelt de band zijn releaseshow in Eindhoven, in het Stroomhuis. Naast Nouveau Vélo spelen ook Lewsberg en Korfbal de achttiende.

 

WEBSITE EFFENAAR: http://www.effenaar.nl/agenda/8714/nouveauvelo
FACEBOOK-EVENT: https://www.facebook.com/events/365896393784279/

 

 

Rolf en uw dienstdoende interviewer in De Plug te Amsterdam.

Temples heeft een nieuwe plaat en die heet Volcano. Het is de langverwachte opvolger van Sun Structures (2014), een album dat de Engelse band destijds direct naar de eredivisie van de indie katapulteerde. Het zette de toon voor de herwaardering van de sixtiesinvloeden, maar er is veel veranderd de afgelopen jaren. The Daily Indie besprak met de band wat dat heeft gedaan met de muziek, en vice versa.

Translatio, imitatio en aemulatio. In de Romeinse tijd, en later in de Renaissance, werden deze drie termen gebruikt om de fases van het proces van het maken van kunst te duiden. Aemulatio, oftewel innoveren, het creëren van iets nieuws dat met de gevestigde orde kan wedijveren, is het ultieme doel, dat wordt bereikt als een kunstenaar na de fases van ‘vertalen’ en ‘imiteren’ van wat er al bestaat boven zichzelf weet uit te stijgen.

We springen in de tijd vooruit, van de Romeinen en renaissancisten naar een druiligere herfstdag, eind 2012. Ondergetekende begeeft zich naar poptempel Paradiso, waar die avond op London Calling Festival een piepjong bandje uit Kettering, Engeland zijn allereerste buitenlandse show zal spelen. Slechts twee tracks waren er online te vinden, maar voor zowel The Daily Indie als voor London Calling-programmeur Ben Kamsma klonken deze zo veelbelovend dat beide niets anders konden dan Temples, want zo heette de band in kwestie, een kans te geven.

 

De band heeft destijds niet eens genoeg geld om toetsenist en gitarist Adam Smith mee te nemen naar Amsterdam, maar James Bagshaw, Thomas Warmsley en Samuel Toms maken tijdens het interview direct indruk. Voor een band met nog geen vijf liveshows op zak, lijken ze verdomd goed te weten waar ze mee bezig zijn. De show die volgt, in de bovenzaal van Paradiso voor een handjevol mensen, bevestigt dat vervolgens op indrukwekkende wijze.

Wat daarna gebeurt, is bekend. Ruim anderhalf jaar later dropt Temples zijn debuut Sun Structures en groeit daarmee uit tot een van de grotere namen van de indie. Het viertal toert vervolgens ruim achttien maanden non-stop en speelt de plaat in elke uithoek van de wereld.

Temples liet zich voor Sun Structures sterk inspireren door de psychedelische sixtiespop van The Hollies en Kaleidoscope. De band voorzag die inspiratie van een eigen, aangenaam nostalgische, barokke sound, waarmee de plaat steevast hoog in de jaarlijstjes eindigde. Temples ging ermee voorop in een retro-revival, die de jaren erna in volle hevigheid losbarstte met bands als Allah-Las, Tame Impala en Jacco Gardner als voorbeelden.

 

Eind 2016, op de dag af exact vier jaar na de eerste ontmoeting, spreken we Bagshaw en Warmsley opnieuw in Amsterdam. De opvolger van Sun Structures heet Volcano en is net klaar. De vraag rijst of Temples in die vier jaar een stap heeft kunnen zetten op de ladder van translatio, imitatio en aemulatio. In 2014 kwam je nog weg met inspiratie van psychedelische sixtiesbands, maar men mag verwachten dat zo’n duidelijk getalenteerde band anno vandaag komt met een vernieuwende, innovatieve sound. Toch?

Zeker is, dat er een stap is gezet. Volcano behoeft niet veel luisterbeurten om dat te beseffen. Openingstrack Certainty laat al dik aangezette synthesizers horen, en zo bevat heel de plaat een groter sonisch palet dan zijn voorganger. Beginpunt van het album was de track Volcano, dat later werd omgedoopt naar Oh The Saviour, vertelt Bagshaw. “Het voelde voor ons niet als een track die erg bij de songs van Sun Structures paste. Veel directer, zowel qua sound als teksten. Na achttien maanden touren, begonnen we een beetje te schrijven. Het was vreemd om opnames in te gaan met één song, zonder duidelijk idee. Maar in het weekend speelden we nog shows en door de nieuwe tracks live te spelen, ontstond een idee over hoe we de nieuwe plaat wilden gaan benaderen.”

 


Instinctief proces
Temples koos voor er bij Volcano opnieuw voor om de productie zelf te doen. Met name frontman en afgestudeerd audiotechnicus Bagshaw is een regelrecht productiefetisjist. De plaat werd opgenomen in zijn eigen thuisstudio, over een periode van ruim een jaar. Platenlabel Heavenly suggereerde een producer, maar na het horen van enkele ideeën bedankte de band daarvoor. Door de sterke focus op productie is Temples niet een band die aan een album begint met een duidelijk idee, of een verzameling songs die klaar zijn om te worden opgenomen, vertelt Bagshaw.

“Het schokt me nog steeds om te realiseren wat een instinctief proces het is. We hebben geen plaatje in ons hoofd tijdens de productie. Er zit ontzettend weinig methodiek achter. We hebben vaak geen idee wat we aan het doen zijn, we weten alleen hoe we willen dat het klinkt. We proberen uit. Dat is hoe het voor ons werkt. Een producer zou te veel structuur aanbrengen in die gecontroleerde chaos. Het is niet zozeer dat we niet open staan om met iemand te werken, er zullen vast mensen zijn die de plaat beter kunnen laten klinken. Maar dan zou het niet meer op onze voorwaarden zijn. Het is soms het ergste gevoel dat er is, maar we zijn geheel verantwoordelijk voor ons album en uiteindelijk is dat het belangrijkste.”

 

 

Nieuwe speeltjes
Volcano is nog steeds onmiskenbaar een Temples-plaat, maar ten opzichte van Sun Structures is hij brutaler en directer, bij vlagen bijna een album voor de dansvloer. Het succes van Sun Structures droeg eraan bij dat Heavenly het volste vertrouwen had in Temples, en de band de tijd gunde om in de studio op zoek te gaan naar het geluid dat Volcano moest krijgen. Bovendien zorgde het voor wat financiële ruimte, dat zich vooral vertaalde in nieuwe speeltjes voor Bagshaw. “Het is alsof je nieuwe kwasten en kleuren krijgt om mee te schilderen”, zegt hij. “Nieuwe synths, compressors en mixers zorgden ervoor dat we meer aandacht konden besteden aan de lage tonen in het spectrum en zo een robuuster geluid konden maken.”

Temples deed in 2015 ook al een elektronische herinterpretatie van de debuutplaat, Sun Restructured. De liefhebberij voor elektronica is er dus duidelijk. Toch is Volcano geen elektronische plaat, verzekert Warmsley. “Er zijn inderdaad synths, maar ook veel meer gitaren op Volcano. Ze zijn wat extremer aanwezig, bigger and balder. Niet om Sun Structures tekort te doen, maar die plaat is gemaakt met een overkoepelend geluid. We geloven dat de individuele nummers op Volcano beter tot hun recht komen. Ze zijn allemaal op zichzelf uniek, met een eigen identiteit.”

“We geloven dat de individuele nummers op Volcano beter tot hun recht komen. Ze zijn allemaal op zichzelf uniek, met een eigen identiteit.”

De naam Volcano, eerst dus de werktitel van Oh The Savior, werd bedacht toen de band aan de voet van vulkaan Mount Fiji in Japan verbleef. Het is een ambigue titel, die de organische, krachtige sound van het album onderschrijft. Ook in teksten en albumcover heeft Temples de mystieke, Bijbelse thematiek van Sun Structures overboord gezet. “Die teksten pasten destijds bij de muziek”, zegt Bagshaw. “Je kunt niet over bierdrinken zingen op een track als Sand Dance. Teksten zijn altijd hard werken, zoeken naar wat past. Maar het is wel waar dat we ons niet meer achter die thematiek hoeven te verschuilen, ja. We zijn concreter. Het zijn geen grootse, filosofische concepten meer. Aan de ander kant ook geen ‘Georgy Formby Kitchen Sink Drama’, hoor. Ergens in het midden.”

 

 

Aemulatio
Met die nieuwe sonische, tekstuele en visuele identiteit van Volcano laat Temples een ontwikkeling zien die met enige fantasie vergelijkbaar is met de stap die Tame Impala zette met Currents: van sterke jaren 60- en 70-invloeden naar een eigentijdser, zelfverzekerder geluid.

Sun Structures werd destijds juichend ontvangen, onder andere met enthousiaste reacties van Johnny Marr en Noel Gallagher. De bandleden van Temples legden die complimenten snel naast zich neer, omdat ze voelden dat die niet volledig aan hen gericht waren. “Inspiratie door sixties pop was het hele punt van Sun Structures”, zegt Warmsley. “Maar het was soms alsof men dat album waardeerde om het concept en de referenties, en niet zozeer om de muziek op zichzelf.”

“Veel bands gebruikten die invloeden toen”, vult Bagshaw aan. “Jacco Gardner hier, Jagwar Ma wat elektronischer… Het voelt alsof we nu wat volwassener zijn geworden. Volcano klinkt meer als onszelf, if that makes sense. Het is veel origineler dan de eerste plaat. Dat is een soort van innovatie, toch?”

 

Daar heb je hem weer: aemulatio. De toegenomen ervaring, de luxe van veel beschikbare tijd en nieuwe technologie, en wellicht ook gewoon de veranderende muzikale invloeden van buitenaf, hebben ervoor gezorgd dat Temples anno 2017 zichzelf heeft kunnen heruitvinden en een zelfverzekerder, meer eigen plaat heeft kunnen maken. De vraag is wat dat op zijn beurt weer met de band doet, of specifieker: met de waardering voor het eigen product en de verwachtingen die dat schept.

Bagshaw: “Wanneer je aan een eerste album werkt, besef je eigenlijk niet hoe briljant dat is. Je kan dat maar één keer doen. En zijn geen regels of verwachtingen, niemand heeft nog iets van je gehoord. Elke song is een introductie in jouw muziek en men luistert ernaar met een zekere vrije geest. Nu luisteren mensen misschien naar de eerste track van Volcano, horen een synth en zetten hem af. Ook al hebben we onszelf geen beperkingen opgelegd, door een tweede plaat te maken doe je dat automatisch, omdat je niet alles overboord kan zetten en ver weg kan gaan van wat je eerder deed. Niet dat we ineens een opera zouden willen schrijven, maar het is wel moeilijk om een nieuwe sound te creëren op de manier die wij willen, zonder de essentie van de band te verliezen.”

Nu luisteren mensen misschien naar de eerste track van Volcano, horen een synth en zetten hem af.”

En daarmee zet Temples, door volledig op eigen voorwaarden te opereren, met de zelfverzekerde, eigen sound van Volcano overduidelijk een stap in de richting van aemulatio. Maar paradoxaal genoeg wordt de band daarbij beperkt door eerder gemaakte artistieke keuzes. Het mag een troost heten dat volgens de renaissancistische maatstaf een kunstenaar die ultieme fase pas laat in de carrière zou kunnen bereiken. Temples komt al op zijn tweede plaat een heel stuk in de buurt.

Onze albumreview van Volcano vind je hier, inclusief de speciale nieuwe ledenactie waarin we de elpee verloten! 

 

 

 

Meer van dit soort verhalen blijven lezen? Steun dan het werk van The Daily Indie door lid te worden!
Nu voor maar 10 euro per jaar



 

Het verhaal achter Baby Galaxy klinkt aanvankelijk alledaags. Drie vrienden uit Maastricht vervelen zich te pletter en besluiten samen muziek te maken om de sleur te ontvluchten. Klinkt bekend toch? Wie het debuut LP Mighty Night opzet, hoort alleen geen luchtige indiepopliedjes die klinken alsof ze met minimale inspanning uit de mouw zijn geschud.

Mighty Night is eerder de muzikale evenknie van een alles scheppende oerknal. Het album vangt ook geen band in complete wasdom. Het is een momentopname van de prille geboorte van Baby Galaxy: drie individuen die nog gejaagd zoeken naar dezelfde creatieve golflengte. Elk liedje voelt alsof je voor het eerst een doldwaze achtbaanrit meemaakt: gitaren in het wilde weg schietend als ongetemde g-krachten, ritmes die retestrak aandrijven tot de apotheose en vervolgens een vrije duikvlucht maken voor de ultieme adrenalinekick.

Je zou bijna nostalgisch worden van het geluid van Baby Galaxy, in het verlengde liggend van gitaarbands als Built To Spill, Superchunk of Sebadoh. Toch klinkt Baby Galaxy niet gedateerd, maar fris, levenslustig en urgent. Het zijn liedjes die het hart als een vuurpijl treffen, net als die eerste bedwelmende liefdeskriebels. Luister bijvoorbeeld eens naar de gouden openingsmelodie van nieuwe single New Flavours, dan begrijp je waarschijnlijk wel wat wij bedoelen.

The Daily Indie schuift aan bij Nick Jongen (zang/gitaar), Robbert Verwijlen (bas/zang) en Kees Berkers (drums) om grondig te praten over het debuut, dat afgelopen 1 maart verscheen bij Subroutine Records.

Het artwork van Mighty Night laat een schilderij zien van een brandende auto langs de snelweg. Een doemscenario voor een band die op tour is. Hebben jullie weleens bijna dood-ervaringen meegemaakt?

Nick: Inderdaad een angstaanjagend scenario, maar niet ondenkbaar. De autobahn is een enge plek. Ik besefte dat voor het eerst op de laatste tourdag van mijn oude band eind 2011. We naderden stokkend verkeerd en minderden vaart. Een onoplettende, bejaarde man had niets in de gaten en reed met Duitse autobahn-snelheid in op onze wagen. Gelukkig schoof hij ons de vluchtstrook op en niet de linkerbaan. We zijn er vanaf gekomen met wat kleine verwondingen zoals whiplashes en een scheurtje in een nekwervel. De auto heeft het helaas niet overleefd.

Sindsdien voel ik mij een stuk minder veilig in auto’s. Zelf heb ik geen rijbewijs. Dit terwijl ik graag voor chauffeur speel, de vervelende bijrijder, als het ware. Het Fischer Price-stuurtje dat mij is beloofd heb ik echter helaas nog niet in ontvangst mogen nemen.

Verder ben ik in mijn dagelijks leven werkzaam als fietskoerier en kom dan regelmatig in gevaar. Soms scheelt het niets. Onlangs ben ik bijvoorbeeld bijna overreden door een lijnbus, omdat ik een voorrangssituatie niet begreep. De buschauffeur dacht dat ik het verdiende te sterven, omdat hij volgens de verkeersregels in zijn gelijk stond. Dus hij weigerde te remmen. Ik kon net op tijd de berm in. Ik ben de bus toen gevolgd tot de volgende bushalte, op de bestuurders raam geklopt en gevraagd waarom hij mij bijna doodreed. Terwijl hij mij van mijlenver had zien aankomen. De man bleek een imbeciel van ongekende proporties en begon te schreeuwen. Een absolute proleet.

Andere noemenswaardige bijna doodervaringen: ik ben als kind bijna verdronken in bad. Ik zat klem in mijn kinderzitje, dat ironisch genoeg verdrinking moet voorkomen. Ook ben ik een keer onder schot gehouden, maar in hoeverre iemand je dan “bijna ombrengt” is discutabel.

 

Het absorberen van flitsende beelden, geluiden en idealen was een van de meest consistente factoren in mijn jeugd.

 

Over de dood gesproken… Het titelnummer Mighty Night lijkt hier expliciet over the spreken: “white light”/”hold your breath and then you’re gone”. Is Baby Galaxy een band van de Grote Thema’s?

Nick: Sinds de opnames van Mighty Night heb ik aan mijn uitspraak gewerkt. De volgende plaat zal beter verstaanbaar zijn, beloofd. De tekst is: a meek one on a white night in the warm glow of the haymarket riots / roll your eyes closed, hold your breath and then you’re gone. Het rollen van gesloten ogen als metafoor voor verborgen bewegingen. Of een geheim ritueel dat men uitvoert om te ontsnappen aan de realiteit. Ik ben een zenuwlijer en ik heb ontelbare tics gehad. Het gevoel dat je losgekoppeld bent en uitvlucht kiest naar de gedachtenwereld, of noodlottig escapisme, dat zijn centrale thema’s op Mighty Night.

De tekst is een collage van referenties naar uiteenlopende literatuur, cinema, televisie (fictie, red.) en mijn persoonlijke beleving. Ik ben als kind opgegroeid voor de televisie. Het absorberen van flitsende beelden, geluiden en idealen was een van de meest consistente factoren in mijn jeugd. Wanneer men iets, in dit geval overdreven fictie, consumeert en dit vervolgens eigen maakt, plant het inspirerende ideeën in je hoofd. Het roept de vraag op in hoeverre iets daadwerkelijk fictioneel is. Vooral als fictie de macht heeft mensen aan te zetten tot alledaagse, echte handelingen.

Deze wereld van fictie die – in mijn beleving een stuk minder grenzen oplegt dan de alledag in Nederland – leerde mij Engels, leerde mij kennis maken met muziek, stelde mijn geest open voor wereldse thema’s. In hoeverre ‘de televisiewereld’ minder grenzen oplegt dan de echte wereld, is natuurlijk discutabel. De televisiewereld is immers gefragmenteerd, internationaal en divers. Maar een boude stelling op zijn tijd kan geen kwaad.

Het uitgangspunt is dat er correlatie plaatsvindt tussen fictie en non-fictie op een dagelijkse basis. Het is aanwezig in de manier waarop ik mijn eigen leven inricht, hoe ik mij verhoudt tot anderen. Mighty Night balanceert op de rand tussen fictie en non-fictie, zoals mijn leven dat ook doet.

Is het schrijven van New Year’s Ease 14/15 ook tijdens een oudejaarsavond ontstaan?

Nick: Ja, op oudejaarsavond 2014/2015. Kees en ik zijn buren. We hadden de avond in zijn woning doorgebracht. Toen ik het vuurwerk rond middernacht aanschouwde, voelde ik mij geïnspireerd en trok ik terug in mijn kamer. Alles leek samen te komen. Onverschilligheid, het onontkenbare karakter van de dood, het leed van anderen, slepende communicatieproblemen met bepaalde mensen, constante blootstelling aan een overvloed van informatie. Ik had een aha-erlebnis. De outro van dit nummer vat een hoop gevoelens uit die periode samen. Of wellicht heb ik het in mijn hoofd verbonden op een manier die nu onlosmakelijk is. Ik kan er heel emotioneel van worden.

Ontlading is een woord dat vaak bij mij opkomt tijdens het horen van de plaat. Hoe belangrijk is humor, of een bepaalde luchtigheid, bij het maken van deze muziek?

Nick: Heel belangrijk, vooral op persoonlijk vlak. Deze band en de muziek die we als collectief voortbrengen is heel belangrijk voor ons. Wanneer iets heel dichtbij je staat is het soms moeilijk om iets helder te waar te nemen. Of de realiteit van een ander te accepteren. Over het algemeen denk ik dat wij hier goed in slagen. Kees is onmisbaar, zoveel is zeker.

Robbert: Muzikaal gezien is de plaat in vrij korte tijd geschreven, met zijn drieën in de oefenruimte. Het is belangrijk dat je je impulsen in de vrije loop kunt laten, zodat je zo creatief mogelijk te werk kunt gaan. Onderling ontstond er dan vaak een melige sfeer. Veel gekloot en domme grapjes, maar je bent jezelf op het gemak aan het stellen, dus het komt het werk ten goede. Voor mij persoonlijk is het niet nodig om in een zwaarmoedige bui te zijn om zwaarmoedige muziek te maken.

Kees: We lachen veel met elkaar bij repetities en vertellen een hoop verhalen. Maar wat muziek maken betreft voelen we ons het fijnst bij redelijk serieuze muziek. Dat betekent alleen niet dat humor geen plek heeft in onze muziek. Tijdens live shows kunnen er in bepaalde improvisatiestukken gekke dingen gebeuren.

Een liedje heet Home Alone I & II. Het klinkt inderdaad alsof het uit meerdere hoofdstukken bestaat. Sommige bands kunnen een liedje schrijven rondom een riff, maar jullie proppen nummers vol met ideetjes, stemmingen en plotse wendingen. Uit welke overwegingen kiezen jullie voor deze manier van schrijven?

Robbert: We zijn niet heel doordacht te werk gegaan. Naïef zou je het zelfs kunnen noemen. Toen wij voor het eerst met zijn drieën samen speelden, ontstond er vanaf het eerste moment al een thema en een drang om daar iets van te maken. Vervolgens zijn we er net zo lang op blijven voortborduren, tot we de vorm van een liedje hadden. Dat is later Home Alone I & II geworden. Onbewust heeft zich zo een structuur gevormd voor het schrijven van muziek: we beginnen ergens en blijven er net zo lang op doorgaan totdat we een vervolg hebben gevonden. Zonder ons te laten afleiden door eventueel andere ideeën. Dat bleek voor alle nummers van de plaat even goed te werken.

Kees: Op de plaat staan de eerste zeven nummers die we ooit samen maakten. Die zijn zo ontstaan omdat we muzikaal nog aan het aftasten waren. Mighty Night is opgenomen in een periode waarin we alle drie veel vrije tijd hadden, en in verschillende oefenruimtes repeteerden. Als je dat een tijdje doet, beginnen de ideeën echt te stromen. Je kunt dan op een goede manier verzeild raken in je creatie. Daarom zitten er in sommige nummers meerdere ideeën, riffs en ritmes. Bij Home Alone is het tweede gedeelte veel later ontstaan omdat we steeds het gevoel hadden dat het verhaal nog niet helemaal verteld was. Je wilt het immers voor jezelf ook interessant houden.

Als Limburgse band lig je geografisch gezien dichterbij Duitsland en België. In die landen heb je een breed netwerk opgebouwd. Hoe ontstond zo’n hecht netwerk bij jullie?

Kees: De meeste contacten komen tot nu toe van Nicks andere band Sleepkit, die geliefd is in Duitsland. Zij hebben door veel optreden nieuwe vrienden gemaakt. Ik heb jarenlang bands geprogrammeerd in het Landbouwbelang, een groot industrieel kraakpand in Maastricht. Daar zijn een aantal leuke contacten met bands en boekers ontstaan.

Nick: Je gaat moedwillig op zoek naar een hecht netwerk. Het overkomt je niet vanzelf. Toen ik op de basisschool zat droomde ik er al van om in bands te spelen, mijn eigen muziek als draagbaar medium te zien verschijnen en op tournee te gaan. Al die dromen zijn veelvuldig uitgekomen. Omdat ik er veel voor heb ondernomen, vanzelfsprekend. In die zin kan men als independent muzikant, middels het gebruik van DIY-ethos, absoluut succesvol zijn. Ik heb het over geld noch beroemdheid, maar over het behalen van persoonlijke doelen.

Een soortgelijk non-financieel succes zag ik bij de Duitse band Trainwreck, toen ik een jaar of vijftien, zestien was. Ze kwamen uit de Duitse grensstad Aken. Het zijn echte antihelden die – naar mijn mening – heldhaftige dingen deden: effectieve muziek maken, platen uitbrengen, toeren in Europa, de Verenigde Staten en Japan… en dit allemaal op eigen kracht. Dit heeft een diepe indruk op mij gemaakt. Het heeft ideeën in mijn hoofd geplant en uiteindelijk ertoe geleid dat ik mij actiever ben gaan engageren in het Europese DIY-netwerk. Dit is een van de belangrijkste dingen in mijn leven geworden.

 

We hebben nooit afgesproken om 90’s indierock te gaan maken. Veel bands waar we mee worden vergeleken ken ik zelfs helemaal niet.

 

In dit artikel van Consequence Of Sound heerst de stelling dat het engagement van rockmuziek nu vooral in pop en hiphop ligt. Gitaarmuziek wordt gemaakt uit nostalgie, dat is de consensus. Ook Baby Galaxy wordt als een nostalgische ninetiesband beschreven. Wat vinden jullie hier zelf van?

Kees: De pop en hiphop van tegenwoordig heeft mij ook wel degelijk in de ban. Er gebeuren daar hele interessante dingen. Veel ‘rockbands’ van tegenwoordig gebruiken ook studiotechnieken en invloeden uit de popmuziek en hiphop. Dat vind ik maar zelden geslaagd. Ik denk dat wij redelijk ongecompliceerde muziek maken: weinig effectpedalen, simpele drumkit. Dat zou je als een typisch 90’s-ding kunnen zien. Maar we hebben nooit afgesproken om 90’s indierock te gaan maken. Veel bands waar we mee worden vergeleken ken ik zelfs helemaal niet.

Nick: Interessante vraag en lastige kwestie. Voor mij persoonlijk staat Baby Galaxy symbool voor iets progressiefs in mijn eigen levensloop, terwijl het in een historische context wellicht als iets stilstaands of zelfs regressiefs kan worden gezien. Deze discussie is heel theoretisch van aard. Een logische tegenvraag zou kunnen zijn: dient muziek theoretisch te worden beleefd?

Maar Baby Galaxy vloeit voort uit het muzikale referentiekader dat we door de jaren, als individuen, hebben opgebouwd. De keuzes die wij maken zijn gebaseerd op het onderscheid maken tussen mooi en lelijk, tussen kunst en kitsch. Dat wij toekomstmuziek maken – een ander uiterste – lijkt me sterk. Maar ik heb wel het gevoel dat wij een bepaalde energie kunnen transformeren tot muziek. Het is iets dat ik ervaar op repetities, in de studio en ook live. En dit staat losser van de algehele historische context… aan welke kant wij ons ook mogen bevinden.

The Daily Indie zocht het geruchtmakende Dokkumse trio The Homesick op in Leeuwarden. Een gesprek over de geschiedenis van het thuisdorp, metal, Jezus en natuurlijk het nieuwe album Youth Hunt, dat op 10 maart verschijnt bij Subroutine Records.

In de Nederlandse muziekindustrie is het normaal dat je imago moet passen bij de muziek die je maakt. Ben je singer-songwriter? Dan zet je een zwarte fedora op en draag je een fluweel vestje. Maak je vunzige rock ‘n’ roll? Draag dan een spijkerjack met buttons… Oja, en gebruik die tondeuse niet al te vaak. Vanaf het moment dat MTV op de buis kwam, is het imago een verlengstuk van popmuziek, en vaak ook vice versa.

 


Op 20 april speelt The Homesick met Nouveau Vélo tijdens een The Daily Indie Presents-avond in Patronaat. Leden van ons krijgen 2,50 euro korting. Lid worden? Dat kan hier!

 

Misschien dat we daarom de afgelopen vier jaar vol fascinatie kijken naar dat groepje kluchtige kids uit Dokkum. Acts als Yuko Yuko, The Homesick, Waterlelyck en (sinds kort) Korfbal brengen in moordend tempo muziek uit. Die broeierige creativiteit lijkt in eerste instantie voort te vloeien uit ultieme verveling. Liedjes worden omlijst door amateuristische VHS clips, met heerlijk willekeurig knip-en-plakwerk.

We gebruiken het woord ‘polder’ vaak om het kneuterige calvinisme in ons kleine landje te duiden, maar om een of andere reden wekken deze boys uit de polder bewondering en ontzag op bij de hippe Randstad-elite. En dan hebben we het niet alleen over de indiekids. Waar komt die bewondering nu precies vandaan? In de videoclip van Boys smijt de band met friet en frikadellen, de bandleden poseren als een hiphopcrew liftend op een vierkante Unimog (lowriders vind je niet in Dokkum). Elias Elgersma, Jaap van der Velde en Erik Woudwijk nemen zichzelf duidelijk niet zo serieus als de meeste ‘serieuze rasmuzikanten’. Soit, het plaatje hoeft ook niet te kloppen.

“Dat viel me op toen we laatst met The Homesick speelden in Ljubljana, tijdens het MENT festival”, vertelt Elgersma. “Ik droeg van die teenslippers. Die heb ik vaker bij optredens aan, want ik vind het dan makkelijker om mijn effectenpedalen te gebruiken. Op een gegeven moment heb ik ze uitgedaan, want een pedaaltje moest ik met mijn tenen indrukken. De persmensen die bij het optreden kwamen kijken hadden het na afloop alleen maar over mijn flip flops. Je ziet vaak dat bands zich graag al aan de verwachtingen van het publiek willen meten. Het is blijkbaar normaal dat zo’n menselijk, praktisch aspect aan een liveshow als ‘opmerkelijk’ of ‘raar’ wordt beschouwd.”

Je zou Elgersma bijna geloven, met zijn knuffelbare Oliver Twist-voorkomen. Bijna. Laten we wel eerlijk wezen: Kevin Shields van My Bloody Valentine heeft nooit met teenslippers opgetreden, en zijn effectenbak is toch wel een stukje uitgebreider dan die van The Homesick. Het siert Elgersma dan wel om de boel aan zijn laars (of teenslipper) te lappen.

 

 

Het punt van kritiek blijft: houdt de band dat imago van ‘slackers uit de polder’ niet zelf een beetje in stand? Zo schets je steeds meer een karikatuur van jezelf, dat nog eens bevestigd wordt door diverse media. De openingszin van deze tamelijk kleurrijke column van Casper Sikkema (VICE) luidt: ‘Wat zit er toch in die frikandellen van de Dokkumse snackbar? Uit de frituurdampen verscheen namelijk Elias Elgersma als de coolste jonge rockgod van het land.’ Bij Roosmarijn Reijmer van 3voor12 kreeg The Homesick zelfs een bord met vette hapjes voorgeschoteld. Wel of niet serieus genomen worden: dat komt natuurlijk van twee kanten.

“Veel interviews met ons waren niet echt van hoge kwaliteit”, vindt Jaap van der Velde, de praatgrage lolbroek van het gezelschap. “We krijgen bijvoorbeeld vragen als: ‘Hoe kom je aan je bandnaam?’ Dan ga je gewoon vanzelf slap mee ouwehoeren. We zijn niet het type band dat serieus ingaat op domme vragen. De makkelijkste manier om promotie voor jezelf te doen, is gewoon door grappig te zijn. Mensen op social media zijn eerder geneigd iets willekeurigs, grappigs of doms leuk te vinden, dan zo’n saaie post, zo van: ‘Kijk, wij zijn een spannende nieuwe alternatieve rockband uit Friesland’.”

Sterker nog, The Homesick voelt zich niet verwant met de verankerde nostalgie in de gitaarmuziek. Ze herkennen zichzelf nauwelijks in veelvuldige vergelijkingen met Britse bands als XTC, Orange Juice of Happy Mondays, iets wat Britse muziekpers graag als referentiekader gebruikt, als een soort misplaatste claim om zichzelf relevant te houden. Elgersma: “Als ik mocht kiezen tussen ‘een cultbandje zijn dat ooit eens een obscure LP heeft uitgebracht’, of uitgroeien tot een radioband die leuke synthpopplaten maakt? Dan lijkt me dat tweede toch vetter! Ik heb alleen niet het gevoel dat ik daar heel erg mijn best voor moet doen.”

Elgersma en Van der Velde zijn eerder gecharmeerd van een Nederlandse hiphopformatie als SMIB, die ze ongeveer drie jaar geleden zagen in de OCCII en De Gym. Lang voordat de Nederlandse muziekmedia SMIB begin dit jaar als dé nieuwe belofte bestempelden. “Dat is een van de meest punke shows die ik in mijn leven heb gezien!”, roept Van Der Velde enthousiast. Elgersma: “Ze worden nu al nagedaan door andere artiesten, terwijl de media er heel moeilijk iets mee kunnen.”

 

 

Van der Velde: ”SMIB heeft ook een heel interessante cultuur om zich heen. Je kunt geen dag door Amsterdam lopen zonder een SMIB-shirt tegen te komen. Kids dragen die merch zonder dat het gepromoot wordt door grote radiostations.” Elgersma: “Nog voordat ze op Noorderslag eerste werden in die ‘wedstrijd’, was SMIB was al een groot undergroundmerk. Hebben ze helemaal zelf gedaan.”

Van der Velde: “Ze zijn een goede variant op die moderne DIY-cultuur. Mensen vinden dat over het algemeen interessant: dat je als een formatie of groep een specifieke afkomst uitstraalt. Dat er duidelijk iets aanwezig is wat ze willen uitdragen. Of dat nu iets is wat je specifiek aan kunt wijzen of een bepaalde sfeer. Dat vind ik heel erg belangrijk. Bij veel mensen straalt Rats on Rafts bijvoorbeeld iets typisch Rotterdams uit.”

The Homesick dwaalt voorlopig niet ver van thuishonk Dokkum, want dat biedt de band juist een uniek perspectief. Je hebt gitaarbands die het prima vinden om te zingen over bier drinken en meisjes versieren, dergelijk hedonisme. Maar bij The Homesick klopt dat plaatje niet. Is die lolligheid niet stiekem een Trojaans paard om iets diepers naar de luisteraar te communiceren? Het eerste liedje dat The Homesick uitbracht, heet Cut Your Hair. De luie observant ziet misschien als een onschuldige knipoog naar het gelijknamige liedje van Pavement. Maar is het wel zo onschuldig? In het openingscouplet zingt Elgersma: ‘Just like my generation / Drowning in information.’ Dat klinkt niet bepaald lollig.

Van der Velde haakt in: “Dat was oorspronkelijk een grap van een vriend van ons. Hij zei tegen ons op een gegeven moment: je moet helemaal geen Facebook nemen, want daar wordt allemaal nepnieuws en valse informatie verspreid.” Maar neem dat eerste couplet er nog even bij: je haar knippen, dat was conform in de jaren zestig. Rock ‘n’ roll was toen kunst van de duivel. Legt Elgersma dit hier niet gewoon een slim parallel tussen de emancipatie van de babyboomer en die van de internetgeneratie?

Elgersma: “We hebben best wel vaak te horen gekregen tijdens interviews, dat wij in oude teksten termen als wifi en andere internetgerelateerde dingen noemen. Alsof we anti-social media-teksten zouden hebben, terwijl we juist er een beetje de spot mee drijven. We zijn er helemaal niet op tegen, we omarmen dingen als Facebook juist heel erg.” Grap of niet: Cut Your Hair is een knap staaltje songwriting met meerdere lagen, eentje waar ook Stephen Malkmus van kan blozen. Niet slecht voor een eerste liedje dat je als band op Bandcamp sodemietert.

 

 

 

Nepslackers
Een botte conclusie lijkt: The Homesick is niet een stel slackers dat willekeurig dwars of ironisch probeert te doen. Deze jongens weten alledrie heel goed hoe ze dat lollige imago in hun voordeel kunnen uitspelen. Het stelt ze juist in staat om scherpe contrasten te scheppen, om als een duveltje uit het doosje te kunnen verrassen. St. Boniface, de eerste single van het komende debuut Youth Hunt, is het eerste bewijs. Het nummer snijdt een oase van stemmingen en gedachtewisselingen aan: dat prachtige, contemplatieve gitaarlijntje smelt feilloos om tot grillige postpunk, met het machinale slagwerk van Erik Woudwijk als onwrikbaar fundament. Van der Velde neemt de eerste helft zang voor zijn rekening en geeft het estafettestokje halverwege door aan een manische Elgersma: ‘Where’s my faith!?’ Zelfs voor iemand die de façade van The Homesick in de smiezen dénkt te hebben, slaat die Preoccupations-waardige climax in als een moker.

De materie achter het nummer is zwaar: St. Boniface refereert naar de moord op St. Bonifatius, een Engelse missionaris die de Friese Heidenen, die geloofden in de Noorse mythologie, het woord van de (christelijke) God wilde toedelen. Dat leverde nogal wat wrijving op. De heilige eik van de Friezen werd doormidden gehakt. Dat liep niet al te best af voor meneer Bonifatius. Het schijnt dat hij aan zijn einde kwam toen hij tevergeefs met een bijbel een messteek probeerde af te weren. Poëtisch is het wel, in al zijn wrangheid.

Het kan nog dubieuzer: in het nu hoofdzakelijk christelijke Dokkum zijn diverse monumenten naar St. Bonifatius vernoemd. “Mensen beseffen dat niet, want Dokkum is bijna uitsluitend een christelijk dorp”, reageert Van der Velde. “Dus ze eren hem omdat hij uiteindelijk het christendom hierheen heeft gebracht. Achteraf is dat een raar gegeven: dat een gast hier komt, de boel hier verneukt en dan tóch vereerd wordt als een toeristische attractie.” Elgersma: “Je hebt dat wel op meerdere plekken. Elke stad moet zijn mascotte hebben.” In Den Bosch is dat bijvoorbeeld een radicaal figuur als Jeroen Bosch, in Rotterdam is Jules Deelder nog springlevend. “Misschien hebben ze in Dokkum ooit bedacht: dít wordt ‘m! Het was natuurlijk een calvinistisch bolwerk, dus ze moesten nog een christen aankaarten als mascotte, denk ik.”

Drummer Erik Woudwijk, de stille kracht van The Homesick, vat deze kwestie het beste samen: “Het is gewoon iets dat bij Dokkum hoort.” Wat lang geleden is gebeurd, wordt steeds onbewuster onderdeel van het alledaagse, stelt hij. Woudwijk schuilt zijn gezicht tijdens het gehele interview onder een donker petje. Af en toe moet ondergetekende onder de zwarte schaduw over zijn ogen kijken om te controleren of hij niet stiekem tijdens het gesprek zit te slapen.

Het zijn alle drie sterke persoonlijkheden, die jongens van The Homesick. Naast Van der Velde de clowneske grapjas en Elgersma de sofistische dromer is Woudwijk een nuchtere pragmaticus. Als Elgersma stelt dat hij het jammer vindt dat je – in tegenstelling tot de hippies en punkers – je niet meer kunt afzetten tegen je ouders, neemt Woudwijk eventjes de taak van journalist over met gezonde scepsis: “Ik geloof niet dat je dat écht jammer vindt.”

 

 

Cultuurclash
Youth Hunt is vernoemd naar een opgeheven metalband (en vrienden van The Homesick) uit Dokkum. “Het was meer een soort artistieke punkband”, corrigeert Van der Velde. De discussie slaat al snel om naar de wonderlijke wereld van metal: wat is nu wél metal en wat niet? Van der Velde: “Mijn oma komt uit een groot gezin, met veel broertjes en zusjes, waar ze veel rock ‘n’ roll luisterden. Soms hadden ze van die grote schuurfeesten. De ouders stormden dan woedend naar binnen. Ze vonden dat het satansmuziek was. Ik vind het heel cool dat dat toen nog kón. Dat er ‘verboden’ muziek bestond die absoluut niet christelijk was. Dat gebeurt alleen nog maar bij metal. Je hebt in Dokkum een metalfestival genaamd Dokk’em Open Air. Dan rijdt er een grote bus door het dorp met een boodschap in koeienletters: ‘Jezus zegt: keer de rug tegen dit festival.’ Dat soort dingen.”

Metal is nog steeds ‘een dingetje’ in Dokkum, aldus Van der Velde: “Op een gegeven moment zijn heel veel van dat soort subculturen verdwenen. Je kunt tegenwoordig naar EDM en hiphop tegelijk luisteren. Maar metal staat er nog echt naast.” Het genre zit stevig geworteld in de Noorse mythologie, dus misschien hangt de strijdersmentaliteit van die Friese Heidenen nog een beetje in de lucht. Elgersma vergelijkt de metalcultuur heel scherp met voetbalcultuur: “Bij voetbal ben je ook voor een club. Die club draag je in je hart. Je draagt het altijd uit naar je medemens.”

“Metal is heel religieus van oorsprong”, vult Van der Velde aan. “Dat vinden wij alledrie boeiend en vet aan metal. Als je naar de underground of mainstream kijkt, hangt het per plek af of het wel of niet hip is. Maar als er een metalband in Dokkum speelt, dan komen liefhebbers uit alle krochten trouw toegestroomd, van wélke dorp dan ook. Het maakt die mensen geen klap uit hoe goed die metalband precies is. Of het authentiek is – dat al helemáál niet. Als de muziek hen maar een beetje doet denken aan iets herkenbaars, is het al geweldig.”

Elgersma en Van der Velde bekennen ook fan te zijn van bijvoorbeeld de ‘transcendental black metalband’ Liturgy. Al is Woudwijk dat weer niet: “Het is niet echt ‘black’.” Frontman Hunter Hunt Hendrix schreef ooit een groot controversieel manifest waarmee hij de woede van de black metalcommunity op zijn hals haalde. Van der Velde: “Je neemt het wel met een korreltje zout, dat hele overdreven artistieke van Liturgy. Aan de andere kant is het cool, hoe zijn visie op black metal aangeeft waar het genre precies vastloopt, dankzij bepaalde vuistregels.” Elias: “Het mooie aan Liturgy is dat ze niet bang zijn om superpretentieus over te komen. Ze komen eerlijk voor hun mening uit: ‘wij gaan deze muziek naar een hoger niveau tillen’. Ongegeneerd toch, dat je dat gewoon zegt? Ik ken weinig acts die dat durven.”

 

 

Of de discussie strandt bij de Beste Metal, Beste Singer-Songwriter of Beste Godsdienst, The Homesicks interesse lijkt altijd gewekt door een bepaalde cultuurclash. Wrijvingen, contrasten: zowel universele tegenstellingen als compleet banale. Elgersma benadrukt meerdere malen dat The Homesick nooit een partij kiest: “Die grillige energie borrelt in onze muziek zeker naar boven, maar het klopt niet dat onze teksten inhoudelijk boos zijn. We lopen niet betuttelend met een vingertje te zwaaien. Onze muziek blijft licht humoristisch van aard. Als humor en sarcasme gecombineerd worden met die grillige energie, wordt het lastig voor mensen om ons te interpreteren. Je wordt óf serieus opgevat, óf als een totale grap. Ik denk dat The Homesick daar het liefst een beetje tussenin zit.”

“Onze muziek heeft zeker te maken met onze afkomst”, verheldert Van der Velde. “Youth Hunt heeft verwijzingen naar die mini-cultuurclash tussen het leven in Dokkum en het leven in de Randstad. We hebben het daar onderling best vaak over, met name de verschillen in omgang tussen beide plekken. Het nummer Eater Of Meat verwijst naar het veganisme, de Randstadcultuur waarin je als band in circuleert. Dat je veganistisch eten krijgt, dat mensen snel boos worden wanneer je dingen zegt die als racistisch kunnen worden opgevat. In Dokkum is men niet per sé politiek correct of maatschappelijk verantwoord bezig. In de Randstad heeft men snel het beeld dat mensen van het platteland racistische boeren zijn. Als je een platte Fries hoort over Amsterdam: die ziet dan alleen maar mensen in hoofddoekjes. Beiden opvattingen vind ik heel interessant, om daar zo objectief mogelijk naar te kijken. Wat wij ook in de Randstad merken: mensen in de bus zeggen geen ‘hoi’ tegen elkaar. Vreemdelingen zullen elkaar niet in het openbaar begroeten. In de Randstad is het onbeleefd als je elkaar aankijkt, in Friesland is dat heel normaal. In de Randstad word je in dat soort situaties snel boos.”

The Homesick weigert zelf om een stelling te nemen, het onbegrip tussen bevolkingsgroepen is juist nu heel actueel. Dat wij-tegen-zij sentiment wordt door populisten als Wilders en Trump opgestookt voor politiek gewin. Een ding is helaas hetzelfde gebleven sinds de tijd van St. Bonifatius: je religieuze voorkeur bepaalt nog steeds voor een groot deel hoe de maatschappij je behandelt. Jaap: “Ik heb daar gesprekken met mijn oma over gehad. Mijn oma is bijna tachtig. In de tijd dat ze nog naar de kerk ging, was het geloof heel erg een statusding. Mensen roddelen onderling wie ze wel en niet in de kerk hadden gezien. Dan gaan ze heel erg afdoen op elkaar. Zo van: ‘Oh, jij was er niet’ of ‘Ben jij nog wel gelovig?’, op die manier. Dat heeft nog weinig met het geloof zelf te maken, iets wat je verder moet helpen in het dagelijks leven. Het geloof wordt dan meer als een soort maatschappelijke verplichting opgelegd.”

Teletekstchristenen
Fans van The Homesick kunnen het niet zijn ontgaan: de teksten van Elgersma hebben een behoorlijk hoog Jezus-gehalte. Meer zelfs dan de gemiddelde christelijke rockband, wilde ik nog heel bijdehand zeggen. Natuurlijk is Elgersma, de sluwe vos, mij een stap voor. “Ik zou het niet eens zo heel vervelend vinden als we nu, in plaats van ‘die frikandellenband’, getypeerd worden als ‘die christelijke rockband’, schertst hij. De band claimt niet religieus te zijn, eerder, wat Van der Velde noemt, ‘Teletekst-christenen’.

Elgersma: “Zelfs al ben je een atheïst, je bent gewoon hier in Nederland opgevoed. Heel veel normen en waarden die je van jongs af aanleert, zijn gebaseerd op het christendom. In iedereen schuilt wel dat stukje religie, of je nu letterlijk gelooft of niet. Op zaterdag ga ik uit mijn plaat, op zondag is het een rustdag. Zelfs het feit dat we hier samen in een kroeg zitten te ouwehoeren, een plek waar je heen kunt gaan om mensen te ontmoeten, is gebaseerd op de christelijke cultuur.”

God Only Knows van The Beach Boys, volgens velen ‘objectief’ het beste popliedje ooit, gebruikt niet voor niets het heiligdom als ultieme pijler. Elgersma: “Brian Wilson is ook geen christen. Als je een alziend oog nodig hebt in muziek, dan is God of Jezus de mooiste om te gebruiken.” Op Youth Hunt is die religieuze lading volop te bespeuren: Mattheus, St. Boniface en natuurlijk The Best Part Of Being Young Is Falling In Love With Jesus. “Een fantastische zin”, zegt Elgersma over het laatstgenoemde liedje. Geen greintje valse bescheidenheid te bekennen.

Woorden met volle overtuiging gezongen, of beter gezegd, strijdvaardig geschreeuwd in een zee van galm, alsof het een reclameslogan is. De levenslust en lol springt er letterlijk vanaf. Van der Velde en Elgersma mediteren zonder vooroordelen op het absurde idee dat St. Bonifatius de mascotte van Dokkum is, of het dubieuze gegeven dat we door de geschiedenisboeken het jodendom direct associëren met de holocaust. “Dat is dan de PR van een bepaald geloof”, antwoordt Van der Velde. ”Niemand in Dokkum is bewust bezig met St. Bonifatius. Ook dat bekijken we heel neutraal, want zonder Bonifatius waren we misschien heel anders grootgebracht, want toen was er geen christendom in Friesland.”

Is het wel een neutrale grap? Of pure verveling? Of niet gewoon die onstuimige zucht naar romantiek, een intense hunkering om zelf een religieuze ervaring voor mensen te verwezenlijken? The Homesick zal het blijven ontkennen. Maar hoe lang nog? Amerikaanse schrijver Kurt Vonnegut zei ooit: ‘It’s worth the price to heaven to find out that Jesus Christ is just another guy playing shuffleboard!’

Het debuutalbum van The Homesick heet Youth Hunt en komt uit op 10 maart via Subroutine Records

 

 

 

WIL JE DIT SOORT VERHALEN BLIJVEN STEUNEN? WORD  DAN LID!
Voor maar 10 euro per jaar



 

De goed besnorde Brendan Jan Walsh is van alles in het dagelijks leven. Niet alleen is hij cellist, dirigent, dj, presentator, producer en artistiek directeur van onder meer Classical Music Rave, is hij druk met zijn eigen onderneming Brending, maar is hij dit jaar ook de ambassadeur van de Amsterdamse editie van Cross-Linx op 5 maart. Het rondreizende festival dat dit jaar van 2 tot en met 5 maart weer Eindhoven, Groningen, Rotterdam en Amsterdam aandoet. Met de indieclassical-vertegenwoordiger duikt The Daily Indie dieper in het genre en zijn rol tijdens Cross-Linx.

 De Cross-Linx-karavaan trekt zondag 5 maart langs Muziekgebouw ’t IJ, waar Walsh (37) zijn ambassadeursrol vervult dit jaar. De in Engeland geboren en in België opgegroeide muzikant is een van de wegbereiders van indieclassical en vertelt ons meer over het fenomeen. “Een jaar of tien geleden is deze scene ontstaan in New York en sinds een jaar of vier wordt het ook zo benoemd in Europa. Ergens tussen generatie X en Y ontstond er het gevoel van: ‘het kan ook anders.’ De relatie die wij als musici hebben met ons publiek en wat wij klassiek vinden, hoeft niet klassiek-klassiek te zijn. Die eendimensionale benadering kun je vrij eenvoudig veranderen”, vertelt hij. “Het heeft niet de pretentie om klassieke muziek helemaal ‘hip’ te maken of het mensen ‘te leren begrijpen’, daar spreekt iets elitairs uit. Indieclassical is meer een omschrijving, een verzamelnaam voor een stroming musici die nieuwe wegen bewandelen en elementen combineren die elkaar misschien nog nooit eerder tegen zijn gekomen.”

 

Indieclassical staat volgens Walsh vooral voor het loslaten van muzikale grenzen of ‘hoe het hoort’. Een nieuwe manier van omgaan met muziek die we al honderden jaren kennen. “Klassieke muziek wordt in feite uit het puristische hokje getrokken, het is allemaal nogal een stijve bedoeling geworden en er zijn vooral beperkingen in plaats van mogelijkheden. Het is haast iets kerkelijks geworden, waarbij je twee uur lang stilzit en je mond moet houden”, vertelt Walsh. “Indieclassical probeert ook de beleving te veranderen. Het is een vreemde term, maar je moet er toch iets aan hangen, zo werkt dat nu eenmaal. Judd Greenstein van New Amsterdam Records omschrijft het heel mooi vind ik, hij noemt het postgenre-muziek. Dat is passend, want het is daardoor niet in een hokje te stoppen”, zegt hij. “Het vertrekt allemaal vanuit klassieke muziek en vanuit de kennis en liefde voor muziek. Want het is simpelweg allemaal muziek, hoe je daar dan mee omgaat of wat je communiceert, dat is voor iedereen anders. Toch vertrekt het allemaal vanuit hetzelfde punt”, zegt hij. “Indieclassical vertrekt vanuit het individu en de persoonlijke ervaringen die je verwerkt in je muziek. Waar je terechtkomt? Dat is elke keer weer een verrassing.”

 

 

Classical Musical Rave & Ambassadeurschap
Walsh is onder meer bekend van de Classical Music Rave. Als je je afvraagt wat dat is? Nou, precies wat er staat. Een rave met klassieke muziek, waarom ook niet?! Dat bleek ook geen gek idee, want over de hele wereld staan er hallen en fabrieksloodsen vol met honderden mensen. “Dat raakte kennelijk een snaar, bij ons eerste evenement in Amsterdam-Noord kwamen direct vijfhonderd mensen opdagen. Een heel divers publiek van hipsters tot ravers, klassieke muziekpuristen en ouderen. Die feestjes gaan ook rustig tot een uur of vijf ’s nachts door en hebben we inmiddels op meerdere plekken in de wereld georganiseerd. We zijn het concept nu overigens door aan het ontwikkelen tot een opera-rave”, vertelt Walsh.

 In Amsterdam is Walsh dus de ambassadeur van Cross-Linx, waar hij onder meer een unieke bijeenkomst op gaat zetten. “Om 15:00 uur organiseer ik de eerste Indieclassical Network Meeting in Nederland. Waarbij artiesten en professionals uit de muziekwereld samenkomen om te praten over wat er op dit vlak gebeurt in de wereld en in Nederland. Van pers, programmeurs, agents, mensen die met technologie bezig zijn of er simpelweg in geïnteresseerd zijn. Om zo mensen aan elkaar te koppelen en niet iedereen op zijn eigen eilandje het wiel opnieuw uit hoeft te vinden. We kunnen elkaar helpen bij het vinden van de juiste muzikanten, locaties, partners, labels, de organisatie van een event of het ontwikkelen van businessmodellen. Cross-Linx is het evenement dat dit genre bij elkaar brengt, dus dit is een uitgelezen kans om er dieper op in te gaan met iedereen die ermee bezig is. Iedereen is welkom, want elke groep mensen – van publiek tot artiest – is onderdeel van het verhaal.”

 

 

“Dat samenwerken is voor mij ook wel een van de kenmerken van indieclassical. Samen maken, samen delen en samen op ontdekkingstocht gaan. Want er is niets akeliger dan dat alleen te doen. Durf te vragen, er zijn altijd mensen die je willen helpen. Misschien dat mijn rol die van een internationale dorpsgek is, eentje die laat zien dat dingen ook op een andere manier kunnen. Ik probeer ruimte te scheppen voor mensen die met nieuwe dingen aan de slag willen gaan en hulp kunnen gebruiken van gelijkgestemden.” Mocht je Walsh ook tijdens de avond nog in actie willen zien tijdens Cross-Linx, dat kan ook. “Ik zal ook dj’en die avond. Uiteindelijk hoop ik dat de avond eindigt in één grote jam, ook al komen er maar een paar mensen met instrumenten bij de dj-booth staan. Dat zou geweldig zijn. Er mag meer geïmproviseerd worden binnen de klassieke muziek. Why not?!”

De Cross-Linx-tips van Walsh
Genoeg moois op de line-up van het festival, maar bij welke acts staat Walsh zelf op de voorste rij? “Ik houd zelf ontzettend van het music mining, dat vind ik briljant aan Cross-Linx. Dat je in de donkere krochten van het gebouw overal kleine en opkomende ensembles kunt ontdekken. Van dat programma vind ik Jerboah waanzinnig goed, met drums, gitaar en een aantal blokfluiten weten zij ontzettend poppy en offbeat muziek te maken die helemaal geworteld is in klassieke muziek. Perforator met Marlies op hobo en Akim die met een joystick en elektronica de meest waanzinnige dingen doet. Zij spelen echt met klank en beweging, dat vind ik heerlijk”, vertelt Walsh zichtbaar genietend. Hij is duidelijk niet zomaar ambassadeur, hij is een oprechte liefhebber van alle muzikanten die deze week op Cross-Linx spelen. Aan zijn ogen zie je hem al genieten voordat er nog een noot is gespeeld.

 

 

“Ik ben zelf heel nieuwsgierig naar In Code. Gwyneth Wentink gaat samen met Wouter Snoei en Arnout Hulskamp een audiovisuele performance maken van Terry Riley zijn stuk In C. Waar ik ook absoluut ga kijken, is bij VanDryver. Prachtig mooie muziek en de band brengt binnenkort een nieuwe plaat uit, daar kijk ik erg naar uit. En ja, de stem van Shara Nova, wauw. Zij is indieclassical ten top! Zij speelt natuurlijk ook met haar eigen band My Brightest Diamond en ze doet mee aan het project Unremembered van Sarah Kirkland Snider. Dat wordt een druk weekend voor haar”, zegt hij lachend. “Maar natuurlijk ook Ane Brun met Zapp4, dat belooft ook een zeer unieke show te worden. De muzikanten van Zapp4 zijn precies zoals muzikanten horen te zijn. Zij hebben een totaal open blik, spreken de taal en leren elke dag nieuwe muzikale woorden en zinconstructies bouwen door hun samenwerking met andere muzikanten. Dan komt Hauschka natuurlijk ook nog. Hij is een soort tovenaar die in een grot woont, af en toe naar buiten komt als hij weer een heel nieuwe wereld heeft ontdekt op de piano. Zeer imponerend.”

 

 

Tuin der Ontdekkingen
Er is genoeg te zien en te doen komend weekend, haast té veel. “Je hebt al snel een fear of missing out als je op het festival bent. Maar je moet Cross-Linx ook meer zien als een soort tuin waarin je op zoek kunt gaan naar jouw favoriete kruiden en geuren. Snuffel overal even aan en vind je het niets? Dan loop je weer verder. Vind je het mooi? Nou, dan blijf je even wat langer hangen. Uiteindelijk gaat het allemaal om ‘ontdekken’, dat is het sleutelwoord. Als je ook maar een greintje nieuwsgierigheid in je lijf hebt: ga naar Cross-Linx!”

 

 

 

WEBSITE FESTIVAL: www.cross-linx.nl
FACEBOOK-EVENT: https://www.facebook.com/crosslinxNL/
TDI FESTIVALPREVIEW: http://www.thedailyindie.nl/van-efterklang-tot-dm-stith