London Calling Festival
26 & 27 mei


Bij de woorden ‘Australisch psychedelicamonster’ denken we dit jaar vooral aan King Gizzard And The Lizard Wizard, dat in 2017 liefst vijf albums uit gaat brengen. Maar ook de populairste psychpopband van het moment, Tame Impala, heeft meer koppen dan je zou denken. De band stond in 2010 zelf op London Calling, maar nu doet een van zijn spinoffs (POND) het festival aan. Reden genoeg om Tame Impala’s andere alterego’s stuk voor stuk onder de loep van The Daily Indie te leggen.

Het psychedelische POND is waarschijnlijk de bekendste uitspatting. De band rondom multi-instrumentalist Jay Watson (ook actief als GUM) en ex-bassist Nick Allbrook bracht deze maand met het door Tame Impala-frontman Kevin Parker geproduceerde The Weather, zijn zevende album uit. Dat weertje, dat ziet er bij POND overigens net zo zonovergoten uit bij Tame Impala zelf. Nog voor die band opgericht was, speelde Allbrook al met Parker, in hun project Mink Mussel Creek. Na studioproblemen in 2007 nam de band zijn debuut opnieuw op in 2011 en bracht het Mink Mussel Manticore uit in 2014, toen Tame Impala inmiddels wereldberoemd was. Allbrook had de band op dat moment echter al verlaten, maar maakte nog wel muziek met zijn vervanger Cameron Avery, met wie hij sinds 2011 samenwoont. De projectnaam van het duo, dat tourde en opnam met The Horrors en in 2011 debuut Big ‘Art uitbracht? Simpelweg: Allbrook/Avery.

 

Cameron Avery zelf houdt er inmiddels ook een flinke hoeveelheid hobby’s op na. Hij bracht in maart zijn solodebuut Ripe Dreams, Pipe Dreams uit, dat leunt op fraai gearrangeerde stukken vol strijkers, die doen denken aan The Last Shadow Puppets met wie Avery vorig jaar tourde. Daarnaast is hij frontman van garagerockband The Growl, dat twee EP’s uitbracht. Tenslotte brengt de bassist regelmatig wat quality time door met de Grote Baas. Met Parker vormde hij door de jaren heen gelegenheidsformaties Kevin Spacey, The Golden Triangle Municipal Funk Band en AAA Aardvark Getdown Services.

 

Achter de knoppen zitten kan Parker ook, zo produceerde hij het debuut van Melody’s Echo Chamber in 2012 en vorig jaar maakte hij- alsof hij het nog niet druk genoeg heeft – een remix van een nummer van een van zijn collega’s. De Australiër nam Anesthetized Lesson van GUM onder handen. Onder die naam maakt eerdergenoemde Jay Watson, bijnaam Gumby, al drie platen lang piekfijne psychedelica die meer synths dan snaren bevatten.

 

De bijzonderste bijbaantjes behoren tot Julien Barbagallo, de Franse drummer die sinds 2012 lid is van Tame Impala. Hij draagt bij aan Tahiti 80 en Hyperclean en houdt er onder de naam Barbagallo een soloproject op na, waarmee hij in zijn slaapkamertje songs schrijft die zomaar de soundtrack van een slechte spaghettiwestern hadden kunnen zijn. O ja, en dan zit die gekke Fransoos ook nog in Aquaserge, vaandeldrager van de Franse underground. Aquaserge maakt conceptplaten over Serge Gainsbourg, die zich als superheld door de zee beweegt in een onderzeeër in de vorm van een sigaret.

 

Kortom: geen wonder dat Tame Impala zo’n (te) gekke band is!

WEBSITE LONDON CALLING | FACEBOOK-EVENT

Morgen is het dan eindelijk zover: dan wordt Katwijk aan Zee omgetoverd in een rockend walhalla vol garage, stoner, psych en sixitiesbeat. De rammende tips voor het festival lees je hier nog eens door, maar luister vooral nog eens naar de mixtapes die we de optredende bands hebben laten maken. Van NOAD tot BARTEK, Iguana Death Cult en vandaag dus MOOON. Een interessant en bijzonder lekker lijstje, al zeggen wij het zelf.

 

 

De Brabantse neefjes zijn op dit moment Nederland stad voor stad en dorp voor dorp aan het veroveren zijn met hun aanstekelijke bluespop. Voor het nog te verschijnen debuutalbum tekende de band al bij Excelsior en ook Katwijk ontkomt er dus niet aan! The Daily Indie vroeg de band in zijn muzikale archieven te duiken en hij kwam onder meer met The Pretty Things, The Creation Factory, The Baron Four en The Kinks terug. Luister hieronder de mixtape en ga morgen naar het Koningsdagfestival van De Schuit!

 

 

Timo: Rory Gallagher – Laundromat
“Super vet gitaarnummer, met van alles en nog wat erin.”

Tom: The Baron Four – You’re No Good
“Valse zang en lekker rebels, zoals het hoort. Nét de sixties.”

Gijs: The Creation Factory – You Got It
“Instrumentale jam met groovend Vox-orgeltje en fuzzgitaren. Heersende band uit Los Angeles.”

Timo: The Beatles – She’s Leaving Home
“Fantastisch stuk. Luister gewoon.”

Tom: Faine Jade – Ballad Of The Bad Guys
“Goede productie met vette composities en lekkere grooves.”

Gijs: Sagittarius – Another Time
“Heerlijk nummer met mooi geschreven stukken. Echt kippenvel.”

Timo: The Kinks – Set Me Free
‘’Lekker rouw en origineel, witte nie!”

Tom: The Pretty Things – She Says Good Morning
“The Pretty Things zijn gewoon heersers. Dat moet je kennen!”

Gijs: Jacques Dutronc – On Nous Cache Tout, On Nous Dit Rien
 “Lekkere Franse beat. Ik versta er geen woord van, maar het klinkt cool!”

Gezamenlijk: The Black Marble Selection – Garden of Delight
‘’Lekker psychedelische heersende top tune van Brabantse bodem. Zoals we het willen horen.”

 

WEBSITE JVC DE SCHUIT | FACEBOOK-EVENT

 

Vorige week hadden we deel één al van de BARTEK-tourreportage, afgelopen weekend dook Tom Roelofs opnieuw in de bus van de Amsterdamse heren. De band zit middenin zijn releasetour en het was natuurlijk ook nog eens Record Store Day. Het trio garagestoners ging van Groningen naar Emmen en Goes: de beeldresultaten vind je hieronder.

BARTEK de komende tijd nog eens live aan het werk zien? De band speelt donderdag in Katwijk bij JVC De Schuit, op de 28ste in de Hall Of Fame in Tilburg en zaterdag 29 april in het Utrechtse ACU.

Indierockband Modest Mouse is momenteel bij het grote publiek misschien vooral bekend vanwege het bescheiden hitje Float On (2004), maar wie de band daardoor afdoet als een one hit wonder doet Isaac Brock en zijn kompanen ernstig tekort. In de periode 1996 – 2000 bracht Modest Mouse drie fantastische platen uit, die nog steeds als een huis staan. Ook is de band invloedrijker dan je misschien denkt: bands van Car Seat Headrest tot Speedy Ortiz hebben allemaal wel een vleug(je) Modest Mouse in hun DNA. Wij blikken terug op dat klassieke trio aan albums en kijken naar de impact die de band heeft gehad op het genre.  

Zoals wel vaker bij Modest Mouse ging ook de release van het debuutalbum niet zoals gepland. Nadat de band – bestaande uit zanger en gitarist Isaac Brock, bassist Eric Judy en drummer Jeremiah Green – in 1994 bij elkaar kwam, namen de heren een jaar later het album Sad Sappy Sucker op. Dit had hun debuutplaat moeten worden, maar na eindeloze vertragingen kwam het in de ijskast terecht en ging de band verder. Sad Sappy Sucker werd in 2001 alsnog uitgebracht, maar deze verzameling van veelal korte nummers (de uitgave uit 2001 bevat 24 tracks in 34 minuten) liet nog maar een glimp horen van waar Modest Mouse echt tot in staat is.

Een eindeloze roadtrip
Dat kwam gelukkig wel tot uiting op wat veel fans beschouwen als het daadwerkelijke debuut van de band: This Is A Long Drive For Someone With Nothing To Think About (1996). Er zijn maar weining albums die zo goed de essentie van hun sound weten te vatten in de titel. Alles aan A Long Drive ademt sleur en eenzaamheid. Het album beluisteren voelt alsof je een eindeloze roadtrip door het Amerikaanse midwesten onderneemt en dan bij voorkeur eentje op een uitgestrekte, ijzige highway zoals op de albumhoes staat afgebeeld.

 

Het begint allemaal met het langzaam opwellende Dramamine; dromerig gitaargepluk maakt uiteindelijk plaats voor een vreemde spacey climax waarin de drums de overhand nemen. Waar frontman Isaac Brock het gezicht van de band is, is drummer Jeremiah Green het geheime wapen van de band. Van de snelle punky nummers tot de meer dromerige songs, Green drukt overal zijn stempel op. Mede door de drums, de schelle praatzang van Brock en de veelal briljante gitaarriffs klinkt A Long Drive meer dan twintig jaar na dato nog even fris als toen het uitkwam.

In de begindagen werd de band vooral vergeleken met bands als Built To Spill en Pixies, wat zeker begrijpelijk is als je naar tracks als Breaktrough of Novocain Stain luistert, maar al snel werd duidelijk dat Modest Mouse nog wel een tikje weirder dan hun tijdgenoten was. Neem een track als Lounge, wat begint als een, inderdaad, Pixies-esque rammelend rocknummer, maar na twee minuten tot stilstand komt en vervolgens nog een minuut of vier heerlijk voortkabbelt als een duel tussen een akoestische gitaar en een viool. Of het prachtige Make Everyone Happy/Mechanical Birds, wat in feite een tegenovergestelde truc uithaalt; kalme gitaarklanken moeten halverwege plaatsmaken voor een bak herrie waar je u tegen zegt.

Eenzaamheid in een overbevolkte stad
Met zestien songs in 75 minuten heeft A Long Drive misschien net een paar nummers te veel, een euvel waar eigenlijk ieder Modest Mouse-album wel last van heeft, maar verder is er bar weinig op aan te merken. Het is dus een behoorlijke prestatie dat de band het album anderhalf jaar later al weer wist te overtreffen. Met het opnieuw prachtig getitelde The Lonesome Crowded West leverde Modest Mouse in 1997 zijn magnum opus af. Het roadtrip-thema van het vorige album werd grotendeels verruild voor de sfeer van een overbevolkte Amerikaanse stad, waar het nog steeds heel makkelijk is om je eenzaam te voelen.

Ook The Lonesome Crowded West had makkelijk een nummer of drie kunnen verliezen zonder daar al te veel onder te leiden, maar aan de andere kant draagt de wat excessieve lengte van het album ook weer bij aan de kracht ervan. Vanaf de eerste tonen van de epische opener Teeth Like God’s Shoeshine voelt The Lonesome Crowded West al aan als een gewichtig meesterwerk. Dit zit het hem voor een groot deel in het feit in dat de band op dit album duidelijk alles geeft om de toch al meesterlijke voorganger te overtreffen. De riffs zijn nog net wat memorabeler, de rockers net wat feller (maar weinig bands in die tijd ragden zo hard als Modest Mouse op Shit Luck), de ballads net wat mooier, de drums klinken nog net wat strakker en Brock zet al zijn vocale tics nog net wat dikker aan. Zo zingt hij in Trucker’s Atlas bijvoorbeeld niet over Colorado, maar over COLUHRAHDOH.

Dat nummer is typerend voor de kracht van het album. Het begint als een redelijk doorsnee rocknummer, wat opvalt door de sterk aanwezige drums en Brock’s overdreven intonatie in de teksten, maar vervolgens gaat het maar door en door en door, uiteindelijk eindigend in een vijf minuten durende drumjam. Bij een mindere band zou dat misschien overkomen als moeilijkdoenerij, bij Modest Mouse werkt het uiterst hypnotiserend. Diezelfde epische kwinkslag vinden we terug in Cowboy Dan, volgens ondergetekende het beste nummer dat de band ooit schreef.

 

Cowboy Dan vertelt over de cowboy uit de titel, die dermate kwaad is op God dat hij hem uit de lucht probeert te schieten. Door de fenomenale spanningsopbouw en de laconieke maar o zo sfeervolle teksten – “Cowboy Dan’s a major player in the cowboy scene”, Everytime you think you’re talking you’re just moving the ground – schetst de band in zes minuten een prachtige schets van Amerika en vertelt het een verhaal wat zich net zo goed in het wilde westen als in 1997 af zou kunnen spelen. Bewijs daarvoor is de zin die The Lonesome Crowded West misschien wel het beste samen vat: “I didn’t move to the city, the city moved to me, and I want out desperately.” 

(G)een commerciële onderneming
Nadat de band de snelweg en de stad onder de loep had genomen, werd het voor album drie tijd voor een groter thema. Waar de focus van The Moon And Antarctica (2000) precies ligt is niet direct zo duidelijk als bij de vorige twee platen, maar songtitels als 3rd Planet, Dark Center Of The Universe en The Stars Are Projectors geven toch een aardige indicatie. The Moon And Antarctica gaat niet meer alleen over Amerika, maar over het gehele universum. De band maakte met het album zijn debuut op een groot label, Epic, wat onvermijdelijk toch voor een iets meer gepolijste sound zorgt. Geen impressionistische drumsolo’s van vijf minuten dus, maar wel heel veel sterke songs.

Het grotere label zorgde ook voor een groter opnamebudget, dus de productie klinkt rijker en voller dan ooit te voren, maar inboeten aan kwaliteit doet de band allerminst. Eerdergenoemde nummers als 3rd Planet en Dark Center Of The Universe behoren tot de fijnste die de band ooit schreef, terwijl songs als het naar disco neigende Tiny Cities Made of Ashes laten zien dat de heren zelfs getekend bij Epic nog steeds niet vies is van wat vreemde uitstapjes. Het nummer klinkt door de stuiterende beat en teksten als “we’re drinking-drinking-drinking Coca-Coca-Coca-Cola” in het begin misschien als het ultieme bewijs dat het album een commerciële onderneming was, maar Modest Mouse zou Modest Mouse niet zijn als het refrein vervolgens niet zou uitbarsten in geschreeuw waar geen enkel radiostation zich aan durft te branden.

De nasleep 

Dat ook het opnameproces van The Moon And Antarctica niet geweldig verliep – Brock werd halverwege de opnames aangevallen en zat vervolgens vijf maanden met een dicht gehechte kaak – laat zien dat er eigenlijk niet bijster veel was veranderd voor Modest Mouse. Zo bracht de band een geweldige trilogie van albums tot een meer dan geslaagd einde. De drie albums die daarna volgden zijn van wisselvallige kwaliteit. Doorbraakalbum Good News For People Who Love Bad News (2004) verzandt iets te vaak in lelijk gefreak en onnodige instrumentale intermezzo’s om echt te beklijven. We Were Dead Before The Ship Even Sank (2007), met The Smiths-gitarist Johnny Marr als hulpkracht, kent een paar grote hoogtepunten, maar wordt over de gehele linie toch wat te eentonig. En de rommelige comeback Strangers To Ourselves (2015) klinkt eerder als een (niet onaardige) verzameling B-kantjes dan als een coherent album.

Hoewel de laatste paar jaar, evenals de grote collectie veelal overbodige EP’s* die de band uitbracht, dus enigszins een smet op de discografie van Modest Mouse vormen, staan die eerste drie albums nog altijd ferm overeind. Niet in het minst vanwege de impact die de band op het genre indie rock gehad heeft. De band die momenteel het meeste Modest Mouse in zijn DNA heeft is zonder twijfel Car Seat Headrest. Boegbeeld Will Toledo bracht niet voor niets ooit een 14 minuten durend epos met de naam The Ending Of Dramamine uit. Ook de absurdistische maar goudeerlijke teksten en de praatzang die ieder moment over kan slaan in hysterisch gegil doen aan Brock en gezelschap denken.

 

Ondanks dat ze dus duidelijk fans hebben in de indierockscene, zal Modest Mouse waarschijnlijk nooit gezien worden als een legendarische, invloedrijke band als Nirvana of (daar zijn ze weer) Pixies. Daar zijn hun beste albums waarschijnlijk te lang en te ontoegankelijk voor en zitten er ook net wat te veel missers in hun discografie. Voor de liefhebber van de wat raardere en rauwere indie rock zijn hun eerste drie platen echter een absolute must en valt ook in het latere werk is nog wel genoeg moois te ontdekken.

 

The Daily Indie telt af naar het Koningsdagfestival van De Schuit op 27 april, dat dus nog precies één week van ons verwijderd is. Dat doen we door de optredende artiesten een mixtape te laten maken, zo ging eerder al de mixtape van NOAD online, maar ook die van BARTEK.  De laatste in deze serie is afkomstig van onze mythische garagefanaten Iguana Death Cult.

Tijdens de laatste tour in Engeland heeft zanger/gitarist Jeroen Reek zitten zwoegen op een mooi lijstje. Het resultaat is op zijn zachtst gezegd divers, maar vooral erg lekkere mixtape geworden. Van dub tot gestoorde garage en synthpioniers. Enjoy en gaat dat volgende week allemaal zien in Katwijk aan Zee!

 

 

Butthole Surfers – Fast
“Gestoordste band ooit. In de jaren tachtig speelde de band een show in Rotterdam. Het gordijn ging open en de zanger stond op een ladder in z’n ondergoed, gewikkeld in wc-papier. Zijn haar was volgehangen met wasknijpers en in zijn handen zat wat verborgen. Na de intro bleek dat hij een varkenshart gevuld met bloed vast had. Deze liet hij stijlvol ontploffen over de voorste rij mensen, waarna hij er bebloed en al achteraan sprong. De eerste vier albums die de band gemaakt heeft zijn briljant en met niets te vergelijken. Ga er voor zitten, want als je dit geluisterd hebt wil je niks anders meer. Het gekozen nummer is een van de wat makkelijkere nummers van de vierde plaat. Succes ermee.”

Prince Far I – Suru Lere
“Chris (tourmanager, red.) heeft in de bus bijna alleen maar dubplaten liggen van onder andere Lee Perry, King Tubby, Linton Kwesi Johnson en Prince Far I. Doodziek word je ervan. Langgerekte psychedelische nummers met veel galm. Niks voor ons.”

Suicide – Ghost Rider
“Iconisch synthnummer uit 1977. Snoeiharde punk met alleen een synthesizer en een drumcomputer. Misschien wel de oerknal van de hedendaagse dancemuziek. Wreed, hoor.”

Audio Bully’s – We Don’t Care
“Dit is de soundtrack voor als je echt effe stoer gaat doen in de wagen met je zonnebril en je ramen open, onderweg naar het buitenbad.”

Lee Dorsey – Get Out My Life Woman
“Keigoeie funkplaat. Een van de meest gesampelde drums in hip hop. WREED, HÈ?”

The Meters – Cissy Strut
“Deze track blazen we altijd als we ook bontjassen dragen en langzaam door je straat rijden in een ’64 Impala.”

James Brown – The Payback live in Zaïre
“Hier laat James effe zien hoe het moet. Vanaf moment één is er elektriciteit en dat is ook waar het bij hem om draait en wat ons ook heel erg geïnspireerd heeft. Het gaat niet meer zo zeer om het ‘liedje’ maar om energie en hoe je die spanning opbouwt door dingen weg te laten, toe te voegen en de kracht van herhaling. Bietje dansen, Bietje schreeuwen wittewel.”

CAN – Vitamin C
“JAHAAAA, WE HOUDEN VAN GROOVE EN HERHALING.”

The Cramps – Human Fly
“Soundtrack van muh levuh.”

Uranium Club – Who Made the Man
“Energie. Bizar.” (Quote: Arjen van Opstal, 2017. Drummer IDC.)

Drukwerk – Je Loog Tegen Mij
“Niks zo lekker als met een stuk in je broek smartlappen meebrullen terwijl met je hand op de vangrail over de A16 raast.”

 

WEBSITE JVC DE SCHUIT | FACEBOOK-EVENT

Vorige week donderdag vierde BARTEK de release van zijn debuutalbum in een uitverkocht Cinetol. Niet alleen was het The Daily Indie DJ Team van de partij om dat zooitje ongeregeld te begeleiden, een van onze favoriete fotografen – Tom Roelofs – volgde de band het hele weekend tijdens Hipfest en Paaspop. De fijne resultaten zie je hieronder!

Deze week speelt de band op 20 april in De Spieghel in Groningen, op 21 april op een geheime locatie in Emmen en 22 april in ’t Beest in Goes. Gaat dat zien!

Over minder dan een maand komt hij uit: het debuutalbum van Mountain States. De zonnige, lichtvoetige band uit Nijmegen die al jaren over onze radar surft. Vorige maand publiceerden wij onze eerste inspiratieplaylist. Nu is het tijd voor een nieuwe editie, compleet samengesteld door Mountain States!

De drummer van de band, Bart Vogelaar, heeft er het volgende over te zeggen: “Elk nummer heeft ons op een bepaalde manier geïnspireerd. Een bepaalde structuur van een nummer, sound, feeling, tekst. De diversiteit in deze lijst hoor je misschien ook wat terug in onze muziek. Zo proberen we binnen de sound van Mountain States alle randen/ uithoeken op te zoeken. Dit brengt naar onze mening de diversiteit en eigenheid in onze nummers.”

Mountain States brengt debuutplaat Whispers uit op 2 mei, via het Rotterdamse label Coaster Records. 

 

In deze serie bespreekt redacteur Reint Boven een reeks bands die er in slaagden om, ondanks hun moeilijke verhouding met de muziekindustrie, er toch een carrière aan over te houden. De eerste in de serie: het fenomeen Sparks, een van de grappigste bands die de pophistorie heeft gekend, and still going strong na meer dan veertig jaar.

Stel je voor: op je televisiescherm springt een knappe man met een gigantische bos haar onbezorgd rond, terwijl hij op hyperactieve wijze met zijn iele falsetto tekstsalvo’s afvuurt, begeleid door over-the-top gitaarlijnen die zo uit een cartoonversie van Sergio Leone kunnen komen: ‘This town ain’t big enough for both of us / Anditain’t-me-thatsgonna-leave.’ Naast hem zit een man achter een keyboard, een kruising tussen Charlie Chaplin en Adolf Hitler, paranoïde-verdenkend om zich heen te kijken.

 

 

De twee mannen zijn broers Russell (zanger) en Ron Mael (liedjeschrijver), samen het bloedend hart van de band Sparks. Samen met de rest van hun band playbacken ze This Town Ain’t Big Enough For Both Of Us, hun eerste hit. Het nummer veroorzaakt de doorbraak in Engeland waar ze op hoopten na twee eerdere platen.  De Mael-broers beginnen in 1970 in Los Angeles een groep onder de naam Halfnelson, maar worden door elk platenlabel afgewezen totdat rockoutsider Todd Rundgren interesse toont.  Op de plaat is een band te horen met een compleet doorgedraaid idee van wat rockmuziek kan zijn: driftige tempowisselingen, psychedelica, nog meer gefreak en een paar liedjes.

 

 

De opvolger, waarop de band ruimte vindt voor protopunk, vaudeville, chansons en een hyperactieve cover van Sound of Music-kraker Do-Re-Mi, is evenmin een groot succes. De band presenteert zich misschien als een rockband, maar hun instrumentatie en teksten zijn vooralsnog te raar om een groot publiek te bereiken.

 

 

Dit verandert allemaal in 1973. De Engelse hitlijsten zijn met de komst van de glamrocktrend (T. Rex, Roxy Music, David Bowie en Gary Glitter) omgetoverd in een parade van uitgebreide decors, glitterkostuums en bakken make-up. Sparks lijkt en klinkt niet zoals de Engelse glambands, maar is muzikaal en visueel net zo’n spektakel. Met Kimono My House, Propaganda en Indiscreet perfectioneert de band hun operatische adrenalinepop, die ze afwisselen met ballads, chansons, jazz, dixieland en alles wat ze verder in het popformat van drie minuten kunnen proppen. Tekstueel wordt de band steeds beter: Ron Mael weet op hilarische wijze de meest absurde kanten van te beschrijven zonder dat het plat of wijsneuzerig wordt.

 

 

Eind jaren zeventig lijkt Sparks de rockmuziek beu en ontslaan de broers de rest van de band. Veel enthousiaster zijn ze over Donna Summers I Feel Love, waarna ze contact opnemen met Giorgio Moroder, wiens productie de band een nieuwe impuls geeft. Met zijn tweëen pionieren de broers het archetype van het synthpopduo: een achter de synth, de ander een microfoon in zijn hand (denk Pet Shop Boys, Yazoo, Soft Cell, Erasure). De samenwerkingen met Moroder in  1979, No. 1 in Heaven en Terminal Jive, zorgen voor een paar Sparks-klassiekers en zijn een groot Europees succes. Maar de synth-periode van Sparks is net zo snel weer klaar als deze begon.

 

 

In de jaren 80 rekruteren de broers eindelijk weer nieuwe bandleden, en kijken ze met een schuin oog terug naar hun oude sound, om die up te daten met new wave-synths en wat lompere rockgitaren. De jaren tachtig is waarschijnlijk hun slechtste periode; de albums zijn niet slecht, maar de hoogtepunten zijn schaars en de productie laat te wensen over. Uitzonderingen zijn Angst In My Pants en Sparks In Outer Space.

Ironisch genoeg is het in deze periode dat Sparks eindelijk in Amerika wordt opgemerkt: de band mag regelmatig langskomen bij American Bandstand en maakt onvergetelijke televisie met hun SNL-performances van Mickey Mouse (met een monoloog over de relatie tussen mens en muis) en I Predict (‘They’re gonna cancel Saturday Night / So you better have now / I predict’).

 

 

Pas in het volgende decennium schiet Sparks weer raak en wordt daarbij in Engeland met open armen ontvangen. Voor Gratuitous Sax & Senseless Violins (1994) kijkt Russell Mael naar de gepolijste synthsymfoniën van Pet Shop Boys en de nieuwe house- en techno-rages. Hoogtepunten zijn singles When Do I Get To Sing My Way? en Now That I Own the BBC, over iemand die zich geen raad weet met zijn gloednieuwe aankoop van de Britse publieke omroep.

 

 

In 2000 komt 18e album Balls uit, met invloeden uit drum & bass en triphop. De echte comeback vindt echter plaats in 2008, met een moderne popplaat die staat als een huis. Lil’ Beethoven is een plaat die voornamelijk bestaat uit repetitieve structuren van strijkers, piano en koren. Ondanks de nog altijd vreemde teksten is dit de meest volwassen plaat die Sparks tot dan toe heeft gemaakt, en de groep is klaar voor het digitale tijdperk. De ambitieuze opvolgers Hello Young Lovers en Exotic Creatures from the Deep stellen niet teleur.

 

 

In 2008 doet Sparks iets unieks: een retrospectief, waarbij ze alle nummers van hun complete discografie spelen, verdeeld over 21 avonden in Londen. Onder andere om te laten zien dat er ondanks hun lange rockcarrière ‘de mentale capaciteiten nog intact zijn’, aldus Ron Mael. In 2015 brengt  de band een album uit met artrockers Franz Ferdinand onder de nogal voor de hand liggende bandnaam FFS. Voor dit jaar staat een nieuwe plaat gepland: Hippopatomus komt uit op 8 september, gevolgd door onder andere een optreden in het Paard van Troje op 14 september.

 

Met Altın Gün kunnen we een nieuw Nederlands hoofdstuk toevoegen aan de herwaardering van wereldmuziek, specifieker: die van Turkse psychedelische folkrock. Pardon? Jawel, het genre dat in de jaren zestig en zeventig zijn hoogtijdagen beleefde in Turkije omvat een enorme geschiedenis die tot de dag van vandaag doorklinkt. We gingen in Amsterdam op college bij enkele oude bekenden, die schuilgaan achter de naam Altın Gün.

De eerste keer dat ik met Turkse psychedelische muziek in aanraking kwam, zat ik in de zon op Lowlands, te luisteren naar de platen van Discos Horizontes. De wereldmuziek uit alle windstreken die dit bevriende dj-collectief draait, functioneerde op dat moment vooral als achtergrondtunes tussen al het livegeweld. Maar plotseling zoog één plaat al mijn aandacht op: ik meende de zwevende melodieën en phasers van Tame Impala te horen, maar tenzij Kevin Parker ineens meertalig was geworden, wist ik vrij zeker dat het iets anders moest zijn. Oordeel zelf.

 

Navraag bij de dj bleek dat het ging om het nummer Mesafeler uit 1974, van ene Erkin Koray. Google wist me te vertellen dat de inmiddels 75-jarige Koray ooit ‘de Turkse Jimi Hendrix’ werd genoemd en een van de kopstukken is van een muziekstroming die Anatolische rock heet. Mijn interesse was gewekt.

De aanduiding ‘Anatolische rock’ wordt nog steeds gebruikt, voor min of meer alle gitaarmuziek die uit Turkije komt, maar het genre beleefde zijn hoogtijdagen aldaar in de jaren zestig en zeventig. Ongeveer tegelijk met de ontwikkeling van de rock ’n roll en blues in het Westen, begonnen muzikanten in Turkije invloeden van bands als The Doors, The Rolling Stones, The Beatles en Led Zeppelin te combineren met de traditionele Turkse folkmuziek. Dit leidde tot het genre dat we nu specifiek aanduiden als Turkse psychedelische folkrock.

De nieuwe lichting Turkse muzikanten werd enorm populair. Dat dit juist in Turkije gebeurde, is ook niet vreemd. Net als het genre zelf, houdt Turkije cultureel en geografisch gezien het midden tussen oost en west. Bovendien was het land in de jaren zestig al relatief modern en liberaal. Waar in andere landen in de regio westerse invloeden grotendeels werden gecensureerd, stond Turkije meer open voor invloeden van buitenaf, een ontwikkeling die zich onder president Atatürk al in de jaren twintig had ingezet.

Deze playlist is een goede introductie in Turkse psychedelische rock en folk:

Toeval of niet, als je het eenmaal ziet, zie je het ineens overal. Veel van de artiesten van weleer zijn nog actief, maar er lijkt zich bovendien momenteel in de westerse wereld een herwaardering te voltrekken voor wereldmuziek over het algemeen, en voor Turkse psychedelische muziek in het bijzonder.

De eerdergenoemde gelijkenis met Tame Impala is evident, de laatste plaat van King Gizzard & The Lizard Wizzard is in sterke mate gestoeld op traditionele oosterse instrumentatie en het rijtje artiesten dat ooit aangaf beïnvloed te zijn door Turkse muziek uit de sixties en seventies is lang, met onder andere The Soft Moon, Mos Def, Dr. Dre, St. Vincent, tUnE-yArDs en Suuns (zie de samenwerking met Jerusalem In My Heart). Op Le Guess Who? 2014 was de Turkse protestzangeres Selda Bağcan zelfs eregast.

 

 

Als je het eenmaal ziet, zie je het ineens overal. De herwaardering voor wereldmuziek was, naast het programmeren van Disco Horizontes op Lowlands, in Nederland al zichtbaar, zoals bij Jungle By Night en The Mauskovic Dance Band. De sleutelfiguren van de Turkse scene in de jaren zestig en zeventig speelden met elkaar in allerlei verschillende bands, en vergelijkbaar heeft een groep actieve Nederlandse muzikanten, die elkaar ook uit de voorgenoemde en een hele andere reeks projecten kennen (Jacco Gardner, Mauskovic, Lola Kite, Eerie Wanda, Palmbomen) zijn krachten verenigd in een soort superband, die Turkse psychfolk maakt die je zo dicht bij huis niet authentieker gaat krijgen: Altın Gün.

Een paar jaar terug was bassist Jasper Verhulst in Istanbul, voor een show met de band van Jacco Gardner. Op een vrije middag kwam hij in een platenzaak terecht, waar hij kennis maakte met het genre. Hij kocht een shitload aan platen en luisterde deze samen met Jacco Gardner-gitarist Ben Rider in de tourbus. De twee raakten hooked.

“Zullen we gewoon een Turkse discorockband beginnen?” vroeg Verhulst. Stap twee was drummer Nic Mauskovic. Het drietal kwam via Facebook in contact met Erdinç Ecevit Yildiz en Merve Dasdemir, twee muzikanten met ervaring met Turkse traditionele muziek. Ook percussionist Gino Groeneveld van Jungle By Night werd gevraagd en Altın Gün (‘gouden dag’) was geboren.

De ironie wil natuurlijk dat de Turkse muziek uit de jaren zestig en zeventig, die nu functioneert als inspiratie voor hedendaagse bands, destijds op zichzelf al een herinterpretatie was van traditionele folk en westerse rock ’n roll en blues. Een remake van een remake, dus. Met het optreden dat Altın Gün komende vrijdag geeft op Motel Mozaïque in het vooruitzicht, toog ik naar het centrum van Amsterdam, waar ik Ben Rider en Erdinç Ecevit Yildiz tref. Ik vraag me af wat een band ertoe zet om een genre uit vervlogen tijden nieuw leven in te blazen, en hoe dat proces in zijn werk gaat. Onder het genot van een hoop platen de collectie van de band, dat spreekt voor zich.

 

“Ik ben opgegroeid met mijn vaders platen, allemaal seventies rock”, zegt Rider. De gitarist gebruikt regelmatig Engelse woorden in zijn zinnen, als zijn perfecte Nederlands hem incidenteel in de steek laat en hij terug moet vallen op zijn moedertaal. “Bij de Turkse platen die Jasper me liet horen, herkende ik de gitaarriffs meteen, maar dan gemengd met rare maatsoorten en muzikale keuzes die ik zelf nooit zou maken. Het klinkt westers, maar ook totaal weer niet.”

Rider raakt hiermee precies de juiste snaar. Bekende Turkse artiesten als Cem Karaca, Barış Manço en de eerdergenoemde Erkin Koray en Selda Bağcan groeiden op met traditionele Turkse muziek, maar studeerden vaak in Europa. Ze begonnen traditionele Turkse folk te re-arrangeren met westerse instrumenten, zoals drums en elektrische gitaar. Of, juist omgekeerd, ze speelden westerse songs op traditionele instrumenten zoals de saz en de bağlama, en zongen de teksten in het Turks.

 

 

Voor Yildiz, zanger, toetsenist en saz-speler van Altın Gün, was het een ander verhaal. “Ik groeide vooral op met traditionele Turkse muziek. Mijn vader is muzikant en ik ben op vroege leeftijd begonnen met spelen. Maar ik ben hier geboren, dus kwam ook met veel andere invloeden in aanraking. Via projecten op mijn opleiding Podiumkunsten begon ik nieuwe dingen te bedenken.”

Zo is de muziek van Altın Gün niet alleen de bandleden van Jacco Gardner die geïnspireerd raakten door de platenverzameling van Verhulst, gecombineerd de Turkse invloed van Yildiz en zangeres Merve Dasdemir. Net zoals veel van de Turkse psychedelische muziek uit de jaren zestig en zeventig, begonnen de songs van Altın Gün als covers van bestaande nummers uit die tijd (die dus zelf vaak al herinterpretaties waren), die zo worden verbouwd en opnieuw gearrangeerd dat het eigen, nieuwe songs worden.

 

 

Yildiz: “Een origineel Turks nummer is vaak de zang, saz en wat percussie. Als je daar elektrische gitaren, bas en drums aan toevoegt, wordt het meteen een heel ander, meer Westers genre. We begonnen zoals elke band met covers die we vet vonden, met eigen arrangementen over bestaande nummers. We veranderen wel veel, zoals instrumenten en toonladders. Je hoort alleen nog de originele hook en tekst. Het voelt wel echt van ons inmiddels. Dat is het rare.”

Ik zou graag allerlei voorbeelden aanhalen die de band met laat luisteren, maar Altın Gün heeft op het moment van schrijven maar één song online staan volgens bovenstaand recept. Het nummer Goca Dünya is vermoedelijk een oud folknummer. Een bekende opname ervan is van zangeres Handan uit 1959:

 

In 1972, de hoogtijdagen van de Turkse psychrock, herinterpreteerde Erkin Koray de song en maakte er deze versie van:

 

Dit is de versie van Altın Gün:

Overigens is de band wel druk met het schrijven van volledig eigen nummers. Rider: “Het werkt heel ruimtelijk en vrij, eigenlijk. Het is niet gebouwd op alledaagse toonladders of maatsoorten, waar we bijvoorbeeld bij Jacco in de band wel aan gebonden zijn. Het is heel puur en rauw, we jammen op het podium ook veel. Ik moet echt uit mijn comfort zone. Daardoor voel ik dat ik een betere muzikant word. Het spelen van dit genre voelt alsof ik naakt op het podium sta.”

 

 

De Turkse psychrock van weleer staat er, net als zijn westerse tegenhanger, om bekend behoorlijk politiek activistisch te zijn. Zo zat zangeres Selda Bağcan (die van Le Guess Who?) regelmatig in de bak en werd haar muziek zelfs verboden. Turkse protestmuziek heeft een lange historie die tot de dag van vandaag voortduurt (lees hier een uitgebreid artikel daarover). Een andere bekende protestband die in de jaren 70 psychrock maakte die je echt moét horen, is Bunalim.


 
De huidige politieke fittie tussen Turkije en Nederland (dit artikel verschijnt op de dag van het omstreden Turkse referendum) vindt zijn weg echter niet naar de muziek van Altın Gün. Yildiz: “Dat hoeft van ons niet zo. Natuurlijk vinden we, met name Merve en ikzelf door onze Turkse achtergrond, wat van de situatie en maken we ons zorgen. Ik ben in Nederland ook wel bezig geweest rond de spanningen van afgelopen jaren. Maar ik vind dat onze muziek niet om politiek moet draaien.”

 

 

Rider: “Het grappige vind ik, dat het in de jaren zestig hier al een badass tegenbeweging was. Zo’n zelfde beweging in Turkije, met westerse invloeden, zal destijds daar nog veel meer badass zijn geweest.” Het is niet zo dat alle Turkse psych evident protestsongs zijn, merkt Yildiz op: “Het heeft wel echt inhoud, het gaat over wat men in die jaren meemaakte. Maar je zou het niet echt kunnen vertalen. Er is heel veel beeldspraak en poëzie. Het gaat vooral over het normale leven. Dit nummer van Alpay bijvoorbeeld, is uit 1971. Voordat hij muziek ging maken, was hij professioneel voetballer.”

 

 

Rider: “Dit nummer klinkt all over the place voor mij. Ik hoor rockriffs en phasers, maar ook Turkse traditionele toonladders. Dat maakt het zo leuk, zeker als je zelf uit een heel andere wereld komt. Ik snap die herwaardering ook wel, we zien dat zelf ook. Zoals Nic met Mauskovic doet. Onze eerste show was in Pacific Parc in Amsterdam (op 24 november vorig jaar – red.) en we hadden niet verwacht zo’n reactie te krijgen, dat het zo aan zou slaan. Het ging los en iedereen snapte het. Het is alsof de wereld er klaar voor is.”

 

 

En zo luisterden we nog even door. Als mede-muziekneuroot herken je het misschien. Middagen zoals deze bij Altın Gün zijn enorm inspirerend, maar ook confronterend. Het is net reizen: het doet je beseffen dat je met je eigen westerse blik maar een fractie kent van de interessante geschiedenis die je onder je vingers hebt. Daarbuiten ligt nog een enorme muzikale wereld, klaar om ontdekt te worden. En, kwalijk, omdat de sound vaak zo onbekend voelt, heb je de neiging om de in realiteit enorm gevarieerde muzikale traditie van een land op één grote hoop te gooien. Ik kon hier maar een fractie van de Turkse psychrock-geschiedenis langs laten komen. En dan hebben we het nog niet gehad over Turkse freejazz, dreampop of postpunk.

En wat Altın Gün betreft: The Daily Indie kreeg al een preview van een aantal songs dat op het punt staat te verschijnen (die houd je tegoed) én op de festivalagenda. Vertrouw ons als we zeggen dat je moeilijk om Altın Gün heen zal kunnen deze zomer. Hopelijk inspireert het je, zoals Erkin Koray dat op Lowlands ook bij mij deed.

 

Op vrijdag 7 april speelt Altın Gün op Motel Mozaique!

Meer lezen en luisteren? Als je het eenmaal ziet, zie je het ineens overal, dus Strange Sounds From Beyond (wereldmuziekplatform met een festival, magazine en radioshow op Red Light Radio) publiceerde toevallig vandaag ook een artikel en playlist over het ontstaan Turkse psychedelische rock, met nog veel meer info en luistervoer. Ook zie je de band tijdens Eindhoven Psych Lab op 26 mei.

 

Vorige week ging de eerste mixtape online van NOAD en deze week is BARTEK aan de beurt. The Daily Indie telt namelijk af naar het Koningsdagfestival van De Schuit op 27 april. Naast deze twee garagestoners, spelen ook Death Alley en Iguana Death Cult nog.

Maar first things first: want waar komen de mannen van BARTEK mee aan? Wat zijn de nummers die de drie muzikanten graag luisteren op zondagmiddag, in de file, op de brommer en wat zou volgens hen een alternatief volkslied kunnen zijn? Als je net zo nieuwsgierig bent als wij, hoef je alleen nog maar even op play te drukken en daaronder hun comments te lezen!

 

 

Selectie David (bassist/zanger)

1 . Gillian Welch – Revelator

“Voor op de zondagmiddag.”

2 . Cryptopsy – Carrionshine

“Voor op de brommer.”

3 . Sleep – Dragonaut

“Voor het slapengaan.”

4 . Replacements – Unsatisfied

“Voor contemplatie in de file.”

Selectie Bo (drummer)

5 . Armand, The Kik & Lucky Fonz III – Want er is niemand (en nou ik)

“Dit had best het volkslied van Holland kunnen zijn.”

6 . Marilyn Manson – Deep Six

“Los Angeles’ blik sfeer op z’n best.”

7 . Toner Low – Devilbot

“Dan gaan je speakers altijd stuk. Deze staat niet op Spotify, maar is wel noemenswaardig.”

8 . TOPS – Outside

“<3”

Selectie Wessel (zanger/gitarist)

9 . Air – Remember

“Voor altijd.”

10 . Suuns – Powers of Ten

“Gewoon een monstertrack zet je subwoofer aan.”

11 . Blur – Beetlebum

“Een band met honderd goede liedjes maar iedereen zet de hele tijd die ene op.” 

12 . The Datsuns – Blacken my Thumb

“Gaan!”

Als een vlieg op de muur hangt The Daily Indie achterin doorrookte bandbusjes, drinken we bier in smoezelige cafeetjes, slepen we met instrumenten door de stromende regen en glijden we door het hele land naar zalen, festivals en backstages. En in al die uurtjes van reizen, wachten, wachten, wachten en slap ouwehoeren, leer je vanzelf een andere kant van artiesten kennen. Daarom wilden wij weleens een dagje mee met Lucky Fonz III.   

Ik had gehoord dat hij al bijtijds op de hoogte was van mijn komst, want hij kwam mijn vader tegen in Utrecht. Ik heb overigens echt geen flauw idee waar die twee elkaar dan weer van kennen, maar iedereen kent Lucky op een of andere manier. Hij had mijn vader verteld dat ik mee zou gaan op tour. Ik kon dat continu glunderende, blonde koppie al voor de geest halen en ineens had ik er een paar weken voor de show nog meer zin in!

We gaan deze keer dus een dag mee met Lucky Fonz III, ook wel Otto Wichers, ook wel Lucky Fonz III. We pakken een show, ahum, voorstelling mee tijdens zijn theatertour. En wel in: Heerhugowaard, waar Otto met zijn eenmanskaravaan speelt in Cool Kunst en Cultuur. Precies! Wij hebben ook geen idee wat we moeten verwachten. Maar. Je gaat het hieronder allemaal meemaken.

Code Oranje
Het KNMI heeft voor vandaag code oranje voor de westelijke delen van het land afgegeven: mijn wagentje schudt door Amsterdam en de regen slaan van alle kanten tegen het beslagen Suzuki Swiftje. Ik ben op weg naar tourmanager Frits in Amsterdam-West, die mij vanuit daar meeneemt naar het huisje van Otto. Frits vertelt onderweg over het gemis van ‘z’n Amerikaan’, de auto waarmee hij jarenlang door stad en land trok, tot je op een gegeven moment dwars door de vloer heen kon kijken. In een ander slagschip vertrekken we richting het Amsterdamse centrum. Het regent pijpenstelen als we voor zijn deur stoppen in een nieuwbouwflatwijk uit de late twintigste eeuw. Frits belt Otto, die zit nog op de fiets, maar is er bijna. Gekromd van zijn fiets afstappend, loopt hij in zijn licht-vochtige broek na een handdruk snel door naar een stalling met zijn spulletjes. Van boven naar beneden en links naar rechts staat de ruimte van een paar vierkante meter vol met gitaren, cd’s, een elektrische piano, krukjes en microfoons. Otto begint vast heen en weer te lopen met wat tassen, gitaarkoffers en geeft mij een schep aan. “Dat is voor het decor”, beantwoordt hij mijn vragende blik. Oké! Nog even een plasje plegen? Nee, we pakken het eerste benzinestation wel. Tien minuten later krijg ik een vijftig eurocent-muntje van Otto, doen we nog een bak koffie en trekt de auto alweer richting Noord-Holland.

Hè, lekker. Ik zit knus achterin, het zonnetje breekt door en we zijn onderweg! Maar we zitten nog geen minuut op de snelweg, als ik voorin hoor: “Kut, waar is mijn telefoon?!” Nee, toch. Otto doorzoekt zijn zakken, graait onder de stoel, gaat door alle bakken cd’s die in de auto liggen, voelt in zijn tas en nog eens in al zijn zakken. “Bel hem anders even met mijn telefoon”, zegt Frits. Wachten, wachten, wachten. En ja hoor, het authentieke Apple-deuntje schalt door de Honda! “Waar zat ‘ie nou”, vraag ik. “Ja, hij zat toch in mijn jas.”.

 

“Als je zo om je heen kijkt, lijkt het hier een beetje op Texas. Noord-Holland is het Texas van Nederland.”

 

Uitkijkend over de uitgestrekte velden van Noord-Holland, met cafeetjes en pompstations op eenzame kruisingen die nergens vandaan lijken te komen, vertelt Otto dat hij altijd graag in West-Friesland komt. Nuchtere mensen, mooie vrouwen en intimiderende mannen. “Als je zo om je heen kijkt, lijkt het een beetje op Texas. Ja, Noord-Holland is het Texas van Nederland.” Rijdend over de kaarsrechte A9 met een vrije horizon om ons heen, turend naar de eenzame boerderijen in de verte tussen de kale velden en de grote wolken boven ons in de lucht, heeft hij inderdaad de snaar van dit landschap geraakt. Ik pak een krentenbolletje uit mijn tas en Otto wil er ook wel eentje. Eensgezind kauwend waaien we door het landschap richting Heerhugowaard.

Otto zet nog eens cd’tje op. “Ik vind het zelf altijd heel leuk om te weten wat artiesten draaien in hun vrije tijd of als ze onderweg zijn”, zegt hij. Dat komt mooi uit, want daarom ben ik dus mee. We beginnen met de Parels van de Jordaan en schakelen na een paar nummers over op The Flying Burrito Brothers en Captain Beefheart’s Safe As Milk. “Beefheart draai ik dus echt heel vaak in de auto”, zegt hij. Na nog wat van het uitzicht te genieten en wat te kletsen over hoe zijn theatertour verloopt, komen we alweer aan in het omvergewaaide Heerhugowaard. De ruimte voor de loading dock is afgezet met rood-wit lint, want daar is vanochtend een afgewaaid dakpaneel terechtgekomen. Kwamen we later achter. We zetten de auto bij de naastgelegen Lidl en we stappen over diezelfde linten heen om aan te bellen bij het theater. Netjes op tijd beginnen we met het uitladen van de auto en alles past op één simpel karretje. Dat is nog eens een verademing in vergelijking met al die vijfkoppige bands en hun bijbehorende zooi.

 

 

De stagemanagers voeren ons door de doolhofachtige kubus, laten ons de backstage zien en we doen gezamenlijk een bakkie koffie. Koetjes en kalfjes, nog even doorkletsen wat er moet gebeuren vanmiddag, hoeveel kaartjes er zijn verkocht en wat beide partijen van de avond verwachten. Na de korte koffiebreak is het tijd om aan de slag te gaan en daar valt direct op dat het theater wel even wat anders is dan een bandje in een poppodium. Daar flikker je alle instrumenten op het podium, zet je de versterkers aan en ben je al snel klaar als alles ongeveer in balans met elkaar is. Het komt ongelooflijk nauw allemaal, de lichten op het podium moeten tot op de centimeter goed worden gezet, het geluid wordt uitgediept en de totale voorbereiding neemt al snel een uur of drie in beslag.

 

 

Terwijl Frits alles technisch in orde gaat maken in de zaal, nemen we Otto’s middagritueel even door in de kleedkamer. “Ik zal het je laten zien”, zegt Otto terwijl hij zijn tas uitpakt en er cd’s, boeken, rommeltjes en Trachitol uit worden gevist. Als we na tas één bij de kledingtas aan zijn gekomen, wordt de kamer geladen met lichte paniek. Otto is op een of andere manier zijn zwarte broek vergeten en die is cru-ci-aal. “Zonder die broek kan ik het podium niet op vanavond”, zucht hij “Die is namelijk afgestemd op het licht, met de broek die ik nu aan heb gaat het allemaal reflecteren. Dan moet ik zo nog de stad in om een nieuwe te gaan kopen.” Terwijl hij tevergeefs zijn koffer ondersteboven houdt, kijk ik Otto recht in zijn ogen, zie ik dat we precies even groot zijn en gluur ik eens naar beneden. “Ik heb een zwarte Levi’s aan?” De twinkeling schiet weer terug in zijn ogen, binnen twee tellen staan we in onze onderbroeken en wisselen we onze broeken uit. Hij gaat voor de spiegel staan. “Zo, hij past echt perfect! Hij zit ook lekker aan de achterkant en loopt mooi recht af. Ik heb normaal skinny’s en dit is een wat rechtere broek, dat is misschien wel beter eigenlijk.” Terwijl Otto een rondje draait en ik goedkeurend knik, is dit probleempje in ieder geval opgelost.

 

 

Oké! Otto moet verder en graaft dieper in tas één. Uiteindelijk komt er een veertig pagina’s tellend boekwerk vol teksten, aantekeningen, gekleurde strepen en tientallen wijzigingen omhoog. Alles netjes geordend op de make-up-tafel, ritselt hij door de papieren. “Elke middag neem ik het hele script door en maak ik aantekeningen op punten waar het nog net iets beter kan of nog niet helemaal loopt zoals ik dat wil.” Terwijl hij zich richting het bureau draait, keert hij nog eens om. “Ik ben hier ongeveer driekwartier mee bezig en dat doe ik altijd heel geconcentreerd, want ik heb er echt een hekel aan als ik een woordje of zinnetje vergeet”, vertelt hij. “Je mag er wel bij zitten hoor, maar we kunnen dan even niet kletsen.” Beiden schrijvend en bladerend zitten we in de paars-blauwe kleedkamer. Ondertussen ga ik eens kijken of er nog ergens wat te drinken is.

Na driekwartier is Otto inderdaad klaar en wilt hij een ommetje met mij maken. Kijkend naar de bomen die op tien over twee staan, capuchons die van hoofden worden gewaaid en fietsen die in omgevallen domino-rijen liggen, gaan we eerst maar eens even bedenken wat we willen eten. Otto wil namelijk drie uur voor de show eten en dat is een vrij harde eis heb ik al snel door. Vandaag begint de voorstelling om 20:15, dus om 17:15 moet er eten op het bord liggen. We informeren even bij Frits, want diens maag is niet helemaal jofel. Hij is vandaag even geen voorstander van vet, vis of veel vlees. Frits stemt in met Thais en ik laat mij door Otto verrassen met een gerecht, die ondertussen ruzie heeft met de website van Thuisbezorgd.nl. De bezorgdienst houdt de tegen-de-ramen-beukende-regen lekker buiten en we vragen of de bestelling om kwart over vijf bezorgd kan worden. Alright: soundcheck-tijd!

 

 

Als het geluid en het licht tot op de centimeter nauwkeurig staat afgesteld op het podium en in de zaal, is het tijd om boven de witte tas van de Thai leeg te eten die binnen is gebracht. De stilte-voor-de-storm is bijtijds ingezet als we rustig zitten te genieten tussen de witte plastic bakjes. Otto zit wat op zijn telefoon te spelen en we hebben het over de planning van Otto’s volgende plaat. Na koffie en chocola, gaan we nog even naar de kleedkamer, waar ik Otto vraag naar zijn fanclub(!). Hoelang bestaat die al? “Sinds een jaar ongeveer, het is iemand die zo nu en dan een boekje maakt”, zegt hij languit op de bank liggend. Wat staat daar allemaal in dan? “Weetjes, puzzels, nieuws, een quiz, hij stuurt mij soms eens wat vragen op en laatst is mijn zus bijvoorbeeld geïnterviewd. Grappig, hè!” De muzikant heeft dan ook een behoorlijk goede band met zijn fans. “Ik krijg dagelijks wel aardig wat mails van fans en op maandag mail ik die mensen allemaal terug. Het gaat over onuitgebrachte nummers, betekenissen van liedjes enzo. Of dat ik op iemand zijn feestje wil komen spelen of een liedje wil schrijven voor iemands ongeboren zoon. Huwelijksaanzoeken, van alles eigenlijk.”

 

 

We lopen nog een keer beneden om alles nog een keertje te checken. Terwijl hij al zijn mondharmonica’s op précies het juiste plekje legt, wordt het weer duidelijk hoe enorm zorgvuldig Otto zich voorbereidt op zijn shows. “Een beetje neurotisch misschien”, lacht hij. “Maar ik vind het fijn om een beetje routine te hebben rondom een voorstelling. Tijdens de show absoluut niet, maar dat kan ook doordat alles zo goed voorbereid is.” Frits beaamt zijn precisie en doortastendheid: “Hij werkt echt heel hard en neemt overal goed de tijd voor. Hij gaat bijvoorbeeld altijd al vroeg met mij mee naar het theater. Hij kan ook pas rond het eten binnen komen vallen, maar hij houdt zich nauw bezig met de productie. Het is voor mij hartstikke fijn om met iemand samen te werken die het zo serieus neemt.” Inmiddels is alles gereed voor de show en gaan we snel naar boven, want de deuren kunnen elk moment openzwaaien.

 

 

Het is alweer acht uur en het ‘broekruilmoment’ is daar. Met nog vijftien minuutjes voor de show wil Otto even alleen zijn. Frits: “Hij heef echt even zijn focus nodig.” Ik loop de betonnen trappen af van de backstage en zoek een plekje in de roodpluche theaterzaal. Met een opkomst van bijna honderdvijftig bezoekers is het gezellig druk in Heerhugowaard en bestaat het publiek uit begin-twintigers tot en met zestigers. Niet veel later stormt de muzikant op en zijn we begonnen. De show van Lucky zit bomvol grappen en grollen, maar gaat in dertien nummers ook net zo makkelijk naar het ‘depressiefste nummer van de Nederlandse taal’. Of over het afwijzen van het leven, levensproblemen, zelfmoord en een vierhonderd jaar oude mossel zonder WiFi. Verhaaltjes over seks, schoolpsychologen, Hans Klok en liedjes over appen, door moeders gebreide sjaaltjes, verdwenen mensen, pratende lakens en samenwonen. Nogal een emotionele rollercoaster. En terwijl Lucky over het podium kruipt in mijn zwarte broek, zit de twee uur durende voorstelling er al snel bijna op. Een toegiftje nog: Linde Met Een E (wat trouwens – mocht iemand het zich afvragen – geen fictief persoon is, maar zijn vriendin. Misschien moet ik die fanclub-redactie ook maar eens een mailtje sturen), en dan zit het erop.

 

 

Otto wil niet te veel tijd verliezen en staat nog bijna voor de eerste zaalverlaters in het café. Daar krijgen we al snel een biertje in ons handen gedrukt door een alleraardigste stagemanager en verschijnt er al snel een schaal bitterballen onder onze neus (misschien moeten we vaker meegaan naar een theater). Nadat Otto met wat fans staat te kletsen, wat cd’tjes verkoopt en links en rechts op de foto gaat, is ook Frits klaar in de zaal en komt hij er even bij zitten. Terwijl ze naast elkaar op het bankje zitten, voel je direct de bijzonder warme band tussen Frits en Otto. De twee weten elkaar uitstekend aan te vullen en de muzikant is in goede handen bij zijn tourmanager. Otto is soms een beetje een piekeraar, heeft zo nu en dan bevestiging nodig en bekommert zich erg om anderen. Zo ook om Frits, die dat vooral ontzettend attent vindt. “Mijn kinderen zijn bijna net zo oud als Otto”, lacht hij. “Dat is natuurlijk nergens voor nodig, maar ik vind het wel ontzettend lief van hem.” Het is mooi om te zien dat de twee elkaar blindelings weten te vinden. Het duo is alweer acht jaar samen op tour en zijn samen langs alle uithoekjes van het land getrokken. Lekker naar cd’tjes luisterend in de auto en kletsend over het leven en hun belevenissen.

 

 

Zo ook op de terugweg, als de auto weer is ingepakt rond een uur of twaalf. We zoeven door het donkere platteland van Noord-Holland en worden haast vanzelf richting Amsterdam geblazen. Otto wil nog weten wat ik er allemaal van vond en we keuvelen nog wat na een lange dag. In de hoofdstad aangekomen, zetten we eerst Otto af en rijdt Frits door naar huis. De twee gaan nog even een goede nacht rust pakken voordat ze morgen doorgaan naar het theater in Nieuw St. Joostland. Ik stap in de auto naar Rotterdam en verlaat het kleine wereldje van de twee troubadours. Ik mis ze nu al.